Nieuws:

Heb je problemen met het forum? Contacteer Shaddow, redeast of yasu.

Hoofdmenu

Amaranta

Gestart door Mara, 14 maart 2010, 21:01:39

Vorige topic - Volgende topic

Mara

Amaranta

In the arms of the angel,
fly away from here
Westlife ~ Angel

Mara

#1
Proloog: Violet

Heb je er enig idee van hoe het is om jezelf te verliezen?
Heb je er enig idee van hoe het is om ‘s ochtends wakker te worden en je niet meer te kunnen herinneren dat je bent gaan slapen, laat staan dat je nog iets weet van de nacht die achter je ligt?
Heb je er enig idee van hoe het is om een verborgen agenda te hebben? Een verborgen agenda die zo verborgen is dat je zelf niet eens weet dat je hem hebt?
Heb je er enig idee van hoe het is om een dubbel leven te leiden?
Laat mij je het antwoord geven: nee, dat heb je niet.
En ja, dat heb ik wel.
Ik wil je een verhaal vertellen, luister ernaar, als je dat wilt. Ik wil je een kijkje geven in mijn wereld. Maak je klaar voor de reis van je leven!

Mara

#2
1. Violet

Ik werd wakker en rekte me behaaglijk uit. Het voelde als een gewone ochtend. Gewoon - voor mij dan. Ieder ander zou dit waarschijnlijk als de meest bizarre ochtend van zijn leven hebben beschouwd. Maar ik was eraan gewend dat het laatste wat ik me kon herinneren van de vorige avond was dat ik mijn slaapkamerdeur achter me dichttrok. Ik was eraan gewend dat alles daarna n groot zwart gat was, alsof ik van de aardbodem was verdwenen en pas net weer was teruggekomen.
Ik liet mijn blik door mijn kamer gaan. Alles leek gewoon. Mijn kleren van de dag daarvoor uitgehangen over mijn bureaustoel - zonder dat ik me kon herinneren dat ik ze uittrok. De kleren die ik vandaag aan zou doen op het krukje ernaast - zonder dat ik me kon herinneren dat ik ze daar neerlegde. Mijn schooltas met alle boeken voor deze dag keurig ingepakt in de hoek naast mijn bureau - zonder dat ik me kon herinneren dat ik dat deed.
Ik zwaaide mijn benen uit bed en schoof mijn voeten in mijn pantoffels. Met mijn ogen nog half dicht slofte ik naar mijn bureau met mijn laptop erop. Het scherm open geklapt en zwart, precies zoals ik hem had achtergelaten na het maken van mijn huiswerk gistermiddag. Met een routinegebaar zette ik het apparaat aan en bleef geduldig staan wachten terwijl hij opstartte. Mijn bureaublad verscheen en nog voordat de internetverbinding was gelegd verscheen er een pop-up schermpje. Ik las de tekst, die nauwelijks afweek van de tekst in de pop-up schermpjes van de voorgaande dagen. Alleen de naam en het adres waren anders.

Heb je lekker geslapen, Violet?
Jennifer Andersson
Ruhweg 18

Rose


Ik prentte het adres in mijn hoofd en klikte het pop-up schermpje weg.
Ruhweg, dat was dichtbij, gelukkig. Ik had het eerste uur een overhoring van Wiskunde die ik liever niet wilde missen. Als ik snel was haalde ik het net.
Ik nam een korte douche, maakte een lunch klaar en dronk een beker melk. Ik las snel het briefje van mijn ouders dat op tafel lag - dat ze weer eens laat waren en dat ik niet op ze moest wachten, mijn eten stond in de koelkast - en sprong op mijn fiets.
Zonder n blik op de kaart te werpen fietste ik naar de Ruhweg, de route zat al in mijn hoofd. Zonder naar de huisnummers te kijken wist ik waar ik zijn moest. Er waren uitzonderlijk veel ambulances vandaag, terwijl ik toch echt maar één naam had gelezen. Wat vooral opviel was het blauw tussen al het fel oranje: wat deed de politie hier?
Terwijl ik mijn fiets tegen een boom gooide vloekte ik inwendig. Dit kon nog wel eens lastiger gaan worden dan ik in de eerste instantie had gedacht. Zoals te verwachten had zich al een hele menigte om het huis verzameld, sensatiezoekers die dachten hier wat opwinding te vinden. Ik werkte me met behulp van mijn ellebogen naar voren, af en toe boos aangekeken door de omstanders die halsreikend probeerden te zien wat er aan de hand was. Ten slotte lukte het me toch om op de eerste rij terecht te komen. Naast me stond een gezette, al wat oudere vrouw in bloemetjesjurk met uitgelopen mascara door de tranen die angstig naar de openstaande deur staarde.
Ik volgde haar blik, en precies op dat moment kwamen er een stel ambulancemedewerkers achteruit naar buiten. Ze trokken een brancard met een afgedekt lichaam erop. Het enige wat zichtbaar was waren een paar plukken donker, bebloed haar die onder het smetteloos witte laken uitstaken. Achter de brancard liep een politieagente, haar arm om een klein meisje geslagen dat snikkend en met haar handjes voor haar gezicht geslagen naar buiten kwam lopen. Ze was nog in roze streepjespyjama en hield een knuffelpony dicht tegen zich aangeklemd.
Ik slikte een brok weg en binnen in me ontwaakte een sterke drang om te maken dat ik hier weg kwam. Ik wilde dit niet zien, ik wilde dit niet weten. Ik wilde wegrennen en mijn hoofd onder mijn kussen verstoppen, net zolang totdat alle beelden uit mijn hoofd waren weggevaagd en ik mijn leven weer op zou kunnen pakken. Eenzelfde leven als elk ander meisje van mijn leeftijd.
Maar terwijl dat door mijn hoofd schoot wist ik al dat ik dat nooit zou kunnen. Ik zou hier niet weg kunnen voordat ik tot op de bodem had uitgezocht wat hier aan de hand was. Dan kon ik het maar beter snel doen ook!
Ik had wel door dat de menigte om me heen niet veel wist en alleen maar zelf naar antwoorden zocht, dus wurmde ik me weer door de mensenmassa door naar achteren, waar de brancard net in één van de ambulances getild werd en het meisje door de agente achter in de auto werd geleid. Even leek ze me vanonder haar donkere pony recht aan te kijken waarbij ze haar grote donkere ogen in de mijne boorde. Ik keek snel weg, ik wilde haar niet per ongeluk wat aandoen...
Ik haalde diep adem en stapte op de agente af. 'Mevrouw?' Vroeg ik haar en probeerde er verbaasd en beduusd uit te zien. De agente keek verstoord op en haar ogen stonden afwijzend toen ze me toeknikte. 'Ja? Wat is er?'
'Ik ben... Leny. Leny Andersson. Mijn tante, Jennifer, woont hier. Kunt u me zeggen wat er aan de hand is?' Meteen toen ik die woorden had uitgesproken wist ik dat ik een fout had gemaakt. Ik kon alleen niet weten wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
De agente kneep haar ogen samen en keek me achterdochtig aan. Ze slikte mijn verhaaltje niet voor de zoete koek waar ik op gehoopt had. 'Leny? Is mevrouw Andersson jouw tante? In dat geval kan je misschien beter even meekomen naar het bureau.'
Dit ging mis, dit ging helemaal mis. Ik probeerde me eruit te redden door de rol van onwetendheid aan te nemen, maar ik wist al dat het niets meer zou uithalen. Ik was te onvoorzichtig geweest, nu zou ik de consequenties moeten aanvaarden. Maar als ik te weten kon komen wat er aan de hand was, zou ik hier weg kunnen.
'Maar...' stamelde ik, mijn ogen groot van schrik. 'Maar wat is er dan gebeurd? Ik wilde haar alleen even opzoeken, en toen trof ik dit aan!' Ik gebaarde zwakjes naar de menigte achter me, en de politieagenten die de mensen weer terug hun huizen in probeerden te praten.
'Volgens mij begrijp jij niet precies wat er aan de hand is, meisje.' Zei de agente en ze pakte me bij mijn arm. 'Ga maar even mee naar het bureau, dan praten we daar alles uit.' Ik zuchtte en rolde met mijn ogen, maar ik liet me gewillig meevoeren. Ik kon maar beter niet nog meer problemen maken dan ik al had.

Een kleine tien minuutjes later stopte de politieauto voor het indrukwekkende hoofdkantoor in het centrum. Het meisje naast me had vertrouwelijk mijn hand vastgepakt en keek me nu met grote ogen strak aan. Ik probeerde niet te intens terug te kijken, bang voor wat er zou kunnen gebeuren. Ze had nog steeds niets tegen me gezegd, hoewel ik herhaaldelijk gevraagd had hoe ze heette. 
De politieagente deed het portier aan mijn kant open en ik stapte uit. Het meisje klom achter me
aan en pakte meteen toen we de auto uit waren mijn hand weer vast. We gingen achter de agente aan de steile trappen op en liepen de grote, koele hal binnen. Meteen werden we meegevoerd naar achteren, naar een klein, bedompt verhoorkamertje. Ik was net gaan zitten, toen de agente naar de deur gebaarde. 'Miley, wil jij even naar buiten gaan? Dan kan ik even met Leny praten. Je mag zo weer naar binnen, goed?'
Zonder iets te zeggen stond het meisje op en liep naar buiten. Ik bleef alleen achter en voelde me verloren.
'Goed.' De agente keek nu weer boos naar mij. 'Laten we even duidelijkheid scheppen in deze warboel, want je weet niet waar je het over hebt. Jennifer Andersson is vijftien jaar oud, woonachtig op Ruhweg 18 en vanochtend dood in haar bed aangetroffen door haar zusje Miley. Ze waren alleen thuis en Miley wilde haar grote zus wakker gaan maken. Toen ze de kamer binnenkwam trof ze Jennifer aan met snijwonden over heel haar lichaam, een ingeslagen schedel en een aantal gebroken ledematen. Het kind is in paniek naar de buren gegaan en die hebben het alarmnummer gebeld.'
Terwijl de agente haar verhaal hield ben ik wit weggetrokken. Dit gaat fout, fouter dan fout. Maar ik wist wat ik weten moest, ik voelde dat ik mijn eigen beslissingen weer kon nemen en dat ik de macht over mijn leven weer terugkreeg. Het is tijd, tijd om te gaan.
Ik concentreerde me en wierp de agente tegenover me een intense blik toe, en ze was machteloos in mijn handen. Haar mond viel open en haar hoofd viel naar voren op haar borst. 'Sta op.' Beval ik haar, en ze gehoorzaamde me onmiddellijk.
Ik begon snel en op fluistertoon op haar in te praten. 'Luister. Je gaat zo direct alles vergeten wat met mij te maken heeft. Alle herinneringen waar ik in voorkom worden uit je geheugen gewist.' Ik hoopte maar dat ze mij nog nooit eerder gezien had op een cruciaal moment, ik wilde haar leven niet ingrijpend veranderen.
'Ik knip zo direct met mijn vingers, dan wordt je wakker en zal je alles vergeten zijn. Je zal mij zien, maar je herkent me niet en denkt dat ik één van de medewerkers hier ben. Als ik weg ben zal je ook mijn aanwezigheid hier vergeten.'
Ik knipte met mijn vingers en het leven keerde terug in de ogen van de agente. Even was ze van haar stuk gebracht en keek ze gedesoriënteerd om zich heen, kreeg ze mij in de gaten en glimlachte ze naar me. 'Zou je het meisje dat buiten zit even binnen willen roepen, eh...'
'Violet.' Vulde ik haar behulpzaam aan. Het kon geen kwaad meer om haar mijn echte naam te vertellen. De agente knikte me vriendelijk toe toen ik de deur achter me dichttrok en stopte een vuilblonde haarlok achter haar oor. Op een plastic stoel naast de verhoorkamer zat Miley, nog in pyjama en met haar knuffel op haar schoot. 'Ga maar naar binnen.' Zei ik haar vriendelijk en gaf haar nog een aai over haar hoofd. Het was niet nodig haar geheugen te veranderen, gelukkig.
Toen Miley naar binnen was en ik alleen op de gang stond wierp ik een blik op mijn horloge en zuchtte. Voor Wiskunde was ik toch al te laat, dan maar geen school vandaag. Ik vond dat ik ook wel een opkikkertje verdiend had na zo'n bewogen ochtend - ik werd niet elke dag door de politie opgepakt!
Ik liep het gebouw uit en bleef boven aan de trappen even staan. Ik had eigenlijk geen idee waar ik naartoe wilde. Als het maar ergens was waar ik na kon denken, want onderbewust had ik al een besluit genomen. Het besluit dat ik uit zou zoeken wat er met me aan de hand was. Want dat er iets was, daar kon ik niet omheen.
Uiteindelijk kwam ik toch weer op de meest voor de hand liggende plek terecht: de haven. De haven had me altijd al een heerlijk gevoel van rust gegeven. Een neutrale plek in de woeste, wrede wereld om me heen die me af en toe uit elkaar leek te trekken. Met mijn rug tegen een meerpaal, mijn benen bengelend over de rand van de kade en mijn ogen gesloten dacht ik na. Ik dacht na over de gebeurtenissen van deze dag en van de dagen daarvoor. En ik dacht na over mezelf. Over alles wat vreemd aan mij was, en hoe dat alles was begonnen.
Ik was niet mijn hele leven anders geweest. Tenminste, niet op de manier waarop ik nu anders was. Ik was als klein kind wel altijd al... gesloten geweest. Niemand kon echt hoogte van me krijgen, zelfs mijn eigen ouders wisten eigenlijk nooit precies wat er in me omging. Ik zocht nooit uit mezelf toenadering tot iemand en moest niets van mensen hebben.
Van niemand, op één persoon na. Mijn ouders noemden hem, achter mijn rug om, mijn 'lucky little big friend,' ik noemde hem bij zijn echte naam: Pink.
Pink en ik waren onafscheidelijk vanaf het moment dat wij elkaar ontmoetten. We waren altijd samen. Vaak werden we voor een tweeling aangezien, en niet zonder reden. We waren precies even oud, op dezelfde dag geboren, Pink alleen één minuut eerder. Daar pestte hij me dan ook voortdurend mee. En ik moet eerlijk toegeven dat het op sommige momenten ook duidelijk merkbaar was dat Pink ouder was, soms leek hij net jaren ouder dan ik, en eerder mijn grote broer dan mijn beste vriend.
Ook qua uiterlijk leken we als twee druppels water op elkaar. Dezelfde goudblonde, krullende haren, dezelfde grote, open, viooltjesblauwe ogen en hetzelfde smalle, altijd lijkbleke gezichtje. Toen we klein waren werden we vaak de 'tweelingengeltjes' genoemd. Toen we groter werden zijn ze daarmee opgehouden, Pink werd altijd woest als iemand hem zo noemde.
Sinds het ogenblik dat we elkaar vonden lieten we elkaar niet meer gaan. Pink was alles voor me, hij was mijn zon waar mijn hele leven om draaide. Elk moment dat ik niet bij hem was - en dat waren er weinig - verlangde ik naar zijn aanwezigheid. Hij was de enige die me kon troosten als ik verdrietig was en de enige aan wie ik al mijn geheimen kwijt kon. Ik had geen idee hoe ik zonder hem verder zou moeten gaan als hij uit mijn leven zou verdwijnen.
En dat was precies wat er gebeurde.
Ik was zestien toen hij verdween. Toen hij ruw uit mijn leven vertrok, na zestien jaar van een vriendschap die dieper ging dan welke vriendschap tussen welke twee mensen op aarde dan ook. Het enige wat hij voor me achterliet was een ketting en een briefje.
Mijn hand sloot zich automatisch om mijn nek waar een zilveren kettinkje met een hartje eraan bungelde. Mijn vingers vonden moeiteloos het kleine knopje aan de zijkant en toen ik het indrukte sprong het hartje open. Er viel een vergeeld briefje uit dat bijna uit elkaar viel door de vele malen dat het open- en dichtgevouwen, verfrommeld en weer gladgestreken en gelezen was.

Lieve Violet,
Ik weet wat ik je aandoe. Maar geloof me: dit is het beste voor je. Op een dag zal je me dankbaar zijn. Ik vraag je niet het te begrijpen, ik vraag je alleen om te proberen me te vergeven.
Ik hou van je,
Pink


Zijn laatste woorden hebben mijn hart gebroken, en ik weet zeker dat hij wist wat hij me aandeed. Hij wist hoe belangrijk hij voor me was, en ik was ervan overtuigd dat ik net zo'n essentiële plaats in zíjn leven innam als hij in het mijne. Blijkbaar had ik me daarin vergist. Ik zou hem nooit zoiets aan kunnen doen, onder geen enkele omstandigheid. Mijn vertrouwen in mensen was vanaf dat moment tot ver onder nul gedaald.
Vanaf dat moment veranderde heel mijn leven. Ik zonderde me nog meer af en had haast geen contact meer met de buitenwereld. Ik sloot me op in mijn kamer en lag urenlang op mijn bed naar het plafond te staren en muziek te luisteren. Mijn ouders hadden wel door dat er iets met me aan de hand was, maar ze besteedden nauwelijks aandacht aan me. Niet dat ze dat ooit gedaan hadden...
Door zijn verdwijning leerde ik ook  de kracht in mezelf kennen. Ik had mensen altijd al goed naar mijn hand kunnen zetten, ze kunnen laten doen wat ik wilde. Maar Pink´s verdwijning maakte iets veel en veel sterkers in me los. De gave om te hypnotiseren. Daar bleek ik nog veel voordeel van te hebben...
Dat was ook het moment waarop ik begon te vergeten. Het moment waarop de nachten uit mijn leven geschrapt werden en ik me er ´s ochtends niets meer van kon herinneren. En het was ook het moment waarop mijn dwangmatige neiging ontstond. Onwillekeurig moest ik elke ochtend voordat ik iets anders ondernam mijn laptop aanzetten, en elke ochtend verscheen het pop-up schermpje, altijd met dezelfde tekst en altijd met een andere naam en adres. Elke ochtend moest ik langs dat adres fietsen. En elke ochtend was daar ´s nachts, de nacht die ik me niet meer voor de geest kon halen, een moord gepleegd, op de meest uiteenlopende wijzen. Al werden ze steeds erger. Waren het eerder kogels door het hoofd of ophanging, vandaag was het lijk ernstig verminkt en erger toegetakeld dan nodig is om iemand te vermoorden.
En dan was er ook nog de naam die onder de mysterieuze boodschappen stond. Rose. Wie was zij? Mijn plaaggeest, mijn onzichtbare meesteres die me in haar macht had en die me kon laten doen wat ze wilde. Ik was een speelbal in haar handen, haar marionet.
Haar boodschappen waren ook haast een verslaving voor me, een obsessie eerder. Maar dan een onvrijwillige. En een krachtige.
Ik was vastbesloten om uit te zoeken wat er met me aan de hand was. En ik was vastbesloten om uit te zoeken wat er met Pink gebeurd was. Ik zou hem niet zomaar uit
mijn leven weg laten gaan.

Een krap uurtje later stond ik weer op en voelde het bloed weer terugstromen in mijn stijve benen. Zonder me te haasten begon ik weer richting Ruhweg te lopen. Ik had mijn fiets daar laten staan toen de agente me had meegenomen en die wilde ik graag weer terug.
Huisnummer 18, waar tot voor kort Jennifer Andersson nog had gewoond, lag er stil en verlaten bij. Ik durfde er niet lang naar te kijken, bang voor wat het lege huis me te vertellen had. Ik raapte mijn fiets weer op en fietste terug naar huis met een snelheid alsof de duivel zelf me op de hielen zat. Mijn eigen huis was ook verlaten, maar ademde een vriendelijkere en vertrouwde veilige sfeer uit.
De rest van de dag ging als in een roes voorbij. Ik probeerde me op verschillende dingen te concentreren maar kon mijn aandacht nergens bij houden. Toen ik honger kreeg gooide ik een diepvriespizza in de oven en at hem op zonder er iets van te proeven. Het enige moment dat ik emotie voelde was toen ik naar boven liep en even voor mijn dichte slaapkamerdeur bleef staan. Ik wist precies wat zich daarachter bevond - en tegelijkertijd had ik er geen idee van.
Ik trok de deur open, keek mijn vertrouwde kamer in en stapte de drempel over.

Mara

#3
1. Rose

Ik voelde hoe mijn lichaam begon te schokken en genoot van de hevige trillingen die door heel mijn lijf trokken. Ik voelde mijn lichaam veranderen, dodelijker worden. Ik kende mijn krachten en was elke keer weer blij dat ik mijn zwakke, weke lichaam kon afleggen en deze verschijning aan kon nemen.
Toen mijn transformatie compleet was tilde ik mijn oude lichaam op en legde het voorzichtig op het bed, ervoor hoedend het niet per ongeluk te beschadigen. Hoe erg ik dat zwakke wezen ook verafschuwde, zonder dat was de dag voor mijn niet meer toegankelijk. Ik keek nog even naar de blonde krullen die over het hoofdkussen lagen uitgespreid en naar de grote, viooltjesblauwe ogen die nietsziend omhoog staarden.
Ik was de tegenpool van dit meisje, in alle opzichten.
Haar haren blond en krullend, de mijne steil en diepzwart.
Haar ogen groot, rond en viooltjesblauw, de mijne amandelvormig en van dezelfde kleur als mijn haar.
Zij klein en zwak, ik lang en dodelijk.
Zo anders, en toch zo hetzelfde...
Ik wiep in mijn spiegel aan de muur een blik op mezelf en knikte goedkeurend. Ik droeg een strak, zwart, latex pak dat tot op mijn polsen en enkels reikte, hoog om mijn keel sloot en me bijna helemaal bedekte. Hoge zwarte laarzen met stilettohak maakten het plaatje af. Ik was onzichtbaar, ik was onweerstaanbaar, ik was dodelijk...
Ik schudde wild met mijn hoofd om me uit mijn overpeinzingen te trekken. De nacht was nog jong, maar ik moest aan de slag. Ik had een taak te volbrengen.
Ik schoof het raam open en een vlaag koude nachtlucht waaide mijn kamer binnen. Ik snoof diep en vulde mijn longen met de geuren van de nachtelijke stad. Na een laatste blik op het roerloze lichaam op het bed sloeg ik mijn benen over de vensterbank en liet me in het niets naar beneden vallen. Het was maar een kleine sprong - niet meer dan een meter of twee, tweeënhalf - en ik landde geruisloos op mijn hurken. Ik drukte me onmiddellijk plat tegen de muur achter me en leek ermee te versmelten. Niemand zou me zien vannacht. Ik zou geen sporen achterlaten.
Mijn slachtoffer had ik al uitgekozen: Allison Jäger. Ze was,  net als ik, zestien en ze woonde op de Apolloweg 54. Vannacht was ze alleen thuis: haar ouders waren naar een balletvoorstelling en zouden daarna bij vrienden blijven slapen. Ze zouden de moord op hun dochter pas 's middags merken. En dan zou het te laat zijn. Sommige dingen zijn onomkeerbaar, en de dood is daar één van.

Van schaduw naar schaduw bewoog ik me voort door de haast verlaten straten. Bij elke eenzame gestalte die ik tegenkwam moest ik mijn dorst naar bloed verder bedwingen. Ik verlangde naar de moord die ik op het punt stond te gaan plegen.
Toen ik aangekomen was bij de Apolloweg 54 bleef ik staan en keek omhoog langs het flatgebouw. Mijn slachtoffer bevond zich op de vijfde verdieping, nu nog diep in slaap.
Ik likte opgewonden langs mijn lippen en wreef in mijn handen. 'Allison, jouw laatste uur heeft zojuist geslagen.' Mijn woorden woeien mee met de wind zodra ik ze had uitgesproken. Ik kon ze haast langs de betonnen muren omhoog zien kronkelen, vooruitlopend op de weg die ik zou gaan volgen.
Ik liep naar het gebouw toe tot ik een meter van de betonnen muur vandaag was. Een kleine aanloop was voldoende om me de kracht te geven tegen de muur omhoog te schieten. Handig  gebruik makend van de balkons klom ik verder omhoog totdat ik tenslotte op het balkon van de vijfde verdieping bleef staan. Ik had mijn adem nog even goed onder controle als toen ik beneden stond en terwijl ik mijn lange vlecht over mijn schouder gooide liep ik naar de dichte balkondeuren. Een zacht tikje met mijn vingernagel op het glas was voldoende om de glazen ruiten rinkelend in te laten breken. Het geluid van vallend glas werd bijna onmiddellijk gevolgd door een hoge meisjesschreeuw. Ik hoopte maar dat de appartementen niet heel gehorig waren - één moord was wel genoeg voor vanavond.
Voorzichtig stapte ik tussen de glasscherven door de kamer in. Het was er volkomen donker, maar ik zag alles als was het een zonnige dag. Allison zat rechtop in bed en keek me dodelijk verschrikt aan, alsof ze al wist wat het lot voor haar in petto had. Langzaam liep ik naar het meisje toe en pakte haar arm vast. Ze deinsde terug, maar ik boorde mijn nagels in haar arm en trok haar het bed uit. Ze stootte een zacht kreetje uit en haar ogen werden nog groter toen haar bloed over haar arm en mijn hand stroomde.
Ik onderdrukte de neiging er meteen een einde aan te maken en voerde het meisje ruw mee naar de woonkamer, nog steeds zonder iets te zeggen. Ze ging gewillig mee, maar aan de gespannen spieren in haar arm kon ik haar doodsangst voelen. En ik gebruikte die en voelde mijn krachten groeien.
Ik keek zoekend om me heen. Ik bedacht nooit van tevoren hoe ik een moord ging plegen, dat was iets wat ik ter plekke moest bekijken.
Mijn blik viel op een enorme kroonluchter die in het midden van de kamer hing en bijna het hele plafond in beslag nam. Van de kroonluchter ging mijn blik naar Allisons lange haren en naar haar ogen, die mijn blik gevolgd hadden en mijn plan voorspelden.
Mijn gelukzalige, satanische lach toen ik Allisons voeten heen en weer zag schoppen werden overstemd door het gegil van het meisje, dat met handen die onder het bloed zaten wild naar haar hoofd greep. Helaas duurde het maar kort: al na een seconde of tien schoot ze los en belandde met haar hoofd tegen de punt van de tafel. Ze bleef doodstil liggen. Ik knielde boven haar neer en draaide haar gezicht naar me toe zodat ze me kon zien. Ik zou het laatste beeld zijn voordat ze haar ogen voorgoed zou sluiten. Het meisje keek me smekend aan en haar lippen vormden geruisloze woorden. Maar ook zonder dat ze werden uitgesproken wist ik wat ze me wilde vragen. Soms kan de dood een opluchting zijn. En ik zou haar laatste wens respecteren. Ik was niet altijd even wreed. Mijn handen sloten zich automatisch om de keel van mijn slachtoffer. Een kleine krachtsinspanning, een laatste stuiptrekking en ik hiel Allisons levenloze lichaam in mijn armen. 'Zie je wel,' mompelde ik terwijl ik mijn lippen tegen Allisons bebloede hoofd drukte.
'Zie je wel.' Ik richtte mijn hoofd, keek door het raam naar buiten waar de volle maan aan de hemel stond en likte mijn bebloede lippen.
'Zie je wel wat je me hebt aangedaan. Zie je wel in wat een monster je me hebt veranderd, Pink. Zie je wel waar je toe in staat bent!' En terwijl mijn woorden wegstierven boog ik mijn hoofd weer over het lichaam van het meisje.

Toen ik terugliep naar mijn eigen huis begon het in het oosten al lichter te worden, het zou  niet lang meer duren voordat de stralen van de zon de veilige schaduwen van de nacht in het niets zouden doen oplossen. Maar het maakte voor mij niet meer uit, mijn taak was volbracht. Ik was klaar, de rest liet ik aan Violet over. Zij was degene die het uiteindelijk af moest maken.
Ik klom weer door mijn nog steeds open raam naar binnen en liet me in één soepele beweging in lotushouding op de grond zakken. Ik bleef bewegingsloos zitten, wachtend op de zonnestralen die me dit lichaam weer zouden ontnemen. Dat moment kwam altijd sneller dan ik wilde. Zodra de eerste zonnestraal over de stad viel en door het raam op mijn lichaam begon er een gloed van me af te stralen. Ik begon in mijn geheel te gloeien, zowel van buiten als van binnen. Mijn bloed leek te veranderen in pure zonneschijn en begon zich een weg door mij heen naar buiten te knagen. Dat hele proces duurde maar een fractie van een seconde: toen had het licht dat als gif door mijn aderen stroomde zich een weg uit mijn lichaam gebaand. Ik leek te exploderen en het licht leek aan alle kanten uit me te stromen, alle stralen met hetzelfde doel: het lichaam op het bed, Violets lichaam, dat er nog precies zo lag als ik het had achtergelaten.
En terwijl het licht en daarmee ook het leven weer in het meisje terugkeerde voelde ik het uit mij wegvloeien en mijn lichaam oplossen in het niets, waar het zou blijven wachten tot de volgende nacht.

Mara

2. Violet

Heb je lekker geslapen, Violet?
Allison Jäger
Apolloweg 54

Rose


Ik kneep in mijn remmen en stopte op de stoep voor het flatgebouw. Apolloweg 54, het adres van vandaag. Allison Jäger heette ze, de persoon die vannacht vast en zeker op gruwelijke wijze was vermoord.
Tot mijn verbazing was de Apolloweg verlaten. Geen ambulances, geen politie, geen opgewonden menigte. Misschien was dat alles al geweest, dan had ik een probleem. Maar misschien - en een stemmetje binnen in me zei me dat dat het geval was - was de moord op Allison nog helemaal niet ontdekt.
Ik zette mijn fiets tegen de betonnen muren van het flatgebouw en belde aan bij nummer 54, vijf hoog woonde ze. Ik kreeg geen reactie. Ik deed een paar stappen terug en telde de balkons tot ik die van Allison gevonden had. Ik wist meteen dat het de goede was: zelfs vanaf de grond was duidelijk zichtbaar dat het glas van de deur was ingeslagen en de gordijnen - die van oorsprong wit waren maar nu  bedekt met donkerrode vlekken waarvan ik wel kon raden wat het was - wapperden wild in de wind. Ik liep terug naar het voorportaal en belde aan bij een willekeurig huis. Na een paar seconden ging de intercom krakend aan en bleef licht ruisen terwijl hij de breekbare stem van een oude vrouw ten gehore bracht. ‘Hallo?’ Kraakte de intercom. ‘Hallo, wie is daar?’
Ik leunde iets naar voren en sprak in de luidspreker, duidelijk articulerend. ‘Goedemorgen. Ik ben Violet Bodegrave, en ik verkoop loten voor Free Woman. Wij willen ervoor zorgen dat alle vrouwen overal ter wereld een vrij bestaan hebben met de rechten waar ze recht op hebben. Mag ik even binnenkomen?’
De vrouw - overdonderd door mijn speech - zei niets, maar de voordeur zwaaide met een zacht klikje open en onthulde het inwendige van het gebouw. Ik nam de lift naar de vijfde verdieping en had nummer 54 zo gevonden. Allereerst controleerde ik de deur, maar die zat potdicht en vertoonde geen enkel teken van inbraak. Ik viste een stukje ijzerdraad uit de zak van mijn broek, stopte dat in het sleutelgat en wrikte wat heen en weer. Bijna onmiddellijk schoot de deur uit het slot en zwaaide langzaam verder open. Met een licht gevoel van triomf stopte ik het ijzerdraadje terug. De meeste mensen hadden er geen idee van hoe weinig moeite het koste om hun huis binnen te komen.
Ik voelde geen angst terwijl ik het huis binnen liep, hoewel ik wist dat er ergens een lijk lag dat er waarschijnlijk vreselijk aan toe was. Wel voelde ik me een beetje schuldig. Schuldig dat ik de privacy van de bewoners van dit huis schond, maar op de één of andere manier voelde ik me ook schuldig over de moord op Allison. Alsof ik daar op de één of andere manier iets mee te maken had…
Ik begon de kamers systematisch te doorzoeken. De keuken, een slaapkamer met een tweepersoonsbed - onbeslapen -, de badkamer. Allemaal leeg. Pas in de vierde kamer was het raak. Het was een slaapkamer, die met het balkon. De dekens op het bed waren omgewoeld en op het onderlaken zaten opgedroogde bloeddruppels. Maar een lichaam was nergens te bekennen.
Mijn blik viel op nog meer bloeddruppels die met onregelmatige tussenafstanden een spoor over het tapijt trokken. Terwijl ik het spoor volgde betrapte ik mezelf erop dat ik een kriebelig, gespannen gevoel onder in mijn buik voelde opkomen. Ik schrok er haast van: vond ik dit nou echt spánnend? In dat geval was ik eigenlijk geen haar beter dan de moordenaar waar ik achteraan liep…
Het gevoel was echter op slag verdwenen toen ik de woonkamer in kwam en het lichaam van Allison zag liggen. Ze was ongeveer even oud als ik, en ze was dood. Ze lag half onder een houten tafel waarvan één punt bedekt was met korsten opgedroogd bloed. Boven de tafel hing een immense kroonluchter die aan één kant losgeschoten was en gevaarlijk scheef hing, alsof hij elk moment naar beneden kon vallen.
Verdoofd liep ik op het levenloze meisje af en knielde naast haar neer. Ze lag op haar zij met haar gezicht omhoog en staarde met koude, gebroken ogen waar de doodsangst nog in te lezen stond naar het plafond. Haar nachtkleding en haar gezicht zaten vol met dikke korsten opgedroogd bloed, vooral haar hoofd had het zwaar te verduren gehad. Voorzichtig streek ik wat haarlokken opzij die voor haar ogen hingen, en tot mijn schrik hield ik plots een pluk bebloed haar in mijn hand. Ik trok aan een andere lok, die zonder enige weerstand te bieden loskwam van Allisons hoofdhuid.
De optelsom was snel gemaakt, de stukjes van de puzzel vielen in elkaar en in mijn hoofd vormde zich een reconstructie van de moord op Allison Jäger. Het gevoel dat er een last van mijn schouders viel en dat ik weer vrij was vertelde me dat ik goed zat.
Zonder nog één blik op Allison te werpen draaide ik me om en stormde het appartement uit. Ik trok de voordeur achter me in het slot en rende de trappen af zonder het geduld op te brengen de op de lift te wachten. Ik wilde daar zo snel mogelijk weg, Allisons dood had meer bij me losgemaakt dan ik wilde. Ook toen ik buiten was had ik geen rust. Een opgejaagd gevoel nestelde zich in mijn borst en dreef me verder. Ik sprong op mijn fiets en begon in een moordend tempo te trappen, zonder na te denken. De harde wind blies door mijn hoofd en voerde al mijn gedachten met zich mee. Zonder enig besef van tijd of plaats bleef ik fietsen, eerst snel maar daarna steeds langzamer, tot ik tenslotte stil bleef staan en mijn voeten aan de grond zette.
Ik had geen idee waarom ik juist dáár stil was blijven staan, de ongelukkigste plek die ik had kunnen uitkiezen. Alles was goed geweest, elke plek, maar niet die. Die riep teveel herinneringen bij me op, herinneringen die ik zorgvuldig achter slot en grendel had opgesloten en nooit meer tevoorschijn wilde halen.
Eerst herkende ik het niet, maar al snel sloeg de bom in. De smalle straatjes, de slecht onderhouden, grauwe huizen. Hier woonde Pink. Woonde, dat wel.
Ik wist nog precies waar zijn huis was, en ik wist ook nog precies wanneer ik er voor het laatst geweest was. Dat was bijna een jaar geleden, op de dag dat Pink verdween. En hoewel ik mijn best deed de herinneringen tegen te houden voelde ik de deur waarvan ik de sleutel had weggegooid op een kiertje opengaan en stroomde de herinnering mijn hoofd binnen.

Het was midden in de nacht, iets over twaalven. De nieuwe dag, 18 maart, was pas een paar minuten oud. Ik en Pink waren net een paar minuten zestien. Het was een ritueel dat elk jaar herhaald werd: ik sloop door het donker naar zijn huis waar we samen onze verjaardag vierden. We hadden het er niet over gehad - dat deden we nooit - maar ik ging ervan uit dat we het dit jaar hetzelfde zouden doen als altijd.
Zijn cadeau, dat in mijn broekzak zat, hield ik stevig vast. Ik had er lang over nagedacht wat ik hem zou geven. Het moest iets zijn wat liet zien hoe bijzonder hij voor me was, het moest speciaal zijn. Maar ook niet te cliché. Bovendien was het al vaak voorgekomen dat we precies hetzelfde voor elkaar hadden gekocht. Maar wat ik nu voor hem had was perfect - en uniek.
Bij Pink’s huis aangekomen gooide ik een steentje tegen zijn raam om hem te laten merken dat ik er was. Ik kon niet aanbellen, dan zouden zijn ouders wakker worden.
Maar het bleef donker achter de gordijnen, ook toen ik nog meer steentjes gooide. Ik pakte mijn mobieltje en drukte op de snelkeuzetoets om Pink te bellen, maar ik kreeg meteen zijn voicemail. Ten einde raad belde ik toch maar aan. Al voorbereid op een stortvloed van boze woorden en verwensingen stond ik op de stoep en probeerde een goed excuus te verzinnen. Maar ik maakte me zorgen om niets. Er werd niet opengedaan. Een onbehaaglijk gevoel nestelde zich in mijn borst en kroop door mijn keel omhoog. Pink zou het me gezegd hebben als hij weg was, dat wist ik zeker. Er was iets mis, en niet zo’n klein beetje ook!
Het begon me te duizelen en ik liet me met mijn rug tegen de deur leunen - die onmiddellijk naar binnen open zwaaide. Verbaasd liep ik het huis binnen. Was dit een of andere grap van Pink? Ik kon het niet geloven, dat was niets voor hem.
Mijn gevoel dat er iets mis was werd nog versterkt toen ik de trap naar boven opliep. Ik kende dit huis even goed als het mijne - maar nu leek het net alsof ik een vreemd gebouw binnen was gelopen. Een gebouw aar niet gewoond werd, dat stond vast. De foto’s die aan de muren hadden gehangen - de meeste van mij en Pink toen we klein waren - waren allemaal verdwenen.
Ook Pink’s kamer was verlaten en lag er doods bij. Toen ik de deur opende schoot er een steek door mijn borst. Ik kon voelen hoe mijn hart brak en de helft - de helft die onlosmakelijk met Pink was verbonden, de helft die Pink toebehoorde - afwierp. En ik kon voelen hoe definitief dat was. Ik zou het nooit meer naadloos aan elkaar kunnen hechten.
Toen pas viel me iets op. Pinks kamer was niet helemaal leeg. Precies in het midden van de houten vloer lag een pakje, ingepakt in paars papier met roze linten eromheen. Ik knielde neer, pakte het op en hield het even vast. Toen haalde ik mijn vinger onder het plakband door en haalde een zilveren kettinkje met een hartje eraan tevoorschijn.

Ik werd opgeschrikt uit mijn herinneren door een broodmagere zwerfhond die medelijdenwekkend jammerde. Ik keek vlug de andere kant op, naar Pink’s huis. Ik wist precies hoe het er vanbinnen bij lag - nog net zo verlaten als die gruwelijke nacht.
Ik keek omhoog naar het raam van Pink’s kamer waar de gordijnen nog steeds gesloten voor hingen - en schreeuwde het bijna uit. Achter de gordijnen brandde licht. En ik zag heel duidelijke een schaduw bewegen.
Eerst probeerde ik mezelf gerust te stellen: het was Pink niet, natuurlijk was het Pink niet! Waarom zou hij, nadat hij bijna een jaar lang niets van zich had laten horen, zo opeens weer komen opdagen? Wat had hij hier nog te zoeken? Nee, Pink kon het onmogelijk zijn. Het was vast een zwerver of een stel krakers die het leegstaande gebouw hadden ingenomen. Het licht dat me vanachter de gordijnen toescheen was ook niet elektrisch, daarvoor was het veel te onregelmatig. Waarschijnlijk had iemand een vuurtje gemaakt, niet beseffend hoe gemakkelijk die oude huizen in brand vliegen.
Net op het moment dat ik mezelf weer onder controle had werd het gordijn open geschoven en verscheen er een gestalte voor het open raam. Doordat het licht van achteren kwam en de lucht zo bewolkt was dat het haast nacht leek kon ik zijn gelaat niet zien, maar hij was nog jong, zeker geen oude zwerver. Hij stak een sigaret op en blies de rook omhoog naar de donkergrijze lucht. Precies op dat moment schoof een donkere wolk opzij en viel er een enkele zonnestraal precies op het gezicht van de gestalte in het raam. Ik kon nog net zien hoe hij zijn gezicht draaide en me even recht in de ogen keek voor het helemaal zwart werd voor mijn ogen.

Mara

2. Rose

Er was iets misgegaan. Ik kon voelen dat er iets fout zat, maar ik kon het niet plaatsen. toen het laatste stukje van de zon achter de horizon verdween en daarmee ook het laatste beetje warmte meenam begonnen de atomen van mijn lichaam zich te groeperen. Ze vormden mijn armen, benen, haren, nagels lippen en organen. Maar dat was niet genoeg. Het deel van mijn ziel dat in Violets lichaam huisde ontbrak. Een moordmachine zonder ziel is niet meer dan dat: een moordmachine.
Zodra mijn transformatie voltooid was voelde ik hoe iets aan mijn lichaam begon te trekken, me meesleurde naar onbekende plaatsen. Ik miste mijn belangrijkste deel, het deel dat mij zou maken tot wat ik was.
Schokkend kwam mijn lichaam tot stilstand, vlak naast dat van een ander meisje dat op de straatstenen lag. Uit het lichaam op de grond stroomden heldere lichtstralen die het smalle straatje in een warme gloed zetten en de huizen er haast weer bewoond uit lieten zien. Lang duurde dat niet: het licht had een ander doel. Mijn lichaam
Zodra het me binnenkwam stroomde de kracht weer door mijn aderen. Ik was weer compleet. Meteen kwamen ook al Violets herinneringen mijn gedachten binnen. Ik verstijfde en keek geschokt neer op het meisje dat naast me lag. Ze had hem gezien. En, dat was nog erger, ze had hem herkend. Ze wist nog niets, dat was tenminste één lichtpuntje. Maar ik wist dat Violet het hier niet bij zou laten. Het voordeel van een gespleten lichaam is dat je precies weet hoe de ander ergens op reageert. Violet had geen geheimen voor me, wij waren één.
Ik zou haar moeten tegenhouden. En - ik was daar ook niet blij mee - Pink zou me moeten helpen. Was hij tenslotte niet de schuldige van dit alles? Had hij me niet achtergelaten en me dit leven opgelegd? En waarom was hij in godsnaam teruggekomen? Wat moest hij hier? Had hij mijn leven nog niet genoeg door de war geschopt/ Wat had hij hier nog te zoeken?
Met vastberaden passen liep ik naar  de voordeur toe en drukte mijn vinger op het knopje van de bel. Niets. Ik gaf een - voor mijn doen - zacht en bescheiden klopje op de deur dat het hout liet kraken en door het holle huis galmde. Een paar seconden later werd de deur ruw opengerukt en glimlachte ik liefjes tegen een jongen van een jaar of twintig. Hij zag er onverzorgd uit. Zijn kleren - oude spijkerbroek en vaal, oversized shirt - moesten nodig gewassen worden, net als zijn haar, dat naar mijn schatting in geen jaar een kam had gezien en in wilde, lichtbruine plukken overeind stond. Er verscheen een grijns om zijn mond en een twinkeling in zijn ijsblauwe ogen toen hij me in zich opnam. Zijn blik gleed langs mijn lichaam. Over mijn vlecht die over mijn schouder naar voren hing, langs mijn zwarte pak dat strak om mijn lijf sloot en niet veel suggestiefs over liet en mijn stilettohakken die me bijna even groot als hem maakten.
'Wat eh...' Zei hij aarzelend. 'Wat kan ik voor je doen?' Ik verborg een ijzige blik en lachte quasi-verlegen naar hem hij leek het allemaal voor zoete koek te slikken en lachte stralend terug. 'Ik ben Rose. Ik was eigenlijk op zoek naar Pink?' Ik maakte er een vraag van om mijn schijnbare verlegenheid in tact te houden. De jongen knikte, een zweem teleurstelling in zijn ogen. 'Ja, natuurlijk. Kom binnen.' Hij deed een stap terug zodat ik naar binnen kon. De aanblik van het huis schokte me enigszins. Ik was er dan wel nooit binnen geweest, Violets herinneringen zeiden me genoeg.
Ik liep achter mijn gastheer aan naar de woonkamer, die in een verschrikkelijke staat verkeerde. Overal waar ik keek lagen lege flessen - zowel bier en wijn als sterkere dranken -, volle asbakken met pakjes tabak en vloeitjes ernaast, kledingstukken en doosjes en zakjes waarvan ik wel kon raden wat erin zat - al vond ik Pink totaal geen type voor drugs.
De jongen schoof een stapel tijdschriften van een stoel, zodat ik kon gaan zitten. 'Wacht hier maar even, eh... Rose.' Hij liet zijn armen langs zijn lichaam hangen en wist duidelijk niet wat hij ermee aan moest. 'Ik haal Pink wel even. Geloof me,' voegde hij er met een glimlach aan toe. 'Boven is het nog erger.' Hij wist niet hoe snel hij de kamer uit moest komen. Toen hij de trap opliep spitste ik mijn oren en kon zodoende elk woord horen dat boven werd gezegd, als stonden ze vlak naast me.
'Hé Pink, man!' Dat was de stem van de jongen, gevolgd door het geluid van een vriendschappelijke stomp tegen een schouder. 'Jezus zeg, waarom heb je ons nooit verteld dat je een vriendinnetje hebt? We begonnen ons al zorgen te maken, omdat je niets van meisjes moet hebben. En dan komt dát opeens opdagen!' In zijn stem klonk lichte bewondering en ja, ook jaloezie door.
Het antwoord kwam van een andere jongere jongen - Pink, vermoedde ik - met de hese stem van iemand die net zijn stemwisseling heeft ondergaan. 'Wat zeg je nou, Jon? Sinds wanneer heb ik een vriendinnetje? Waarom weet ik daar niets van af?' Hij probeerde het luchtig te houden door er een grapje van te maken, maar ik hoorde de verbazing in zijn stem doorklinken. Jon lachte schamper. 'Ze vraagt toch echt naar jou hoor. En zoiets als zíj vergeet je niet zomaar, neem dat maar van me aan!'
Ik hoorde hoe een stoel naar achteren werd geschoven en hoe iemand opstond. 'Goed, ik ga al. Ik zal wel eens kijken wat ik voor haar kan doen.' Dat was Pink weer. Vrijwel meteen hoorde ik hoe hij de krakende trap af kwam lopen en een paar seconden daarna ging de deur van de woonkamer voorzichtig open en kwam Pink ietwat aarzelend binnen. Hij lachte verlegen naar me en had er duidelijk geen idee van wie ik was, wát ik was.'Hoi,' zei hij en keek me afwachtend aan.
'Hoi,' zei ik ook terwijl ik opstond en hem een stralende glimlach toewierp.
'Ik eh...' Stamelde hij. 'Ik ben eh... Pink. Dus. Jon zei dat je mij zocht?' Ik knikte. 'Als jij Pink bent wel ja. Ik ben Rose.' Ik stak mijn hand uit en Pink's blik bleef even op mijn lange, zwartgelakte nagels hangen voordat hij die schudde.
'Oké... Rose. Wat kan ik voor je doen?'
Ik glimlachte en gebaarde naar de grond, het enige grote lege oppervlak dat in de buurt was. 'Zullen we even gaan zitten? Dit kan nog wel eens schokkend worden.' Zei ik vriendelijk, als was dit mijn huis en niet het zijne. Ik voegde de daad bij het woord en liet me zonder te aarzelen in één soepele beweging in lotushouding op de grond zakken. Pink volgde wat langzamer, hij had er duidelijk geen idee van wat hij hier nou mee aanmoest.
'Goed,' begon ik. 'Pink, luister. Je herinnert je Violet vast nog wel?' Welke reactie van Pink's kant ik dan ook had verwacht bij het noemen van Violets naam, dit was het niet. Zijn ogen werden twee keer zo groot en staarden me vol afschuw aan. 'Wat...' Bracht hij moeizaam uit. 'Hoe... Wat weet jij van... Violet?' Het kostte hem zichtbaar moeite die naam uit te spreken.
Zijn reactie verbaasde me, dit had ik niet verwacht. Maar ik besloot wel om hem de waarheid te vertellen, of tenminste, een deel daarvan. Ik slikte en keek even heel diep in Pink's heldere blauwe ogen. Zonder het echt te willen drong ik bij hem naar binnen en kreeg meteen een golf van emoties over me heen. Verbazing - dat overheerste -, maar er was ook nieuwsgierigheid - naar dat vreemde meisje - en verlangen - naar wat dat meisje hem te vertellen had. En heel in de verte, diep weggestopt, een restje oude, felle pijn. Pijn om wat hij eens had gehad en voorgoed was kwijtgeraakt.
'Pink.' Mijn stem klonk gecontroleerd en ik liet niets doorschemeren van wat ik net had meegemaakt. 'Wat ik je nu ga vertellen kan heel schokkend voor je worden en ik kan onmogelijk zeggen hoe je na mijn verhaal tegenover mij staat. Maar ik moet dit doen, zowel voor jou als voor mij, en voor Violet zelf. Ik wil dat je naar me luistert en me niet in de rede valt tot ik klaar ben, goed?' Pink knikte maar zei niets. Ik keek hem recht aan toen ik hem mijn geheim vertelde. 'Heb je wel eens gehoord van de Amaranta?'
Ik kon al aan zijn gezicht zien wat zijn antwoord was, nog voor de woorden over zijn lippen kwamen. Het was ook logisch, als hij wist wat een Amaranta is had hij daar echt niet zo rustig gezeten. Langzaam schudde Pink zijn hoofd. 'Nee, sorry.' Alsof dat iets was om sorry voor te zeggen. Ik sloot even mijn ogen. Dit werd lastiger dan ik had gedacht. Veel en veel lastiger.
'Oké, geeft niet. Ik zal je eerst de theorie van de Amaranta uitleggen, en daarna wat Violet en ik, en jij ook, daarmee te maken hebben.' Als je het dan niet allang geraden hebt, voegde ik er in gedachten aan toe. Pink knikte, nog steeds zonder een woord te zeggen. Ik bedacht me hoe dit alles op hem over moest komen en lachte inwendig. Toen concentreerde ik me weer op de jongen die tegenover me zat en de taak die voor me lag.
'De Amaranta,' begon ik mijn verhaal, 'ook wel zielenwisselaar genoemd in de volksmond, wordt momenteel geplaatst tussen mythische wezens als vampiers, heksen en eenhoorns. Toch zijn er sterke aanwijzingen dat de Amaranta veel dichter bij ons staat en veel vaker voorkomt. Er zijn zelfs mensen die beweren dat het een geestesziekte is.'
Ik stopte even om Pink's reactie te peilen, maar die bleef uit. Hij staarde me enkel wezenloos aan, alsof hij met zijn gedachten ergens anders was. Toch wist ik dat hij al mijn woorden als een spons in zich opzoog.
'Het Amarantaverschijnsel kan zowel bij mensen als bij dieren voorkomen die zowel van het mannelijke als van het vrouwelijke geslacht kunnen zijn. Ook leeftijd maakt geen verschil. Een Amaranta wordt niet geboren maar ontstaat, het Amaranta-zijn kan ook niet worden doorgegeven aan nakomelingen, al kunnen nakomelingen met één of twee Amaranta-ouders ook zelf een Amaranta worden. Een Amaranta ontstaat door een zeer ingrijpende en emotionele wending in het leven van het slachtoffer, ook wel de draagpersoon genoemd. Bij die gebeurtenis splitst een deel van de ziel van de draagpersoon zich af, vergelijkbaar met iemand die aan een meervoudige persoonlijkheidstoornis lijdt. Het verschil is echter dat er bij de afsplitsing van de ziel ook een nieuw lichaam ontstaat. Bij de Amaranta spreken we van een Dag- en een Nachtwezen, twee afzonderlijke lichamen die samen een gedeelte van de ziel delen. Het Nachtwezen wordt ook wel het leidende wezen genoemd, die beschikt over de wetenschap van het Amaranta-zijn. Het Nachtwezen weet bovendien alles wat het Dagwezen ook weet. Kennis, maar ook gedachten en herinneringen. Het Dagwezen daarentegen weet niets, voor het Dagwezen zal het leven precies zo verder gaan als het leven van het draagpersoon voor de splitsing, behalve dat de nachten zullen verdwijnen. Het Dag- en Nachtwezen leiden ieder de helft van het leven van de Amaranta. Het Dagwezen de dag, het Nachtwezen de nacht.'
Hier stopte ik even. Mijn verhaal was tot nu toe puur wetenschappelijk geweest, maar misschien dat Pink al doorhad waar ik naartoe wilde. Hij keek me aan, zijn ogen stonden op het nu gericht en niet op eindeloze verten, maar ik kon zien dat er niet meer dan nieuwsgierigheid door zijn hoofd speelde. Geen begrip, en ook nog geen afschuw. Maar dat zou wel komen. En sneller dan hem lief was.
Ik vervolgde mijn verhaal en Pink hield zijn hoofd schuin om alles goed te kunnen horen. 'Het Dagwezen van de Amaranta ziet er precies zo uit als het draagpersoon en zal ook hetzelfde leven leiden als voor de splitsing van de ziel. In principe is het niet aan het Dagwezen te zien dat het een Amaranta is. De enige opvallende verandering die het Dagwezen ondergaat is dat er speciale krachten ontstaan. Die krachten zijn mentaal en dus niet direct zichtbaar voor de buitenwereld. Wat die krachten precies zijn verschilt per Amaranta, maar meestal zijn het eigenschappen die al op de achtergrond aanwezig waren en sterker worden ontwikkeld. Daarbij valt te denken aan gedachtelezen, manipulatiekracht of hypnose.
Het Nachtwezen is het verborgen deel van de Amaranta. Het is minder menselijk en het is qua uiterlijk de tegenpool van het Dagwezen. Het Nachtwezen is niet onderhevig aan menselijke behoeften en kan overleven zonder voedsel of vocht. Het Nachtwezen bezit ook krachten, die zijn, in tegenstelling tot die van het Dagwezen, puur fysiek. Het Nachtwezen torent hoog boven 'normale' mensen uit als het gaat om snelheid, kracht en de ontwikkeling van de zintuigen. Het kan gezien worden als een extreem ver ontwikkeld mens.'
Pink zat nog steeds kalm tegenover me op de grond. Ik kon niet zeggen of hij nog niet door had wat er aan de hand was of dat hij het gewoon niet liet merken. Ik besloot het hem maar gewoon te vertellen. 'Pink, heb je wel geluisterd? Begrijp je het niet?' Vroeg ik vriendelijk. 'Violet... Ik... Wij... Wij zijn een Amaranta, Pink.' Even bleef het doodstil, bleven mijn laatste woorden zwaar wegend tussen ons in hangen, toen vielen ze met een klap op de grond en deed Pink zijn mond open. 'Is er... Is er een manier om het ongedaan te maken?'
Ik antwoordde hem onmiddellijk, zonder een spier te vertrekken. 'Nee.' Het was de eerste echte leugen die ik aan Pink vertelde. De waarheid verzwijgen was één ding, maar echt liegen, dat deed ik liever niet. Maar nu kon het niet anders, het maakte allemaal deel uit van mijn plan. Ik had Pink ook niet alles verteld wat ik wist over de Amaranta. Sommige dingen hoefde hij niet te weten, die deden er niet toe en zouden mij alleen maar in de weg zitten. Bijvoorbeeld de theorie die de ronde deed dat bij de zielsplitsing het goede en het kwade deel van de ziel uit elkaar worden getrokken. En het idee dat het goede deel verder zou gaan als het Dagwezen en het slechte als het Nachtwezen. ik zag mezelf niet als een slecht persoon. Natuurlijk, ik wist wast ik gedaan had, wat ik deed. Maar werd ik er niet toe gedwongen? Dat had ik Pink ook niet verteld: het Nachtwezen is dan wel niet onderhevig aan menselijke behoeften en kan inderdaad overleven zonder eten en drinken, maar de drang naar menselijk bloed die elke nacht weer opnieuw de kop op steekt is haast onweerstaanbaar. Een drang die enkel bevredigd kan worden door bloed van een persoon die het Nachtwezen zelf gedood heeft.
Bovendien hadden mijn moorden nog een ander doel, een veel hoger en nobeler doel dan het bevredigen van mijn drang naar bloed. Dat was de leugen die ik Pink verteld had: het Amaranta-zijn kon wel degelijk worden opgeheven. En dat is ook waar alle Amaranta uiteindelijk naartoe werken: het herenigen van het Dag- en Nachtwezen. Eigenlijk is het heel simpel: de Amaranta, of liever gezegd het Nachtwezen, hoeft alleen maar wraak te nemen op degene die de splitsing heeft veroorzaakt. Dan is het klaar. En in mijn ogen was de enige juiste manier om wraak te nemen, die persoon de prijs te laten betalen die ik ook had betaald. Eén ziel. Pink moest dood. En ik was degene die dat voor elkaar moest krijgen.

Mara

Terwijl ik in die bedompte kamer vlak bij hem zat moest ik me inhouden om er niet meteen een einde aan te maken. Mijn dorst naar bloed - en dan vooral het zijne - groeide met de minuut, en er waren maar enkele getuigen waar ik zo mee kon afrekenen. Maar ik kon me bedwingen. Vooral omdat ik mezelf geen moment toestand te vergeten wat mijn echte doel was, waar ik naartoe werkte. Pink's dood moest iets speciaals zijn en ik wilde - boven alles - dat Violet het afmaakte. Ik zou het grootste deel voor mijn rekening nemen - daar verheugde ik me veel te veel op -, maar ik wilde dat zij erbij was als zijn ziel uit zijn lichaam wegvloeide.
Ik werd teruggetrokken uit mijn gedachten doordat Pink plotseling begon te praten. Het leek wel alsof hij al het commentaar dat hij had kunnen geven had opgespaard om het nu in één keer uit te storten. 'Ik geloof je, Rose. Hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, ik geloof ieder woord dat je tegen me hebt gezegd. Het komt domweg te slecht uit om niet waar te zijn. Na wat ik heb meegemaakt móét ik zoiets als dit wel geloven!'
Nu was het mijn beurt om Pink stomverbaasd aan te gapen. Waar had die jongen het in vredesnaam over? Slecht uitkomen? Natuurlijk kwam het slecht uit! Ik kon me niet indenken dat zoiets ooit goed uit zou komen. Maar toen ik naar Pink's gezicht keek zag ik dat zijn woorden een diepere betekenis hadden. Een die ik nog niet kende.
'Je moet weten, Rose, dat ik ook niet... normaal ben.' Pink's gezicht stond strak en gespannen, ik kon onmiddellijk zien dat hij geen grapje maakte maar bloedserieus was. 'Ik weet niet goed hoe ik dit het beste kan uitleggen - ik ben niet zo goed met woorden als jij - dus ik zal het je laten zien.' Pink stond op zonder me de kans te geven iets te zeggen en liep naar het grote raam dat uitkeek op de straatkant. Met een ruk schoof hij het gordijn opzij zodat er een stroom maanlicht de kamer in kwam en over hem heen viel. Dromerig keek hij naar de donkere, met sterren bezaaide lucht en naar de volle maan die als een perfecte, witte bol aan de hemel stond. 'Is maanlicht niet het meest zuivere en puurste dat we hier op aarde kennen? Het is onmogelijk dingen verborgen te houden in het maanlicht.' Bijna kwam er een schamper lachje over mijn lippen. Niet om zijn dramatische manier van spreken - oh nee, zeker niet -, maar om de lachwekkendheid van zijn woorden. Maanlicht is bij uitstek geschikt om dingen te verbergen die het daglicht niet kunnen verdragen.
Maar Pink leek te menen wat hij zei. Hij boog zich voorover om te kunnen controleren of er iemand op straat was en wendde zich daarna weer tot mij. 'Kijk goed, Rose. Ik ga je iets laten zien.' Hij draaide zich een kwartslag zodat ik van opzij tegen hem aankeek en trok zijn shirt over zijn hoofd. Een fractie van een seconde dacht ik dat hij gek was geworden, kon ik niet bevatten waar hij mee bezig was. Dat duurde maar even, toen zag ik het. Uit zijn schouderbladen - gespierde en gebruinde, maar zeer menselijke schouderbladen - ontsproten twee prachtige, majestueuze witte vleugels. Ze zaten opgevouwen tegen zijn rug, maar zodra hij zijn shirt uit had vouwden ze uit zodat ik ze in hun geheel kon zien. Ze waren prachtig, adembenemend mooi. Zó mooi zelfs dat ik bijna vergat dat ze vastzaten aan iets waar ze absoluut niet aan vast hoorden te zitten. Diep uit mijn geheugen kwam een woord omhoog dat mijn gedachten binnendrong en daar bleef hangen, zeurend om aandacht: Engel.
Pink vouwde zijn vleugels weer op zijn rug en liep naar me toe. Voorzichtig liet hij zich naast me op de grond zakken, bang voor mijn reactie. Maar ik was absoluut niet van plan door het lint te gaan. Ik zou niet gaan schreeuwen of gillen of hem aanvliegen. Zoals hij zelf al had gezegd: het kwam domweg te slecht uit om niet waar te zijn, en na wat ik zelf had meegemaakt moest ik wel inzien dat sommige dingen die ik eerder voor onmogelijk had gehouden waar waren. Wat er dan ook aan de hand was: ik zou het accepteren.
Plotseling begon te wereld om me heen te draaien en verschenen er vlekken voor mijn ogen. Ik klauwde met mijn nagels in mijn been om me te verzetten tegen de vlaag bloeddorst die me zo plotseling overspoelde. 'Hoe... hoe laat is het?' Bracht ik hijgend uit en keek Pink met koortsige ogen aan. Eerste leek hij de plotselinge wending niet te kunnen volgen, toen wierp hij een blik op zijn horloge. 'Half drie. Moet je naar huis? Zitten ze op je te wachten?' Hij keek me aan met een vreemde uitdrukking in zijn ogen die ik niet kon plaatsen. Ik schudde mijn hoofd. 'Ja en nee. Ik moet weg, sorry. Het spijt me, ik kan echt niet langer blijven. Maar we zijn nog niet uitgepraat, morgen kom ik terug!' Ik stond op, wankelde even op mijn hoge hakken maar hervond mijn evenwicht en liep vastberaden het huis uit. Toen ik buiten stond hoorde ik achter me iemand roepen. Nog voordat ik met had omgedraaid wist ik wie het was. Pink hing uit het raam, nog steeds zonder shirt. Ik wist niet of hij gewoon goed tegen kou kon of dat hij misschien niet eens doorhad dat hij een nogal essentieel kledingstuk miste.
'Rose!' Riep hij naar me. Ik draaide me om en liep naar het raam. 'Rose.' Herhaalde hij. 'Voordat je weggaat... zeg me nog één ding. Waar is Violet?' Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. 'Sorry Pink, maar dat kan ik je niet zeggen. Beloof me dat je niet naar haar op zoek gaat. Ze mag je absoluut nog niet zien! Morgen zal ik je alles uitleggen.' Daar zou hij het voorlopig mee moeten doen.
Even speelde de mogelijkheid door mijnhoofd een nagel tegen zijn hals te drukken en hem wat van mijn dodelijke kracht te laten proeven, maar dat idee verwierp ik snel. Ik kon hem maar beter te vriend houden totdat ik precies wist hoe de vork in de steel zat.
Pink keek moeilijk, maar tenslotte knikte hij. 'Goed. Maar beloof jij dan dat je morgen terug zal komen. Ik heb je nog heel wat te vertellen, en jij mij ook.' Ik knikte, en ik zag dat hij zag dat ik het meende. Ik zou terugkomen, absoluut.
Toen ik Pink de trap op had horen lopen liep ik door de uitgestorven straat naar het lichaam van Violet dat er nog precies zo bij lag als ik het had achtergelaten. Voorzichtig tilde ik het slappe lichaam op en droeg het in mijn armen mee terwijl ik door de straten begon te rennen. Ik zou Violet eerst thuis afleveren zodat ze klaar lag voor de volgende dag. Vervolgens had ik nog een eigen taak te volbrengen...

Mara

3. Violet

Heb je lekker geslapen, Violet?
Robby Bollsen
Hartlaan 15

Rose


Een nieuwe dag, een nieuw adres en een nieuwe naam. Een nieuwe moord en een nieuw beëindigd leven.
Ik had geluk vandaag: de Hartlaan liep parallel met mijn eigen straat en ik zou ruim op tijd zijn voor school. Ik had niet zoveel zin in een boze brief om mijn ouders op de hoogte te stellen van mijn regelmatige gespijbeld - niet dat ze er iets van zouden zeggen.
Toen ik mijn dagelijks terugkerende ochtendritueel van douchen, aankleden, ontbijten en tanden poetsen had voltooid zwiepte ik dan ook braaf mijn schooltas over mijn schouder en nam mijn fiets aan de hand mee naar Hartlaan 15. Het geluk stond aan mijn kant vandaag, de menigte stond al klaar en er stond zelfs een nerveuze commissaris op de verhoging voor de deur. Hij draaide aan zijn grijzende snor en deed of hij niets hoorde toen er twee agenten achter hem langsliepen die een krijsende, wild uitziende vrouw in dwangbuis meevoerden. De commissaris schraapte zijn keel en toen hij begon te praten vielen de mensen meteen stil. Ik schuifelde voorzichtig wat dichterbij zodat ik ook kon horen wat hij te vertellen had. Misschien wilde hij de details van de moord wel met ons delen...
'... weten vast al wat hier aan de hand is.' De commissaris praatte zacht, maar het was zo stil dat ik hem gemakkelijk kon verstaan. 'Vannacht is Robby Bollsen om het leven gekomen. Een betreurenswaardig verlies, vooral omdat Robby pas een paar maanden uit was en nog een heel leven voor zich had. De doodsoorzaak was voor onze lijkschouwers gemakkelijk vast te stellen. Robby had opvallende plekken in zijn hals die, net zoals de rest van de staat waarin het lichaam en de omgeving verkeerden, wijzen op wurging en verstikking. We beschikken over sterke aanwijzingen dat zijn moeder, Saskia Bollsen, haar zoontje heeft vermoord, al hebben we haar motief nog niet gevonden. Ik hoop u bij deze genoeg te hebben geïnformeerd.' De commissaris knikte met een rood aangelopen hoofd naar de mensen voor hem en wist vervolgens niet hoe snel hij in het huis achter zich moest verdwijnen. Ik besefte nu pas waarom hij deze informatie kwijt gaf: hij hoopte dat iedereen weg zou gaan en ze in alle rust het politieonderzoek konden voortzetten. Ik was hier in ieder geval klaar, had hier niets meer te zoeken.
Ik pakte mijn fiets en reed naar school, eens ruim op tijd voor de eerste les. Mijn hoofd stond er totaal niet naar, maar misschien dat school me de afleiding zou geven waar ik behoefte aan had - of de geniale ingeving waar ik op hoopte. Mijn leven lag al genoeg over hoop zonder dat ik het zelf ook nog eens erger ging maken.
Op het moment dat ik het schoolplein op reed - dat vol stond met zeer uiteenlopende soorten leerlingen - ging de eerste bel en begon iedereen als één man naar de dubbele deuren te lopen om bij het juiste lokaal te komen. Ik zette snel mijn fiets op slot en viste mijn agenda tussen mijn boeken uit om te controleren waar ik mijn eerste les had. Tekenen in lokaal 012. Ik zuchtte opgelucht. Tekenen was verreweg mijn beste vak en bovendien had ik nog geen lessen gemist - dat scheelde weer wat lastige vragen van de docent.
Lokaal 012 bevond zich op de begane grond en ik was er ruim voor de tweed bel het begin van de les aan zou kondigen. Het lokaal was al open, dus ik liep naar binnen en liet me op de dichtstbijzijnde stoel neervallen. Vanuit de achterste rij had ik een goed overzicht over de klas en bovendien zou ik misschien over het hoofd gezien worden - mijn afwezigheid was vast niet onopgemerkt gebleven, aangezien ik nooit spijbelde.
Dat was ijdele hoop, natuurlijk. De tweeling kreeg me meteen in het oog en bijna onmiddellijk bogen ze zich over mijn tafeltje heen. De tweeling bestond uit April en June, de twee verschrikkelijkste mensen die ik ooit ontmoet had. Zij en ik lagen al vanaf het begin van het schooljaar met elkaar in de clinch, omdat ik n van hen - volgens mij was het June - had laten struikelen waardoor ze haar peperdure prada-hak had gebroken.
Ik rolde met mijn ogen en draaide mijn hoofd de andere kant op. Ik had absoluut geen zin in hun aanstellerige manier van doen en de lastige vragen die ongetwijfeld zouden komen.
Maar June, aan het roze strikje in haar blonde krullen te zien - ze hadden vaste kleuren om ze uit elkaar te kunnen houden, June roze en April blauw -, liep om me heen en ging op de stoel naast de mijne zitten. Ze legde ene hand met gemanicuurde, roze nagels op mijn over elkaar heen geslagen benen en leunde voorover. Toen ze begon te praten hield ze haar gezicht vlak voor het mijne zodat haar Aquafresh Extra White adem over mijn gezicht streek. 'Kijk eens wie we daar hebben. Heeft mevrouw Bodegrave besloten dat het schoolgebouw haar weer eens waardig is?'
Ik zuchtte vermoeid, ik was niet van plan me op te kast te laten jagen door een tot leven gewekte barbiepop zonder n gram hersenen. ' Hou op, June. Bemoei je niet met mijn zaken, wil je? Je hebt er geen idee van wat er aan de hand is'
June glimlachte geheimzinnig terwijl haar zus achter haar kwam staan en een hand met babyblauwe nagels op haar schouder legde. 'Weet je wat nou het grappige is, Violet? Dat wij wel degelijk weten wat er aan de hand is!' April keek me triomfantelijk aan.
Ik schoot bijna in de lach en schudde mijn hoofd. 'Nee, dat hebben jullie niet, geloof me. En jullie zijn gek als jullie denken van wel.' June draaide een krul om haar vinger en tuitte haar lippen voordat ze langzaam antwoord gaf. 'Het is die jongen, hè? Het is die Pink, dat gestoorde vriendje van je. Hij is teruggekomen, nadat hij je als een baksteen heeft laten vallen zodat je op je blote knietjes bij hem kan gaan smeken je weer terug te nemen.' Haar lichtgroene ogen boorden zich in de mijne en probeerden de waarheid uit me te trekken. Maar ik registreerde het nauwelijks. In mijn hoofd was enorme chaos uitgebroken op het moment dat June's woorden aankwamen. Ik had geprobeerd dat wat gisteren was gebeurd weg te stoppen, diep in mijn hoofd, en tot nu toe was dat aardig goed gelukt. Maar Pink's naam bracht dingen naar boven die ik niet wilde zien, waar ik niet aan wilde denken. Ik keek June met vlammende ogen aan en het deed me goed haar te zien schrikken van mijn blik. 'Zoals ik al zei,' fluisterde ik, maar op zo'n scherpe toon dat de hele klas stil viel en met ingehouden adem meeluisterde. 'Zoals ik al zei, June, weten jullie niets. Helemaal niets, hoor je?'
'Is er iets aan de hand, meisjes?' Ik schrok op toen ik de diepe, zachte stem van Versman achter me hoorde en ik een zware hand op mijn schouder voelde. June gaf onze tekenleraar een mierzoete glimlach en schudde met haar krullen - vrouwelijke charme, werkt altijd. 'Nee hoor, meneer. Violet en ik hadden even een klein meningsverschil, maar dat is alweer opgelost, nietwaar Violet?' Ze verruilde haar glimlach voor een duidelijk blik naar mij. Ik knikte gedwee, maar Versman leek niet overtuigd. Hij keek nog eens argwanend van mij naar de zusjes en terug, maar leek het voorlopig maar zo te laten. 'Goed,' zei hij. 'Ga allemaal maar weer op je plaats zitten.' Hij knikte naar een meisje op de voorste rij. 'Wil jij blaadjes uitdelen? Van die grote.' Terwijl het meisje iedereen een A3-vel gaf en het meisje dat naast haar zat rondging met bakjes zachte pastels legde Versman uit wat de bedoeling was. 'Vandaag maken jullie een tekening met deze krijtjes op zo'n vel papier.' Zei hij overbodig terwijl hij naar de uitdelende meisjes knikte. 'Jullie mogen in principe zelf weten hoe je het aanpakt, zolang je je maar aan je thema houdt. En die thema's ga ik nu uitdelen. Succes!' Hij pakte een ronde, houten bak van zijn bureau en liep tussen de tafeltjes door. Iedereen pakte er een papiertje uit met daarop een woord of een langere zin. De reacties verschilden van kreunend zuchten tot opgelucht ademhalen. Toen ik mijn papiertje had gepakt -als laatste - boog Versman zich naar me toe. 'En? Welke heb jij?' Ik vouwde mijn briefje open en las het woord dat erop stond. Versman glimlachte. 'Ah. Engel. Dat is inderdaad wel een mooi onderwerp voor jou. Goed gekozen.' hij liep weer naar voren en ik pakte een krijtje uit het doosje.

Een klein half uurtje later ging de deur open. Ik keek even op om te zien wie er binnenkwam en boog me meteen weer over mijn werk. Het was Michael, natuurlijk. Hij kwam nooit op tijd.
Ik hoorde hem door de klas heen naar voren lopen en bij Versmans bureau stil blijven staan. Versman zuchtte vermoeid. 'Briefje pakken en naast Violet gaan zitten. Vraag haar maar om uitleg, ik kan nu even niet voor mijn daden instaan.' Michael liep grinnikend terug naar achteren en plofte neer op de stoel naast me. Toen hij zich naar me toe boog om mijn tekening te kunnen zien stootte zijn arm tegen de mijne en voelde ik een schok. Michael kon het onmogelijk weten, waar stiekem aanbad ik hem zo ongeveer vanaf de eerste dag dat we bij hem in de klas zaten. Maar ik zou gek zijn om hem dat te vertellen! 'Wat moeten we doen?' Michael keek me vrolijk aan. Ik gebaarde naar zijn papiertje. 'Wat staat erop?' Hij vouwde het open en fronste zijn wenkbrauwen. 'Boom. Wat moet ik daar nou weer mee?' Ik glimlachte. 'Tekenen.' Ik gebaarde naar het lege vel voor hem. Ook Michael kon een glimlach niet onderdrukken. Toen keek hij weer bedenkelijk naar mij. 'Wat is jouw onderwerp? Wolken?' Hij gebaarde naar mijn vel, dat in verschillende tinten lichtblauw en wit was gekleurd. Ik schudde mijn hoofd. 'Nee. Engel.' Michael floot. 'Ik geloof dat ik toch wel blij ben met mijn onderwerp.'

Pas toen de bel weer ging – wij hadden een blokuur, dus we mochten nog even doorgaan – keek ik weer op. Mijn tekening begon al best wat voor te stellen. Aan de onderkant van het vel hadden zich donzige, witte wolken gevormd zodat je het gevoel had dat je erbovenop stond. De lucht was perfect blauw en in de rechter bovenhoek straalde de zon. Aan de randen van het papier kwamen uit het niets takken met lichtroze bloesem opdoemen. Alleen de engel was nog nergens te bekennen. Op de één of andere manier had ik mezelf er nog niet toe kunnen zetten die te tekenen. Alsof ik daar inwendig voor terugdeinsde. Vanuit mijn ooghoek wierp ik ook een blik op Michaels blaadje. Blijkbaar was hij toch niet zo blij meer met zijn onderwerp, want zijn voorhoofd was gefronst in uiterste concentratie en het puntje van zijn tong kwam tussen zijn lippen door naar buiten. Het pastelkrijt had hij nog niet aangeraakt, in plaats daarvan had hij een potlood genomen en probeerde daarmee een goede boom tevoorschijn te toveren. Zijn papier was ruw en gekreukt door het vele gummen. Even overwoog ik hem te helpen, maar dat idee liet ik gauw varen en ik boog me weer over mijn eigen werk. Met enkele krijtstrepen liet ik een houten brug uit de wolkenmassa opdoemen, die ik een stukje verderop ook weer liet verdwijnen. Om de reling slingerden zich talloze ranken met ontelbaar veel bloemen in alle mogelijke kleuren eraan. Maar toen ik het laatste kleurige bolletje getekend had kon ik er niet meer onderuit. Het enige dat nog miste was de engel, datgene wat leven in mijn tekening moest brengen. Net op het moment dat ik mijn krijtje op het papier zette tikte Michael op mijn schouder. 'Violet?' Vroeg hij voorzichtig. Ik knikte naar hem, stiekem wel blij met zijn perfecte timing. 'Wat is er?' Hij keek me benauwd aan. 'Wil je, eh... Wil je me even helpen, misschien? Weet je, jij tekent zo verschrikkelijk goed, en het lukt mij echt niet!' Hij keek me hoopvol aan. Ik zuchtte, maar dat was eigenlijk meer voor de vorm. 'Goed.' Ik trok zijn blad naar me toe, maakte er toen een prop van en gooide hem weg. 'Ga eerst maar een nieuw papier halen, dan gaan we daarna kijken wat we met jouw onderwerp kunnen doen.' Toen Michael een nieuw vel had gehaald en had uitgelegd wat zijn idee wat pakte ik een krijtje en begon op zijn blaadje te tekenen. Ik liet hem zien hoe hij met enkele lijnen bomen op de achtergrond kon tekenen en door fijner te schetsen details kon toevoegen en leven in zijn tekening te brengen. Ik zag zijn ogen groot worden terwijl ik het bos dat eerst alleen in zijn hoofd had bestaan langzaam maar zeker vorm gaf en tot leven bracht. Maar na tien minuten legde ik het krijtje neer, klopte mijn handen af en schoof Michael het blaadje toe. 'Nu jij.' Hij keek me smekend aan. 'Maar... Violet! Ik kan er helemaal niets van, ik ga het toch alleen maar verpesten.' Ik haalde mijn schouders op. 'Natuurlijk niet. Volg gewoon je gevoel, dan komt het heus wel goed. Bovendien,' ik gebaarde naar mijn eigen tekening. 'Zie jij hier al ergens een engel?' Michael boog zich naar me toe zodat zijn haar langs mijn wang streek, wat mijn hart op hol deed slaan. 'Jeetje, Violet! Het is... prachtig. Echt.' Hij leek echt diep onder de indruk. Ik bloosde licht toen ik hem aan de kant duwde. 'Ga zelf nou ook maar aan de slag. Dan kan ik mijn tekening ook nog afmaken deze les.' Michael boog zich braaf over het begin van de tekening dat ik voor hem had gemaakt en begon hier en daar wat dingetjes toe te voegen. Ik richtte me ook weer op mijn tekening, zette mijn verstand op nul en begon de ruwe vormen van een menselijk lichaam te schetsen dat midden op de brug stond en met de handen om de reling geklemd uitkeek over de wolkenzee. Op de een of andere manier voelde dat beeld veilig, vertrouwd, maar ook toen het steeds meer vorm begon te krijgen kon ik het niet thuisbrengen. Het lichaam kreeg steeds meer details, een lange, witte toga tot op zijn – want ik wist nu zeker dat het een hij was – enkels die boven één schouder was vastgeknoopt, een smal, bleek gezicht met volle lippen en helderblauwe ogen. Hij had goudblonde, krullende haren die voor zijn ogen vielen en er speelde een vage, mysterieuze glimlach om zijn lippen. Maar het belangrijkste – en opvallendste – waren de twee preachtige, majestueuze vleugels die vanachter zijn rug omhoog kwamen en gespreid boven hem uittorenden, alsof hij op het punt stond weg te vliegen. Net op het moment dat ik de laatset schaduw op de vleugels toevoegde ging de bel, en zonder nog maar één blik op mijn tekening te werpen stopte ik hem in mijn tas en liep het lokaal uit.

Mara

De rest van de dag ging in een soort roes aan me voorbij. Ik kon me onmogelijk op de leraar concentreren, mijn gedachten keerden steeds terug bij hetzelfde punt, bij dezelfde persoon: Pink. Ik was er haast zeker van dat hij het was geweest die voor het raam had gestaan, al had ik geen idee wat hij hier deed. Zijn plotselinge vertrek van bijna een jaar geleden had me het gevoel gegeven dat hij ergens voor wegvluchtte – al weigerde ik te geloven dat ik dat iets was. Het andere vreemde was het enorme gat dat in mijn geheugen zat na het moment dat ik hem had herkend. Ik wist zeker dat de zon had geschenen toen ik Pink zag, en dat ik toen moest zijn flauwgevallen. Maar wat er die middag verder nog was gebeurd, ik wist er niets meer van. Ik wist alleen maar dat ik vanochtend precies zoals normaal wakker werd in mijn eigen bed in mijn eigen kamer. Ik had alleen geen idee hoe ik daar was gekomen. Maar ik wist wel dat ik Pink wilde vinden. Ik wilde antwoorden en verklaringen, en die zou ik krijgen ook! Pas tijdens Biologie gebeurde er iets interessants – voor mij dan, tenminste. Ik staarde uit over het schoolplein – het Biologielokaal, 207, bevond zich op de tweede verdieping – en tekende at in mijn schrift terwijl de monotone stem van de leraar door mijn hoofd zweefde zonder dat er iets van tot me doordrong. En toen zag ik het. Achter de eenzame boom achter op het verlaten schoolplein stond iemand. Het was te ver weg om het echt goed te kunnen zien, maar ik dacht wel te weten wie het was. Onmiddellijk priemde mijn vinger de lucht in en de docent hield midden in een zin op met praten. 'Is er iets, Violet?' Ik trok een benauwd gezicht en probeerde er zo ellendig mogelijk uit te zien. 'Het spijt me, meneer, maar ik voel me echt helemaal niet goed. Vindt u het goed als ik naar huis ga?' Even leek de man van zijn stuk gebracht, toen knikte hij. 'Ja, ja, maar natuurlijk. Beterschap, meisje.' Ik knikte dankbaar en probeerde er ziek uit te zien toen ik het lokaal uitslofte. Zodra ik het lokaal uit was begon ik de trappen naar beneden af te sprinten, opeens weer helemaal genezen. Buiten op het schoolplein liep ik wat langzamer omdat ik wist dat ik vanuit de lokalen gezien kon worden, maar ik ging ervan uit dat niemand op me zou letten. Ik zocht het hele schoolplein af, maar vond nergens een spoor van hem. Hem, Pink. Degene die achter de boom had gestaan. Ik kon nu onmogelijk nog terug naar school, ik was zogenaamd ziek. En eigenlijk voelde ik me inderdaad niet zo lekker. Met tegenzin pakte ik mijn fiets en fietste langzaam naar mijn verlaten huis. Ik prikte de engel-tekening aan de muur en bleef er op mijn rug naar liggen kijken. Ik had niet door dat mijn ogen langzaam dichtvielen...
Ik werd wakker door een piepje van mijn telefoon dat aangaf dat ik een sms'je had gekregen. Het was een onbekend nummer en ik maakte het nieuwsgierig open.

Hey Violet,
Dank je nog voor het helpen bij tekenen, zin om vanavond naar de film te gaan?
Hoor het wel!
Michael


Even was ik verbaasd: Hoe was Michael aan mijn nummer gekomen? Toen glimlachte ik, en op hetzelfde moment begon zich een plan in mijn hoofd te vormen. Ik had daarnet ook geslapen, toch? En ik was niets vergeten. Het vergeten begon pas 's avonds, als ik mijn kamerdeur achter me dicht had getrokken. Maar stel nou dat ik niet naar mijn kamer ging, 's nachts? Stel nou dat ik in de bioscoop zat, samen met Michael? Wat zou er dan gebeuren?
Er kwam ook een andere gedachte bij me naar boven, een gedachte die een stuk minder gecompliceerd was en me bovenal een geweldig gevoel in mijn buik veroorzaakte. Vroeg Michael me nou echt mee uit? Een opgejaagd gevoel verspreidde zich vanuit mijn buik door mijn lichaam. Ik moest hem terug sms'en en me vervolgens zorgen gaan maken over wat ik aan zou doen. Ik pakte mijn telefoon weer op. Eén ding tegelijk.

Hey Michael,
Graag gedaan hoor! En ja, graag! Zullen we om 19:00 bij de bioscoop afspreken?
Tot dan!
Violet


Even hield ik mijn hand met mijn duim boven het verzendknopje stil hangen, toen drukte ik mijn vinger resoluut naar beneden en gooide mijn telefoon van me af. Ik ademde diep in om mijn zenuwen onder controle te houden en wierp een blik langs mijn lichaam omlaag. Zo kon ik écht niet gaan!'

Om vijf voor zeven stond ik, keurig op tijd, met mijn handen in mijn jaszakken voor de bioscoop te wachten. Michael zou wel weer te laat komen, waarom zou hij oude gewoonten zomaar opzij schuiven? Maar daarin bleek ik het mis te hebben: precies toen de kerkklok tegenover de bioscoop begon te slaan stopte er een scooter voor mijn neus en trok Michael zijn helm van zijn hoofd. 'Wauw,' lachte ik, 'je bent zowaar precies op tijd!' Michael lachte terug. 'Voor jou altijd.' Hij stapte af en nam zijn scooter aan de hand mee om hem te parkeren. 'En, wat wil je zien?' Vroeg hij toen we samen de bioscoop in liepen. Ik haalde mijn schouders op. 'Geen idee, wat draait er? Ik ben niet zo thuis in films, om eerlijk te zijn.' Michael rolde met zijn ogen. 'Zal ik dan maar iets uitzoeken?' Hij liep naar de rij voor de kassa's en was een kwartiertje later terug met twee kaartjes. 'Fly Little Bird, heet hij. Ik denk dat je hem wel mooi zult vinden.' Ik knikte maar, de naam zei me toch niets. Michael voerde me mee naar de zaal waar de film over een kwartiertje zou gaan beginnen. Het was redelijk rustig, alleen helemaal achterin zaten al wat mensen, de rest van de zaal was leeg. 'Kom, dan zoeken we vast goede plekjes uit.' Michael pakte mijn hand vast en trok me mee naar het midden van de zaal. Het duurde niet lang voor de lichten gedimd werden en de rode fluwelen gordijnen voor het scherm opzij schoven zodat de reclame kon beginnen. Ik was me heel erg bewust van Michael naast me en zijn arm die vlak naast de mijne op de stoelleuning lag, misschien zelfs wel meer dan van wat er zich precies op het scherm afspeelde. Gelukkig was Michael zo slim me een por te geven toen de filmmuziek begon te spelen en het beeld veranderde. In plaats van reclame toonde het scherm nu een prachtig landschap. De camera vloog tussen de bergen door, over de besneeuwde toppen en langs smalle, gevaarlijk ogende bergpassen. Ik leunde achterover, vergat de wereld om me heen en liet me meevoeren.

Mara

3. Rose

Het was precies hetzelfde als de vorige keer dat ik mijn lichaam weer terug had gekregen. Er klopte iets niet, er miste iets. Ook deze keer werd er aan mijn lichaam getrokken door duizenden piepkleine handjes, werd ik meegenomen naar een onbekende plaats zonder dat ik er iets over te zeggen had of het kon tegenhouden. Ik zag Violets lichaam meteen, het was opzij gevallen in een bioscoopstoel. Naast haar zat een jongen die ik – nog – niet herkende en die zich bezorgd over haar heen boog. Op het scherm voor in de zaal speelden zich beelden af, maar ik registreerde ze niet. Mijn aandacht was bij Violet en de jongen. Er begon nu licht uit Violets lichaam te stromen dat zich een weg zocht naar het mijne. Mijn hoop om onopgemerkt te blijven vervloog onmiddellijk, dit was veel te opvallend. Ik zou een andere uitweg moeten zoeken. Zodra de lichtstralen mijn lichaam binnenkwamen kreeg ik ook al Violets belevenissen van deze dag door, en ik begreep op slag wat er aan de hand was. Het was ingewikkelder dan ik had gedacht, ik had veel recht te zetten deze nacht. Maar één ding tegelijk, vermaande ik mezelf. Niet doordraven, eerst maar eens zorgen dat ik hieruit kwam. Ik wierp een boze blik op de jongen naast Violet, dat was dus Michael. Hij was nu mijn grootste probleem. Ik keek terug naar Violet, die bewegingsloos op de grond lag en tilde haar slappe lichaam met één arm op. Met mijn vrije hand prikte ik in Michaels borst. 'Jij!' Siste ik hem toe. 'Meekomen. Nu!' Ik draaide me om en liep de filmzaal uit zonder te kijken of hij me wel volgde. Hij waagde het niet me niet te gehoorzamen, dat zou hem duur komen te staan. Toen we op de verlaten gang stonden keek hij me boos aan – hij had er duidelijk geen idee van wie hij voor zich had. 'Laat Violet met rust! Wat is er met haar? En wie ben jij?' Ik probeerde zijn brutaliteit licht op te vatten, maar ik kon er niets aan doen dat de spieren in mijn lichaam zich spanden, klaar voor de aanval. Ik keek hem met vlammende ogen aan en voelde de woede in mijn buik borrelen. 'Wat heb je met haar gedaan? Waar ben je in godsnaam mee bezig? Heb je daar wel enig idee van?' Ik probeerde mijn emoties niet in mijn stem te laten doorklinken, maar ik kon niet voorkomen dat hij trilde van ingehouden woede. Michael kreeg het ook te kwaad en rekte zich uit zodat hij nóg hoger boven me uittorende voordat hij tegen me begon te praten, zijn stem zo mogelijk nog bozer dan de mijne. 'Nee. Het spijt me, maar volgens mij ben jíj degene die niet weet waar hij mee bezig is.' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en nam we wantrouwig in zich op. 'Wat doe jij hier, wie ben je eigenlijk? En waarom denk je dat je je zo met Violets leven kan bemoeien?'
Zijn vragen raakten me één voor één als mokerslagen en ik moest echt moeite doen hem niet ter plekke te vermoorden. Het was dat het echt niet kon, anders was zijn leven ter plekke opgehouden. Niet dat zijn leven enige waarde voor me had - in tegendeel, het was me eerder tot last -, maar ik kon onmogelijk met een lijk en een meisje dat wel in coma leek door de stad gaan sjouwen. Bovendien hield één dood gewicht me wel genoeg op.
Ik negeerde Michaels vragen en pakte zijn arm vast in een stalen greep. Hij deed zijn mond open om te protesteren, maar ik siste kwaad naar hem en hij bleef stil. Een zachte ruk - voor mij dan, Michael vertrok zijn gezicht van de pijn - volstond om hem aan het lopen te krijgen. Toen we aan het einde van de gang waren gekomen liet ik Violet op de grond zakken en duwde Michael met twee handen op zijn schouders tegen de muur. Met mijn gezicht vlak voor het zijne begon ik op fluistertoon op hem in te praten. 'Luister goed, jongen. We lopen zo over straat, waar iedereen ons kan zien. Ik wil dat je vlak bij me blijft. Laten we zeggen dat je mijn vriendje bent, en Violet mijn nichtje die hier op bezoek is. We gingen met zijn drieën naar de film, maar Violet voelde zich niet lekker en is flauwgevallen. Wij brengen haar gewoon naar huis. Stop voor niemand en wáág het niet om te proberen weg te lopen. Dat lukt je toch niet.' Ik grijnsde terwijl ik een vlijmscherpe nagel langs zijn hals liet glijden. Michael slikte, en knikte.
'Mooi. Fijn dat je het begrijpt.' Ik tilde Violet weer op, met twee armen deze keer, en we liepen samen het gebouw uit. Ik leidde Michael door de donkere straten, waar het nog best druk was, maar niemand lette echt op ons.
'Waar gaan we naartoe?' Vroeg Michael toen we een kwartiertje gelopen hadden. Precies op hetzelfde moment stond ik stil en gebaarde naar het huis waar we voor stonden. Violets huis. 'Blijf staan.' Commandeerde ik Michael terwijl ik Violets lichaam over mijn schouder gooide en naar de stenen muur toe liep. Mijn handen en voeten vonden als vanzelf de steunpunten tussen de oude bakstenen en ik klom lenig als een kat langs de muur omhoog met Violet over mijn schouder. Eenmaal  boven schoof ik haar door het raam naar binnen en klom er zelf, volledig geruisloos, achteraan. Ik stopte haar in bed en dekte haar toe, net zoals een moeder haar kind toedekt, alleen dan zonder de liefdevolle gevoelens. Ik haastte me toen ik weer naar beneden klom en liet me de laatste anderhalve meter gewoon naar beneden vallen. In een oogwenk was ik terug bij Michael, die inderdaad nog precies op dezelfde plek stond als waar ik hem had achtergelaten, duidelijk ondersteboven van wat hij net had gezien. Ik zag dat hij dingen wilde gaan zeggen, wilde gaan vragen, maar ik kapte hem af voor hij de kans kreeg geluid uit te brengen.
'Goed. En nu jij. Meekomen.' Ik deed geen moeite aardig tegen hem te doen, de harde aanpak werkte altijd beter bij dit soort types. 'Je bent te gevaarlijk voor me, Michael. Je weet veel en veel te veel. Dat begrijp je toch wel?' Vroeg ik liefjes. Michael gaf geen reactie. Ik ging stug door. 'Je begrijpt vast zelf ook wel, Michael, dat ik je niet in leven kan laten. Je bent te gevaarlijk.'
Michaels gezicht bleef onbewogen, alsof het nog niet tot hem was doorgedrongen wat ik hem net verteld had. Ik had veel reacties gezien op de wetenschap dat hun eigen dood eraan kwam, maar nog nooit was iemand zo onbewogen gebleven.
Ik pakte Michael weer bij zijn arm en trok hem hardhandig mee, weg van Violets huis en uit het zicht van mogelijke nieuwsgierige buren. In een klein steegje, waar de kans dat iemand ons zou zien vrijwel nul was, bleef ik staan. Mijn hand bleef om zijn arm zitten als een metalen klem, ik was niet van plan hem de gelegenheid te geven een ontsnappingspoging te wagen - niet dat hij daarin zou slagen, het zou alleen zo jammer zijn als ik hem hier moest vermoorden.
'Goed, Michael. Waar woon je?' De woede was nu helemaal uit mijn stem verdwenen. Door het naderen van mijn doel van vannacht wist ik me beter te concentreren op het nu en kon ik me beter beheersen. Michael maakte geen schijn van kans, hij moest alleen een beetje meewerken.
Meewerken deed hij dus niet, er kwam geen geluid over zijn lippen. Ik hief mijn hand en gaf hem een klap in zijn gezicht. Ik hoorde zijn neus breken en het bloed liep over zijn gezicht en in zijn mond. Onwillekeurig likte ik over mijn lippen. 'Jezus, Michael!' Mijn stem was nu verstikt door bloeddorst en klonk opgejaagd, hij moest me nu toch snel naar zijn huis brengen voor ik hem hier ter plekke aan stukken zou scheuren. Gelukkig voor mij was Michael zo geschrokken door de klap die ik hem had gegeven - en die een stuk harder moest zijn aangekomen dan ik het oorspronkelijk had bedoeld - dat hij zijn mond opendeed en zijn adres fluisterde, zo zacht dat normale mensenoren het niet hadden kunnen horen. Maar voor mij was het genoeg.
In één soepele beweging gooide ik hem - net zoals Violets lichaam eerder deze avond - over mijn schouder en begon door het donker te rennen. Ik nam alleen de kleine steegjes, aangezien ik daar minder snel gezien zou worden. Het was een stuk moeilijker onopgemerkt te blijven als je een extra gewicht met je meedroeg waar een normaal mens van jouw postuur onder zou bezwijken. Maar zelfs ondanks dat legde ik de afstand tot zijn huis - waar je lopend een half uurtje over deed - in minder dan tien minuten af.
'Zijn je ouders thuis?' Vroeg ik toen ik hem weer neergezet had en een tweetal minuutjes op adem had laten komen. Michael schudde zijn hoofd en ik glimlachte. 'Mooi. Dat scheelt een hoop gedoe. Zou je zo vriendelijk willen zijn de deur voor me open te maken?' Ik kon natuurlijk ook inbreken, maar dit was veel sneller en wel zo makkelijk. Hoe minder sporen ik achterliet, hoe beter.
Michael deed gelukkig niet moeilijk meer en maakte de deur zonder tegen te sputteren voor me open. Ook toen ik hem vroeg waar de badkamer was leidde hij me gewillig de trap op naar boven en liet me de kleine ruimte met blauwe tegelmuren zien. Ik grijnsde terwijl het plan voor vanavond zich in mijn hoofd begon te vormen.

Mara

Een uurtje later trok ik de deur zachtjes achter me dicht en likte een laatste druppel rood vocht van mijn vinger. Wat had die jongen een bloed zeg, niet normaal. Ik had graag het gezicht van zijn ouders gezien als ze thuis kwamen en hun zoon zo aan zouden treffen, maar ik had nog meer te doen vannacht. Ik had een afspraak. Pink wachtte op me.
Het was gelukkig maar een klein stukje van Michaels huis naar het onderkomen van Pink. Het bloed had me nieuwe kracht gegeven, dat wel, maar die bewaarde ik liever voor als ik hem echt nodig zou hebben. Violet begon duidelijk te wennen aan haar nieuwe leven, ik wist niet wat ze nog meer uit zou halen waardoor ik dingen op mijn pad zou krijgen waar ik niet op gerekend had.
Aan het licht dat achter de ramen van Pink's huis vandaan kwam zag ik dat hij nog wakker was en dat hij, hoogstwaarschijnlijk, op me wachtte. Het was een goede jongen, eigenlijk. Zonde dat ik hem moest vermoorden. Echte engelen waren zeldzaam, die kwam je niet vaak meer tegen op zo'n pure manier als Pink. Eigenlijk verdiende hij beter dan het lot dat voor hem lag, maar ik stond mezelf niet toe over zijn mogelijkheden na te denken. Hij moest dood, dat stond vast.
Ik tikte met één vinger op de deur, die vrijwel onmiddellijk werd geopend. Het was Pink deze keer - blijkbaar stond hij Jon niet meer toe aan de deur te verschijnen -, en godzijdank had hij zijn shirt weer aan. Ik had er geen behoefte aan met nog meer vleugels geconfronteerd te worden. Het was al erg genoeg dat Violet juist dát onderwerp toegewezen moest krijgen tijdens haar tekenles.
Pink grijnsde naar me. 'Je bent teruggekomen!' Zei hij, en kon een spoortje verbazing in zijn stem niet onderdrukken. Ik knikte. 'Natuurlijk. Vanavond is het jouw beurt om te praten. We moeten het wel eerlijk houden.' Om de een of andere reden die ik niet kende werden zijn ogen zwart, heel even maar, maar toch lang genoeg voor mij om op te vallen. Hij hield iets voor me verborgen, maar misschien zou hij er vanavond nog mee op de proppen komen.
Pink hield de deur voor me open en ging me voor naar de woonkamer. Er was duidelijk opgeruimd, er lag een stuk minder rotzooi - al was het nou niet echt schoon te noemen - en iemand had zelfs een bosje verlepte tulpen op de tafel in het midden gezet. Al met al zag het er een stuk beter uit dan gisteren.
Pink liet me plaatsnemen in een oude, smoezelige fauteuil en nam zelf de houten keukenstoel ertegenover. Het viel me op dat hij gewoon met zijn rug tegen de harde rugleuning aan leunde, alsof zijn vleugels ontastbaar waren - wat misschien ook wel zo was.
'Goed.'  Zei hij onbeholpen. 'Wil je eh... wil je iets drinken of zo?' Ik schudde mijn hoofd en lachte. 'Heb je nou echt helemaal niet geluisterd gisteren? Ik ben niet menselijk genoeg om te kunnen drinken, Pink.' Weer die zwarte flits in zijn ogen, maar in plaats van dat die meteen weer zou verdwijnen en Pink snel over een ander onderwerp zou beginnen - wat ik had verwacht -, ging hij erop door, op een boze, verwijtende toon. 'Daar heb ik anders niets van gemerkt. Het bloed van die arme jongen liet je je maar al te goed smaken!'
Ik was in shock. Hoe wist hij dat? Maar voordat ik iets kon vragen ging Pink zelf verder. Hij praatte snel en kortaf, alsof hij bang was dat ik hem in de rede zou vallen en niet zou laten uitpraten. Maar ik wilde maar al te graag horen wat hij te vertellen had.
'Toen ik je gisteren vroeg waar Violet was, heb je het meest foute antwoord gegeven dat mogelijk was. Alles was goed geweest, maar juist omdat je het niet wilde vertellen werd ik nieuwsgierig. Ik heb Violets oude huis opgezocht, ervan uitgaand dat ze daar nog wel zou wonen, en ik ben haar gevolgd. Ik wilde weten wat jij met haar gedaan hebt.'
Ik had de link al gelegd. Ik had Pink onderschat, ik had moeten inzien dat hij het er niet bij zou laten zitten, dat hij zich niet zou laten commanderen.
'Je hebt er geen idee van wat je met haar gedaan hebt, Rose. Echt niet. Jij kende haar niet voordat ze... Nou ja, voordat ze een Amaranta werd. Maar ze is zo verschrikkelijk veranderd.' Ik kon de emotie in Pink's stem voelen. Het verdriet om wat hij kwijt was en om wat hij nooit meer terug zou krijgen. Maar was hij niet juist degene die dit alles op zijn geweten had? Als hij nooit was weggegaan was dit alles nooit gebeurd, dan bestond ik niet en was Violets leven nog precies zo geweest als het zou moeten zijn.
'Maar,' ging Pink verder, 'het meeste schrok ik toch wel van jou, Rose. Hoe kan je zoiets doen? Hoe kan je met jezelf leven als je iedereen die te dicht bij Violet komt vermoord? Zou je mij ook vermoorden, als ik Violet op ga zoeken? In dat geval zal mijn leven vanavond eindigen, vrees ik...' Toen pas drong de echte omvang van het probleem tot me door. Als Pink Violet de hele dag gevolgd had, dan moest hij mijn verschijning ook hebben gezien. Dan moest hij mij ook zijn gevolgd, en had hij gezien wat ik gedaan had. Pink besefte waarschijnlijk niet dat hij bezig was zijn eigen graf te graven, want hij ging door. 'Waarom heb je dat gedaan, Rose. Volgens mij ben je niet slecht, geen enkel normaal mens is in staat om op zo'n manier iemand te vermoorden.' Hij trok een gezicht toen hij terug dacht aan wat hij deze nacht gezien had.
Er schoten verschillende mogelijkheden door mijn hoofd, maar ik wist dat Pink niet op zou geven voordat hij tot op de bodem had uitgezocht wat er aan de hand was. Dan kon ik het hem maar beter makkelijk maken. 'Goed, Pink. Ik heb je gisteravond niet alles verteld wat je zou moeten weten over de Amaranta.' Pink ging rechter op zitten, ik had nu zijn onverdeelde aandacht. Ik zou hem niet alles vertellen - dat kon echt niet -, maar een deel mocht hij wel weten. Een deel moest hij wel weten.
'Het Nachtwezen kan inderdaad zonder de voeding die mensen nodig hebben, maar het kan niet volledig zonder brandstof.'  Ik liet voor het gemak maar even weg dat we wel degelijk zonder brandstof kunnen, de drang naar bloed is toch haast onbedwingbaar. Bovendien zou Pink nog wel eens vreemde ideeën kunnen krijgen en mij kunnen dwingen mijn bloeddorst te negeren. 'Die brandstof is alleen wel zeer verschillend dan die van normale mensen. Wij leven op bloed. En dan enkel vers, menselijk bloed van een slachtoffer dat we zelf gedood hebben. Probeer het te begrijpen, Pink. Het is voor mij hetzelfde als dat jij een kip zou doden en opeten, ik kan simpelweg niet zonder!' Pink kneep zijn ogen samen. 'Dat snap ik best,' zei hij langzaam, 'maar dan nog hoeft het niet op zo'n vreselijk gruwelijke manier! Moet je zien wat je die arme Michael hebt aangedaan!'
Hij was toch oplettender dan ik had gehoopt, het zou nog lastig worden hem naar mijn hand te zetten. 'Je begrijpt het nog steeds niet, Pink.' Probeerde ik hem te sussen. 'Als ik bloed ruik, kan ik mezelf echt niet meer in de hand houden. Het is net als met haaien. Op het moment dat ik daar sta, verlies ik de controle over mezelf en krijg die pas weer terug als... als het te laat is.' Pink geloofde me niet, dat was duidelijk, maar hij ging er ook niet op door. Opgelucht sneed ik een ander onderwerp aan. 'Maar Pink... Waarom ik hier eigenlijk naartoe kwam, dat moeten we ook niet vergeten.' Pink's gezichtsuitdrukking veranderde, werd vriendelijker, warmer. 'Ja, natuurlijk. Dat is waar ook. Het is eigenlijk een raar verhaal. Weet je... Weet je wat er tussen Violet en mij is gebeurd?' Ik knikte. 'Je hebt haar in de steek gelaten. Weet je dat ze dat nooit echt verwerkt heeft? Ze was er kapot van, daarvan ben ik het levende bewijs.' Pink knikte. 'Ik zou haar ook nooit zomaar zoveel pijn doen. Violet kende mij haast beter dan dat ik mezelf kende! En voordat... eerder had ik er ook nooit over na kunnen denken dat ik haar zou verlaten. Ze was mijn leven.' Deze woorden had ik eerder gehoord. Voor het eerst kreeg ik een glimp te zien van de totale omvang van de band tussen Pink en Violet. Een band die veel en veel sterker was dan ik eerst had gedacht, die veel en veel sterker was dan een band tussen normale mensen. Wat die twee met elkaar deelden was krachtiger en puurder dan een normale vriendschap, zelfs sterker dan de band tussen een tweeling.
'Maar je moet weten, Rose, dat mijn leven ook een onverwachte wending heeft genomen. Dat was even voordat ik Violet verliet. Ik was nooit een gewone jongen geweest, ik denk dat je mijn verleden met dat van Violet kan vergelijken. Ik was gesloten en wereldvreemd. Ook ik richtte me volledig op Violet, het leek wel alsof ik met haar het ontbrekende deel van mezelf had gevonden. Ik ben nooit vergelijkbaar geweest met andere kinderen van mijn leeftijd, maar ik had nog nooit zulk onomstotelijk bewijs gehad dat ik anders was als die avond. Het begon allemaal normaal. Het was precies een week voor onze zestiende verjaardag, een week voor de fatale avond. Violet was weg, ze moest met haar ouders naar een familiefeest, en ik was alleen thuis, mijn ouders waren naar een bespreking die tot diep in de nacht zou duren. Tijdens het koken moet ik een pan heet water over mezelf hebben uitgegooid - dat gedeelte is allemaal een beetje vaag - waarna ik ben flauwgevallen van de pijn. Maar terwijl mijn lichaam bewusteloos op de grond lag maakte mijn geest zich los en begon zijn eigen leven te leiden. Het was verschrikkelijk beangstigend. Ik dacht eerst dat ik dood was toen ik mezelf plotseling in zwart-wit beeld op de keukenvloer zag liggen, nat van het water en met brandplekken over heel mijn lichaam. Maar al snel merkte ik dat er meer was. Zelfs al was ik dood, ik kon nog bewegen en door de keuken lopen als was ik nog een levend persoon. Pas toen ik de pan die op de grond lag probeerde op te pakken merkte ik dat er iets niet klopte. Ik kon niets aanraken, geen voorwerpen, maar ook niet mijn eigen lichaam. Ik was als een geest die per ongeluk nog onder de levenden verkeerde. Net toen ik het lollige er wel van in begon te zien gebeurde er nog iets onverwachts. Ik liep de keuken uit naar de woonkamer om te proberen wat ik nog meer kon uitvoeren met mijn nieuw verworven toestand, toen ik hem zag. Hij zat aan de keukentafel, als een lange, imposante verschijning die hier totaal niet thuishoorde. Ik wist meteen dat hij ook niet... normaal was, maar in dezelfde toestand verkeerde als ik. En ook al was het iemand waar ik normaal gesproken nooit naartoe zou zijn gelopen, ik was niet bang voor hem. Ik liep als in trance naar de keukentafel toe en bleef naast hem staan, wachtend op een teken of iets. De man legde een zware hand op mijn arm. "Pink, is het niet?" Zijn stem leek ook wel uit een andere wereld te komen, hij klonk me donker en als kwam hij van ver weg in de oren. Als antwoord kon ik alleen maar knikken, te zeer onder de indruk van wat er allemaal met me gebeurde om enig geluid uit te brengen. "Ga zitten, Pink. Ik heb je een boel te vertellen."' Pink stopte even met praten en keek dromerig voor zich uit. Ik durfde niets te zeggen, bang dat ik zijn concentratie zou verstoren.
Een paar seconden later leek Pink met een schok weer op aarde terug te keren en keek me gedesoriënteerd aan, alsof hij nu pas doorhad dat ik er ook nog was. 'Ik zal je niet alles woord voor woord vertellen wat die man me heeft gezegd, anders zitten we hier morgenochtend nog, maar ik zal je zeggen waar het op neerkwam. Hij stelde zichzelf niet voor, niet bij naam tenminste. Daar zou ik te zijner tijd wel achterkomen, zei hij, maar die tijd is nog altijd niet gekomen. Hij heeft me laten zien wat ik jou gisteren heb laten zien: het bewijs dat ik inderdaad anders was. Hij vertelde me wat ik was: een engel. Maar toen ik vroeg wat dat precies inhield, kreeg ik geen echt antwoord. Hij zei dat ik daar - ook - te zijner tijd achter zou komen.
Hij had het ook over Violet, blijkbaar kende hij haar of wist hij in ieder geval wie ze was. Hij zei dat onze band te sterk was, dat zij maar een gewone stervelinge was waar ik ver boven stond en dat ik haar moest loslaten en mijn eigen leven moest gaan leiden.
Ik geloofde hem, ik had geen keuze. Hij was degene die me vertelde wat ik was, die me liet kennismaken met mijn echte ik. Ik heb na die ontmoeting nooit meer iets van hem gehoord, maar toch is hij - op één persoon na - degene die mijn leven de meest ingrijpende wending heeft laten maken. Ik vertrok. Ik liet alles achter wat me lief was, zelfs Violet, en vertrok zonder iemand een woord te zeggen waarheen of waarom. Mijn doel was om mezelf te leren kennen, om erachter te komen wat en wie ik was. Dat is niet gelukt.
Ik ben teruggekomen, enkel en alleen om Violet. Ik mis haar, Rose. Ik mis haar zo erg dat het pijn doet. Ik kan onmogelijk langer zonder haar leven.' Pink keek me smekend aan, de pijn die hij voelde schemerde door in zijn ogen. 'Alsjeblieft, Rose.' Hij fluisterende haast, maar toch op zo'n manier dat ik wel naar hem moest luisteren. 'Ik smeek je, breng me naar Violet. Geef me mijn leven terug.'
Ik keek naar hem terug, keek hem diep in zijn ogen en zag geen spoortje van geheimhouding. Hij was open en eerlijk tegen me, hij vertrouwde me volledig. En eigenlijk voelde ik me daar ergens ook wel gevleid door. Ja, het was jammer dat hij moest sterven. Er hadden hem nog zoveel goede dingen kunnen overkomen.

Mara

4. Violet

Heb je lekker geslapen, Violet?
Prinsenplein 112

Rose


Ik wist niet wat er aan de hand was, maar ik wist vrijwel zeker dat er iets moest zijn. Het berichtje dat mijn laptop zoals iedere morgen braaf toonde, was namelijk anders dan het normaal was. Het bevatte geen naam. En dan niet eens een extra toevoeging of uitleg, gewoon helemaal niets. Het beviel me maar niets, maar wat had ik voor keuze?

Het Prinsenplein kwam me in geen enkel opzicht bekend voor, voor zover ik wist kende ik niemand die daar woonde. Dat was een opluchting - tot nu toe was nog geen enkele van de moorden op iemand geweest die ik kende, maar dat wilde nog niet zeggen dat dat geen mogelijkheid was.
Nummer 112 leek nog in diepe rust. Alle gordijnen waren dicht en de lichten waren uit. Misschien was er niemand thuis - of tenminste, geen levenden -, of misschien sliep iedereen nog. Ik besloot het zekere voor het onzekere te nemen en eerst maar eens proberen binnen te komen. Hetzelfde stukje ijzerdraad dat ik voor Allisons huis had gebruikt voldeed ook voor deze deur, zonder dat iemand argwaan kreeg kwam ik binnen.
Het was doodstil in huis en ik hield automatisch mijn adem in. Ik wilde niet per ongeluk iemand wakker maken die ik beter had kunnen laten slapen. Het was me wel duidelijk dat de moord die hier vannacht gepleegd was nog niet was ontdekt, en dat wilde ik graag zo houden totdat ik wist wat ik weten moest.
Eerst onderwierp ik de benedenverdieping aan een onderzoek. Daar was de minste kans op slaapkamers met slapende mensen erin, maar jammer genoeg ook de minste kans op een lijk. Ik kreeg gelijk: geen spoor van enig levend of dood wezen. Zo zacht mogelijk liep ik de trap op naar de bovenverdieping, maar ik kon niet voorkomen dat sommige treden zachtjes kraakten. Gelukkig bleef alles stil.
Toen ik boven één blik over de overloop had geworpen wist ik al waar ik moest zijn, al was ik het liever niet op deze manier te weten gekomen. Alle deuren waren gesloten, maar het donkerblauwe tapijt dat op de grond lag was voor de deur helemaal aan het einde van de gang een stuk donkerder dan het hoorde te zijn. Ik wilde absoluut niet weten hoe het bloed van het slachtoffer daar terecht was gekomen, maar wat ik wilde deed er niet toe op dit moment. Ik had maar één doel, en ik moest en zou alles doen wat moest om dat te bereiken.
Ik legde mijn hand om de deurklink maar aarzelde om hem te openen. Mijn aarzeling was van korte duur: wat moest dat moest, ik kon het maar beter snel achter de knie hebben. Resoluut duwde ik de klink naar beneden, de deur zwaaide open en onthulde een vreselijk tafereel.
Het was geen slaapkamer, zoals ik gedacht had, maar een kleine badkamer. De muren waren ingelegd met blauwe tegels, en ze waren tot vlak onder het plafond bespat met bloed, net als de kastjes aan de muren, de grond en zelfs het tapijt buiten de kamer zelf. Het lijk waar het bloed van afkomstig moest zijn lag in de badkuip. Of tenminste, dat deel dat nog van het lijk over was. Het was volledig onherkenbaar aan stukken gereten - de lijkschouwer zou het aan de tanden moeten identificeren. Over de bebloede resten van het lichaam was een blauwe lap gedrapeerd, die me verbazingwekkend genoeg heel bekend voorkwam. Zo te zien was er echt moeite gedaan om er zoveel mogelijk bloed uit te persen. Welke zieke persoon had dit op zijn geweten? Dit was toch geen manier om iemand te vermoorden? Het leek mij dat er hier meer in het spel was dan heftige wraakgevoelens.
Ik durfde het mezelf nauwelijks toe te geven, maar stiekem had ik gehoopt dat dit genoeg zou zijn. Dat ik na het zien van dit toegetakelde lichaam weer stilletjes naar buiten zou kunnen sluipen. Maar ik had moeten weten dat dat niet genoeg zou zijn. Er stond niet voor niets geen naam in het berichtje dat ik van Rose had gekregen vanmorgen. Ik zou uit moeten zoeken om wie het hier ging, en ik had zo'n flauw vermoeden dat dat me een grotere schok zou gaan geven dan ik verwachtte.
Ik wist niet goed hoe ik dit aan moest pakken. Ik wilde liever geen mensen wakker maken, dus de optie om andere levende wezens in het huis te gaan zoeken viel af. Wat bleef er dan over? Gokken welke slaapkamer van de vermoorde was en dan proberen daar een naam te vinden? Als ik de goede te pakken had zou ik het zeker merken...
Ik besloot dat de laatste optie me het meest aanstond, dus ik verliet de badkamer en sloot het vreselijke tafereel buiten door de deur stevig achter me dicht te trekken. Het voelde goed een duidelijke scheiding tussen mij en het lijk te hebben staan.
Dan kwam ik tot de keuze van de deuren: een verkeerde kon fataal uitpakken. Ik besloot niet moeilijk te doen en probeerde de dichtstbijzijnde, aan mijn linkerkant.
Op slot. Die zou ik later wel openmaken, als het echt niet anders kon. Het leek me dat als je midden in de nacht in de badkamer vermoord werd, je je slaapkamerdeur wel niet op slot zou hebben zitten. De deur daarnaast was open, toen ik ertegenaan duwde zwaaide hij geruisloos naar binnen. De kamer erachter was donker, één en al ondoordringbare duisternis waarin ik geen hand voor ogen kon zien. Op mijn tenen zette ik een paar passen naar binnen zodat ik minder last had van het licht dat me in de rug viel en wachtte geduldig terwijl mijn ogen langzaam aan het donker begonnen te wennen. Al vrij snel kon ik de vormen van een bed onderscheiden - en van twee slapende gestalten die erin lagen. Verkeerde kamer. Ik sloot de deur weer even zachtjes en hoopte maar dat de gestalten even roerloos zouden blijven liggen als het lichaam in de badkamer.
Er waren nu nog maar twee deuren over - de deur die op slot zat niet meegerekend. Ik dacht niet na en ging op mijn gevoel af toen ik naar één van de twee toeliep en de deur opende. Ik zag meteen dat ik goed zat. Het was licht in de kamer - de gordijnen waren open - en het eenpersoonsbed was onbeslapen. Het was een rommelige tienerkamer. De grond was bezaaid met kleren en cd's en op het bureau lagen stapels papieren, schriften en schoolboeken. Het bureau trok meteen mijn aandacht. Daar zou vast wel iets te vinden zijn waar een naam op stond.
Ik deed nu minder moeite om zachtjes te zijn - de mensen in de andere slaapkamer zouden er toch wel doorheen slapen, daar was ik vrij zeker van. Ik hoefde niet lang te zoeken, op het eerste boek dat ik van het bureau pakte stond met grote, slordige letters een naam. Het was alleen maar een voornaam, meer had ik ook niet nodig.
Michael.
Mijn gedachten stopten, ik voelde hoe mijn benen het begaven en hoe ik op de grond in elkaar zakte, half onder het bureau. Mijn hele lichaam begon onbeheersbaar te schokken en ik hoorde en hoog, keihard geluid in mijn oren dat ik niet kon plaatsen. Toch leek het op de een of andere manier belangrijk, al kon ik niet bedenken waarom. Toen besefte ik dat ik het zelf was, en het geluid hield abrupt op. Maar het was al te laat, ik hoorde een van de deuren op de gang open gaan en een slaperige mannenstem onverstaanbaar brommen. Ik hoorde hem met trage passen naar de kamer toe sloffen waar ik me bevond. Michaels kamer. De kamer die van het lijk was geweest dat in de badkuip lag. Michaels lijk.
De deur van Michaels kamer ging open en er kwam een brede man binnen - breed van de spieren, niet van het vet. Dat moest Michaels vader zijn. Zodra hij de kamer van zijn zoon binnen stapte zag hij me op de grond zitten. Eerst trok zijn brede gezicht wit weg, toen werd hij rood en keek me woedend aan. 'Wat moet jij hier?' Bulderde hij. 'Wat doe jij in de kamer van Michael? Waar is mijn zoon?' Zijn stem schalde door het huis en ik wilde het liefste in mezelf wegkruipen, mezelf als een schildpad veilig binnen in een beschermend pantser verschuilen totdat het veilig was weer naar buiten te komen. Maar ik kon hem onmogelijk ontlopen, ik zou toch voor de directe confrontatie moeten gaan. Ik sloot mijn ogen een kort ogenblik en keek de man daarna met alle kracht die ik nog in mezelf kon vinden aan. Hij was meteen van de wereld en keek me met lege ogen aan, als een lichaam zonder vulling, zonder ziel. Ik begon zachtjes tegen hem te praten, ik wilde de vrouw die waarschijnlijk nog in bed lag niet ook hierheen halen. 'Goed, je gaat zodirect terug naar de slaapkamer. Je bent alles vergeten wat je hier hebt gezien, je herinnert je enkel nog dat je een vreemd geluid hoorde, maar je hebt de oorzaak niet kunnen vinden. Dat verhaal vertel je ook aan je vrouw, en geen van jullie mag de komende twintig minuten de slaapkamer uitkomen.' Dat moest genoeg tijd zijn voor mij om hier weg te komen.
'Als de twintig minuten om zijn mogen jullie naar buiten, waar jullie...' Ik slikte even. 'Dan zullen jullie de moord op jullie zoon ontdekken.'
De man gaf geen enkel teken van dat hij me had gehoord, maar ik wist dat mijn boodschap was overgekomen. Ik knikte naar hem, en het leven keerde terug in zijn ogen. Zonder nog naar mij te kijken draaide hij zich om en liep slaapdronken de kamer uit. Toen ik de deur achter hem in het slot had horen vallen maakte ik dat ik wegkwam. Weg uit dit vervloekte huis, weg van het lijk van de persoon waarmee ik eindelijk contact had gekregen.
Ik had me de afgelopen minuten erg goed gehouden, mijn best gedaan om het gebeurde even naar de achtergrond te verdringen en me te kunnen concentreren op waar ik mee bezig was, maar toen ik buiten stond voelde ik hoe de heftige emoties zich weer op me stortten.
Dit kon niet, dit mocht niet. Nog nooit waren de moorden zo diep mijn eigen leven binnen gedrongen, nog nooit was het slachtoffer iemand geweest die ik persoonlijk kende, die zo dicht bij me stond als Michael had gedaan.
Er kwam een gruwelijke gedachte in me op. Wat nou... wat nou als voortaan iederéén waar ik mee in contact kwam de volgende morgen zo aangetroffen zou worden? Dan was ik een gevaar voor alle mensen in mijn buurt. Dan zou ik maar beter weg kunnen gaan, ergens waar ik niemand meer kwaad zou kunnen doen.
Mijn gedachten bleven doorgaan, ik kon ze onmogelijk stopzetten. En dat wilde ik eigenlijk ook helemaal niet. Want wat nou als ik niet bij mensen, niet bij mijn laptop in de buurt was... Zou ik dan buiten het bereik van Rose liggen? Zou ze me dan nog zo in haar macht kunnen houden en me zo weerloos kunnen maken dat ik wel moest doen wat zei me opdroeg? Ik stopte die gedachte weg in mijn hoofd om er later nog eens over na te denken. Ik was nu niet bepaald in de stemming. Ook school zou het vandaag zonder mij moeten doen - al had ik het idee dat sommige mensen mij liever kwijt dan rijk waren. Mijn hoofd was simpelweg te vol van de dingen die waren gebeurd. Michael was dood. Onomkeerbaar dood, hij zou nooit meer terug komen.
Mijn besluit om uit te zoeken wie Rose was en waarom ze me dit aandeed werd er alleen maar sterker door.

Ik zat op de kade met mijn benen over de rand bungelend. Ik dacht - voor de verandering - niet na, mijn hoofd was leeg. De sterke wind die hier stond en de zilte geur van de zee maakte dat al mijn gedachten verdwenen. Het voelde goed, rustig. Hier kreeg ik eindelijk de kans om de gebeurtenissen van deze dag te verwerken en mijn gevoelens op een rijtje te zetten zonder dat iemand me daarbij zou storen. Ik was vandaag totaal niet in de stemming voor contact met anderen, laat staan met mensen die met me wilden praten.
Ik schrok dan ook enorm toen ik opeens een hand op mijn schouder voelde en er iemand naast me kwam zitten. In de eerste instantie - een fractie van en seconde maar- dacht ik dat het iemand uit de haven was, een gastarbeider of zo, die in mij een gemakkelijke prooi zag. Hij was blank, maar zijn huid was gebruind door de zon als bij iemand die veel buiten is. Hij had stralende witte tanden en lichtblonde haren die daar helder bij af staken, en prachtige blauwe ogen die me vriendelijk aankeken - helemaal niet als iemand die me probeerde te versieren. Iets aan hem kwam me enorm bekend voor, en ik voelde kriebels in mijn onderbuik die ik normaal gesproken niet had - en zeker niet na dat wat vanochtend was gebeurd.
Toen drong het tot me door, en voordat ik doorhad wat ik aan het doen was was ik de jongen al om de hals gevlogen en omhelsde hem stevig in een wirwar van blonde haren, nat van de tranen die opeens onbedwingbaar uit mijn ogen stroomden. 'O mijn god, Pink! Pink!' Ik voelde de tranen over mijn wangen stromen maar deed geen moeite om ze tegen te houden. Vandaag was het onmogelijke mogelijk, leek het wel. Een dag van uitersten.
Pink sloeg twee lange armen om me heen en drukte me stevig tegen zich aan. Het leek bijna alsof hij mij ook gemist had. 'Violet.' Zei hij zacht en intens. 'Lieve, lieve Violet. Eindelijk.' Hij was niet zo uitbundig als ik, maar ik hoorde de emotie in zijn stem en kon op dat moment niet anders dan echt te geloven dat hij voor mij was teruggekomen - al wist ik dat dat niet het geval was.
Pink maakte zich voorzichtig los uit mijn omhelzing en duwde me een stukje naar achteren zodat hij me kon bekijken. 'Jezus, Violet. Je bent... veranderd, weet je dat? Echt heel erg anders.' Ik slikte mijn verwijtende antwoord in - dat zou later wel komen - en glimlachte naar hem. 'Je moet jezelf een zien! Ik herkende je eerst bijna niet.' Pink grijnsde. 'Dat geloof ik niet hoor. Jij kent mij veel te goed om me niet te herkennen. Al was ik groen geweest met twee hoorntjes!'
Ik kon het niet helpen dat ik in de lach schoot, dit was zo typisch Pink. Het voelde haast weer alsof het afgelopen jaar niet had bestaan, alsof we terug in de tijd waren gegaan. Maar ik wist dat dat wat dit jaar gebeurd was onmogelijk uitgewist zou kunnen worden.
Pink trok me weer naar zich toe en duwde zijn gezicht in mijn haren. Ik legde mijn hoofd op zijn schouder en even bleven we zo onbeweeglijk zitten. Het voelde zo verschrikkelijk goed weer bij hem te zijn, ik was eindelijk weer compleet. 'Pink?' Vroeg ik hem zachtjes. Ik voelde zijn borstkas trillen toen hij instemmend knorde. è
'Wil je me iets beloven? Kan je dat? Kan je me beloven dat je niet meer bij me weggaat?' Ik keek omhoog en zijn haren kriebelden in mijn gezicht. Pink duwde me weer achteruit en keek me recht aan. 'Nee.' Zijn stem klonk treurig. 'Nee, Violet. Dat kan ik niet.'
Pink liet me nu helemaal los en hield alleen mijn handen in de zijne. Mijn lichaam herinnerde zich iedere aanraking, en alles voelde zo verschrikkelijk vertrouwd.
'Violet.' Zei Pink ernstig en hij keek omlaag naar het water vlak onder onze voeten. 'Je weet niet waarom ik ben weggegaan, en dat kan ik je ook niet vertellen. Maar geloof me als ik zeg dat het niet om jou was. Ik zou jou nooit in de steek kunnen laten, zomaar zonder reden. Als het kon had ik je met me mee genomen, Violet, had ik je voor altijd bij me gehouden. Maar er gebeurden...' Hij aarzelde even. 'Er gebeurden dingen... die het onmogelijk maakten bij jou in de buurt te blijven. En ook nu weet ik niet genoeg om te kunnen zeggen dat zoiets niet weer gebeurd.' Pink keek op om mijn reactie te peilen en schrok van de donkere blik in mijn ogen. 'Violet.' Zei hij smekend. 'Je moet het begrijpen! Je hebt geen idee hoe graag ik tegen je zou zeggen dat alles weer net zo wordt als vroeger, dat ik je nooit meer alleen zal laten. Maar dat kan ik niet!' Ik reageerde niet, bleef als een standbeeld naast hem zitten.
'Violet!' Pink werd nu echt wanhopig. 'Alsjeblieft, Vi! Ik... ik beloof je dat ik je het deze keer zal vertellen, goed? Ik zal het je vertellen als ik wegga.' Ik voelde een steek in mijn hart toen hij mijn oude koosnaampje gebruikte. Vi. Zo noemde hij me vroeger altijd.
Ik sprong overeind, zo plotseling dat Pink haast zijn evenwicht verloor. Hij stond meteen ook op en stak een heel stuk boven me uit. Ik ging op mijn tenen vlak voor hem staan en keek omhoog naar zijn gezicht. Hij probeerde mijn koude, lege ogen te peilen maar slaagde daar niet in.
'Je vergist je, Pink.' Fluisterde ik vlakbij zijn oor. 'Het kan nooit meer worden zoals vroeger, wat je ook zegt en beloofd. Daarvoor ben ik veel te veel beschadigd.' Ik draaide me om en zonder nog om te kijken liep ik weg, Pink verbijsterd achterlatend. Ik wist dat ik hard was, en dat was ook mijn bedoeling, maar ik wist niet hoe verschrikkelijk waar mijn woorden waren.

Mara

4. Rose

Violet was deze keer gewoon in haar kamer toen de wisseling plaatsvond - waar ze hoorde dus. Ja,  ik kon tevreden zijn over hoe ze zich had gedragen vandaag. Ze had de dood van Michael erg goed opgevat. Natuurlijk wilde ze wraak en was ze bang, maar ik had erop gerekend dat die gevoelens sterker zouden zijn. Bovendien had ze zich goed gehouden tegenover Michaels vader en zich er handig uit gered. Maar het meest tevreden was ik nog wel over haar reactie op Pink's terugkeer. Misschien zou ik mijn plan wel aan kunnen passen, misschien zou ik haar wel over kunnen halen Pink zelf te doden... Daar zou ik nog wel over na gaan denken, later. Voor vanavond had ik andere plannen.
Ik sprong het raam uit zonder me zorgen te maken over eventuele toeschouwers. Die hadden pech vannacht. Terwijl ik door de straten rende voelde ik mijn woede en daarmee ook mijn kracht toenemen. Er was iemand anders met wie ik minder tevreden was, en dat zou ik hem laten weten ook. Had ik Pink niet duidelijk gemaakt dat hij, wat hij ook deed, Violet absoluut nog niet mocht zien? Had ik hem niet duidelijk gemaakt dat ik de touwtjes in handen had en het er echt bij zou laten zitten als hij zich niet aan mijn wensen hield? Blijkbaar niet dus...
Ik was in een paar minuten bij Pink's huis. Het had geen zin iets uit te stellen dat toch onvermijdelijk was, ik kon het maar beter snel achter de rug hebben.
Deze keer hoefde ik niet eens aan te kloppen: nog voordat mijn hand het hout aanraakte werd de deur open gerukt en stond ik tegenover een doodsbange Pink. Hij zag er slecht uit, slechter dan de laatste keer dat ik hem had gezien - vanmiddag, in Violets herinneringen. Zijn gezicht was nog bleker geworden en onder zijn ogen lagen diep blauwpaarse schaduwen, haast zwart, alsof hij de afgelopen nachten niet geslapen had - wat, zo bedacht ik me, ook best eens het geval zou kunnen zijn gezien mijn nachtelijke bezoekjes. Ook met zijn ogen was iets vreemds aan de hand. Eerder waren ze stralend, helderblauw geweest en hadden vol levenslust de wereld in gekeken, nu stonden ze niet alleen een stuk droeviger, het leek wel alsof de kleur eruit was verwenen en er alleen een fletse afspiegeling van het eerdere blauw over was gebleven.
Pink leek niet verbaasd dat ik het was - wie anders? - en liet me zonder een woord te zeggen binnen. Ik ging weer in dezelfde stoel zitten als de vorige keer dat ik hier was, sloeg mijn benen over elkaar en rechtte mijn rug. Pink nam tegenover me plaats en keek me afwachtend aan. Ik zei niets, wachtte op mijn beurt tot hij zou beginnen met praten. Dat deed hij uiteindelijk, maar niet over het onderwerp waarover ik verwacht had dat hij zou beginnen.
'Weet je wat het is, Rose?' Pink durfde me niet aan te kijken en frunnikte aan de rafelige rand van zijn shirt. 'Ik weet niets van mezelf, nog steeds niet. Dat ene jaar waarin ik ben weggegaan, heeft mij en anderen niets dan verdriet en pijn bezorgd. Je weet wat ik ben, je hebt het zelf gezien, en daarmee weet je haast evenveel als ik. Ik weet niet wat ik allemaal kan, wat mijn krachten zijn.' Nu keek hij me wel aan, met zijn rare, kleurloze ogen die eerder echt anders waren. 'Er is wel iets vreemds met me, Rose. Ik kan je voelen. Je aanwezigheid. Ik wist dat er iemand naar hier kwam, ik wist ook dat jij dat was. Als een soort... radar, zou je kunnen zeggen. En niet alleen jouw aanwezigheid kan ik voelen, maar die van iedereen waar ik me op af stem. Ieder moment van de dag, waar ze ook zijn, kan ik aangeven waar iedereen is. Bijna dan, er zijn twee uitzonderingen. Overdag ben jij er niet, Rose. Dan verdwijnt jouw aanwezigheid simpelweg, op dezelfde manier waarop Violet 's nachts van de aardbodem lijkt te zijn weggevaagd. Ik zou graag willen weten hoe dat komt...' Hij keek me vragend aan maar ik schudde mijn hoofd. Ik had wel wat theorieën, maar ik wilde dat hij door zou  praten. Ik had het idee dat dit niet het enige was wat hij vanavond wilde vertellen.
Pink knikte. 'Goed. Jammer. Misschien komt het later nog. Maar er is meer.' Ik had gelijk.
Pink tilde zijn rechterhand op en hield die met gespreide vingers voor zijn gezicht zodat ik slechts reepjes ervan kon zien. 'Let op.' Mompelde hij en sloot zijn ogen. Ik leunde naar voren en tuurde ingespannen naar zijn hand. Ik wist dat er iets zou gaan gebeuren - en hoogstwaarschijnlijk iets vreemds -, maar toch was ik hier niet op voorbereid. Even leek Pink's hand te vervagen en werd hij zo transparant dat ik zijn gesloten ogen en op elkaar geperste lippen erdoorheen kon zien. Het duurde maar een fractie van een seconde, toen werd alles weer normaal en liet Pink zijn hand zakken. Hij zuchtte en ontspande zich een beetje. 'Ik begin te vervagen, Rose. Ik wordt minder, langzaam maar zeker. Alsof mijn tijd op aarde om is en elke seconde die ik nog langer hier blijf meer en meer van mijn energie en wezen afknabbelt. Ik denk niet dat ik het nog lang zal kunnen tegenhouden. Het is bijna voorbij. Maar weet je?' Hij keek me hoopvol aan. 'Vanmiddag, toen ik bij Violet was...' Ik fronste mijn wenkbrauwen, maar liet hem doorpraten. Ik wilde wel weten wat voor slap excuus hij had verzonnen om toch nog bij Violet te kunnen blijven.
'Violets aanwezigheid lijkt te helpen, op een vreemde manier, me tastbaarder te maken. Ik kon haar vasthouden vanmiddag, terwijl nu...' Hij bracht zijn hand naar de houten leuning van zijn stoel en duwde ertegen. Maar in plaats van dat zijn vingertoppen tegen het hout aan stootten, zonken ze erin weg tot halverwege het tweede kootje. 'Ik kan het wel tegenhouden, maar niet lang meer. Het zuigt mijn energie veel en veel te snel op. Het zal niet lang meer duren voordat ik gewoonweg verdwijn.'
Ik staarde hem verbijsterd aan en telde in mijn hoofd de dagen af. Het was vandaag de nacht van 12 op 13 maart, nog iets minder dan een week dus. Een week die Pink nog moest overleven, koste wast kost. In mijn hoofd zag ik zijn vingertoppen weer in het hout verdwijnen en huiverde. Ik was geen expert op dit gebied, maar zelfs ik had wel door dat hij het zo echt niet nog een week uit zou houden. Een dag kwam dichter in de buurt, misschien twee of drie als hij geluk had. Ik zou het natuurlijk kunnen vervroegen - ik was er klaar voor en Violet ook  bijna -, maar dat idee stond me heel erg tegen. Achttien maart was perfect.
Ik streek nadenkend een haarlok uit mijn gezicht die uit mijn vlecht was geraakt en zag hoe Pink al mijn bewegingen met zijn ogen volgde. Het was me nu ook duidelijk waar die vreemde kleur - of eerder het ontbreken daarvan - vandaan kwam.
'Goed.' Zei ik plotseling vanuit het niets, mijn stem helder en kalm. 'Juist ja. Om eerlijk te zijn zie ik maar één oplossing - of tenminste een tijdelijke - voor je probleem.' Ik glimlachte naar hem. 'Je zal het goed moeten maken met Violet - ze is behoorlijk boos op je, moet je weten - en zoveel mogelijk bij haar in de buurt blijven.' Een brede glimlach brak door op Pink's gezicht en hij begon te stralen, leek spontaan weer wat kleur terug te krijgen. Ik keek hem boos aan. Iets minder enthousiast mocht ook wel. 'Rustig aan, jongen. Kalm blijven alsjeblieft. Je verteld haar niets, hoor je?' Het was geen echte vraag en dat hoorde Pink ook. 'Geen woord, ze mag absoluut niets weten. Niet over jou en niet over mij. Je verzint maar iets om je vluchtgedrag te verklaren, iets dat ze geloofd. En probeer niet te diep haar leven binnen te dringen, wil je? Maak haar niet te afhankelijk van je, je weet hoe ze is. Jij en ik weten beiden dat deze oplossing maar tijdelijk is, toch? En we willen niet dat er weer zoiets gebeurd als de vorige keer dat je besloot de benen te nemen...' Ik wist dat ik hem toesprak als een klein kind, maar hij moest me echt serieus nemen.
Pink beet op zijn lip. Ik herinnerde hem aan dingen waar hij liever niet aan herinnerd wilde worden, maar dat deed ik met opzet.
'Mooi. Dan is mijn tijd nu om, Pink. Ik moet weg.' Aan de afschuw in zijn ogen kon ik zien dat hij best wist waar ik naartoe moest, wat ik nog moest doen, maar hij zei niets. 'Ik kom morgen terug, goed? Ik heb nog een paar dingen die ik met je wil bespreken.' Pink knikte en ik stond gelijk met hem op. Plotseling kwam hij een beetje onhandig op me af gestapt en sloeg zijn lange, sterke armen om me heen in een onbeholpen omhelzing. Mijn gezicht drukte tegen zijn hoekige schouder met mijn neus vlak bij zijn keel en ik werd haast gek van de geur van zijn bloed dat vanuit zijn aderen zachtjes mijn naam leek te lispelen, me leek te roepen.
Ik duwde hem ruw van me af en keek hem kil aan. 'Mijn God.' Hijgde ik en Pink deinsde terug. 'Wat dééd je in 's Hemelsnaam? Waar denk je dat je mee bezig bent? Idioot!' Ik draaide me om en stormde de kamer uit. Het huis uit, de straat en de hele wijk. Als ik maar ver weg was van... van hem.
Pas toen ik een heel stuk verder was bleef ik staan en leunde met mijn rug tegen de muur achter me. Ik gaf de gedachtenstorm die door mijn hoofd raasde even de tijd te gaan liggen en pikte er toen zorgvuldig de belangrijkste tussenuit. Ik probeerde mezelf gerust te stellen: Het stelde niets voor, hij wilde je gewoon bedanken. Misschien dacht hij even dat hij Violet voor zich had staan, was het gewoon een soort van reflex. Dat kon ik allemaal nog best geloven, het lag meer voor de hand dan... Op dat punt stokten mijn gedachten.
Wat ik niet met een slap smoesje af kon maken was wat ik zelf gevoeld had toen Pink me omhelsde. Goed, het was logisch dat ik de geur van zijn bloed haast niet kon weerstaan, maar dat was niet de belangrijkste reden dat ik hem zo ruw had weggeduwd.
Het was een stuk minder logisch, ronduit vreemd en verkeerd eigenlijk, dat ik zijn líchaam niet kon weerstaan. Toen hij zijn armen om me heen had gelegd werd ik plotseling en onverwachts overspoeld door een gevoel dat ik nooit eerder had gekend. Violet wel - zeker wel -, maar haar herinneringen waren maar een slap aftreksel van het gevoel dat ik ervaren had.
Het was gewoon te veel, het kon niet. Ik wist dat Pink - zelfs als alles goed zou gaan en hij niet zou verdwijnen - niet langer meer te leven had dan 18 maart. Dan zou het voor hem voorgoed afgelopen zijn. Ik mocht dit soort dingen absoluut niet voor hem gaan voelen, het was gewoon zó verschrikkelijk verkeerd en onmogelijk!
Ik sloeg mijn armen om mezelf heen en liet mijn kin op mijn borst vallen zodat een dikke pluk donker haar voor mijn ogen viel. Zonder dat ik het kon tegenhouden werden mijn ogen vochtig en gleden de druppels over mijn wangen naar beneden en drupten op mijn kleding. Ik wist niet dat ik zulke heftige emoties kon hebben, wist eigenlijk ook niet wat ik ermee aanmoest. Ik wist dat het niet kon, dat het simpelweg onmogelijk was en dat ik er absoluut niet aan toe mocht geven. Het was zowel voor hem als voor mij te gevaarlijk, dat bewees de gebeurtenis van vanavond wel. Het was dan wel niet de belangrijkste reden dat ik Pink zo ruw had behandeld, door mijn onstilbare dorst van bloed had het niet veel gescheeld of ik had zijn keel opengescheurd en hem ter plekke vermoord. Dat bracht me op iets anders, iets waar ik een stuk gemakkelijker aan kon denken.
Ik rechtte mijn rug, hief mijn hoofd omhoog naar de nachtlucht en wreef mijn handen tegen elkaar - niet tegen de kou, dat maakte me niets uit. Een minuut later was de straat waar ik zo even nog tegen de muur had staan huilen weer even verlaten als ik hem had aangetroffen, en sloot ik ergens anders in de stad mijn handen om de keel van mijn volgende slachtoffer.

Mara

5. Violet

Ik werd wakker doordat een zonnestraal van de opkomende zon door een spleet in mijn gordijnen precies op mijn gezicht scheen. Met een geïrriteerde kreun draaide ik me met mijn rug naar het licht, maar het was al te laat. Nu ik eenmaal wakker was zou ik met geen mogelijkheid weer in slaap komen. Met tegenzin zwaaide ik mijn benen uit bed. Ik deed altijd mijn best uit te slapen in het weekend, maar ik werd toch altijd wakker als de zon opkwam, en aangezien het dan voor mij onmogelijk was om nog door te slapen stond ik meestal maar gewoon op. Het was sowieso onmogelijk om lang te blijven liggen niksen als ik eenmaal wakker was - mijn laptop trok teveel.
Zelfs nu, terwijl ik een momentje op de rand van mijn bed bleef zitten en mijn ogen open probeerde te krijgen kolkte een onaangenaam gevoel van haast door mijn onderbuik, waarvan ik wist dat het langzamerhand sterker zou worden en pas zou verdwijnen als ik klaar was met mijn taak van vandaag.
Ik slofte naar mijn bureau en zette mijn laptop aan nadat ik me in de stoel die ervoor stond had laten vallen. Ik zakte wat onderuit terwijl het ding begon te zoemen en te ratelen en trok het gordijn voor het raam naast mijn bureau een stukje opzij om te kunnen zien wat voor weer het vandaag was. De zon scheen - maar dat wist ik al - en de lucht was vol met schapenwolkjes, en hoewel ik wist dat die vaak onweer aankondigden spoelde het blije gevoel over me heen dat het een mooie dag zou gaan worden. Het bericht op mijn laptop nam dat blije gevoel echter meteen weer weg.

Heb je lekker geslapen, Violet?
Saskia Bollsen
Hartlaan 15

Rose


Zonder dat ik in mijn geheugen hoefde te zoeken drong zich het berichtje van twee dagen geleden weer naar voren. Dat was bijna precies hetzelfde geweest - alleen de voornaam was anders. En zelfs die had ik eerder gehoord... De stem van de commissaris die informatie had gegeven over de moord op Robby Bollsen klonk weer door mijn hoofd.

'We beschikken over sterke aanwijzingen dat zijn moeder, Saskia Bollsen, haar zoontje heeft vermoord, al hebben we haar motief nog niet gevonden.'

Was de inspiratie van de geheimzinnige moordenaar uitgeput? Of was er iets anders aan de hand dat hij plots tot familie-moord over leek te gaan?
Ik zou het niet weten, en ik hoopte maar dat ik dát vandaag niet uit hoefde te zoeken. Ik wilde nog iets anders doen met deze zaterdag dan achter onvindbare criminelen aan te gaan. Eigenlijk had ik een heel nuttige bestemming gevonden voor deze dag...
Ik maakte snel een ontbijt voor mezelf en probeerde wat te eten, maar kreeg geen hap door mijn keel. Ten langen leste duwde ik mijn bord van me af. Eten kwam later wel, ik wilde eigenlijk vooral weten wat er met Saskia Bollsen was gebeurd. Die gedachte schokte me. Wilde ik dat nou écht weten? Vond ik het léuk om lijken te zien? Was ik zo in de ban van de moordenaar dat ik vergat wat een beest het eigenlijk was? Wie deed er nou zoiets? Zou het echt Rose zijn die 's nachts mensen vermoordde en vervolgens op mijn laptop inbrak om mij ervan op de hoogte te stellen? Ik kon het me bijna niet voorstellen, al was het alleen maar omdat haar naam zo lief klonk. Rose. Precies wat het betekende, een prachtige, tere bloem. Hoe kon een roos nou iemand kwaad doen?
Ik schoof mijn stoel naar achteren en stond op met de bedoeling naar boven te gaan, me aan te kleden - ik liep nog steeds in mijn pyjama - en me klaar te maken voor mijn onderzoek op Hartlaan 15.
Plotseling echter schalde er een bekende tune door de kamer. Eerst herkende ik het niet - dat kwam waarschijnlijk doordat ik met geen mogelijkheid kon begrijpen waarom dát opeens zo hard in mijn oren klonk, maar toen het liedje gevolgd werd door een warme, vriendelijke mannenstem had ik door wat ik hoorde. Ik begreep alleen niet waarom de televisie zomaar uit zichzelf aansprong en mij het nieuws liet zien. Verbaasd liep ik naar de andere kamer - waar de televisie stond - en ik haalde net de afstandsbediening tussen de kussens van de bank vandaan om hem uit te zetten toen mijn aandacht getrokken werd door wat er op het scherm te zien was. De beelden lieten een doodgewone, rustige straat zien en gleden kalm langs de rijtjeshuizen met de kleine tuintjes ervoor. Op de één of andere manier kwam het me bekend voor, maar ik kon het nog niet plaatsen. Het beeld draaide verder, en er kwamen verschillende ambulances en politiewagens in zicht. Toen herkende ik het wel. Ik was er eergisteren nog geweest, zelfs. Hartlaan 15.
Ik verwachtte een nieuwsbericht over de moord op Robby en ging op de bank zitten. Dat wilde ik wel even zien.
De camera zoomde in op de voordeur van het huis. Eerst kwam er een stoet serieus kijkende politieagenten naar buiten, gevolgd door twee ambulancemedewerkers die een brancard met zich meevoerden. Maar het vreemde was dat het lichaam dat onder de witte doek lag onmogelijk dat van een paar maanden oude baby kon zijn. Daar was het veel te groot voor, het had het formaat van een niet al te grote volwassene, of een erg uit de kluiten geschoten kind.
Er schoot een steek door mijn hand die in mijn schoot lag en toen ik ernaar keek zag ik dat ik de afstandsbediening die ik had opgepakt om de televisie uit te zetten zo stevig vasthield dat mijn knokkels wit waren. Vlug zette ik het geluid harder zodat de stem van de nieuwslezer duidelijk te horen was.
'... moord op Robby Bollsen eergisteren, is nu ook het lijk van zijn moeder, Saskia Bollsen, gevonden. Saskia Bollsen werd er tot vandaag nog van verdacht haar eigen zoontje te hebben vermoord, die eergisterochtend dood in zijn bed werd aangetroffen met plekken in zijn hals die wijzen op wurging en verstikking. Ze is meegenomen naar het politiebureau voor verhoor, maar door onvoldoende bewijzen is ze 's avonds weer terug naar huis gegaan. Vanochtend vroeg is ze door haar man, Bernard Bollsen, dood in haar slaapkamer aangetroffen. Ook zij lijkt gewurgd te zijn, en er zijn tekenen van verzet en worsteling aangetroffen.
Het idee dat Saskia Bollsen haar eigen zoon vermoord heeft lijkt nu onwaarschijnlijk, de politie gaat er nu vanuit dat beide slachtoffer zijn van dezelfde moordenaar. De link met de eerdere moorden is nog niet gelegd, maar een verband is niet uitgesloten. Bernard Bollsen is meegenomen voor verdere ondervraging. Zodra de politie meer informatie vrijgeeft zullen we u daarvan op de hoogte stellen.'
Het beeld keerde terug naar de presentator in de studio en ik zette de televisie uit. Meer nieuws dat de moeite van het bekijken waard was zou er toch wel niet meer komen. Maar ik vond het niet erg: ik was klaar. De dag lag open, en ik was degene die hem in mocht vullen, niet gedwongen door wie dan ook tot wat dan ook.
Ik pakte mijn jas - zó warm was het nou ook weer niet - en mijn fiets. Voordat ik vertrok bleef ik even staan en groef ik mijn geheugen. Ik wist waar ik heen wilde, maar de route ernaartoe was het afgelopen jaar uit mijn geheugen gesleten en de vorige keer dat ik daar terecht was gekomen was het per ongeluk geweest. Uiteindelijk zette ik mijn voeten maar gewoon op de trappers en begon te fietsen, en gaandeweg merkte ik dat de weg nog perfect in mijn hoofd zat. Zonder één enkele aarzeling fietste ik het hele stuk tot ik tenslotte stil bleef staan voor het huis waar Pink woonde.
De huizen - waaronder het zijne - zagen er allemaal nog net zo onbewoond en kil uit als een paar dagen geleden. Ik kon me niet voorstellen dat iemand daar vrijwillig in zou gaan wonen - maar ik had me de schaduw achter het raam en de naar buiten hangende gestalte toch echt niet ingebeeld. En naast de haven was dit de enige plek waar ik Pink misschien zou kunnen vinden. Ik wist dat ik me onbehoorlijk gedragen had gisteren, en ik wilde het graag goedmaken. Want - wat ik dan ook tegen hem gezegd had - ik was veel en veel te blij dat hij teruggekomen was, en ondanks mijn eerdere beloftes aan mezelf zou ik hem zonder enige aarzeling weer opnemen in mijn leven. Het zou wel degelijk weer kunnen worden zoals vroeger, alsof hij nooit weggeweest was. Als het aan mij lag wel tenminste. Ik was beschadigd, maar zijn aanwezigheid had me in één klap weer volledig aan elkaar gehecht, me genezen. Ik was alleen bang dat híj degene was die te beschadigd was om me terug te nemen.
Maar op dit moment kon ik simpelweg niet langer zonder hem. Wat de consequenties ook zouden zijn, ik zou naar hem toe gaan en hem niet meer van me weg laten gaan - niet meer zo definitief als eerder in elk geval. Waar hij ook heen zou gaan, ik zou hem volgen, als was ik zijn tweede schaduw, zijn tweeling.
Met vastberaden passen liep ik naar de voordeur toe en drukte mijn vinger op het knopje van de bel. Niets. Ik fronste mijn voorhoofd. Het huis verkeerde in nog slechtere staat dan ik dacht. Ik gaf bij wijze van aanbellen maar een bons op de deur. Het duurde een eeuwigheid voordat die op een kiertje werd geopend. Er verscheen een slaperig hoofd in de deuropening dat me duf aankeek. Het was een knappe jongen van rond de twintig met warrig, lichtbruin piekhaar en ijsblauwe ogen die nog half dicht zaten. Het was wel duidelijk dat hij net wakker was. Ik wierp een blik naar beneden - en keek snel weer omhoog -, hij had niet de moeite genomen iets over zijn pyjama - een boxershort en oversized shirt - aan te trekken voor hij de deur opende.
Ik lachte onzeker naar hem en ondanks zijn slaperige gezicht lachte hij terug. Dat gaf me de moed die ik nodig had om verder te gaan. 'Mag eh... Woont Pink hier?' Vroeg ik onzeker. Even keek de jongen verbaasd, toen keerde de glimlach terug. 'Ja, natuurlijk. Maar hij slaapt nog. Zal ik hem voor je wakker maken? Dat vindt hij vast niet erg...'  Bij dat laatste liet hij zijn blik over mijn lichaam glijden. 'Wat moeten al die meisjes toch met dat scharminkel?' Mompelde hij binnensmonds, blijkbaar in de veronderstelling dat ik hem niet kon horen. Ik aarzelde even maar knikte toen. 'Ja, graag. Ik moet hem echt even spreken.' Mijn antwoord leek de jongen de verbazen, maar hij zei er niets van. 'Kom maar even binnen dan, dan maak ik hem voor je wakker.' Hij grijnsde. 'Dat doe je liever niet zelf, geloof me. Die jongen heeft een ontzettend humeur als hij net wakker is.' Hij deed de deur verder open en ik probeerde niet teveel naar hem te kijken toen ik achter hem aan naar de woonkamer liep. Daar was het een ongelooflijke rotzooi, maar voor een houten tafeltje dat overvol lag met dingen die ik liever niet nader identificeerde stond een lage fauteuil waar geen troep op lag en waar ik me in liet neervallen. De jongen keek nog even naar me voordat hij de deur weer uitliep en de trap naar boven opging.
Terwijl ik boven het water van een douche hoorde stromen had ik alle tijd om deze nieuwe wending te overdenken. Ik vond het maar vreemd. Vroeger had ik alles over Pink's leven geweten - sterker nog, ik wás het grootste deel van zijn leven -, nu wist ik niets meer. Hoe was hij bij deze jongen terechtgekomen, en waarom was hij teruggekomen naar hier? Vast niet om mij, wat hij ook mocht beweren. Het voelde niet goed om me hem in deze omgeving voor te stellen: dit was hij niet, dit hoorde niet bij hem. Ik voelde een sterke drang om hem gewoon te vragen - te smeken misschien - met mij mee te gaan. Naar mijn eigen huis, of ergens anders naartoe, dat kon me niet schelen, zolang ik maar bij hem was. Het stuk hart dat af was gebroken, die fatale avond dat Pink me verliet, zat eindelijk weer op zijn plek. En in tegenstelling tot wat ik mezelf die avond had voorgehouden was het al bijna niet meer te merken dat het ooit was afgebroken - de hechtingen begonnen al uit te vallen. En ik wist zeker dat het een kwestie van tijd was voordat het helemaal genezen zou zijn, zonder een enkel litteken. Als Pink maar bij me bleef.
Mijn gedachtestroom werd onderbroken doordat de deur openging. Pink kwam de kamer binnen en ik schrok van hoe hij eruit zag. Alsof hij in die ene nacht dat ik hem niet gezien had haast volledig was weggekwijnd. Het stak me, ik merkte dat ik het me persoonlijk aantrok dat hij er zo slecht uitzag, alsof het mijn schuld was.
Maar zodra Pink me zag zitten gleed er een zweem van een glimlach over zijn gezicht en ving ik een glimp op van de onbezorgde jongen die hij vroeger was geweest. De jongen die nog altijd het allerbelangrijkste was in mijn leven. Ik deed mijn mond open om iets te zeggen maar Pink legde me met een minimale beweging van zijn hoofd het zwijgen op. Hij ging op de houten stoel tegenover de mijne zitten en keek me droevig aan. Hij zweeg, maar ik durfde nu ook niets meer te zeggen, bang om de stilte te verbreken die zwaar tussen ons in hing.
'Het spijt me zo, Vi.' Zei hij uiteindelijk en keek naar zijn voeten. 'Je hebt er geen idee van hoe ik me nu voel. Ik wist niet dat een mens zich zo verschrikkelijk ellendig kon voelen als ik nu doe. En als ik het zou kunnen, had ik er allang een einde aan gemaakt.' Hij slikte even en keek me recht in de ogen. Ik zag meteen dat het niet klopte. Niet alleen de uitdrukking in zijn ogen was leeg en koud, zelfs de kleur leek te zijn verdwenen.
'Maar ik kan je niet nog eens achterlaten, Violet. Niet alleen omdat jij dat niet aankan - al wil ik je absoluut geen pijn doen -, maar vooral om mezelf. Ik ben egoïstisch genoeg om het beste voor mezelf te kiezen, ook al kan dat jou in gevaar brengen.' Ik fronste. Ik snapte niet wat hij bedoelde, maar ik begreep genoeg om uit zijn woorden op te maken dat hij niet van plan was me weer achter te laten.
'Ik ben weer heel, nu ik jou weer terug heb. Het voelt alsof ik eindelijk weer compleet ben. Alsof ik nu pas echt besef dat ik iets miste, nu ik het weer teruggevonden heb.' Ik glimlachte toen ik terugdacht aan hoe ik zijn terugkeer zelf omschreven had.
'Geloof me: ik kán je niet meer in de steek laten, hoe beter dat ook voor jou en mij zou zijn. Daar ben ik simpelweg veel en veel te egoïstisch voor. Op dit moment kan ik alleen maar aan mezelf denken, en aan wat ik het liefste wil. En op dit moment ben jij dat.'
'Maar...' Ik keek Pink onzeker aan. 'Het zou dus ook kunnen dat je weer verdwijnt?' Daar wilde ik toch wel even duidelijkheid over hebben voordat ik hem weer in mijn leven toe zou laten. Pink aarzelde even maar knikte toen. 'Nee. Ik kan je dat onmogelijk beloven, Violet. Juist omdat ik zoveel van je houd. Als het te gevaarlijk voor je wordt, dan zal ik vertrekken, hoe erg wij dat allebei dan ook vinden.'
Ik knikte. Zoals hij het nu zei leek het ook wel logisch. Zou ik niet precies hetzelfde voor hem doen als ik voor die keuze stond? 'Pink?' Mijn stem klonk onzeker en vragend. 'Pink... kan je me vergeven voor wat ik gisteren tegen je heb gezegd? Ik wil je niet meer kwijt, ik voel me ook weer... compleet, nu jij er weer bent. Het lijkt net alsof je niet weggeweest bent. Ik wil je terug.' Mijn laatste woorden waren niet meer dan gefluister, maar er klonk een enorme intensiteit in door. Pink deed zijn mond open en ademde in om iets te gaan zeggen, maar bedacht zich en liet zijn adem weer ontsnappen. Ik keek hem vragend aan en hij stond op. 'Kom, zullen we niet ergens naartoe gaan? Het is veel te mooi weer om binnen te blijven zitten.' Ik wierp een blik uit het raam en de stralende zon bevestigde dat. In mijn buik begon iets te kriebelen toen ik ook opstond en Pink's hand vastpakte. Ik ging dicht naast hem staan en keek omhoog naar zijn gezicht. 'Ik weet wel wat ik wil gaan doen.' Zei ik geheimzinnig. Pink keek even verbaasd en glimlachte toen. 'Ben je op de fiets?'

Mara

Het voelde weer precies als vroeger toen we hand in hand in de rij voor de kassa's van de kleine dierentuin stonden. 'Volgens mij zijn er jonge girafjes.' Pink glimlachte. Hij wist dat dat mijn lievelingsdieren waren. Ik trok hem naar voren toen de rij opschoof. 'Wel met je gedachten erbij blijven, alsjeblieft.' Plaagde ik. Maar zelf liep ik ook met mijn hoofd in de wolken, in plaats van hier op aarde.
Toen we even later met zijn tweeen tussen de ruim opgezette dierenverblijven doorliepen - ik met een suikerspin in mijn ene hand en die van Pink in de andere - kon ik alles even vergeten en me overgeven aan lang vergeten herinneringen. Al van kinds af aan kwam ik hier bijna dagelijks. Ik en Pink waren praktisch gezien tussen de dieren opgegroeid. Bijna la mijn gelukkigste herinneringen speelden zich hier af.
Maar nu was ik er al bijna een jaar niet meer geweest. Ik had het gewoon niet aangekund hier alleen te komen, de herinneringen aan Pink waren overal. Maar nu hij naast me liep kon alles wat er was gebeurd me niets meer schelen, dat was verleden tijd.
Ik wist nog precies hoe we moesten lopen - onze route, die we altijd maakten zodat we langs alle dieren kwamen. De meeste dieren waren al buiten en ik voelde me ongelooflijk gelukkig toen ik naar ze keek. Het scheen me allemaal zo onbezorgd. Ze leefden achter tralies - of in sommige gevallen lage stenen muurtjes - en in gevangenschap, maar toch waren ze hun dierlijke, vrolijke speelsheid niet kwijtgeraakt. Ze hadden zich volledig aangepast aan hun nieuwe, gedwongen leven. Had ik dat ook maar gekund, me aanpassen en vergeten hoe het geweest had kunnen zijn als alles was gelopen als het had moeten doen. Dat had een boel pijn en verdriet gescheeld...
De middag ging veel te vlug voorbij naar mijn zin. Ik had eindeloos door kunnen lopen langs de dieren, pratend en lachend met Pink, en af en toe ergens wat langer blijven staan om de bordjes met informatie over de dieren te lezen, naar de spelende aapjes te kijken, de pasgeboren giraffetweeling te bewondering of de enorme olifanten over hun slurven te aaien. Het was geweldig, onvoorstelbaar en af en toe had ik het gevoel dat ik droomde, dat dit alles onmogelijk echt kon zijn. Ook Pink leek alles soms nogal onwerkelijk te vinden. Om de zoveel tijd raakte hij mijn arm, schouder of gezicht even aan, alsof hij zeker wilde weten dat ik er nog was. Naarmate de tijd verstreek zag ik hem veranderen. Het was heel vreemd, alsof mijn aanwezigheid hem nieuwe energie en levenslust leek te geven. Er kwam weer wat kleur op zijn bleke gezicht en in zijn ogen schitterde een - weliswaar slap - aftreksel van de twinkeling die er vroeger in had gestaan.
En hoewel ik het zo lang mogelijk probeerde uit te stellen kon ik er uiteindelijk niet meer omheen. Ik legde mijn hand op Pink's arm en bleef staan, middenin het insectenhuis. Op ons twee na was het er uitgestorven. 'Pink, het was geweldig.' Zei ik zacht en dankbaar. 'Het was de beste middag die ik sinds... een jaar heb meegemaakt.' Hij grimaste, maar ik ging er niet op door. 'Maar nu moet ik echt naar huis.'
Pink keek naar de grote glazen ruit die van de grond tot het plafond liep in de muur naast ons en bestudeerde de talloze kleurrijke vlinders aan de andere kant ervan. Ik kwam naast hem staan en even bleven we zwijgend naar het wilde gefladder kijken. Toen verbrak Pink de stilte, zonder op te kijken. 'Weet je...' Aarzelde hij en begon opnieuw. 'Zie je die rupsen?' Nog steeds zonder zijn ogen van het glas af te wenden wees hij op een tak vlak voor ons waar drie dikke, groene rupsen op rondkropen. Ik knikte, hoewel ik wist dat hij me niet zag. 'Volgens mij waren wij een jaar geleden allebei nog zo'n rups.' Ik kon een giechel niet tegenhouden, maar ik voelde aan dat hij het serieus bedoelde en hield mijn adem in om niet in lachen uit te barsten. Typisch Pink om ons met rupsen te vergelijken. Ik bestudeerde de rupsen nog eens goed, voornamelijk om iets te doen te hebben terwijl Pink zijn volgende zin voorbereidde. Ik kon het niet laten en stootte hem zacht aan. 'Als wij rupsen waren, dan weet ik haast zeker dat jij die daar was.' Ik wees op de meest rechtse - en de meest dikke - van de drie. Pink rimpelde zijn neus en even dacht ik dat hij boos op me zou worden. Toen barstte hij in lachen uit en sloeg een arm om me heen.
'Nou, dank je. Erg lief.' Zei hij quasi-verontwaardigd. Zijn toon werd weer serieus toen hij verder ging. 'Maar Vi, ik meende het. Volgens mij was onze scheiding een soort... ontpopping.' Hij wees naar een stel zilvergrijze cocons die tussen de bladeren hingen. 'Volgens mij was het gewoon een fase waar we doorheen moesten, en zij we er uiteindelijk allebei beter door geworden.'
Ik leunde tegen hem aan en legde mijn hoofd op zijn schouder. 'Hm.' Stemde ik half in. 'Een vlinder, bedoel je? Zijn we nu vlinders?' Pink keek omlaag naar mijn gezicht. 'Jij bent de mooiste vlinder die ik ooit gezien heb.' Glimlachte hij.
Ik maakte me van hem los zodat ik hem ook aan kon kijken. 'O ja?' Giechelde ik. 'Welke dan?' Ik gebaarde naar het glas om hem aan te moedigen er een uit te zoeken. Pink bestudeerde ze uitvoerig. 'Die.' Zei hij tenslotte en wees een uitzonderlijk bontgekleurd exemplaar aan. Ik knikte. 'Die is mooi. En jij? Welke ben jij?' De lach was uit mijn stem verdwenen, ik was nu serieus benieuwd naar zijn antwoord. Pink aarzelde even en wees tenslotte op een vlinder die helemaal achterin op een blad zat. Hij had maar één kleur: fluweelzwart.