Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

Haviksoog en Vergelding

Gestart door Daeron, 25 oktober 2009, 14:13:24

Vorige topic - Volgende topic

Hoe vond jij het verhaal?

Saai, alles was gewoon saai.
0 (0%)
Saai, er waren dingen die ik leuk vond.
0 (0%)
Niet slecht, niet goed, blijf oefenen.
1 (33.3%)
Goed, een paar dingen wat minder.
2 (66.7%)
Hij was gewoon helemaal geweldig!
0 (0%)

Totaal aantal stemmen: 2

Daeron

Hoofdstuk 15

Digging Sam rukte zijn geweer uit de handen van Stanley en richtte door het deurgat op een van de mannen.
Robert begreep dat hij en Stanley zonder geweren half zo goed zouden kunnen vechten, en hij besloot dat de paarden moesten komen.
Wat was hij blij dat hij Firefeet geleerd had om te komen als hij floot!
Robert floot, en gelijk kwamen de paarden er aan, Robert sprong naar buiten en greep naar de zadeltassen van de paarden.
Maar de paarden konden hier niet blijven staan, dat zou te gevaarlijk zijn.
Hij paste nu een andere truck toe, hij had immers gemerkt dat Firefeet er vandoor ging als hij achter het been van het dier sloeg.
Hij gaf met zijn vlakke hand een klap achter de benen, en het dier schoot er vandoor, gevolgd door Browny.
'Hier Stanley, je geweer!' riep Robert terwijl hij het wapen naar Stanley gooide.
Zelf opende hij het kistje waar het jachtgeweer in zat, en zette het geweer in elkaar.
Stanley was aan het laden en toen Robert klaar was en Sam aan het laden was zette Stanley het volgende plan uiteen. er was een raam, een deur en een luik in het dak.
Robert moest door het luik het platte dak op, met als bescherming en dekking een tafel, die op zijn kant lag. Ondertussen zouden Stanley en Sam voor de afleiding op de tegenstanders schieten.
Het plan werd uitgevoerd volgens plan, maar toen de tafel eenmaal lag drongen er gelijk kogels in. Gelukkig was het een tafel die gemaakt was van dik eikenhout, en de kogels gingen er niet doorheen.
Robert klom er achter, en begon te schieten. Ondertussen schoten Stanley en Sam ook steeds.
De tegenstanders hadden achter rotsblokken dekking gezocht en schoten terug.
De situatie leek goed uit te vallen voor de verdedigers, totdat Robert opeens een paar mannen van rotsblok naar rotsblok zag rennen, met waarschijnlijk het doel om van achteren aan te vallen.
Robert liet zich weer door het luik zakken en hij vertelde het probleem.
'Ik ga wel mee omhoog, hij kan het wel alleen hier beneden.' Zei Stanley.
Robert ging eerst. Hij zorgde dat Stanley ook veilig omhoog kon en daarna begonnen ze te schieten. Robert mikte op een geweer en hij haalde de trekker over. Raak, het geweer viel weg en vanachter het rotsblok klonk gejammer.
Ook Stanley schoot meerdere malen raak, maar ook veel kogels schampten af tegen de rotsblokken.
Opeens gingen alle schurken terugtrekken. Dat koste hun nogal veel moeite, aangezien ze werden beschoten door twee scherpschutters.
En hun kameraden konden niet helpen, die werden ook beschoten door een of meerdere schutters.
'Ze trekken terug. Hopelijk gaan ze niet naar ons huis.' Zei Stanley terwijl hij richtte.
'Dat is inderdaad niet te hopen, maar ik denk niet dat ze dat zullen doen. Er zijn gewonden, en de rest die wil voorlopig ook niet vechten.'
De schurken hadden zich verzameld buiten het bereik van de geweren en twee mannen kwamen met de paarden aanlopen.
De man die volgens Robert zich als baas gedroeg pakte iets dat glansde in het zonlicht.
Hij stak het voorwerp in de grond en verdween toen met zijn troep.

'Zo die zijn weg.' Haalde Digging Sam opgelucht adem. 'bedankt voor jullie hulp, alleen had ik het niet gered.'
'We hadden geen keus, we waren hier toch opgesloten.' Antwoordde Stanley.
Robert floot terwijl de andere twee aan het praten waren. En nog geen minuut later kwamen de paarden er aan rennen.
'Zeg Stanley, ik ga kijken wat die kerel daar op de grond legde.' Zei Robert.
'Is goed, doe voorzichtig, kijk eerst of ze echt weg zijn.' Was de reactie.
Robert reed rustig naar de plaats toe. Hij kreeg steeds een beter beeld van wat het voor een voorwerp was.
Hij sprong van zijn paard toen hij er was. 'Weer een dolk. Als ik het niet dacht.'en met een brief. Die brengen we even naar Sam toe Firefeet.'
Hij reed met aardige snelheid terug. 'Weer een brief die met een dolk vast zat.' Riep hij al van afstand.
Stanley en Sam waren naar buiten gelopen.
'Geef eens hier jongen.' Sam pakte de brief aan.
'Wat staat er in?' wilde de jongen weten.
'Ik lees het wel even voor. Hier ga ik dan: Beste Sam, ze kennen mijn naam dus. 'bromde de man. 'Dit is je laatste kans. Verlaat deze grond nu onmiddellijk of wij maken het met de vlakte gelijk. Groeten, Firma Grond en Huizen.' De man keek verslagen.
'Ik kan ze niet iedere dag blijven bevechten. Ik ga denk ik maar aan de slag ga als handelaar, want dit houd ik toch nooit vol.' De man had het opgegeven.
Robert had medelijden, maar hij kon niet zeggen dat de man niet moest opgeven. Dat zou de dood van Sam betekenen.
De man laadde alles op zijn kar. 'Kunnen jullie mij helpen? Mijn paarden zijn gestolen, al een paar dagen geleden.'
'Natuurlijk Sam, maar heb je wel genoeg geld om nieuwe paarden te kopen? En om handelswaar te kopen?' vroeg Stanley.
'Ik heb nog steeds een zakje met goudklompjes, en stofgoud. En op mijn bankrekening staat nog wat geld.' Antwoordde de man.
'Zeg Stanley, wij moeten toch naar de stad om paarden te kopen. Als we met hem meegaan worden we vast niet aangevallen door indianen of desperado's. heb ik gelijk of niet?'
Stanley keek verbaasd. Dat hij zelf niet op het idee was gekomen!
'Wat mij betreft is het goed, maar wat zeg jij Sam?'
'En of ik het wil! Gelijk de eerste reis met begeleiding, een beter begin kan ik me niet voorstellen.' Zei de man blij.
'Dan is dat afgesproken. Maar eerst moet je hier paarden kopen. Hier zijn ze iets duurder, maar anders kunnen we niet vertrekken. Het paard van Robert is eigenlijk geen karrenpaard en die kan een lange reis niet aan. Dus met maar drie paarden gaan is ook onmogelijk.
Maar ik weet een ranch waar ze paarden verkopen, Firefeet komt er ook vandaan.' Zei Stanley.

De rest van de middag vulden ze dus met het kopen van twee goede paarden, het nakijken van de wagens en watertonnen kopen, want voor vijf paarden en drie mensen heb je veel water nodig in anderhalve week droog gebied, waar het al weken niet geregend had.
'Zullen we dan overmorgen gaan Sam?' dan kunnen wij de belangrijke dingen op de ranch nog doen.' Vroeg Stanley.
'Is mij goed hoor, ik slaap wel in Cattle Valley.' Antwoordde de man.
Toen ze dat besloten hadden gingen ze hun eigen weg, en ze zouden elkaar na twee dagen weer ontmoeten.

Daeron

Hoofdstuk 16

'Volgens mij staat zijn wagen voor de saloon.' Zei Robert.
De aanval op Sam's hut was twee dagen geleden en nu zouden ze gedrieën naar de stad gaan.
Stanley had al een voorraad tonnen met water gevuld, om in de woestijn zich te kunnen redden.
Ze reden even door, Stanley op de bok zittend en Robert ernaast rijdend op Firefeet.
'Hòò maar Browny, rustig maar beestjes.' Stanley liet de paarden stoppen. Hij sprong van de bok en liep de saloon in. Robert was ook van zijn paard af gesprongen en liep achter Stanley aan.
'Bart, heb je een biertje voor ons?' vroeg Stanley aan de barkeeper.
De barman liep naar de bierton en regelde twee glazen bier voor Stanley en Robert.
'Is Digging Sam er niet?' vroeg Stanley.
'Nee, die ging een kwartier geleden naar de winkel, de smid en nog een paar zei hij.'
Stanley knikte. 'Nou, dan wachten we hier even tot hij er is.' Hij ging aan een tafeltje in de hoek zitten en hij ging een beetje onderuitgezakt zitten.
'Zeg Bob, neem er het gemak van, zo meteen kan je dagen niet lekker zitten.'
Robert ging dus ook maar op zijn gemak zitten, en zo wachtten ze op de komst van Sam.

'Ha Parker, ben je er al.'
Stanley schoot overeind, en toen hij zag dat Sam het was,stond hij op en betaalde Bart.
'Kom, we gaan er vandoor.' Zei hij tegen Robert.
Ze liepen naar de paarden en Stanley en Sam gingen op hun karren zitten.
Robert liep naar Firefeet, en vijf minuten later waren ze uit de stad, richting Desert Watch.
'Het begin van een lange reis.' Zei Stanley.
Daarna werd er een lange tijd niets gezegd.
Ze reden aan een stuk door, behalve dan dat ze de paarden af en toe wat te drinken gaven.
Ze hielden kamp in de vlakte, en de volgende dag en dagen ging het zelfde.
'Vanaf vandaag moeten we voorzichtig zijn, de indianen zijn volgens mij nog steeds opstandig.' Stanley maande de anderen tot voorzichtigheid.
Ze reden verder, en inderdaad zagen ze sporen van een gevecht, die volgens Stanley enkele dagen daarvoor had plaatsgevonden.
Maar zelf werden ze niet aangevallen. Totdat ze bij een rotsachtig terrein kwamen.
'Vooruit Browny, vooruit. Zeg Robert, Kan jij even kijken of het terrein begaanbaar blijft?'
'komt in orde Stanley, loop maar vooruit Firefeet.' Antwoordde Robert.
Hij reed vooruit, maar toen zag hij een boog liggen. 'Stanley, Sam, er ligt hier een boog!'
'Wat, een boog?' Stanley stuurde de kar er heen en trok zijn revolver.
Hij keek rond en toen zag hij een kleine beweging.
Stanley liep met grote stappen naar het rotsblok, gevolgd door Robert.
'Sta op, en snel een beetje!' riep Stanley naar de persoon achter het rotsblok.
Een indiaan kwam overeind en probeerde weg te rennen, maar hij had niet op Stanley gerekend. Stanley was dan geen twintig meer, hij liep nog steeds hard genoeg en Robert ook.
Al snel rende Robert schuin voor de indiaan, die daarom afboog. Maar daar was Stanley...
Robert trok zijn revolver, en Stanley trok ook zijn revolver.
De indiaan gaf de vlucht op en bleef staan.
Stanley begreep dat hij de man niet gevangen kon houden, die mensen konden niet tegen gevangenschap omdat ze van de natuur hielden. En praten zouden ze ook niet.
Maar Stanley gaf hem de mondelinge boodschap mee dat de indianen moesten stoppen met blanken aanvallen, omdat de 'langmessen' anders zouden komen.
Hoewel de indiaan niet antwoordde, begreep hij Stanley waarschijnlijk wel.
Ten minste, als hij het niet begreep zou hij dat wel gezegd.
En verkenners kenden meestal wel Engels, om vijanden af te luisteren.

Na dit voorval reden ze verder, en na enkele dagen kwamen ze in Desert Watch aan.
Ze gingen naar de saloon voor drinken en inlichtingen over koop en verkoop.
De inlichtingen kregen ze, en Sam ging samen met Stanley eerst naar de bank om het goud om te wisselen voor biljetten. Die besloot hij voor een groot gedeelte op de bank te zetten.
Stanley nam juist wat geld op, maar het geld dat hij nodig zou hebben voor de paarden nam hij nog niet op.
Ze besloten een hotelkamer te nemen, Sam, Stanley en Robert namen ieder een eigen, kleine kamer.

De volgende morgen besloten ze te gaan kopen wat ze nodig hadden.
Stanley ging de paarden kopen bij een betrouwbare man, die hij kende van toen hij al eerder was.
Ze kochten niet vier, maar negen nieuwe paarden. Acht merries, en één hengst.
De merries waren van de leeftijd twee jaar tot acht jaar, en zes ervan waren fokklaar en hadden geleerd voor een kar te lopen.
Hij liet ze nog een nacht bij de man staan, de volgende ochtend zouden ze de dieren ophalen.
Ondertussen had Sam alles gekocht wat hij van plan was geweest te kopen.
Ze overnachten weer in de stad, en de volgende ochtend haalden ze eerst de paarden op en toen vertrokken ze.
De reis was voorspoedig, en de indianen lieten zich niet zien.
Maar op een bepaald punt, ze hadden al meer als een week gereisd, pakte Robert zijn geweer en hield het heel de tijd voor zich in het zadel. Ook viel het Stanley op dat de jongen heel de tijd om zich heen keek.
'Zeg Robert, ons zullen ze niet aanvallen. En anders zou ze dat slecht bekomen.'
Stanley klopte op zijn geweer dat naast hem lag.
'En jullie waren met zijn tweeën tegen twee schurken. Wij zijn met drie goede schutters tegen de schurken.' Zo probeerde Stanley Robert moet in te praten.
Robert hield wat minder gespannen het geweer vast.
Gelukkig kwamen er geen mensen opdagen.
Ze reden verder en hadden geen problemen met schurken of indianen.

Ondertussen was op de ranch een aanval begonnen, ook van de firma Grond en Huizen.
Archie had stelling genomen in de schuur, en Jim in het woonhuis.
De schurken hadden dat niet door dat in het huis maar één iemand was en schoten dus met z'n allen op het huis.
Opeens schoot Archie met twee revolvers op de schurken.
Onder de schurken vielen er zeker vier neer, en minstens evenveel waren er gewond.
De schurken spoorden hun paarden aan, de aanval was dankzij Archie afgeslagen.
De schurken dreigden ook bij dit huis met vernieling, maar Jim en Archie besloten te wachten op Stanley. Tot dan zouden ze het huis verdedigen.

Gelukkig was het niet nodig.
De volgende dag kwamen twee karren het erf op rijden, waarvan één er al snel weer verder ging.
'Eindelijk zijn jullie er weer, na drie weken.' Zei Jim.
'En mét de paarden.' Antwoordde Robert trots.
'Dat is wel mooi, maar er is wel een aanval van de schurken geweest op deze ranch.
We hebben ze kunnen afweren, maar ze komen vandaag of morgen weer, daar kan je zeker van zijn.' Vertelde Jim.
Stanley schrok van dat bericht, maar hij kon er ook niets tegen doen.
Ze zouden in ieder geval blijven om te verdedigen.
De paarden werden in de corral gestopt, en de mensen gingen naar binnen.
Robert was tevreden. Ze waren in ieder geval weer thuis. Echt thuis.

Daeron

Hoofdstuk 17

Er verstreken enkele weken, en niemand hoorde meer iets van de firma Grond&Huizen.
Wel van de PD-en, maar die waren voor de meeste mensen niet gevaarlijk.
Ondertussen had Firefeet al heel veel truckjes geleerd, en verbeterd.
Ook Robert had niet stilgezeten. Hij was al een echte scherpschutter geworden, en een goede ruiter. Samen met Firefeet vormde hij een perfect team, waarin paard en ruiter elkaar goed begrepen.
Ook had hij goed leren lasso, en vee drijven was geen probleem meer voor hem.
Maar een prater was hij nog steeds niet. En hij was ook nog niet helemaal op zijn plaats tussen de jeugd. Hij mocht Richard nog steeds niet. Ann daarin tegen mocht hij wel...
De veestapel op de Gold Creek ranch was al aardig uitgebreid, en telde nu zeker meer als honderd stuks vee.
Robert ontwikkelde tot een echte cowboy, iemand die geboren was om met dieren om te gaan.
Hij kwam nog steeds alleen op zondag in Cattle Valley, en na de dienst bleef hij maar even bij de jeugd staan. Enkele keren waren ze nog naar de familie Cutter geweest, maar dat was ook niet vaak.
Zo ging het leven in Cattle Valley door. Rustig, zonder echte problemen, behalve de PD-en die mensen ergerden door te slopen, stelen en beroven.
Het leven op de Gold Creek ranch ging ook rustig door.
En daar volgen we onze vrienden, en hun vrienden, weer.

'Kom je Robert? Dan gaan we weer even oefenen met die twee merries.' Stanley riep Bob.
'Ik kom er aan.' Was het antwoord van Robert.
Ze waren al enkele weken bezig met de merries voor de kar te leren lopen. En goed lopen ook. Want zoals Robert Firefeet had geleerd voor een kar te lopen, dat gaf geen mooi resultaat.
Als je met veel geduld met de dieren omging, zouden het goede trekpaarden worden.
'Ho, rustig Kate en Jane.' Stanley sprak de dieren kalmerend toe.
Het resultaat was iedere dag merkbaar. De paarden liepen steeds beter voor de kar.

Na een uurtje oefenen stopten ze met oefenen.
Ze gingen naar de stal, waar ze als ze tijd over hadden stallen maakten voor de paarden.
Ook nu gingen ze aan het werk, het werden simpele boxen, met twee wanden, de achterkant en een soort van deur die open gedaan kon worden.
Aan de zijkant werden haken gemaakt waar de voerbaken aan gehangen konden worden. Ook een houder voor de wateremmer ontbrak niet.
Er waren al drie boxen klaar, en de vierde was nu in aanbouw.
Gelukkig was het zomer, in de winter konden de paarden beter binnen staan.
De koeien konden wel tegen slecht weer, het waren koeien die uit de vrije natuur kwamen.
Maar paarden moesten ook werken, die moeten dus beter verzorgt worden.
Toen ze samen een box hadden afgemaakt, liepen ze naar binnen. In de kamer zetten ze een teil neer, en Stanley begon boven het vuur van de open haard, ze hadden nog geen echt fornuis, water te koken.
Het was zaterdag dus gingen ze in bad, zoals iedereen in die tijd deed.
Toen er genoeg warm water was ging eerst Robert in bad, terwijl Stanley weer naar de stal ging om te timmeren.
Jim en Archie waren de hele middag al weg, die zouden tussen een aantal heuvels een meertje proberen te maken, zodat er altijd water genoeg was. Om dat te bereiken ze een lager gelegen stukje tussen de heuvels vol laten stromen, terwijl ze de doorgangen afdamden. En een stukje verder lieten ze de mogelijkheid voor het beekje om door te stromen in het riviertje. Tenminste, als het meertje op hoog genoeg waterpijl was.
Toen Robert schoon was, ging Stanley in bad. Robert ging ondertussen een boek lezen, een boek over het gedrag van dieren.
Veel mensen zouden dat saai vinden, maar voor Robert was het een boek van de bovenste plank.
Even later kwamen Jim en Archie thuis, en toen Stanley klaar was gingen zij na elkaar in bad.

De volgende ochtend gingen Stanley en Robert weer naar de kerk.
En na de dienst ging Robert weer naar het groepje jeugd.
Ze stonden te praten, met Richard meestal aan het woord, over wat er te doen was in 'de grote stad.'
Opeens zag Robert in de verte een stofwolk, die naderde.
Na vijf minuten kon hij onderscheiden wat het was. Een huifwagen, die van niemand anders kon zijn dan van Digging Sam.
Hij zei het hardop en Richard lachte hem uit.
'Ja hoor, ik hoor het al. Haviksoog hebben huis op wielen van Sam in zicht. Ugh ugh.' Spotte Richard, een indiaan nabootsend.
Robert keek beledigd, maar hij kon er niets tegen doen, Richard was sterker en de baas. Als hij zich zou verzetten, dan zou hij uit de groep gegooid worden alsof hij er nooit geweest was.
De wagen kwam naar het leek niet dichterbij.
'Robert, kom je? We gaan naar huis.' Stanley riep hem.
Gelukkig. Dacht Robert, hij kon weg.
Ze reden naar huis, en daar bleef hij ook de rest van de dag.

De volgende dag gingen Robert en Stanley naar de stad.
Ze hadden een aantal dagen ervoor een grote voorraad boomstammen bij de timmerman afgeleverd, en de planken die er van gemaakt waren zouden ze nu op gaan halen.
'Zeg, zijn die planken al klaar?' vroeg Stanley aan de timmerman.
'Bijna. Ze liggen daar, over een half uur heb ik ze klaar.'
Stanley en Robert gingen naar de saloon.
'Ha, daar heb je Haviksoog.' Klonk het spottend uit de hoek.
O nee hè, Richard was er ook! Robert baalde ervan dat hij naar de saloon was gegaan, in plaats van naar de winkel. Maar gedane zaken nemen geen keer.
'Whisky en een bier graag.' Stanley bestelde te drinken.
'Zeg Robert, is dat een vriend van je? Die daar in de hoek? En sinds wanneer heet jij Haviksoog?' vuurde Stanley een aantal vragen op Robert af.
'Nee, dat is geen vriend van mij.' Zei Robert zuchtend.
'En dat Haviksoog dan?' wilde Stanley weten.
'Dat heeft hij verzonnen omdat is dacht dat Sam er aan kwam gisteren.'
'Dat is ook zo, alleen ging hij terug naar de dichtstbijzijnde ranch want de as van zijn kar brak bijna.' Verklaarde Stanley.
'Maar dat verandert er niets aan dat ze me Haviksoog noemen.'
'Trek het je niet zo aan, over een poosje is hij het vergeten.'
Robert dacht daar anders over, maar dat zei hij niet.
Ze keken even naar de pokerende mensen en toen zei Stanley:
'Kom, we gaan kijken of er in de winkel iets nieuws is. Hier valt toch niet veel te doen.'

Toen ze in de winkel geweest waren, Robert had weer nieuwe munitie gekocht, gingen ze kijken of het hout al gezaagd was. Dat bleek zo te zijn, en ze konden de kar volladen.
Ze waren daar een half uur mee bezig, aangezien het een aardige stapel hout was.
Ze reden naar huis en daar gingen ze werken aan een nieuwe schuur.
Stanley zei dat er een voorraadschuur moest zijn voor het graan, maïs en hooi.
Ze waren de hele dag er mee bezig, en 's avonds waren ze er nog niet mee klaar.
Na het eten vroeg Robert aan Stanley: 'Kan je mij net zo leren vechten als jij deed tegen die kerel een paar weken terug?'
Stanley keek Robert verbaast aan. Waarom vroeg die dat? 'Ik kan je denk ik wel een vechtsport leren, wat wil je eerst, Karate, Kung Fu, Juijitsu of Ninjutsu?'
Robert moest even nadenken. Doe maar Ninjutsu, dat is toch wat jij toen deed?'
'Ik gebruikte toen inderdaad Ninjutsu technieken. Maar bij Ninjutsu leer je ook vechten met en tegen zwaarden, wil je dat ook leren?' vroeg Stanley.
Robert moest weer even nadenken. 'Nee, dat hoeft niet. Maar je kan in plaats van een zwaard wel aan mij leren hoe je tegen een stok moet vechten.'
'Daar heb je gelijk in. Zullen we in de stal oefenen? Daar hebben we de ruimte.'
Robert ging akkoord en ze gingen in de stal oefenen.
Stanley gaf ook methodes hoe Robert sterkere spieren kreeg in zijn vingers, benen en armen.
Ook leerde Robert een van de belangrijkste dingen: meebuigzaamheid en ontwijken door lenigheid.
Toen vond Stanley het genoeg voor die dag, en ze besloten maar naar bed te gaan.
Maar Robert had zich voorgenomen om zo snel mogelijk een goed Ninjutsu vechter te worden, zodat hij Richard aan zou kunnen.

Daeron

Hoofdstuk 18

De volgende dagen verliepen allemaal hetzelfde.
Stanley en Robert bouwden aan de nieuwe schuur, terwijl Jim en Archie aan het meertje werkten.
En 's avonds na het eten oefenden Stanley en Robert de vechtsport Ninjutsu.
Robert werd al steeds beter, en hij kon al steeds makkelijker ontwijken.
Maar Stanley leerde Robert nog meer. Omdat het een manier van vechten was die ontworpen was door mensen die begrepen dat je met lenigheid verder kwam, werd er vaak iets toegevoegd. Ook Stanley deed dat.
Hij leerde Robert salto's van daken, vanaf de grond vond Robert een beetje eng.
Het slingeren aan een touw leerde hij Robert ook, net als hindernissen nemen als een woeste rivier.
Ook leerde hij Robert met een lange zweep zo goed slaan dat hij aan de zweep kon hangen.
Dan kon hij daar ook aan slingeren, en kon hij mensen ontwapenen met één enkele slag.
Op die manier trainde Stanley per dag meer als een uur, en oefende Robert zelf ook nog op zijn minst een uur.

De dagen vlogen voorbij, het werden enkele weken.
En iedere keer als Robert in de stad was, werd hij herinnerd aan de naam Haviksoog.
Want ondertussen kende iedereen die naam. En ze noemden hem ook zo, tot de ergernis van Robert.
Maar wat er ook was, was dat Robert nu een volleerd Ninja zou kunnen zijn. De technieken beheerste hij in ieder geval.
Ook leerde hij nu dingen van karate, zoals met de hand een plankje doormidden slaan.
En hij was van plan Richard uit te dagen om te vechten, maar wel zo dat het leek alsof Richard de uitdager was.

En de zondag daarop kwam het tot die confrontatie.
'Doe niet zo bazig man, hij mag ook wel eens iets zeggen!'
Robert kwam op voor een andere jongen.
'Je moet niet doen alsof jij de sterkste en slimste ter wereld ben.'
Richard nam dat niet, en na wat geruzie riep hij: 'Zullen we morgen het even uitvechten?'
Robert keek rustig. 'Is goed, wat voor wapens?'
'Richard keek verbaasd. 'Gewoon, met de vuist, zonodig met stokken.'
Robert was tevreden. Zijn opzet was gelukt! 'In orde. Alleen stokken en de blote vuist zeg je, daar ben ik het dan maar mee eens.'
'Ik ga dat winnen jongens.' Schepte Richard op.
De meisjes dachten wel dat Richard zou winnen. En Ann moest ook bekennen dat Richard veel meer spieren had, en veel groter was.

De rest van de dag oefende Robert verwoed, hij zou winnen!
Hij probeerde de aanvallen met de stok te verbeteren. En hij was er al goed in.
Hij vertelde tijdens het avondeten dat hij morgen een ruzie uit zou vechten, met de sterkste jongen van Cattle Valley.
Opeens begreep Stanley waarom Robert zo wilde leren vechten.
Dat was ook de reden waarom hij nog wat tips gaf, vertelde in welke houdingen hij niet moest geraken omdat hij daar nog niet tegen geleerd had.
Jim en Archie gaven Robert de tip om vroeg te gaan slapen.
Ook maakten ze een goede stok, die getest werd door Robert, en hem heel goed beviel.
Het was een evenwichtige stok, die prettig in de hand lag.
Robert ging vroeg slapen, zodat hij de volgende dag veel energie had, en hij wist ook uit ervaring dat je als je uitgerust bent, meer pijn kan verdragen.

De volgende morgen gingen Robert en zijn 'coach' Stanley naar de stad.
Richard was er nog niet, en Robert ging dus uitzoeken waar hij het best kon beginnen.
Hij vond een goede startplaats, en hij kon goed uitwijken.
Toen kwam ook Richard.
De laatste voorbereidingen werden getroffen, en er werd besloten dat als Bart vond dat iemand gewonnen had dat er gestopt moest worden. Dan zou er een nieuwe ronde starten, net zo lang tot Robert of Richard opgaf.
Er was ook veel jeugd gekomen, en iedereen riep: 'Richard Richard!'
Richard had een mooie stok, met mooi gesneden figuurtjes.
Hij droeg een goede broek, met een netjes shirt.
Robert had zoiets niet. Hij had een simpelere stok, maar het was wel een sterke, goede stok.
En hij had zijn cowboybroek aan, en een normaal shirt aan.
Bart liep naar voren. 'zijn jullie er klaar voor?'
Robert keek naar Stanley, en die knikte. 'Ik ben er klaar voor Bart.' Zei hij daarom.
Richard's vader zei tegen zijn zoon dat die het kon winnen. Richard zei ook dat hij klaar was.
'Iedereen op zijn plaats.' Robert liep naar rechts van de straat en Richard naar de andere kant.
'Begin maar jongens!' riep Bart.
Eerst tasten de jongens elkaar de zwakke plekken af. Richard deed een uitval, die Robert ontweek. Zo speelde Robert het een tijdje. Opeens sloeg Richard met een harde klap tegen Robert's stok. En daarna meteen op Robert. Hij bleef maar slaan, maar het was niet heel de tijd raak omdat Robert wegrolde.
'Robert! Rol naar achteren en dan zwaard heffen!' riep Stanley.
Niemand begreep wat hij bedoelde, wat had een zwaard er nou mee te maken?
Maar Robert begreep het wel, en hij rolde naar achteren, en terwijl hij zich oprichtte hield hij de stok beschermend voor zich.
Richard had de snelheid niet kunnen volgen, maar toen Robert zich weer oprichtte probeerde hij te slaan. Maar Robert was weer helemaal terug. Hij weerde de slagen met gemak af, en hij sloeg af en toe ook naar Richard. En hij sloeg raak...
'Stoppen!' brulde Bart naar de twee vechtende mensen.

De volgende ronde gingen ze zonder wapen. Robert liep rustig en ontspannen naar Richard, die er ook aan kwam. Richard maakte zich klaar om uit te halen.
Iedereen hield zijn adem in. Dat ging er verkeerd voor Robert!
Ann hoopte dat Robert zich niet te erg zou bezeren, en dat het gevecht snel voorbij was.
Maar toen gebeurde wat er niet verwacht werd. Robert stapte naar voren, en toen Richard sloeg, stond er op die hoogte geen Robert meer, dus sloeg hij in de lucht. Tegelijkertijd pakte Robert de arm, trok er aan en pakte ook een been van Richard. Die had geen evenwicht maar door zijn vaart vloog hij over Robert heen.
Richard kwam hard terecht, maar herstelde zichzelf snel weer.
Hij stond op en viel nu voorzichtiger aan. Maar iedere keer wist die irritante Robert hem over zich heen te werpen.
Hij besloot dat dat niet meer zou gebeuren. En het gebeurde ook niet. De klap die hij wilde uitdelen schoot door, maar hij werd niet geworpen. Hij kreeg een klap in zijn gezicht. En nog een, en nog een! En toen hij achteruit stapte, struikelde hij over de voet van Robert!

Na deze ronde kwam er een ronde waarin er met de stok gevochten werd, maar ook met de hand.
Robert ontweek meestal een slag door te rollen, en af en toe probeerde hij te slaan.
En deze beurt was dat weer zo, Richard had aangevallen en wist dat Robert zou proberen te slaan, omdat hij zelf niet twee keer achter elkaar durfde aan te vallen.
Hij hield dus met beide handen de stok vast, bij de twee uiteinden, zodat Robert zijn stok zou kapot slaan.
Maar Robert had dat ook door, en die gooide opeens de stok naar achteren, en met de hand sloeg hij op de stok van Richard, zoals hij van Stanley geleerd had.
De karate techniek werkte, en Robert sloeg de stok met zijn handen doormidden.
Bij de toeschouwers steeg er een verbaast geroep op.
En Robert viel vanaf dat moment alleen maar aan, en al had Richard soms terug kunnen vechten, hij durfde het niet meer. Robert kon dus doen wat hij wilde, en hij trapte en sloeg zo hard hij kon. Totdat Bart weer riep dat er gestopt moest worden.
Er was een winnaar. Niemand had het verwacht, maar Robert was de winnaar!

Iedereen feliciteerde hem. Niemand keek naar de gewonde Richard, behalve diens vader.
Stanley sloeg Robert op zijn schouder en zei: 'Goed gedaan kerel.'
Ook de andere jongens feliciteerden hem, en ook de mannen die hadden gekeken.
Ann gaf hem een kus op de wang, en toen was ze weg.
Robert keek verbaast. Waarom deed ze dat?
In ieder geval had hij gewonnen van Richard, en dat was het belangrijkste.
Nu was hij de baas van de groep.
En de rest zou hij zondag wel merken, wat de andere jongens er van vonden dat hij de baas zou gaan spelen.

Daeron

Hoofdstuk 19

Op de ranch ging het leven verder, daar had de vechtpartij nauwelijks invloed.
Natuurlijk was de kracht en handigheid van Robert wel opgemerkt, maar er werd geen extra aandacht aan besteed.
Thuis was hij nog steeds de gewone Robert.
Hij werkte net als gewoon aan de schuur met Stanley, verzorgde de dieren en bouwde aan zijn kamer.
Robert was namelijk bezig met de inrichting van zijn kamer, door planken, een kast, een tafel en een stoel te maken.
En hij spaarde ook nog steeds veren, om een matras van te maken.
En op die manier was het weer zondag geworden.

Na de dienst liep de jeugd weer naar de plaats waar ze altijd stonden.
De sfeer was nogal gespannen, omdat Richard er niet was.
Hoe zou Robert, die had bewezen de sterkste te zijn, doen tegen de anderen?
Een tijdje zei niemand iets.
Daarna begon een gesprek over paarden.
De meisjes zeiden net als altijd geen woord, maar de jongens konden tot hun verbazing zeggen wat ze wilden!
Ze werden niet onderbroken door de gene die de baas was.
Robert was een veel aardiger leider dan Richard geweest was.
Robert deed ook aardig tegen iedereen, tegen de vrienden van Richard, maar ook tegen degene die het laagst had gestaan in rang.
'Ann, Robert, komen jullie?' Stanley riep.
'We komen er aan!' riep Robert terug.
Hij liep samen met Ann naar Stanley en Mr. Cutter toe.
'We eten bij Mr. Cutter en zijn vrouw.' Zei Stanley tegen Bob.

Robert en Stanley gingen met de familie Cutter mee.
Ze reden op hun paarden, de kar die lag nog altijd vol met houtplanken.
Na het eten, dat beter smaakte dan Stanley en Robert zich konden wensen, liep Robert weer naar buiten, terwijl Ann hem volgde.
'Wat zullen we gaan doen grote baas?' vroeg ze spottend.
Wat was er met Ann aan de hand? Ze deed zo vreemd. Vond Robert.
'Zullen we een eindje gaan rijden?' Stelde hij voor.
'Is goed, ik zadel Rally op.' Stemde Ann er mee in.
Even later reden ze samen weg. Ann wist niets te zeggen, ze kon alleen nog maar denken.
'Waar gaan we heen?'jij mag het zeggen, jij bent immers de dame hier.'
'uhm, naar het bergmeer dan maar? Daar is het altijd lekker koel.' En rustig, dacht ze er achteraan. Maar dat zei ze niet, Robert mocht eens bedenken dat zei verliefd was...
'Dan gaan we daarheen.' Antwoordde Robert.
Ann keek eens naar Robert. Het was een sterke jongen, en nu hij zijn gewone kleding aan had, leek hij nog sterker en stoerder dan anders.
En zijn gezicht, het zag er eigenlijk best grappig uit, vond ze. Omdat Robert vaak zijn hoed verschoof zag je allemaal strepen die bruin waren van de zon. En hoe verder naar boven, hoe lichter het werd. Ze glimlachte even.
'Is er iets? Je lacht zo?' vroeg Robert.
Ann schrok op uit haar gedachten. 'Eh, niks hoor.' Antwoordde ze vlug.
Robert schudde zijn hoofd. Ann deed echt vreemd. Maar mooi was ze wel, met haar lichtblonde haren. En haar gezicht zag er uit alsof het een zon was. Zo vrolijk...
Tegelijk dacht Ann aan het gezicht van Robert. Het zag er zo vastberaden uit, en in die blauwe ogen kon je nooit doordringen. Robert was gesloten. Daarom maakte ze vast geen kans bij hem. Hij had geen meisje nodig, Stanley kon het ook zonder, en zoals iedereen kon Ann ook wel zien dat Stanley het grote voorbeeld was voor Robert.

Na het ritje gingen Robert en Stanley naar huis.
Toen Robert aankwam, liep hij naar binnen, pakte zijn geweer en besloot te gaan jagen.
Hij reed weg, en hij zocht naar wild.
Hij reed een bos in, met hoge bomen en veel struikgewas.
Opeens hoorde hij iets. Hij richtte zijn geweer op de richting waar het geluid vandaan kwam.
Maar opeens werd hij van achter besprongen, en hij viel van zijn paard af.
'La me los!' Riep Robert.
Firefeet was ondertussen zo erg geschrokken dat het edele dier er vandoor gegaan was.
Robert vocht als een bezetene, maar de aanvaller kreeg hulp.
Hoewel Robert van zich af sloeg, zat een overwinning er niet in voor hem.
'Zo, daar hebben we je.' Hijgde de een van de tegenstanders.
Robert stond met zijn rug tegen een boom aan, en de twee jongens stonden met bebloede gezichten voor hem. De een herkende hij onmiddellijk. Dat was ongetwijfeld Richard Barmin. De andere was een van diens beste vrienden, die 's ochtends ook niet was komen opdagen.
Richard hiel Robert met een stok tegen de boom aan gedrukt, terwijl hij tegen hem praatte.
'Kan je wel hè? Valsspeler! Je hebt iets gedaan waardoor ik verloor is het niet?' gilde Richard bijna.
Robert keek niet naar Richard.
Opeens zagen zijn ogen een kans. Boven hem hing een tak. Opeens deed hij zijn hand omhoog, terwijl zijn andere hand de stok wegsloeg.
Hij trok zich aan de tak omhoog, in een paar seconden.
Robert sprong van boomtak naar boomtak.
Toen hield de vlucht op naar het leek. De volgende boom stond vier meter verder, te ver voor een sprong.
Het was een aardig kale boom, met vrijwel geen bladeren.
Onder hem richtte Richard een boog, omdat hij geen geweer wilde gebruiken had hij een boog gemaakt.
Opeens schoot Robert iets te binnen. De zweep had hij bij zich.
Hij trok de zweep tevoorschijn, en juist toen Richard wilde schieten sloeg Robert de zweep om een tak van de andere boom. Hij had dit vaak geoefend en nu gebruikte hij het.
Richard liet de pijl los, maar net op dat moment zwaaide Robert naar de andere boom.
Hij miste die expres, zodat hij terug zou komen.
En hij kwam terug slingeren, nog voordat Richard en zijn vriend het begrepen hadden ze een laars in hun gezicht.
Robert liep los, en hij rende naar de plaats waar zijn geweer lag.
Hij nam het mee, Firefeet was weg, door het bos. Maar Richard en zijn vriend achtervolgden Robert, die al aardig wat energie had verloren, verloor terrein.
Daarom rende hij naar de prairie, waar hij zich zou verdedigen.
Hij rende zo hard hij kon.
Maar uit de richting van de prairie kwam ook iets aan, de grashalmen bewogen in ieder geval wild...

Daeron

Hoofdstuk 20

Robert keek gejaagd. Vooruit was een risico, terug was ook gevaarlijk.
Rechts zou hij het niet redden, en links...
Daarom besloot hij rechtdoor te lopen. Maar het was niet meer nodig, het dier dat voor hem was naderde nu tot vier meter afstand.
Robert trok zijn mes. Achter hem hoorde hij geschreeuw, voor hem gesnuif.
Opeens stond een buffel voor hem. Het was een oudere stier, waarschijnlijk verstoten, dacht Robert.
Maar juist de stieren zijn gevaarlijk. En oudere stieren wegen zoveel, die maken je binnen tien tellen koud. Tenminste, dat had Digging Sam verteld.
Het was ook geen wonder dat Robert schrok. Maar hij bleef wel nadenken, en kwam tot de conclusie dat hij moest vechten.
Hij had tot zijn spijt geeneens een gewone revolver bij zich.
Wel had hij in zijn zak dat kleine revolvertje zitten. Hij pakte het, en laadde het ding gelijk.
Het dier had de tip-up* vergrendeling gehoord, en het wilde aanvallen.
Daardoor werd Robert zenuwachtig, en hij schoot. Omdat hij zenuwachtig was, richtte hij slecht, maar gelijk schoot hij nog eens. Hij schoot op de goede plek, in het oog van het dier.
Achter Robert kwamen Richard en zijn vriend tevoorschijn. Toen ze de buffel in het oog kregen, draaiden ze om en ze renden hard weg.
Robert pakte zijn zweep op, die hij had laten vallen toen hij de remington revolver pakte, en hij begon te slaan.
Het dier was al geschrokken door de kogel, maar nu werd het dier echt bang. Het dier probeerde tot Roberts schrik aan te vallen!
Robert werd voorzichtig, en ontweek de aanvallen. Het lukte omdat het dier pijn had, en niet goed kon coördineren omdat er een oog doorschoten was.
Robert wist dat hij dit niet lang vol hield, omdat hij al moe was door de achtervolging van Richard.
Hij nam dus de dolk goed in zijn hand, stak een aantal keer, en toen dat niet hielp probeerde hij de keel van het dier door te snijden.
Het duurde minstens een half uur voordat Robert dat voor elkaar kreeg, maar het dier raakte uitgeput door de pijn.
Toen floot hij, en al leek het onwaarschijnlijk, Firefeet kwam toch.
Dat was niet zo vreemd, aangezien het dier terug was gegaan naar de plaats waar het baasje het laatst gezien was. En dat was niet zo ver weg.
Robert keek voldaan naar het dier. Hij liet zijn dolk in de buffel zitten, en hij reed razendsnel naar huis. Daar aangekomen riep hij gelijk Stanley.
'Stanley! O daar ben je. Ik heb een buffel gedood. Wil je mee met de kar, om hem te halen?'
'Een buffel? Hmm we gaan wel. Was het een oude of een jonge buffel?'
'Denk je dat ik daar op gelet heb tijdens het gevecht met dat dier?' vroeg Robert.
'Je hebt gelijk. Daar denk je natuurlijk niet aan.' Lachte Stanley.

Een half uurtje rijden daarna kwamen ze bij de dode buffel aan.
'Er zijn gelukkig nog geen aasdieren bij geweest.' Zei Stanley.
Hij keek goedkeurend naar het dode dier. 'Een flinke stier. Jammer genoeg is het dus geen goed vlees om te eten.'
Robert keek vragend. 'Waarom niet? Het is toch gewoon vlees?'
'Als je dit urenlang kookt of braadt, is het nog oneetbaar. Het is taai, en niet zo lekker als van een gewone koe. En het is trouwens zo te zien ook nog een oud dier ook.' Was het antwoord.
Ze vilden samen het dier. De huid legden ze samen op de kar, want al was het alleen de huid, die woog ook nog heel wat kilo's.
De horens nam Robert ook mee, evenals de tanden. Een bewijs dat hijzelf dat dier had gedood zei hij.
'De tong nemen we ook mee. Die is heel lekker, in het oosten kost dat in een restaurant evenveel als een aantal biefstukken bij elkaar.'

Toen ze weer thuis waren legde Robert de huid in de schuur. Hij zou het helemaal schoon schrapen, het moest een mooie deken worden, of een matras of iets dergelijks.
Samen met Stanley wist hij het ding mooi schoon te maken, en met water overgoot hij het ding.
'Zo krijg je hem niet schoon. Je moet er mee naar de rivier, dan kan je alle beestjes er uitwassen.
Robert ging daarom maar met de kar naar het meertje dat gemaakt was, en waar Jim en Archie bezig waren met het sterker maken van de dijkjes die tussen de heuvels lagen.
'Wat kom jij hier doen met die kar?' vroeg Jim.
Robert lachte blij. 'Een bizonhuid wassen.' Zei hij doodleuk.
Jim en Archie keken alsof ze water zagen branden!
'Een bizonhuid? Hoe kom je daar aan?' vroeg Jim weer.
'Ik ben gaan jagen op zondag, in plaats van te gaan werken.' Antwoordde hij.
Robert waste de huid, en bracht de huid daarna weer in de stal, om te drogen. De dag erna zou hij de huid weer wassen, en weer drogen totdat Stanley het goed vond.

Zo werd het avond.
Na het wassen was Robert nog even gaan jagen, en hij had ganzen geschoten.
Dat was niet zo moeilijk geweest, in het bergmeer zwommen er hele groepen.
Zelfs een blinde kon daar ganzen schieten.
De veren bewaarde Robert voor het matras. Dan had hij een mooie deken, een lekker matras en hoefde hij alleen een hoofdkussen erbij te maken.
Hij had ook lekker eten, en als hij iedere week een aantal ganzen schoot had hij over een aantal weken al een matras.
Nu hij er over nadacht... in de stad wilden de mensen vast wel lekker vlees.
Morgen ging hij naar de stad, met een stuk of vijf ganzen. Zo nam hij zich voor.

De volgende morgen ging hij naar het bergmeer.
De ganzen waren er nog niet. Maar die zouden wel komen, ze kwamen pas iets later, ze aten ook eerst.
Daarom besloot hij eerst te gaan zwemmen. Zijn broek hield hij aan, hoewel de chaps wel uit gingen. Ook de laarzen gingen uit, en zijn shirt en hemd ook. Hij legde alles ,na eerst een beetje te wassen, op de kant.
Zelf sprong hij toen in het water. Hij zwom een paar keer heen en weer, in het ondiepe gedeelte. Erg goed zwemmen kon hij namelijk niet...

Hij merkte niet dat hij door meerdere mensen in de gaten gehouden werd, met verschillende doelen.
Ann keek toe, ze ging iedere morgen rijden, de laatste paar dagen naar het bergmeer.
En nu was Robert hier aan het zwemmen, en Ann durfde niet tevoorschijn te komen.
Robert werd ook in de gaten gehouden door twee andere mensen, die hem gevolgd waren.
Opeens stapte een van de personen naar voren. Het was Richard Barmin.
Robert keek verschrikt op. Weer die irritante kerel met een stok in de hand, Dacht hij.
Hij kwam uit het water en vroeg: 'Wat moet je van me?'
Richard lachte. 'durf je nog steeds te vechten tegen me?' vroeg hij.
'Als ik ooit bang word van jou, dan verhuis ik wel.' Was het antwoord.
Richard deed een schijnaanval met de stok. 'De volgende is raak.'
En weer sloeg hij toe. Maar nu was Robert sneller. Die deed namelijk een stap achteruit, en toen de stok voorbij was, sprong hij naar voren en greep Richard beet.
Richard werd met een grote boog het water in gegooid. 'En blijf van me af Richard!'
Opeens klonken er achter Robert voetstappen. Hij draaide zich om, maar het was te laat. Hij lag ook in het water...
Hij zwom naar de kant, waar Richard alweer opgeklommen was.
'En blijf van me af Richard.' Zei Richard Robert na.
Robert werd boos. Twee jongens met stokken tegen hem, zonder bescherming? Hij zou ze!
Hij deed ineens een uitval naar Richard, sloeg tegen de stok, die door de lucht vloog. En Richard vloog ook door de lucht, het water weer in. De vriend van Richard lag vijf seconden later ook kreunend in het water.
Robert sprong achter Richard aan, en hield hem onder water. En Robert liet hem niet boven komen.
Op dat moment sprong Ann op haar paard Rally, en liet het paard naar de plaats van het gevecht galopperen. Daar sprong ze al rijdend in het water. Ze zwom naar Robert toe, en ze trok aan zijn armen, en toen dat niet hielp gaf ze een enorme klap in Roberts gezicht.
'Je moet hem niet verdrinken, dan word je gepakt voor moord!' beet ze hem toe.
Richard kwam weer boven, hoestend. Zijn vriend had in het water gelegen met zoveel pijn dat hij niet eens aan Richard gedacht had.
'Je hebt je leven aan Ann te danken. Vergeet dat nooit Richard.' Robert zei die woorden rustig en duidelijk. Ann en Richard wisten dat het met hem ernst was.
Richard verdween daarom snel weer samen met zijn vriend.
'Bedankt dat je me hielp Ann.' Zei Robert verlegen. Hij had aan een meisje te danken dat er een moord voorkomen was!
'Dat zit wel goed.' Was het korte antwoord.
'Hoelang ben je hier al? Je kwam namelijk precies op tijd.' Vroeg Robert.
Op die vraag had Ann niet gerekend. 'Ik weet het niet.' Zei ze zacht.
Robert keek naar haar. Ann stond met gebogen hoofd naar beneden te staren.
'Wat maakt het ook eigenlijk uit. Ik heb alleen maar gezwommen.' Zei hij daarom.
Ann hief haar hoofd omhoog. Ze lachte weer. 'Je hebt gelijk, je zwom alleen maar.'
'Maar nu ga ik me weer aankleden, ik sta hier alleen met mijn broek aan, dat hoort niet bij een cowboy.' Zei Robert.

Daarna gingen ze samen jagen, de ganzen waren weer op het water geland.
Robert schoot genoeg ganzen om te verkopen, en hij had weer een voorraadje veren thuis.
En de ganzen wist hij te verkopen voor een goede prijs aan Bart, de salooneigenaar.
Thuis aangekomen ging hij weer aan het werk, met paarden africhten, dieren voeren en de schuur opbouwen. En 's middags waste hij de bizonhuid ook nog eens, zodat die in de zon kon drogen.
Jim en Archie hadden het meertje helemaal af, en waren vertrokken om wild vee te zoeken.
Stanley deed hetzelfde als Robert, namelijk aan de schuur werken en met de dieren bezig zijn.
En aan het einde van de dag was de schuur al een heel stuk beter.
Na het eten timmerde Robert aan een tafel, voor in zijn kamer.
Hij deed dat totdat hij er geen zin meer in had, omdat het niet goed wilde lukken.
Dus ging hij lezen in een boek over dieren.
Daarna ging hij slapen, en daarna zou hij klaar zijn voor een nieuwe dag.

Daeron

Hoofdstuk 21

Er verstreken weer dagen, die zich aaneenregen tot weken.
En al die tijd waren Jim en Archie aan het zoeken naar wild vee.
Ze waren al een aantal keer thuisgekomen met wild vee, maar nu liep er nog, nu moesten ze hebben.
Stanley en Robert hadden ondertussen de schuur afgemaakt, en hadden ook al een aantal boxen gemaakt in de stal.
En nu had Robert en paar dagen vrij genomen voordat de hooitijd zou beginnen.
Dan zouden ze op de Gold Creek ranch ook gaan hooien, want in Kansas konden de winters ook koud zijn, en dit was Noord-Kansas. En in Dakota, verder naar het noorden, viel soms zoveel sneeuw dat een stad alleen herkend kon worden aan de daken.
De rest zat dan onder de sneeuw...
Gelukkig was het niet het beruchte 'zevende jaar' waarin een extreem geval zou opdoen.
Want volgens veel oudere mensen, en indianen, was er eens in de zeven jaar een strenge winter. Een droge zomer kwam ook iedere zeven jaar voor.
Net als een nat jaar. En zo nog wel meer voorbeelden van het 'zevende jaar.'

Robert reed naar de stad. Hij had zijn loon gehad. Het was niet veel geld, maar voor zijn vijftien jaren kreeg hij toch aardig wat geld.
En nu ging hij naar de stad om het uit te geven. Hij had in de general store een mooie winchester Yellowboy Carbine gezien.
En nu ging hij die kopen. Want een geweer met dertien patronen als capaciteit, dat was iets wat niet iedereen had!
Hij liep naar de saloon. Het geweer zette hij tegen de toog aan en hij bestelde bier.
Opeens stapte hij opzij. En daarmee verraadde hij dat hij schrok. Want daar in de hoek zat Ross, met Hank en Richard.
'Schrikt Haviksoog van ons?' lachte Ross gemeen, terwijl Hank en Richard grinnikten.
Robert antwoordde niet. Het had geen zin, ze waren immers met z'n drieën.
Maar toen liepen Ross, Hank en Richard naar hem toe.
Robert dronk rustig zijn bier verder op.
'Je wilt toch zo graag vechten hè?' Zei Richard.
'Laat me met rust! Anders ga je wat beleven!' reageerde Robert.
Ross lachte. 'Wie gaat er iets beleven? Jij of wij?' vroeg hij.
Robert zette zijn glas neer. Gelijk werd hij beetgepakt door Ross, Hank en Richard.
'Meekomen, dan zal je voelen wat pijn is.' Lachte Richard gemeen.

Robert werd naar buiten geduwd en getrokken. Toen ze op straat waren werd hij neergesmeten. En gelijk vielen Richard en Ross aan.
Robert verweerde zich dapper. Richard werd gewoontegetrouw met een enorme klap weggeslagen, terwijl Robert alweer met Ross bezig was. Maar gelijk schoot Hank toe.
'Kijk eens achter je kereltje.' Zei Ross.
Robert keek niet om, maar bukte. En dat was maar goed ook, want Hank wilde juist toeslaan.
Nu verloor hij zijn evenwicht en viel hij voorover.
Bijna kwam Hank tegen Ross aan. Maar die was snel genoeg om opzij te stappen.
En Robert moest weer klappen incasseren.
Ondertussen kwam Richard ook weer van achter. En die sloeg ook zo hard hij kon.
Robert kon niet meer. Hij deed een aantal keer een uitval, maar hij wist maar een van de drie tijdelijk weg te werken, zodat hij erg vermoeid werd.
En dat hadden Ross en Hank door. Richard niet, die dacht dat Robert nog vol energie zat, omdat Robert uiterlijk geen tekenen van vermoeidheid vertoonde.
En terwijl Robert zo in elkaar geslagen werd, was er een groepje rondom de vlechtende ontstaan.
En dat werd gezien door Stanley, die er aan kwam rijden met wat zeisen in de kar, die zou hij laten slijpen bij de smid.
Hij stapte af, rende naar het groepje toe en zag toen dat zijn beschermeling daar in elkaar geslagen werd. En hij zou Stanley niet geweest zijn als hij niet naar voren zou gegaan zijn om Robert te helpen.
'Opdonderen jullie.' Gromde hij tegen Ross, Hank en Richard.
Er werd niet naar hem geluisterd, Robert werd nog steeds geslagen.
'Wat jullie willen!' Stanley stapte naar voren, sloeg Hank met een klap waar al zijn woedde in lag tegen de grond. Ross duwde hij opzij, en Richard stopte zelf al met vechten.
'En laat dit niet meer gebeuren. En jullie, staan jullie daar alleen maar te kijken?' vroeg hij aan de toeschouwers.
Die liepen beschaamd weg. Ze hadden niets gedaan tegen die vechtpartijen.
Stanley ging naar de saloon en vroeg Bart om verband en andere dingen.
Daarmee hielp hij Robert een beetje, en toen bracht hij de zeisen naar de smid.
Toen die ze geslepen had ging Stanley met Robert naar huis.
Firefeet liep achter de kar, want Robert was niet helemaal in staat om te rijden.

Thuis had Robert een paar dagen nodig om bij te komen.
Hij was namelijk lelijk in elkaar geslagen, en op zijn hoofd was ook een regen van slagen gekomen. En daar had hij nog steeds hoofdpijn van.
Maar na die dagen was hij ook weer helemaal in orde.
Je kon wel zien dat hij gevochten had, maar hij had niet zoveel pijn meer.
En over twee dagen zou de hooitijd beginnen.
Stanley had al twee mannen uit het dorp gevraagd of ze wilden werken. En dat wilden ze.
Ze zouden ook een aantal kinderen meebrengen, die zouden het hooi op de karren aanstampen, zodat er meer in paste.
Stanley en Robert maakten de kar goed voor het hooi. En in de schuur werd alles weggezet.
Ze hadden al gezeisd, zodat er al hooi was ontstaan door de felle zon.

Het was hooitijd. Een tijd van hard doorwerken, want het hooi moest zo snel mogelijk binnen zijn.
Gelukkig werd er hard doorgewerkt, en al het hooi was aan het eind van de dag weg.
De schuur lag bijna helemaal vol, Stanley vertrouwde meer op schuren dan op hooibergen, en de kar paste er noch maar net bij.
De mannen werden uitbetaald, evenals de kinderen.
Archie en Jim waren nog niet terug.
En Robert en Stanley waren nog altijd bezig met de stal vanbinnen afmaken.
Het vorderde aardig. Er waren dertien paarden, en ze moesten nog een aantal boxen maken.
En ze moesten nog een plaats maken voor de zadels, en voor de kar.

Robert stond op het erf. Hij wachtte op Stanley die naar de stad was gegaan.
In de verte zag hij al een stofwolkje, dat zou Stanley wel zijn.
Toen Stanley dichterbij kwam zag Robert dat er een verbeten trek op het gezicht van Stanley lag.
'Wat is er aan de hand?' Riep Robert naar Stanley.
Stanley zei niets. Hij steeg af en bracht het paard naar binnen.
'Er is iets gebeurt wat jij misschien niet leuk vind. Kom maar mee naar binnen, dan vertel ik alles.' Zei Stanley...

Daeron

Hoofdstuk 22

'Ik was in de stad, toen er een paar wagens stopten voor de saloon. De reizigers zagen er niet al te best uit, dus gaf Bart ze te drinken. En een van die mannen vertelde wat er gebeurt was.' Zei Stanley tegen Robert.
De reizigers hadden al geen mens gezien sinds ze uit Desert Watch vertrokken waren. De karavaan telde minstens dertig huifkarren. Twee dagen voor dat ze in Cattle Valley aankwamen gebeurde er iets.
De dag was gewoon begonnen als iedere dag. De hele ochtend reden ze.
Maar... op het heetste punt van de dag, als niemand goed oplet komen er ruiters aan.
De ruiters zijn pas te zien als ze dichterbij komen.
De mannen van de karavaan hebben geen argwaan, al legt een enkeling wel zijn geweer klaar.
Opeens veranderd de prairie in een slagveld, de ruiters schieten op de mannen van de karavaan. Die proberen een cirkel te maken, wat mislukt door de aanvallers.
Enkele karren ontsnappen, en een aantal mensen maken de paarden al los om daar op weg te komen.
En na twee dagen rijden als gekken kwamen enkele overlevenden in Cattle Valley aan.
Robert heeft het allemaal zwijgend aangehoord. Hij begon juist dat voorval van zijn vader te vergeten, en dan gebeurde dit weer.
'Hebben e iets gezien Stan?' het klinkt niet meer als een vraag, maar als een bevel om te antwoorden.
'Niet dat ik weet. Maar blijf even rustig, morgen zijn er misschien meer overlevenden.'
Maar het hielp al niet meer. Robert was naar buiten gerend, floot Firefeet en zadelde het dier razendsnel op.
Nog voordat Stanley Robert kon tegenhouden reed Robert weg.
In volle galop verdwenen paard en ruiter richting de stad.
'Die haal ik niet meer in, zo snel gaat Browny niet.' Dacht Stanley hardop. 'Maar ik kan wel rustig er achter aan gaan. Ik moet zorgen dat Robert niets te overhaast doet, want dat kan gevaarlijk zijn.'
Dus zadelde Stanley zijn paard, en vertrok rustig naar de stad.

Bart keek van het tafeltje op. Hij zat nu al een aardig tijdje te praten met de mensen, maar hij hoorde een geluid. Kwam daar een ruiter aan of niet?
Een halve minuut later kwam het antwoord binnen. En met grote stappen beende Robert, want hij was het, naar het tafeltje.
'Hoe zagen die schurken er uit?' vroeg hij aan een van de mannen.
De vrouwen waren niet in de saloon, die waren opgenomen door de burgers.
'Doe eens rustig Robert, deze mannen zijn daarnet overvallen weet je nog.' Zei Bart.
'Daarom wil ik het weten. Nu kan ik die schurken terugpakken, ik zal het doen ook.'
Hij richtte zich weer tot de mannen. 'Reden er voorop een man met een rode halsdoek en een man helemaal in het zwart?' vroeg hij.
'Ja, maar zoveel mannen hebben een rode halsdoek. En zwarte kleren zijn niet vreemd toch?'
'Ach zeur niet. Dit is belangrijk, waar gebeurde het trouwens?' regeerde Robert geërgerd.
'Ik weet het niet meer, jij wel Henry?' zei de man die tot nu toe geantwoord had.
De man die met Henry was aangesproken dacht even na. 'Twee dagreizen te paard hiervandaan, in een moordend tempo. Heb je een kaart? Dan kan ik het vast wel aanwijzen.'
Bart bracht snel een kaart. 'Hier is de kaart jongens.' Zei hij.
Robert keek op de kaart. 'En waar was het?' vroeg hij aan Henry.
Henry keek nauwkeurig. 'We reden met een kleine omweg, via het noorden. Dat duurt iets langer, maar er is na een dag of drie uit Desert Watch een meertje. Dus we gingen zo.'
Zijn vingers gleden vanuit een punt dat door Bart eens getekend was als Desert Watch naar een klein rondje op de kaart, een stukje noordelijker.
'En toen gingen we naar Cattle Valley. Maar daar ongeveer,' hij maakte met zijn vinger een cirkel over de kaart, 'is een rotsvlakte. Daar reden we omheen, weer een omweg dus.
En toen we hier weer op de route kwamen, werden we overvallen.'
'Maar dat is tientallen mijlen, ik denk wel vijftig, hier vandaan. Hoe kunnen jullie dat in twee dagen doen?' vroeg Robert.
'Daar weet je zelf het antwoord wel op Robert. Jij kwam ook in twee dagen tijd hier, dat zei je zelf!' klonk een bekende stem achter hem.
Robert draaide zich om, en keek recht in het gezicht van Stanley.
'Stanley, ik weet waar ik moet zijn voor die schurken. Ga je mee of blijf je hier?'
Stanley keek verbaasd. 'Waarom ga je? Dat is niet veilig!'
'Kom je nog, of moet ik alleen gaan?' vroeg Robert ongeduldig.
'Eerst thuis nog was handige dingen ophalen, vind je niet?'
'Is goed , Doen we Stanley. Ik wist wel dat je zou meedoen.'
Stanley zuchtte. Daar zat hij weer in een avontuur, zonder dat hij het eigenlijk wilde!

'Hier, pak aan Robert.' Stanley gaf een verrekijker aan Robert.
'Ik ga even te eten pakken Old Rusty.' Zei Robert.
Stanley dacht na. 'O, is goed.' Zei hij afwezig.
Stanley pakte zijn geweer. 'Heb jij je geweer ook al?' riep hij.
'Ja, staat tegen de schuur.' Was het antwoord.
Stanley controleerde of hij genoeg munitie meenam in de zadeltassen.
Hij pakte de dekens, en genoeg veldflessen. Want het zou aardig droog worden...
Na een paar uur hadden ze alles wat ze nodig hadden.
Het zou gevaarlijk worden, maar Stanley wist dat Robert door zou zetten.
'Kom, dan gaan we. En niet te hard rijden, dat is overmorgen je paard doodop.' Zei Stanley.
Samen reden ze van de ranch naar de stad, en daar reden ze weer verder.
Nadat ze de hele middag gereden hadden besloten ze kamp te maken.
Toen ze geslapen hadden gingen ze weer verder.
Zo ging het twee volle dagen. Toen zagen ze iets...
'Kijk Stanley, dat daar zijn de Rocky Plains. Daar ergens zijn ze overvallen.'
'Je hebt gelijk. Wacht, dan pak ik de verrekijker er even bij.'
Stanley pakte de verrekijker er bij. 'Daar ergens zie ik een kapotte kar liggen. Daar moeten ze dus denk ik zijn.'
'Laat mij eens kijken.' Zei Robert. Hij zag dat Stanley gelijk had.
Daar moest hij heen, en dan kon hij afrekenen met die schurken!
Samen reden ze naar de plaats toe. En inderdaad lag daar een kapotte kar.
Verder lag er niets, behalve een aantal graven die uit de verte onzichtbaar waren.
'Het zijn geen onervaren mannen. Op die kar en graven na zijn er geen sporen achtergelaten.' Zei Stanley terwijl hij afsteeg.
Ook Robert kom van zijn paard. 'Je hebt gelijk Stanley, er zijn geen sporen.'
Maar Stanley gaf het niet op. Hij zocht en vond een spoor ,iets van een touw of kabel dat getrokken was.
Samen volgden ze het spoor, totdat het in de rotsvlakte verdween.
'Opletten Robert. Als je ergens een krasje ziet, dan kan dat een spoor zijn.'
Robert lette daarom goed op, en doordat hij scherpe ogen had vond hij al snel een krasje.
En daar bij die steen ook al...
'Stanley! Ik heb een spoor gevonden.' Zei Robert tegen Stanley.
Stanley rende gelijk naar hem toe. 'Wat dan? Ik zie niets.'
'Kijk dan, hier. En hier nog een en daar nog een.'
Stanley keek. 'Denk jij wat ik denk over waar dit spoor heen leid?'vroeg hij aan Robert...

Daeron

Hoofdstuk 23

'Kijk, hier ook al een paar krasjes. Er is zeker iets groots langs gegaan.'
Robert vond nog steeds krasjes. Ze volgden het spoor nu een ruim kwartier en Stanley vermoedde dat de schuilplaats achter de heuvels kon liggen.
'Stil eens.' Zei Robert. En even later: 'nu hoor ik niets meer.'
Robert was gespannen. Hij was een beetje bang voor de moordenaars van zijn vader.
Samen liepen ze tussen de rotsen door, Stanley betwijfelde of ze wel verder zouden kunnen.
Het werd namelijk steeds donkerder.
Opeens hoorde Stanley hoefgetrappel. Hij duwde Robert opzij, achter een rotsblok.
Zelf ging hij ook achter een blok zitten.
Robert hoorde na een paar minuten ook het geluid wat Stanley had gehoord.
Even later reed er een man voorbij. Hij had blijkbaar haast, want hij reed met onverantwoorde snelheid tussen de rotsblokken door.
Robert sprong tevoorschijn en liep achter het paard aan, dat zich snel uit het zicht verwijderde.
Stanley probeerde Robert terug te roepen maar die hoorde Stanley niet.
Stanley liep achter Robert aan, met het geweer in de hand.
Opeens kwam het geluid weer dichterbij. Stanley verstopte zich weer achter een rots, maar voor Robert was het te laat.
Waar Robert stond waren grote blokken, waar je niet goed achter kon gaan staan, omdat daar geen ruimte was.
Robert probeerde op de blokken te klimmen, maar omdat hij geen grip had gleed hij naar beneden.
Wat moet ik doen? Straks is die ruiter hier en sta ik in het pad. Dan hebben ze me door. Dacht Robert. Hij kon geen uitweg meer bedenken.
Daar kwam de ruiter! Robert drukte zich met zijn rug tegen de rotswand aan en hield zichzelf zo stil mogelijk.
De ruiter was er nu bijna. Robert spande zijn ogen tot het uiterste in om te kunnen zien wie het was. En door de schemering viel het niet mee...
De ruiter reed rustig voorbij. Opeens sloeg Robert met het geweer de man uit het zadel.
De man probeerde kreunend overeind te komen, maar door de enorme klap had hij te veel pijn.
Stanley kwam er aan rennen. Hij pakte het paard, en leidde het weg naar waar hijzelf verscholen had gezeten.
Robert hield de man in bedwang. Stanley kwam na vijf minuten al terug, met het lasso van de man zelf. Ze bonden de man vast, en na hem bij zijn paard gelegd te hebben vervolgden Stanley en Robert hun tocht.

Stanley had gelijk gekregen. Achter de heuvel lag het kamp van de schurken.
Robert besloot naar een van de grotere schuren te gaan, die een stevige deur had.
De schurken waren blijkbaar allemaal al binnen, want Robert zag niemand.
Stanley zou voor de dekking zorgen. En hij zou ook waarschuwen bij onraad.
Robert sloop naar voren. Op een rotsachtige ondergrond viel dat niet mee, kwam hij achter.
Opeens rolden een aantal steentjes weg. Robert vloekte, dat had niet mogen gebeuren!
Langzaam kwam hij dichter bij de schuurdeur, en hij wilde zich juist oprichten toen de deur openging.
'Nou Mike, ik hoop dat je een leuke avond verder hebt met die mannen.' Lachte iemand.
Er kwam een brommend antwoord terug. 'Ga jij maar naar binnen, jij heb het al gehad.'
De man die was aangesproken liep inderdaad naar binnen.
Robert had gedacht dat hij gezien zou worden, maar tot zijn verbazing keek de man niet op of om.
Maar nu had hij iets waar hij op moest letten. Er was een man in de schuur, die Mike.
Verder waren er nog 'die mannen' waarmee misschien gevangenen werden aangeduid.
Daarom onderzocht Robert eerst of er een raam was.
En dat was er, bovenaan bij de achterkant. Robert dacht da hij er wel op kon klimmen, het was niet dat je nergens steunpunten had.
Maar hij had zich vergist, zoals bleek. Hij had geen rekening gehouden met de duisternis en hij moest dus voorzichtig zijn voet of hand ergens plaatsen.
Maar na een kleine klimpartij was hij bij het luikje, dat er voor zat.
Het 'luikje' was ongeveer één vierkante meter. Robert probeerde het open te wrikken met zijn mes. Toen dat niet lukte besloot hij te kijken naar de zwakke punten in het luik.
En bij het slot was het zwak. Hij wist daar het mes tussen een spleet te krijgen, en het schuifslotje open te maken.
Toen dat gebeurd was klom hij naar binnen.
Hij kwam terecht op een brede balk, een steunbalk waarschijnlijk. Hij keek even voorzichtig rond. Hij was niet gezien? Mooi, hij zou het luik even dichtmaken, en dan die Mike uitschakelen.
Hij deed het luik inderdaad dicht, en hij klom over verschillende balken naar voor in de schuur. Daar zat Mike, samen met acht andere mannen.
Voor zich had Mike een rijtje kaarten liggen. Patience als Robert het goed zag.
In ieder geval keek de bewaker niet naar de gevangenen.
Maar de gevangenen hadden Robert al wel ontdekt. Het waren blijkbaar geen onervaren mensen, want ze lieten niets merken. Ook begonnen ze niet te bewegen of iets degelijks.
Robert schatte de afstand tot de grond. Zo'n twee en halve meter dacht hij.
Hij keek naar Mike. Die had een revolver in zijn holster, en een geweer op tafel naast de kaarten.
Opeens kwam voor Mike, die juist een probleem met de kaarten op aan het lossen was, iemand neer. Precies tussen de kaarten. Er moet gezegd worden dat hij snel reageerde, hij probeerde zijn revolver te trekken terwijl hij naar achter sprong.
Maar Robert sprong al,waardoor Mike lag op de grond voor hij het door had.
Robert trok zijn revolver, richtte die op Mike en liep iets naar achteren.
Gelijk pakte hij met zijn andere hand zijn mes, en sneed de touwen van een van de mannen door. Die ging eerst zijn polsen masseren, die vastgebonden hadden gezeten.
Robert begreep dat hij Mike snel moest ontwapenen en vastbinden, omdat er niet geschoten kon worden.
Gelukkig was de man die hij bevrijd had slim genoeg om niet tussen Robert en Mike te gaan staan. Daarin tegen liep de man achterlangs en ontwapende Mike rustig. Daarna bonden ze hem vast, en werden de andere zeven mannen bevrijdt.
De man die als eerste bevrijdt was liep naar Robert toe.
'Ik ben Jake Travers, bedankt dat je me bevrijdde.' Zij hij terwijl hij zijn handen uitstak.
Robert schudde de hand. 'Ik ben Robert, en buiten staat nog iemand, Stanley heet hij.'
De andere mannen stonden nu ook op. Ze liepen gezamenlijk naar Robert en Jake toe.
'Dit is Jerry Mason, hij helpt me bij mijn werk. Ik ben trouwens marshall in Kansas.' Zei Jake. Toen hij was uitgesproken drong een andere man naar voren. Een kleinere man, met zwart haar en felle ogen. 'Ik ben James Colpen, ook een marshall in Kansas. 'En deze drie mannen' -hij wees drie jongemannen aan- 'helpen mij bij het opsporen van criminelen.'
Toen kwamen de laatste twee mannen naar voren. 'Wij zijn hetzelfde als de anderen, ik ben Christiaan en dit is Charlie.' Zei hij tegen Robert.
'Hoe komen jullie hier allemaal eigenlijk?' vroeg Robert.
Christiaan deed het woord, hij was als eerste uitgezonden...
'Ik en Charlie waren uitgezonden om deze bende aan te pakken. Dus wij zijn naar die rotsvlakte gegaan. We zijn gepakt door deze bende na een vuurgevecht.'
Robert kreeg het idee dat deze man niet zo'n prater was.
Opeens hoorde hij iets, een geluid van buiten!
'Jake, pak de hoed van Mike, trek ook dat vest aan en ga daar zitten. Neem jij de revolver maar.' Robert dacht even na. 'En jullie gaan daar zitten, ik leg de touwen over jullie heen zodat ze geen argwaan hebben. En jij Christiaan, jij moet achteraan zitten, het geweer plat naast je op de grond. Zelf ga ik wel weer op zo'n balk zitten.'
Ze voerden het plan snel uit. Iedereen begreep dat dit het beste plan was op het moment.
Robert klom op het tafeltje waar Jake achter zat, en greep naar de balk.
Op het moment dat hij zichzelf omhoog wilde hijsen, ging de deur open....

Daeron

Hoofdstuk 24

'Mike? O daar zit je.' Een man kwam naar binnen. Robert hield zijn adem in, hij had zich net op tijd omhoog kunnen trekken, terwijl Jake zich over de kaarten had gebogen.
'Je moet bij Patrick komen, hij heeft iets voor je. Ik blijf hier wel even.'
O nee! Jake kon moeilijk tegenover Patrick doen alsof hij echt Mike was, en dan hadden ze deze man nog eens! Dacht Robert. Hij seinde naar Christiaan dat ze de man zouden overmeesteren.
'Ik kom er aan, even kijken waar ik deze schoppen zes kwijt kan.' Mompelde Jake naar de man. Ondertussen hield hij Robert in de gaten, want hij was degene die Robert gelijk zou moeten helpen.
'Nu!' riep Robert opeens. De man keek verbaasd omhoog, naar de plaats waar Robert eerst had gezeten.
'Zoek je mij soms?' vroeg Robert om de man af te leiden. Ondertussen kwam Christiaan omhoog, met het geweer in zijn hand. Jake stond ook op, met een getrokken revolver.
'Handjes in de lucht maat, wij zijn met z'n drieën.' Zei Jake.
De man draaide zich om. Robert maakte van de gelegenheid gebruik om zijn revolver te trekken. Met drie man konden ze die ene wel te baas, zeker omdat er nu drie wapens op hem gericht zijn, dacht Robert.
Dat bleek waar te zijn, en ze bonden de man stevig. Nu hadden ze een revolver extra, die Jerry kreeg. Nu waren er vier mensen gewapend.
Ze besloten dat Christiaan in de schuur zou blijven met de andere mannen, Jake zou naar die Patrick gaan terwijl Robert en Jerry achter hem aan zouden gaan om hem te helpen.

Jake liep naar het woonhuis. Daar zou die Patrick zich wel bevinden.
Robert en Jerry bleven in de buurt en Jake liep naar binnen, op de voet gevolgd door Robert.
Gelukkig stond er niemand in de gang. Op goed geluk opende Jake een deur.
'Wegwezen! Je heb niets in de keuken te zoeken stuk schorem.' Werd er geroepen.
'Daar was Patrick in ieder geval niet.' Concludeerde Jake nuchter.
Opeens hoorden ze uit een andere kamer een geluid komen.
'Ga maar. En vraag even of Mike al onderweg is.' Hoorden ze een stem.
De deur ging open en er kwam iemand naar buiten.
'Kom mee, dan gaan we naar binnen.' Zei Jake terwijl hij de deur opende.
Jake keek snel rond in de kamer. 'Daar, kruip er achter nu!' siste hij.
Robert deed vlug wat Jake zei en kroop achter een kast, terwijl Jake naar binnen stapte.
'U liet mij roepen?' vroeg Jake, in de rol van Mike.
'Zeker Mike. Ik heb een klusje dat alleen jij goed kan uitvoeren. De rest vind het laf.'
Jake knikte. 'Wat moet ik doen en wat verdien ik?' vroeg hij.
'Je moet de nieuwe marshal omleggen. We kunnen hier niet nog zo een opbergen.'
'Hoezo is hij zo belangrijk en durft niemand anders?' vroeg Jake.
'Hij is een verbazend goede schutter. In een duel of gevecht win je niet van hem, daarom moet je hem van achter omleggen. En doe het goed, want hij geeft je maar één kans!'
'En wat levert het mij op?' vroeg Jake.
'Kom, pak een sigaret. Dan praten we er eens rustig over.' Zei Patrick opeens vriendelijk.
Jake pakte de sigaret aan en ging zitten. 'Kijk, ik wil maar een ding, en jij doet wat ik vraag.'
'Wat dan? Ik ben nog altijd je baas hoor!' zei Patrick geërgerd.
'Omdat jij hier geen kennis mee wil maken Patrick!' zei Jake terwijl hij Mike's revolver op Patrick richtte. 'En kom jij eens tevoorschijn Jerry.' Zei Jake, terwijl hij per ongeluk de naam van zijn hulp gebruikte.
We zullen voorzichtig moeten zijn. die Patrick is niet ongevaarlijk. Dacht Robert.
Hij stond op, met de revolver in de hand.
'Handen in de lucht Patrick.' Zei Jake.
Voor Patrick zat er niets anders op dan gehoorzamen. Dus stak hij zijn handen.
'Doe je riem eens af jongen, ik houd hem wel onder schot.'
Robert deed het, en daarna maakte Jake Richard vast, en duwde hem een prop in de mond.
'Kom, we gaan verder door het huis. Ik neem de revolver van Patrick mee.' Zei Jake.
Samen liepen ze verder door het huis,totdat opeens iemand wil naar binnen kwam rennen terwijl hij riep: 'Mike en Jim zijn overmeestert. Een marshal is weg, misschien hier binnen. Maar ze houden dus die schuur bezet!'
Gelijk was heel het huis in beweging. Mannen renden heen en weer, sommigen naar buiten en anderen liepen naar de trap.
'We moeten in de schuur komen. Ik ga wel, jij bent te jong.' Zei Jake vlug.
Wat denkt die man wel niet? Dat ik een kind ben of zo? Dacht Robert.
Robert besloot te luisteren naar Jake, en ging buiten op zoek naar Stanley.
Opeens hoorde hij, en de schurken ook, hoefgetrappel. Een klein groepje ruiters kwam er aan.
'Daar is Black Jack!' riep iemand. En inderdaad, voorop reed iemand die volledig in het zwart gekleed was.
Robert schrok. Die man had hij twee maal gezien, bij zijn vader op de wagen en op de ranch..
Onbewust ging zijn hand naar de colt aan zijn rechterheup. Opeens werd hij weggetrokken door iemand, en stond hij ineens achter het huis.
'Wie ben jij, gek. Laat me los!'
'Rustig! We zitten hier niet veilig hoor!' hoorde Robert de bekende stem van Stanley.
'Ben jij het! Laat me nooit meer zo schrikken!' zei Robert boos.
'Anders had jij die kerel doodgeschoten. En dat is geen goed idee met die figuren hier.'
Daar moest Robert Stanley gelijk in geven.
'Wat doen jullie hier? Hé, jullie ken ik niet!' zei een man die langs liep.
Stanley reageerde razendsnel. Hij trok de man achter het huis en begon te slaan. Hij sloeg op de slaap, zodat de man bewusteloos raakte.
'Die laten we liggen. Kom mee, we moeten hier weg.'
Robert volgde Stanley maar. Ze renden naar de rotsen en gingen daar achter liggen.
'Die in de schuur houden het nooit lang uit, ze hebben geen munitie en daar boven in het huis zitten scherpschutters achter die ramen.'
'Ik klim wel omhoog hier, via de achterkant en dan kan ik ze uitschakelen.' Zei Robert.
'Van mij mag je, maar doe voorzichtig. Ik geef je wel rugdekking als het nodig is.'

Robert stond op. Eindelijk iemand die hem niet als kind behandelde!
Hij sloop naar de achterkant van het huis. De ramen die hoger lagen, daar moest hij in. Maar dat moest wel stil gebeuren, want anders zou hij ontdekt worden.
Hij keek eerst naar de uitsteeksels in de muur. Het waren er weinig, maar hopelijk genoeg.
Als hij bij het balkonnetje kon komen, en van daaruit door het raam kon klimmen was hij binnen.
Hij besloot naar het balkonnetje te gaan. Hij had weinig houvast en toen hij bij het balkonnetje kon greep hij die ook gelijk vast.
Maar... hij had nog niet genoeg grip om zich omhoog te trekken en dus hing hij daar, een paar meter boven de grond aan een balkonrandje.
Zijn ene hand begon te glijden maar omdat zijn hand ergens tegenaan kwam bleef de hand liggen. Robert voelde voorzichtig wat het was.
Het was een plankje! Hij greep zich er aan vast, terwijl zijn andere hand naar zijn mes gleed.
Zijn mes stak hij vervolgens in het balkonnetje en aan die twee voorwerken wist hij zich op te trekken. Net op tijd, want beneden kwam er iemand de hoek om renden. Gelukkig had die man niet door dat er iemand half op het balkonnetje zat, en rende hij dus door.
Robert klom over de rand heen, en stond op het balkonnetje. Het werd niet vaak gebruikt want het was er een rommeltje, en het vuil lag over de hele vloer verspreid.
Robert lette er niet op en keek naar het raam. Die afstand kon hij wil hebben. Hij moest zich eerst vastgrijpen, bedacht hij, en daarna laten vallen. Dan hing hij er goed onder. Als hij zich dan weer optrok kon hij binnen komen.
Voor de zekerheid maakte hij toch zijn lasso maar vast aan het balkon, voor als het mis zou gaan.
Hij voerde zijn plan gelijk uit. Hij greep het kozijn vast, en liet zich vallen. Helaas maakten zijn voeten veel lawaai toen ze tegen de muur kwamen. Daar had hij niet op gerekend.
Maar op dat ene puntje na liep het goed, hij wist zich op te trekken en stond in de kamer.
Hij liep naar de deur en opende die. Het was helemaal leeg op de gang, niemand was er.
Hij besloot naar de voorkant van het huis te gaan, en daar een kamer binnen te dringen.
Ook dat idee voerde hij uit, hij liep naar voren, opende een kamer en stapte naar binnen.
Daar stond iemand te schieten.
Opeens zei iemand tegen hem: 'Handen omhoog kereltje!'

Daeron

Hoofdstuk 25

Robert draaide zich voorzichtig om. Het was een nette kamer, met in een hoek een bed, en aan de andere kant een bureau. En achter dat bureau zat iemand, in het halfdonker. Maar de revolver was goed genoeg zichtbaar.
'Wie bent u?' vroeg Robert uiterlijk rustig. Wat moest hij doen?
'Wie ik ben gaat jouw niets aan. In ieder geval luistert iedereen hier naar mij, jij dus ook.'
Robert antwoordde niet. Dat zou hij nog wel eens zien, of hij luisterde!
'Maar ga zitten. Daar staat nog een stoel. Maar ik moet je handen kunnen zien.'
Robert pakte de stoel en ging zitten.
'Kijk, jij snapt natuurlijk dat ik dingen doe, of beter gezegd laat doen, die niet toegestaan zijn. en als er dan een aantal bemoeizuchtige marshals komen dan moet ik ze uitschakelen. Ik heb er al een voorraad gevangen genomen, al zijn er meer gedood. Maar dat weten mijn mannen niet. Alleen Black Jack, die daar staat. Maar ik moet nog iets vragen: wat kom jij hier doen?'
Robert dacht na, zou hij de waarheid vertellen? 'Ik zocht mijn oom Jake, die marshal is. Hier was zijn laatste werkterrein. Ik ben dus gaan zoeken en ik kwam hier uit. Toen heb ik Mike overmeesterd en de gevangenen bevrijd. Daarna zijn we hier heen gegaan, en toen ontdekt werd dat Jim en Mike overmeesterd waren ging oom Jake terug. En ik besloot toen ik zag dat hier boven schutters waren deze schutters uit te schakelen.' Loog Robert de man voor.
'Je maakt mij niet wijs dat jij dat alleen deed. Jij bent daar veel te jong voor.' Zei de man
'U bedoelt dat ik een kind ben? Ik kan wel iets zelf hoor!' antwoordde Robert gespeeld verontwaardig.
'Rustig maar. Vooruit, je deed het dus alleen. Hoeveel wapens hebben ze daar?'
Robert dacht na. Zou hij zeggen dat hij het niet wist, of zou hij zeggen dat er veel wapens waren? Hij koos voor het laatste. 'Ze hebben allemaal een wapen, sommigen zelfs twee.'
'Iedereen een wapen, sommigen zelfs twee. Dus acht man, plus twee is tien is zestig.' Rekende de man in zijn hoofd.
Waar had die man het over, acht plus twee is tien, logisch. Maar tien is zestig? Robert snapte niet waar dat op sloeg.
'Hoe wist jij die mannen te bevrijden?' vroeg de man. Robert had het idee dat het een slim iemand was, maar dat je hem wel voor kon liegen.
'Dat zeg ik niet, maar iedereen zou het kunnen.' Was het rustige antwoord.
'Jij weigert te praten? Ik ken wel mannieren om jouw toch te laten praten,' zei de man.
Robert bleef stil. De man kwam uit zijn stoel overeind, en liep dreigend naar Robert toe.
Op dat moment had Robert al die tijd gewacht. Hij greep de man bij de pols en draaide de revolver zo dat er voor hemzelf geen gevaar meer was. Daarna pakte hij de revolver af, terwijl hij de man een duw gaf.
'Handen omhoog jij! En vlug een beetje.' Commandeerde hij.
De man besloot wijs te zijn en stak zijn handen de lucht in.
'Maar waarom doe je dit? Ik behandelde jouw toch ook goed? Of niet soms?'
'Mond houden jij! Je hebt mijn vrienden niet goed behandeld, dat is erg genoeg.'
Robert liep terug naar de deur. Gelukkig durfde Black Jack ook niets te doen.
Met zijn voet deed Robert de deur open en opeens sprong hij naar buiten.
Hij rende naar de zijkant van het huis. Tegen de muur van de gang stond een kastje.
Robert greep het vast een sleepte het dwars, zodat hij het als dekking kon gebruiken.
En dat was maar goed ook, want binnen een paar seconden stonden Black Jack en zijn baas bij de hoek. Toen ze het kastje zagen begrepen ze waar Robert was.
Black Jack trok zijn revolver en begon te schieten. Gelukkig voor Robert was het kastje van goed hout gemaakt en drongen de kogels er niet door heen.
De baas van Black Jack was teruggerend naar zijn kantoor om een revolver te pakken.
Robert maakte van de gelegenheid gebruik om zich helemaal op Black Jack te richten.
Die durfde niet meer om de hoek te kijken door de goed gerichte schoten van Robert.
Vlug trok Robert het kastje iets naar achteren, en loste toen weer een schot.
Daarna kwam de baas er aan en die begon samen met Black Jack opeens verwoed te schieten.
Robert schoot, blijkbaar raak want de baas trok zijn arm met een schreeuw terug, terwijl hij zijn revolver liet vallen. Robert maakte van de gelegenheid gebruik om naar achter te rennen. Hij gooide het luik van het raam open en keek hoe ver het naar de grond was.
Moest hij wel springen? Als hij er over nadacht kon hij best wel zichzelf blijven verdedigen tegen de schurken. Maar als zijn munitie op was zouden ze hem zo hebben. Dus besloot hij te springen.
Met een kleine aanloop sprong hij naar buiten en kwam een paar meter lager op zijn voeten terecht, waarna hij doorrolde om de val te breken.
Hij rende weer naar de achterkant, om dekking te zoeken. Want voordat hij de hoek om was hadden enkele van de schurken hun wapens al afgevuurd.
Robert wist dat de schurken binnen enkele seconden om de hoek konden komen, dus hij zou nooit snel genoeg weg kunnen rennen. Daarom besloot hij dat hij weer omhoog moest.
Gelukkig had hij zijn lasso laten hangen, dat kwam nu van pas.
Hij klom tegen de muur op, met behulp van het lasso, en pakte de balkonrand vast. Daar trok hij zich aan op. Het lasso trok hij razendsnel omhoog.
'Waar is hij gebleven? Hij kan niet ver zijn.' hoorde Robert onder zich.
Hij besloot stil te blijven liggen, om zichzelf niet te verraden.

'Handjes in de lucht, vriend.' Hoorde Stanley achter zich.
Hij wilde zichzelf omdraaien, maar opeens voelde hij een mes tegen zich aan.
'Had je niet gedacht zeker? Maar met alleen dit mes kunnen we jouw wel de baas. Charlie, pak jij even zijn revolver?'
Charlie, zoals de man was genoemd, kwam naar Stanley toe. Juist toen de handen van de man vlakbij de revolver van Stanley waren, reageerde Stanley bliksemsnel.
Hij pakte de arm van de man vast en trok de man zo dat de man het mes wegsloeg.
Stanley stapte een stukje terug, terwijl hij zonder dat de mannen het zagen, zijn koppel afgespte. Stanley wilde namelijk niet vechten met de revolver.
Toen Stanley zijn koppel achter een klein rotsblok had gegooid liep hij weer naar voren.
Hij wist dat hij in de minderheid was, hijzelf tegen vijf mannen.
Maar hij vertrouwde op zijn verstand van vechtsporten, waar de anderen waarschijnlijk niets van wisten. En daar had hij gelijk in, want toen hij naar voren stapten vormden de anderen wel een halve cirkel, maar toen Stanley een schijnaanval deed vielen ze allemaal al verkeerd aan. Dat bood Stanley de kans ze uit te schakelen, waar hij ook mee begon.
Hij trapte twee tegenstanders weg, terwijl hij een derde bewerkte met de onderkant van zijn gestrekte hand. De man verloor ook zijn mes, wardoor ze allemaal ongewapend waren. De andere twee probeerden hem van achter aan te vallen, maar Stanley rolde vlug weg waardoor ze hun evenwicht verloren.
Helaas voor Stanley waren de twee anderen weer teruggekomen, en vielen ze hem aan.
Dat hadden ze beter niet kunnen doen want binnen een halve minuut lagen ze alle twee naar adem te happen en te kermen tegelijk.
De twee die van achteren aan probeerden te vallen kregen dezelfde behandeling als hun voorgangers, terwijl de overige niet meer durfde.
Stanley rende terug naar zijn revolver en gespte zijn koppel weer om. Daarna trok hij rustig zijn revolver en ging hij zitten op een steen.
De mannen krabbelden één voor één overeind, terwijl Stanley ze beval op afstand te gaan staan. De mannen durfden niets anders dan te gehoorzamen want ze hadden gemerkt hoe gevaarlijk die ene man was...

'En wie zijn jullie?' vroeg Stanley.
'Wij zijn,' antwoordde de man die eerst ook al het woord voerde, 'Wij zijn U.S. Marshals.'
Stanley keek verbaasd. 'Ik dacht dat die heel goed konden vechten?' vroeg hij verbaasd...

Daeron

Hoofdstuk 26

Robert was al die tijd stil blijven liggen. Nu richtte hij zich voorzichtig op en keek naar beneden.
Niets te zien, dacht hij. Hij besloot dat hij maar naar beneden zou gaan om Stanley te zoeken.
Hij ging voorzichtig naar de rand van het balkonnetje. Daar klom hij over de rand en hing hij aan het balkonnetje. Hij deed alles zo stil mogelijk om zich niet te verraden.
Roberts handen verplaatsten zich naar het lasso dat hij had opgetrokken. Hij voelde het touw aan de zijkant van zijn hand en hij wilde het vastpakken. Om het touw vast te kunnen pakken moest hij even die hand loslaten. En toen hij dat deed, voelde hij opeens alle grip wegglijden.
Hij viel naar beneden en met een harde klap viel hij op de grond.
Voorzichtig stond hij op terwijl hij aan zijn linkerbeen voelde. Hij mocht nog blij zijn dat hij niet op zijn rechterheup was gevallen, bedacht hij. Dan had hij nog veel pijn gehad.
Opeens drukte Roberts zich tegen het huis aan. Hij trok zijn revolver en keek of die geladen was. Toen dat zo bleek te zijn pakte hij de revolver die hij had afgepakt. Die bleek nog maar één van de zes patronen te bevatten die er in konden. Snel laadde hij die bij, en wachtte af of het geluid dat hij gehoord had dichterbij kwam.
Een halve minuut later kwam er iemand de hoek om. Robert schoot en met een gil viel de man neer. Robert voelde zijn benen trillen. 'Ik heb een mens vermoord' schoot het door hem heen.
Veel tijd om er over na te denken had hij niet, aangezien een tweede man om de hoek kwam.
De man struikelde bijna over zijn vriend, maar leek niet aangedaan omdat zijn vriend was vermoord. Integendeel zelfs, de man gebruikte zijn kameraad als dekking.
Robert durfde niet te schieten, het was al erg genoeg dat hij iemand had gedood.
Gelukkig wist de man niet waar hij was, want anders had hijzelf net als zijn tegenstander op de grond gelegen.

'Vechten kunnen we wel, maar dan tegen normale wezens.' Zei een van de mannen tegen Stanley. 'Niet tegen vechtmachines zoals jij.'
Stanley reageerde niet. 'Willen jullie mij helpen om mij vriend uit de handen van die schurken te houden?' vroeg hij.
'Wij jouw helpen? We hebben wel wat beters te doen!' antwoordde een kleine man met zwart haar. Drie anderen, jonge mannen, knikten instemmend.
'Ik help je wel.' Zei de man die Charlie heette. Het was iemand die blijkbaar niet uit hetzelfde hout was gesneden als de anderen. 'Hoe ziet die vriend van jouw er uit?'
'Donkerblond haar en blauwe ogen. Hij is vijftien jaar oud, en dezelfde lengte als een gemiddeld iemand van zestien. Bruinleren chaps en een geel overhemd. Daar heeft hij een leren vest over aan. En hij heeft een colt revolver aan zijn rechterheup.'
De mannen keken allemaal verbaast. 'Hij is ook nog eens handig met zijn wapens?' vroeg Charlie.
'Zeker. Wat is er, kennen jullie hem dan al?' vroeg Stanley verbaasd.
'Dat kan je zeggen. Hij heeft ons en drie anderen bevrijdt. Nu doe ik iets terug.' Zei Charlie eenvoudig. 'Zullen we gaan?'

Robert was voorzichtig achteruit gekropen en ging de hoek van het huis om. Hij keek even naar de muur en bij het eerste beste raam keek hij naar binnen. Er zat niemand, dus sloeg Robert de ruit in. Dat maakte uiteraard de nodige herrie, maar dat kon Robert niets schelen. Hij klom naar binnen en rende naar de hoek. Daar stond een kast met geweren.
'Winchester, sharps, Springfield... Colt revolving rifle!' Robert greep een geweer en keek of hij geladen was. De man van wie al deze wapens waren had genoeg geld en hersens zat om ze te laden, dacht Robert. Snel liep hij naar de deur met het geweer in zijn handen.
'Lopen! Ze hebben versterking, in die schuur zitten er nog steeds een voorraad, dat joch was aan de achterkant en er is ook nog een groepje van een man of vier gezien. Jij, jij en jij gaan daarheen, jullie naar boven. En jullie pakken hierbinnen een paar goede geweren.' Klonk het op de gang. Robert schrok, die mannen zouden dit vertrek in komen. En hij zou opgemerkt worden, zeker met dat kapotte raam. Hij keek nog eens rond in het vertrek. Ten opzichte van de deur hingen aan de linkerwand een paar planken die vollagen met allerlei kleine vuurwapens. Dan had je die andere muur, waar ook het raam in zat. Daar lagen op kisten allemaal messen. Recht waren er allemaal gewerenkasten of houders. En boven zijn hoofd en de rest van de muur waar ook de deur in zat hingen allerlei oudere geweren op pistolen.
Robert besloot naar de kant van de revolvers te gaan. Hij greep gelijk een paar revolvers en legde die op een kist. Vlug schoof hij de kist iets naar voren, waarbij er een paar van de messen omvielen. Daarna ging hij achter de kist zitten, legde de revolvers voor zich op de grond en probeerde de messen een beetje recht te zetten. Gelukkig was het een hoge kist en was Robert onzichtbaar voor iemand die gewoon de kamer binnenliep. Maar als iemand naar de messen of revolvers liep...
Gelukkig was dat niet het geval. Maar toen drie mannen bij de geweren stonden, ontdekte er al snel een dat een geweer weg was. Hij keek rond en zag het vlak naast de deur staan.
'Vreemd, de baas is hier heel zuinig op.' Zei hij. Robert hield zijn adem in. Dat had hij beter niet kunnen doen, want toen de man met het geweer naar de kast liep slaakte hij een zucht. En dat hoorde de man. En al was er niet direct iets aan de hand, de man was niet gek. Al snel ontdekte de man dus ook dat er een stuk of zes revolvers weg waren, en dat er een aantal messen schuin stond.
'Jongens, kijk uit. Die kerel zit in die hoek!' riep hij terwijl hij zijn geweer richtte.
'Gek! Daar zit munitie in. Dat ontploft als je er een kogel injaagt. En anders wel de staven dynamiet.' En de ander man duwde het geweer weg. Robert begreep dat hij wel kon schieten, maar dat er niet terug geschoten zou worden uit angst voor een explosie.
Dus snel pakte hij een van de revolvers en schoot. Drie kogels, in het dak boven de mannen.
Toen de mannen niet reageerden schoot Robert voor ze in de grond.
'Wegwezen, straks schiet hij je dood!' en de mannen renden naar de deur. Robert begreep dat hij niet kon blijven zitten en deed alle revolvers in holsters die in een kist onder de planken zaten. De holsters deed hij over zijn hoofd en dan zijn arm erdoor. Toen hij dat gedaan had liep hij met in zijn rechterhand een revolver naar de deur. Hij deed de deur voorzichtig open en schoot. Een paar seconden later was de gang leeg. Waar moet ik heen om de anderen te kunnen helpen? Dacht Robert. Hij besloot weer naar de kamer te gaan waar hij gevangen genomen was. Hij rende de trap op, sloeg een man naar beneden die hem tegen probeerde te houden en trapte de deur van de kamer open. Alleen de baas was er, Blackjack was blijkbaar weg, en die werd door Robert vastgebonden met een aantal riemen. Daarna legde Robert alle holsters op de grond, behalve die van zichzelf. Hij pakte het geweer dat in een hoek stond en keek uit het raam. Al snel zag hij een tegenstander richten. Met een goed gemikt schot schoot Robert hem neer. Alweer eentje, dacht Robert. Maar omdat hij geen zin had om daar lang over na te denken richtte hij zijn aandacht weer op het erf. Daar stond er nog eentje. Robert mikte weer en ook deze keer viel iemand door zijn kogels. Opeens schrok Robert. Er liep iemand de trap op, meerdere zelfs. Hij ging zitten op de plaats waar de baas ook had gezeten, want dat was zoals hij had gemerkt een goede plek om af te wachten.
Enkele seconden later werd de deur weer opengetrapt, waar een salvo van revolverschoten op volgde. Toen er gemerkt werd dat het doelwit niet eens op de plak was geweest waar zij dachten, liepen ze naar het open raam. Op dat moment schoot Robert. Twee, drie schoten loste hij en er vielen evenzoveel mannen. Een paar mannen die bij het raam stonden sprongen naar buiten, terwijl de anderen naar de deur renden. Robert bleef schieten, en daarna ging hij achter de schurken aan die via de deur weggingen. Gelukkig voor hen waren ze al naar beneden, want Robert schoot gelijk. Robert liep naar de plaats waar hij eerder gesprongen was en keek naar buiten. Tot zijn verbazing stond Stanley daar.
'Kom naar beneden, zo meteen komen ze met z'n allen naar boven.' Zei Stanley.
Robert sprong gelijk, terwijl hij het geweer naar Stanley gooide.
'Laten we hier weggaan, ze zien ons als ze boven zijn.'
'Geef eens een van die riemen met holsters aan Charlie, hij heeft geen wapen.' Was het rustige antwoord.
Robert was verrast, maar er was geen tijd om te praten. Toe Charlie de revolver had renden ze naar de voorkant van het huis. Daar bleven ze even staan.
'We moeten ze allemaal gevangen nemen, dat is het beste. Al mag je schieten want ze worden levend of dood gezocht.' Zei Charlie.
Met zijn drieën liepen ze naar binnen. Robert wees op de kamer waar hij en Jake al geweest waren. 'Daar zijn ik en Jake al geweest, die man zit vastgebonden.'
Vlug opende Charlie de deur en ze liepen naar binnen.
'En opnieuw mag ik zeggen: welkom!' hoorde Robert een voor hem bekende stem...

Daeron

Hoofdstuk 27

Razendsnel trok Charlie een revolver. Pang, een kogel schoot naast hem in de muur.
'Doe maar wat rustiger met je handjes, anders zal ik raak moeten schieten.' Zei de man achter het bureau, ofschoon hij het niet was geweest die schoot.
Stanley stootte Charlie aan. 'doe die revolver weg, met dat ding in je hand kan je toch niets.'
Charlie gehoorzaamde, maar het ontging Robert niet dat hij het met tegenzin deed.
'Volgens mij ken ik jullie twee niet,' zei de man die op het bureau zat. 'Ik ben hier de baas, jullie luisteren dus, dat is Patrick. En daar- de man wees naar de zijkant van de kamer- staat Black Jack. En nu ga ik jullie vertellen wat jullie moeten doen.'
Robert keek snel even rond. Hij, Stanley en Charlie stonden bij de deur en de muur die er bij hoorde. Links van hem stond die kast, met een klein stukje ruimte ernaast waar hij zich al eens eerder had verstopt, bij de linkerhoek aan de kant van de buitenmuur stond Black Jack.
In het midden van de kamer stond een groot bureau, met erachter een mooie stoel. Daar zat Patrick op. Ook aan zijn kant stond een stoel, zag Robert. In de rechterhoek, aan de andere kant van het bureau stond een stevige brandkast.
'Jij ook, anders help ik je even.' Zei Patrick opeens tegen hem. Vlug keek hij naar Charlie en Stanley. Die waren met hun gezicht naar de muur gaan staan.
'Jij duik achter die kast, jij achter de man die ons ontwapent en ik redt me wel.' Zei Charlie zacht.
'Patrick, ontwapen jij die mannen eens,' zie de grote baas. Patrick liep gelijk naar de mannen Charlie toe.
'Nee! Sukkel!' riep Black Jack. Toen gebeurde er van alles tegelijk. Robert sprong achter de kast, Stanley trok Patrick, die in de vuurlijn van zijn baas liep, voor zich en Charlie sprong naar voren en dook tegen het bureau aan. Één seconde later hadden Robert en Charlie hun wapens al te pakken en hield Stanley de tegenstribbelende Patrick goed vast.
Vier schoten klonken en Black Jack en zijn baas doken weg, de baas onder het bureau, dat aan de achterkant dicht was, zodat Charlie hem niet kon zien. Black Jack dook aan de andere kan van de kast, zodat Robert alle tegenstanders uit het oog verloor.
Charlie kroop voorzichtig naar de rechterkant van de kamer. Waarom doet hij dat nou weer? Dacht Robert. Maar gelijk begreep hij het. Black Jack zat aan de andere kant van de kast, en kon daardoor Charlie beschieten. Robert sloop voorzichtig langs de kast. Nog steeds kon hij Black Jack niet zien. Opeens zag hij een revolver en een arm. Roberts arm schoot uit en de revolver ging af,de kogel kwam tegen de brandkast. Met zijn andere hand trok hij de arm naar zich toe, en dwong Black Jack zo naar zich toe te komen. Snel stond hij op en trapte zijn tegenstander in het gezicht. 'Voor mijn vader.' Siste hij. De woedde tegen de man gaf hem een kracht van een volwassene. Keer op keer schopte hij de ander neer of duwde hem weg.
Charlie had eerst verbaast gekeken, maar begreep dat hij nu de kans kreeg om de grote baas uit te schakelen. Hij kroop om het bureau heen en zag daar de baas, die keek naar het gevecht.
'Handen omhoog, nu!' riep hij opeens. De grote baas deed wat hem gezegd werd en stak zijn handen in de lucht. Charlie pakte zijn mes en prikt de man in zijn rug. Toen stak hij zijn revolver weg en pakte hij die van de grote baas.
'Ga nu daar maar weer zitten. En stil blijven.' Zei Charlie tegen de man en hij wees onder het bureau. Zelf nam hij een paar meter afstand, zodat hij niet zomaar kon worden aangevallen.
Ondertussen had Robert Black Jack de kans gegeven om overeind te komen.
'Kom op dan,' daagde Robert zijn tegenstander uit.
De vuist van Black Jack schoot uit. Robert weerde af en sloeg tegen de slaap van Black Jack.
Gelijk trapte hij Black Jack, die even duizelig was, tegen de grond.
'Heeft iemand een touw?' vroeg hij zonder om te kijken.
Vlug gooide Charlie, die een paar touwen had zien liggen, een opgerold stuk touw naar Robert. Daarmee bond Robert Black Jack stevig vast. Daarna werden de andere tegenstanders gebonden. Om te voorkomen dat de schurken zichzelf konden bevrijden namen ze alle sleutels die er waren én de wapens mee en draaiden ze de deur achter zich op slot.

'Daar hebben we voorlopig geen last meer van.' Zei Charlie.
'Waar laten we de wapens en wat gaan we doen?' vroeg Stanley.
Charlie dacht even na. 'Als ik naar Jake ga en hem probeer uit de schuur te krijgen, kunnen jullie alvast de anderen aan wapens helpen.'
Aangezien Stanley en Robert geen van beiden iets beters wisten te verzinnen besloten ze dat ze het zouden doen.
'Kom, ik weet waar ze waren toen Charlie met mij mee ging.' Zei Stanley over zijn schouder.
Toen ze bijna op de plaats waren die Stanley in gedachten had, ketste er opeens twee meter naast hem een kogel tegen een steen. Gelijk ging hij liggen. Robert volgde zijn voorbeeld gelijk op en fluisterde: 'Wie zijn daar?'
Stanley haalde zijn schouders op, hij wist niets meer dan Robert.
Samen slopen ze meter voor meter vooruit tot ze vlakbij een paar mannen waren.
'Dit zijn ze!' riep Stanley verbaast. De mannen keken om en een van hen richtte een wapen op Stanley. 'Wat is er?'
Robert antwoordde. 'Wij zijn gestuurd door Charlie. Hier hebben jullie wat wapens erbij.'
Robert overhandigde ze drie revolvers.
'Bedankt,' zei een van de jongemannen, maar de rest pakte ze zwijgend aan. Eén keek er zelfs vijandig, meende Robert te zien.
'Niet praten, schieten!' Stanley riep iedereen weer terug naar de werkelijkheid.
Nu iedereen een wapen had, de mannen hadden eerst met z'n vieren slechts een wapen gehad, konden ze elkaar beter helpen.
Doordat ze met zes man waren die stuk voor stuk goed konden schieten, wisten ze al snel de tegenstanders uit te schakelen.
'Die hebben we ook weer gehad.' Zei een van de mannen luchtig. Hij liep naar de neergeschoten mannen toe. PANG! Robert hoorde een schot en zag de man vallen.
'Kijk uit!' riep hij. Zelf ging hij alweer achter het blok liggen.
ze bleven schieten tegen de tegenstanders, die zich ook niet onbetuigd lieten.
'Ik moet die kerel daar gaan helpen, hij crepeert zo!' siste Stanley tegen Robert.
'Ik ga met je mee, maar kunnen we niet beter eerst die mannen daar uitschakelen?'
'Dat ben ik ook van plan.'

Samen slopen ze om de tegenstanders heen.
'Schiet maar tussen hun twee in, maar raak ze niet. We gaan niemand in de rug schieten.'
Robert luisterde naar wat Stanley zei. 'tussen die met die bruinen hoed en die kerel zonder hoed dus?'vroeg hij voor de zekerheid.
'Die ja.'
Robert mikte zorgvuldig en vuurde. De kogel kwam precies tussen de twee mannen in.
Die draaiden zich gelijk om en schoten terug. Stanley besloot ook te gaan schieten, en al snel lagen er twee schurken op de grond.
'Nog drie te gaan' zei Stanley, terwijl hij weer richtte. Enkele minuten later lagen alle tegenstanders op de grond.
'We dragen hem naar de schuur, hier kan hij niet blijven liggen.' Zei Robert, terwijl hij de zwaargewonde op zijn rug nam.

'Het ziet er niet goed uit voor ons. Er zijn nog enorm veel misdadigers hier aanwezig, en wij hebben al twee gewonden, Jerry en die man die jullie meebrachten. We moeten hulp hebben uit de stad.' Zei Jake, terwijl hij peinzend rondliep.
We zijn nu nog maar tien uren vrij, het is nog niet eens zo heel erg lang dag en nu hebben we al problemen met gewonden en munitietekorten. Heb jij een paard?' vroeg hij opeens aan Robert. 'Ja, we hebben hem een stuk terug achtergelaten.'
'Mooi, jij ga naar de stad, ik schrijf wel een briefje aan de sheriff. Hoe heet je?'
'Noem hem maar Haviksoog,' zei Stanley opeens.
'Toepasselijk, je zag zo haarscherp in het donker.' Vond Jake.
Snel schreef hij een briefje aan de sheriff.

Sheriff,
Ik verzoek u om een posse samen te stellen.
Ik ben Travers, marshall in Kansas.
Met twee gewonden en munitietekort vraag ik om u hulp,
Wij vechten tegen een groep schurken, verantwoordelijk
Voor de overvallen op kolonisten, een stuk kleine afstand van
Desert Watch. Haviksoog wijst u de weg wel.

Daarbij stopte hij de ster van Jerry en gaf het aan Robert.
'Pak je paard en rijdt zo snel als het dier kan naar Desert Watch. Ga nu.'

Robert zocht Firefeet, zijn trouwe paard. Na hij een tijd had gelopen vond hij het dier, dat in de schaduw had staan slapen. Uit zijn veldfles goot hij wat water in zijn hoed en gaf het aan het dier. Daarna steeg hij op. 'Vooruit jongen, je hebt genoeg kunnen rusten,' zei hij terwijl hij zijn paard aanspoorde.
Een moment later galoppeerden paard en ruiten door de droge omgeving...

Daeron

Hoofdstuk 28

Robert voelde dat Firefeet niet lang meer op volle snelheid verder kon. Maar hij moest wel, want als hij niet snel de sheriff waarschuwde dan zouden zijn vrienden omkomen.
Hij reed richting het meertje waar de meeste karavanen lang reden om water op te doen.
In de verte zag hij een stofwolk naderen, misschien was dat een karavaan!
Hij naderde de karavaan (want dat was het) snel, en binnen een half uur had hij de karavaan bereikt. Daar hield hij Firefeet in en keek Robert om zich heen.
'Wie ben jij?' vroeg een man die op een paard zat. een van de verkenners, dacht Robert.
Toen Robert niet gelijk antwoordde zei de man: 'Niet praten? Ook goed, je bent nu onze gevangene.' En de man pakte een trompet en blies enkele signalen.
Binnen enkele seconden gingen de zeilen van de huiskarren open en sprongen er mannen uit.
Uit iedere kar minstens vijf geüniformeerde mannen, zag Robert.
'Doe je handjes maar in de hoogte, vriend!' zei de man die de trompet had.
Robert overwoog zijn kansen. Firefeet kon razendsnel keren, en als hij zijn revolver op die kerel gericht hield, dan zou hij misschien kunnen ontsnappen...
'Ontsnappen lukt je niet, dat kan ik je vertellen. Voordat jij en je paard twintig meter verder zijn lig jij doorzeeft op de grond, en je paard waarschijnlijk ook. En als dat niet gebeurt kom je toch niet ver, want jouw paard is duidelijk moe.' Zei de man, alsof hij Roberts gedachte raadde.
En kwam een groepje soldaten te paard aan. 'Wie is dat?' vroeg een van de mannen.
'Dat weten we nog niet, Majoor' antwoordde de man met de trompet.
'Kijk dan of hij iets bij zich heeft.' Was het nuchtere antwoord.
Gelijk beval de man Robert af te stijgen. 'En nu doe je je koppel af en laat je hem vallen.'
Robert besloot te gehoorzamen en gooide zijn koppel op de grond. Gelijk schoot er een soldaat toe om het weg te halen.
'Als u dit even wilt lezen,' zei Robert terwijl hij uit zijn zak het briefje wilde halen.
'Afblijven!' riep de trompetter, en hij richtte een revolver. En hij was niet de enige die iets deed, de majoor had ook een revolver gepakt en een soldaat wilde Robert slaan. Dat vond Robert toch iets te ver gaan en hij reageerde dan ook snel. Hij weerde de slag van de soldaat af en sloeg met de andere hand tegen het gezicht van de soldaat. Maar deze had wel geleerd hoe hij zich moest weren en bovendien was de man lang en breed, zodat Robert in minder dan een seconde op de grond lag. De man wist dat als hij op de grond zou gaan vechten dat hij zijn voordeel van lichaamsgrootte kwijt was en wachtte daarom af. Hij had er alleen niet op gerekend dat zijn tegenstander oosterse vechtsporten kende...
Robert stond snel op en deed een schijnaanval. De soldaat sloeg toe maar miste. Op dat moment pakte Robert de man vast en trok hem over zijn rug heen op de grond en wachtte tot de man opstond. De soldaat gaf niet zo snel op en stond dus snel weer op de benen. Maar na een paar aanvallen gaf hij toch op en bleef hij op de grond liggen.
'Iemand anders nog?' vroeg hij. Opeens schoot hem te binnen dat als hij een bijnaam gebruikte, de mannen meer respect zouden hebben én dat ze eerder zouden geloven dat hij die Haviksoog uit het briefje van Jake was. Daarom voegde hij er aan toe: 'Let wel op: niemand wint van mij, Haviksoog!' terwijl hij hoopte dat dat genoeg indruk maakte.
Snel greep hij naar zijn binnenzak en gooide de ster, met aan de spelt het briefje, voor de majoor die inmiddels afgestegen was.
De majoor pakte de ster en het briefje en begon te lezen.
'Ben jij Haviksoog?'vroeg hij aan Robert.
'Inderdaad, en wie zijn jullie?' was het antwoord van Robert.
'Ik ben majoor Heally en jij ga mij met mijn afdeling begeleiden naar dat kamp, begrepen?'
'In orde Majoor' antwoordde Robert snel, terwijl hij wel kon juichen van blijdschap omdat er nu een legeronderdeel zou helpen in plaats van een groep burgers.

'Waar heb jij zo leren vechten?' vroeg de man die de huifkar bestuurde, terwijl hij bewonderend naar Haviksoog keek.
'Van een vriend.' Was het korte antwoord.
'Je hebt wel lef, dat moet ik je nageven. En dat is maar goed ook, want Heally heeft een hekel aan lafaards. Al vind hij het niet leuk dat je een van zijn beste soldaten op de grond hebt gelegd.' Zei de man grijnzend. 'Hoelang is het rijden naar die plaats?'
'Met de huifkar duurt het nog wel tot de avond tot we er zijn. misschien is dat wel een voordeel, want dan kunnen we de schuren en het huis ongezien naderen.'
'En wat moeten onze ruiters dan doen? Ik neem aan dat die teveel herrie maken.'
'Ruiters?' vroeg Robert verbaast.
'Ja ruiters, we hebben er zo'n vijfentwintig.' Antwoordde de man.
Robert was verbaast. Hij had helemaal geen ruiters gezien, op de trompetter en de officieren na.
'We zullen wel zien wat die moeten doen als we er zijn.' antwoordde hij daarom maar.
Aan het einde van de dag waren ze nog lang niet op de plaats waar ze heen moesten.
Als Haviksoog het goed inschatte waren ze nu pas op de helft.
'Vannacht gaan we door en morgenochtend rusten we uit, als we er zijn.' deelde de majoor mee.
De nacht verliep zonder problemen. Toen ze er waren werden de paarden uitgespannen en konden de mannen gaan slapen.

Die ochtend werd Robert wakker van enkele schoten. Vlug kwam hij overeind terwijl hij zijn geweer op scherp zette. Hij was niet de enige, veel van de soldaten deden hetzelfde.
'Waar zijn ze? Hoeveel zijn het er?' klonk het van verschillende kanten.
'Ze zijn niet in de buurt.' Riep Robert boven iedereen uit.
'Waar moeten we heen, Haviksoog?' vroeg de majoor.
'kom maar mee, maar zeg alstublieft dat iedereen stil is.' Verzocht Haviksoog.
De majoor besloot dat de trompet niet gebruikt kon worden en ging daarom op een grote kei staan. Dat hielp, de mannen werden stil.
'We gaan nu naar het slagveld, iedereen moet stil zijn en je loopt netjes twee aan twee. Luister naar Haviksoog hier, dan komt het wel goed.' Zei hij.
Even later trok de groep soldaten als een lange slang over het pad. de mannen die op een paard zaten reden achter.
'Kunt u mij tien mannen geven die vrijwel altijd raakschieten en niet bang zijn?' vroeg Robert aan Heally.
'Ik geef je m'n beste mannen, wat wil je er mee gaan doen?' antwoordde de majoor.
'Ik ga een bevrijdingsactie doen en daarvoor moeten die mannen rugdekking geven.'
Antwoordde Robert. 'En u gaat met de overige soldaten de gebouwen in de gaten houden.
Je ziet vanzelf wel welke schuur bemant wordt door de marshalls. En de ruiters moeten als ik het sein geef opeens in volle vaart langs alle gebouwen heen terwijl ze schieten, dat geeft een verrassingseffect. Daarna kunnen ze van de andere kant ook aanvallen.'
'Is goed, maar wees voorzichtig.' Antwoordde de majoor.
Terwijl hij de trompetter opdracht gaf om samen met Haviksoog tien mannen uit te gaan zoeken kwam er een officier naar voren.
'U luistert toch niet naar dat joch hoop ik?' vroeg hij aan de majoor.
'Waarom niet? Hij heeft goede ideeën.' Antwoordde de majoor verbaast.
'Hij is geen soldaat! Hij heeft geen rang, helemaal niets!' zij de officier.
'Hij heeft lef en is niet bang om het gevaarlijkste te doen van iedereen, dat is genoeg voor mij.' Vond de majoor.

Niet lang daarna zagen ze de gebouwen.
'Jij gaat dus naar die schuur, terwijl mijn mannen die andere gebouwen beschieten, de cavalerie langs de tegenstander raast en jij rugdekking krijgt van die scherpschutters.'
'Precies. Als we het op die mannier doen moet het lukken.' Antwoordde Robert en hij steeg van het paard af.
Een paar minuten later waren alle soldaten ingelicht en konden ze hun posities innemen, terwijl Robert keek waar hij het beste de schuur kon binnendringen. Hij besloot dezelfde weg te nemen als eerst en vertelde de mannen wat hij van plan was.
'Nú!' riep Robert terwijl hij viermaal achter elkaar in de lucht schoot. Opeens gebeurde er van alles tegelijk. Tientallen geweren knalden opeens, een groep ruiters kwam in volle galop langs de gebouwen heen terwijl ze met hun karabijnen enorm schade aanrichtten.
Haviksoog rende zo snel hij kon naar de schuur en klom omhoog. PANG! Nog geen meter naast hem sloeg een kogel in de muur. Doorgaan, besloot hij en hij klom verder naar het luik.
De schutter kreeg geen kans meer om te schieten omdat hij dekking moest zoeken tegen een salvo van goedgerichte schoten. Opnieuw maakte Robert met een mes het luikje open, maar deze keer sloot hij het niet achter zich.
Opeens sloeg er een kogel naast hem in.
'Kom naar beneden, maar blijk van je wapen af!' klonk een stem...

Daeron

Hoofdstuk 29


Robert dacht snel na. Zou hij zijn wapen trekken of niet?
'Opschieten!' commandeerde de stem.
'Rustig maar, ik kom al.' Zei Robert terwijl hij probeerde te zien wie de andere man was.
'Haviksoog?' Klonk het opeens verbaasd.
Robert maakte van de gelegenheid gebruik om snel naar beneden te komen, waar hij zijn revolver trok. 'Wie is dat?'
'Charlie hier. Kom je ook? We hebben een beetje problemen, maar jij hebt die posse snel weten te halen.'
Robert stak zijn revolver in zijn holster en liep in de richting van de stem. Al snel begreep hij waarom hij niemand had kunnen zien, Charlie had namelijk achter een balk gezeten en zo zijn lichaam verborgen.
'Het is geen posse, het is een legeronderdeel onder leiding van majoor Heally.' Antwoordde hij. 'Ben jij hier alleen in deze schuur?'
'Nee, verderop zit Stanley en daar zit Jake,' terwijl hij in een richting wees.
'En Colpen?' vroeg Robert.
'die zit ergens in een andere schuur met de gewonden en Christiaan.' Antwoordde Charlie.
'Hebben jullie die baas nog gezien? Of die Black Jack?' vroeg Haviksoog nog eens.
'Black Jack is weer scherpschutter en heeft al twee van Colpen's mannen gedood.'
'Dan moeten we er voor zorgen dat hij niet meer kan schieten. Hebben jullie een geweer?'
Charlie wees neer de muur. Er stonden vier geweren naast elkaar tegen de muur.
'Geef mij maar rugdekking als ik naar het huis probeer te gaan. Ik neem ook één geweer mee.' Zei Robert.
'Wacht even Haviksoog, kan Stanley niet beter met jouw meegaan? Ik kan in mijn eentje jullie wel rugdekking geven, ik zal toch niet worden aangevallen met al die soldaten in de buurt.'
Stanley pakte ook een geweer. 'Zo snel mogelijk naar het huis!' riep hij naar Robert terwijl hij de deur uit rende.

Een halve minuut later stonden ze met de rug tegen het huis te wachten.
'We kunnen proberen door dat luik binnen te komen. Het staat vast nog open. Niemand van de schurken heeft tijd gehad om dat ding dicht te doen, ze hebben en een kastje voor geschoven zodat wij niet naar binnen kunnen schieten.' Vertelde Stanley.
'Daar ligt een ladder tegen de muur, die pakken we.' Wees Robert.
'Pak jij de ladder, ik draag je geweer wel.' Stanley pakte het geweer van Robert.
Robert pakte de ladder en liep gebukt naar de kant van het huis waar het luik was.
Snel zette hij de ladder neer en liet Stanley omhoog klimmen. Zelf hield hij de ladder vast, want het ding was al oud en het kraakte gevaarlijk.
Stanley schoof het kastje iets weg en ging er achter zitten. Hij legde de geweren even neer en riep dat Haviksoog kon komen.
Robert klom naar boven. Met zijn handen had hij de rand al beet toen de sporten waar hij zijn voeten op had gezet het begaven. de ladder viel uit elkaar nu opeens een groot gedeelte zonder sporten zat en Robert hing aan de rand van de bovenverdieping.
'Haviksoog!' riep Stanley van schrik. Dat had hij beter niet kunnen doen, want hij hoorde verschillende voetstappen de trap al oprennen.
'pak mijn hand vast.' Stanley trok Robert omhoog. Net toen Robert zat kwamen de mannen om de hoek. Stanley had zijn revolver al in de hand en schoot. Maar de mannen hadden daar al op gerekend en lieten zich vallen. Twee andere mannen sleepten een tafel mee die ze op hun kant zetten. Robert greep een van de geweren en zag dat het dertienschots geweren waren. Iedere keer als hij een hoofd van een man of een revolver zag schoot hij.
Dat zorgde er voor dat Stanley en Robert bewegingsruimte hadden, terwijl de tegenstanders stil moesten lijven zitten om niet geraakt te worden.
Stanley sloop met een van de geweren om het kastje heen en ging staan. Gelijk schoot hij.
Twee mannen vielen geraakt achterover, de andere twee renden in paniek weg.
Stanley en Robert herlaadden de geweren en renden naar de kamer waar Robert de eerste keer kennis gemaakt had met Black Jack.
'Handen omhoog allemaal!' riep Robert toen hij in de deuropening stond. Black Jack draaide zich razendsnel om. PANG! Robert schoot naast hem in de muur. Snel gooide Black Jack zijn wapen neer. Robert had zich ondertussen omgedraaid en keek naar de andere kant van het vertrek. Daar was niemand te zien.
'We binden hem maar vast.' besloot Stanley.

'41 dode misdadigers, 16 gewonden en 12 ongedeerden tegen 6 dode militairen en 26 gewonden.' Deelde Majoor Heally mee.
De doden waren begraven, de gewonden werden in de karren gelegd.
Nadat Robert en Stanley Black Jack hadden uitgeschakeld waren de militairen al snel in overmacht. De meeste schurken gaven zich over. Nu zouden ze weer naar Desert Watch gaan om daar de schurken tijdelijk gevangen te houden en de gewonden te verzorgen.
Robert en Stanley gingen ook mee, op hun eigen paarden.
Zes dagen later waren ze in de stad.

Ze reden de stad in onder groot gejuich van de bevolking. Door die schurken durfden de mensen niet meer naar het westen, en konden de mensen in Desert Watch niet zo veel verdienen.
Robert en Stanley reden halverwege de stoet, tussen de ruiters die voorop gingen en de huifkarren.
Opeens klonk er hoefgetrappel achter hun, dat zich verwijderde. Automatisch keek Robert om. Drie ruiters reden weg. Robert keek weer voor zich. Opeens keek hij weer terug. Bij die huifkar stonden er geen paarden, en de drie ruiters waren dus waarschijnlijk ontsnapte gevangenen. Snel draaide hij Firefeet en verliet de sliert. Zo snel als Firefeet kon stoof het paard door de straat. Robert zag mensen opeens angstig kijken, enkele soldaten van de huifwagens af springen, bij de kar waar er mannen waren ontsnapt kwam er een soldaat aanrennen die op het vierde paard sprong en net als Robert de achtervolging inzette.
De drie schurken splitsten zich op, twee gingen er via een zijstraat de stad verder in en één reed er zo snel mogelijk weg. Ze waren al vierhonderd meter verder dan de laatste huifkar van de stoet. Robert keek naar de soldaat die achter hem reed en wees van de soldaat naar de man die de stad uit probeerde te vluchten. De soldaat begreep het en ging achter de man aan.
Robert stuurde Firefeet met volle snelheid de straat in achter de mannen aan.
Opeens zag hij de mannen niet meer, terwijl de paarden nog wel verder galoppeerden.
Snel sprong hij van Firefeet af en rende hij naar een huis toe. De bewoners waren niet thuis, waarschijnlijk waren die bij de hoofdstraat aan het kijken naar die stoet, dacht Robert.
Hij keek naar de huizen aan de overkant. Enkele seconden later wist hij in welk huis zijn tegenstanders zaten, schuin tegenover hem stond een groot huis waar de deur open stond.
Robert rende naar het huis aan de overkant en trok zijn revolver. In de gang stond Black Jack met een geweer. Robert richtte zijn revolver. Opeens werd hij van achteren besprongen.
Robert dook opzij en keek. Het was de leider van de schurken. Robert bedacht zich geen moment en sloeg de man zo hard mogelijk tegen de kin. Gelijk sprong hij naar Black Jack en trapte diens geweer weg.
'Rustig jij, kereltje!'zei Black Jack boos. Robert keek naar de man. Black Jack had een mes in zijn hand.
Met het mes deed hij een uitval. Robert ontweek het mes en trapte de man hard in zijn maag.
Die liet het mes vallen en klapte dubbel. De andere man was ondertussen al overeind gekomen en had de revolver van Robert gepakt die pakte vlug het geweer en schoot. De man liet de revolver vallen en steunde tegen de muur. Robert pakte de man vast en siste: 'Dit is de wraak van Haviksoog!' en hij gooide de man neer.
Daarna keek hij op, waar was Black Jack? Opeens rook hij een brandlucht. Black Jack had het huis in de brand gestoken. Maar toen zag hij black Jack voorzichtig de laatste traptreden op proberen te sluipen. Snel rende Robert achter hem aan...

'Denk jij te kunnen ontsnappen?' vroeg Robert.
'Denk jij van mij te kunnen winnen?'was de wedervraag.
Robert stormde naar voren. Even later vloog hij weer terug, met dank aan de laars van zijn tegenstander.
toen vond Robert zijn zelfbeheersing weer en viel hij behoedzaam aan. Met een paar gerichte trappen tegen het hoofd van Black Jack verloor die het bewustzijn. Snel tilde Robert hem op en droeg hem naar beneden. Een groot deel van het huis stond al in de brand en Robert merkte dat de trap ook al begon te branden aan de onderkant. Vlug liep Robert naar buiten en tilde Black Jack op Firefeet. Daarna liep hij naar binnen om het dode lichaam van de leider uit het huis te halen. Hij legde het lichaam op de straat neer en ging achter Black Jack op Firefeet zitten. Met zijn knieën sturend en met zijn handen Black Jackvasthoudend reed hij terug naar de stoet. Toen hij de zijstraat uit kwam riep hij al dat er brand was.
'Brand?' vroegen enkele bewoners bang.
'Ja, in de straat hier achter.' Antwoordde Robert. 'In een groot vrij huis.'
Verschillende burgers hadden niet geluisterd en waren al naar de straat toe gerend.
Robert legde Black Jack in een huifwagen neer en reed weer naar de straat.
'Dat huis daar!' Wees hij.
Een man bleef verschrikt staan. 'Sam de negerknecht is daar nog binnen.'zei hij.
'Die is verloren, zeker weten' zei een andere man.
Robert spoorde Firefeet aan. 'Ik ga hem halen!'