Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

Mirage

Gestart door Dash, 31 augustus 2008, 21:43:57

Vorige topic - Volgende topic

Dash

Nu volgt er een verhaal wat ik ooit voor NaNoWriMo geschreven heb. OP dit moment is het het nog niet helemaal af, maar ik hoop gaander weg de laatste weer in het verhaal te komen om het een goed einde te geven.

Ik post de meeste hoofdstukken in delen om het voor te zorgen dat het geen enorme lappen tekst verschijnen

Gepost:
Proloog
Hoofdstuk 1 (1/5)

Reacties niet in het verhaal posten, maar in het reactie topic.
People tell me I'm insane, but the voices in my head tell me otherwise.

Dash

Proloog

Sneller dan menig vogel streden ze langs de hemel. Gekleed in blauwe mantels en bruine gewaden. Zittend op gitzwarte, gevleugelde paarden keken de tovenaars voldaan voor zich uit. Na jaren lang hard werk was het eindelijk gelukt. Eindelijk zouden ze verlost zijn van de wezens die jaren lang hun grootste vrees vormden.
Plotseling klonk er een angstaanjagend geluid van achter de paarden. Eén van de tovenaars keek om. Langzaam bestudeerde hij de wezens in de eerste kooi die als door een magneet achter hun aanvloog. Opeens besefte hij dat hij niet de enige was die iets bestudeerde. Van achter de ijzeren tralies keken twee lichtjes hem aan. Er liep een rilling over de rug van de tovenaar.
Hij gaf zijn paard de sporen en vloog naar de voorste tovenaar. Even twijfelde hij of hij de oude man moest aanspreken.
"Ze beginnen te ontwaken. Moeten we ze verdoven of...?" vroeg hij aarzelend.
"Nee, ze kunnen nu toch niets uitrichten. Zo is het later een stuk makkelijker voor ons," onderbrak de oude man hem besluitvaardig. Toch klonk er een nerveuze ondertoon door in zijn stem.
De andere tovenaar knikte en liet zijn paard even vaart minderen om zo naast een kooi te belanden en wierp nog een blik op de wezens. Hij spuugde richting de kooi.
"Ik word al misselijk als ik naar jullie kijk, maar nu kunnen we zijn we eindelijk van jullie af zijn. Jullie zijn gewoon een fout van de natuur. Jullie hebben geen bestaansrecht. Eindelijk... verlost van jullie soort," schreeuwde hij tegen de wezens in de kooien. Aan het laatste woord werd extra nadruk meegegeven, zodat het droop van walging. Op dat moment besefte de tovenaar dat hij de strenge blik van de voorste tovenaar op hem was gericht. Hij keek even beschaamd naar beneden en leidde hij zijn paard weer naar de positie waar hij een paar minuten geleden had gevlogen.

De zon stond hoog aan de hemel toen het doel eindelijk inzicht. Vlak beneden de tovenaars verscheen een klein, vervallen dorpje. De oude tovenaar trok aan de teugels om zo vaart te minderen.
Hij keek achter om en riep naar de ander tovenaars:
"Hier is het. Dit is het nieuwe gebied voor de Novirga. Land bij de waterput in het midden van het dorp. Je weten wat je te doen staat," sprak hij streng, terwijl hij met zijn rechter hand zijn witte baard fatsoeneerde.
Meteen doken de voorste tovenaars op hun paard naar beneden om gevolgd door de talloze kooien. Niet veel later stonden de alle tovenaars en de kooien op de grond. Elke tovenaar steeg af en begon zijn taak uit te voeren.. De taken liepen uiteen van de paarden werden naar een stuk gras leiden en verzorgen, water geputten, het opzetten van ketels tot en met het gereed maken van de wezen in de kooien. De oude tovenaar pakte zijn lange staf van zijn paard en liep rustig naar de rand van het dorp. Hij had een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht.
Aan de rand van het dorp aan gekomen richtte hij de punt van zijn wandelstok op een zwart gebakerde, omgevallen boom en mompelde woorden uit een lang vergeten taal. Op het moment dat hij het laatste woord gevormd had ging er een schokgolf door de lucht die de boom trof. Meteen rechtte de boom zijn stam en stond weer fier overeind, zoals hij gedaan had, voordat hij een aantal weken ervoor de bliksem geraakt was. Alle verdorde bladeren werden weer langzaam groenen, totdat ze er weer lentefris uitzagen. Maar de tovenaar had geen oog voor het opbloeien van de boom. Met een gebogen hoofd liep hij naar de boom en begon met de punt van zijn staf symbolen in het gras te branden.
Langzaam bewoog zijn staf door het gras. Een cirkel van symbolen werd af gemaakt door de laatste krul toe te voegen aan een net gemaakt vierkant. Toen voelde de tovenaar iets zijn schouder aanraken. Snel draaide hij zich om, de punt van zijn wandelstok naar voren gericht. De punt van de wandelstok gloeide fel op.
"Sorry, het was niet de bedoeling om... U had mij nodig, Magus?"
De oude tovenaar zag dat er een enigszins verraste tovenaar zich aan de andere kant van zijn toverstok bevond. De oude tovenaar zag dat de jongen nog maar net volwassen was en dat zijn mantel scheef zat. De oude tovenaar  ontspannende zijn grip op de staf en de gloed doofde. Traag liet hij de staf zakken.
"Zag je niet dat ik bezig was," reageerde de oude tovenaar geïrriteerd, maar meteen herstelde hij zich.
"Zou ik je hand even mogen zien?" vroeg hij snel.
"Natuurlijk, maar waarom?" de jongen reageerde verbaast, maar stak toch zijn hand uit. Het volgende ogenblik voelde de jongen een brandende pijn over zijn hand. Toen hij keek zag dat de oude tovenaar met een klein gouden mes een diepe snee in zijn hand had gemaakt. Daarna hield de tovenaar de hand boven de symbolen, zodat het bloed op de vreemde symbolen druppelde. De jongen wilde zijn hand reflexmatig terug trekken, maar de oude tovenaar hield zijn arm stevig vast. Met een verbeten gezicht keek de jongen de oude tovenaar aan.
"Waarom?" vroeg de jongen, toen de oude tovenaar eindelijk zijn hand los liet.
"Om te werken had deze bezwering vers bloed nodig," antwoordde de oude tovenaar rustig terwijl hij een witte zakdoek uit zijn broekzak haalde. Tevreden keek de oude tovenaar naar de symbolen die even oplichten en daarna in het gras verdwenen.
"Hier, dit stopt het bloeden." Hij overhandigde de jongen zijn zakdoek.
"Waarom doen we dit eigenlijk? Wat gaat er met die Novirga gebeuren, Magus?" vroeg de jongen. Even meende de jongen te zien dat de boom bewoog.
"Nathan, je heet toch Nathan? We zorgen ervoor dat ze geen bedreigen meer voor ons vormen," antwoordde de oude tovenaar rustig, terwijl hij rustig weer naar het dorpsplein liep met de jongen op zijn hielen.
"Maar hoe gaan we dat doen? Kunnen we ze niet allemaal afmaken, net als zieke honden?" vroeg de jongen niet begrijpend
"Nee, dat wil de koning niet, dat zou de bevolking een verkeerd beeld geven. We geven deze onwezens een nieuwe woonplaats," antwoordde de tovenaar rustig.
"Maar als je dan ontsnappen, dan..." hakkelde de jongen.
"Dat zullen ze niet, want ze zullen niet uit het dorp kunnen. Die bezwering rond de boom zorgt ervoor dat er een krachtveld gevormd wordt, zodat de wezens niet meer dan een paar honderd meter uit het dorp kunnen als ze verder gaan dan zullen gevoelens van vreselijke waanideeën over hoe vreselijk alles daar buiten is. Ze gaan dan wel terug. Ook kunnen er geen ongenode gasten in. Zij zullen in cirkels rond dit gebeid dwalen totdat ze niet meer weten waar ze zijn en dan..."
De oude tovenaar kuchte een keer. Ze waren nu weer op het dorpsplein aan gekomen.
"Maar zullen zij niet alles proberen om iets te vinden waardoor ze kunnen ontsnappen?" onderbrak de jongen de redevoering van de tovenaar in de waan dat deze beëindigd was.
De oude tovenaar begon het gezeur van de jongen een beetje zat te worden.
"Daar wordt aan gewerkt. Haal nu Darin en ga dan maar bij de paarden kijken. Schiet op!"
De jonge tovenaar besefte dat hij maar beter niet door kon vragen, draaide zich om en liep in de richting van de kooien.

De oude tovenaar zuchtte en leunde tegen de waterput. Hij was dit niet meer gewend.
'De jeugd van tegenwoordig wordt steeds nieuwsgieriger en nieuwsgieriger. Natuurlijk denken ze dat ze alles beter weten. Ik zal blij zijn als dit voorbij is', dacht de tovenaar bij zichzelf.
Op dat moment kwam er een andere tovenaar naar hem toe gelopen.
"U had mij laten komen?" de tovenaar knielde voor de oude tovenaar.
"Hoe staat het met de voortgang en je hoeft niet te knielen," zei de oude tovenaar tegen Darin. Normaal stelde hij de beleefdheidstradities wel op prijs, maar nu kostte het alleen maar tijd. Darin stond op en de oude tovenaar keek in het gezicht van een bevallige tovenares.
"Alles loopt goed. We moeten nog maar een paar kooien doen, maar we missen Alvan. We denken dat hij te grazen is genomen door... u weet wel," sprak zij met een lichte huivering.
"Ik wist dat er iets mis zou gaan vandaag. Maar goed, daar is nu niets meer aan te doen. Zitten de spreuken zitten op hun plaats?" Darin knikte, waarop de oude tovenaar een van zijn spaarzame glimlachjes liet zien. De oude tovenaar gleed met zijn hand naar een klein zakje in de binnenzak van zijn mantel.
"Hier dit zijn de amuletten. Ze bevatten het element waardoor wij ongestoord door het krachtveld heen kunnen."
De oude tovenaar opende het zakje en liet Darin de amuletten zien. Op dat moment klonk er van achter hun een luide schreeuw gevolgd door een kreet van pijn. Beide tovenaars keken naar de richting waar het rumoer vandaan kwam. Nog net zagen ze een enorme gespierd wezen hun slechts een paar meter genaderd was, voordat zij iets konden doen had het wezen de oude tovenaar een dreun verkocht. De oude tovenaar viel achterover daardoor de amuletten alle kanten op vlogen. Darin greep snelle naar een klein zilveren stokje dat ze achter de riem van haar broek had en riep snel een spreuk. Even lichtte het puntje van haar toverstok op, voordat een groen straal het wezen tussen de schouderbladen raakte. Het wezen zakte in met een kreun. Hij was dood voordat zijn kop de grond raakte.
Snel liep ze naar de oude tovenaar. Ze richtte haar toverstok op de oude tovenaar, maar liet het meteen weer zakken, want ze zag dat de oude tovenaar zelf overeind krabbelde.
"O Magus, laat mij je helpen." Ze hielp de oude tovenaar overeind. Op dat moment kan er een ander tovenaar met en bloed neus aangestrompeld.
"Sorry, maar ik lette even niet op en toen overmeesterde hij mij en toen gaf hij mij een dreun en toen ging ik verloor ik bewustzijn en toen..."sprak hij gehaast, terwijl hij beschaamd naar zijn voeten staarde.
"Stop met zeuren en zoek die amuletten anders kunnen we hier niet weg. Laat de anderen je helpen als zij klaar zijn," sprak de oude tovenaar geïrriteerd tegen de jongen. Daarna richtte hij zich naar Darin.
"Darin, bedankt voor je hulp. Ik zie wel wat Darius in je ziet," sprak de oude tovenaar rustig alsof er niet gebeurt was. Darin begon te blozen, maar zette probeerde dit te verdoezelen door te bukken een amulet op te rapen. De oude tovenaar schudde even het hoofd, richtte zijn toverstaf op overblijfselen van wezen en mompelde een paar woorden. Langzaam zakte het lichaam de grond in, totdat er niets meer te zien was dan licht kleurverschil in de grond. Daarna draaide hij zich om en keek toe hoe de andere tovenaars hun uiterste best deden de amuletten te vind.

Na een tijd zoeken had eindelijk elke tovenaar een amulet. Iedereen voelde zich voldaan, maar de oude tovenaar had toch het gevoel dat er iets niet klopte, maar liet dit niet merken. In zijn hoofd liep hij het hele proces na. Ieder wezen had zonder al te veel problemen de Oblivion gedronken en ze lagen allemaal in een diepe slaap. Zij zouden morgen gaan genieten van het hun toebedeelde leven. Niemand zou meer last van ze hebben. Alles leek te kloppen. Hij zou zich tevreden moeten, maar er was toch iets wat bleef knagen. Hij schudde zijn hoofd en keek naar de andere tovenaars. Zij liepen naar hun paarden en sommige gaven hun paard nog snel een suikerklontje, voordat ze de paarden beklommen en opstegen om terug te gaan naar de  beschaafde wereld. Iedereen was in een feeststemming. Hier en daar werden zelfs al afspraken gemaakt op 's avonds naar de taveerne te gaan.
Zuchtend liep oude tovenaar ook naar zijn paard en steeg op. Hij voelde zich niet opgelaten ondanks wat ze vandaag bereikt hadden. Hij dacht met tegenzin aan wat er hem de volgende maand te wachten stond...
People tell me I'm insane, but the voices in my head tell me otherwise.

Dash

Chapter 1: Just an ordinary day

Het enige geluid wat er hij hoorde was het hijgen van hemzelf. Hij voelde het zweet langzaam langs zijn rug naar beneden stromen. Zijn hart leek uit zijn borstkas te willen ontsnappen. Met een enorme krachtsinspanning opende hij het vizier van zijn helm. Zijn arm was blij dat hij die beweging niet nog een keer hoefde te maken. Eerst werd hij verblind door de glans van zijn harnas. Toen gewend was geraakt aan de glans zag voor hem een enorm gevaarte liggen. Het had duidelijk vier poten, een kop en een staart. Toch leek het op geen enkel ander beest wat hij ooit gezien had. Het was zeker vijf keer zo groot als het dorpshuis. Het beest was groen en was in het bezit van harde schubben. Voorzichtig keek hij om zich heen en zag dat op sommige plekken het gras verschroeid was. Toen hij poten, die uit gerust waren met scherpe klauwen, bekeek viel hem op dat er een gevest uitstak. Het rare was dat het gevest vast leek te zitten aan het beest. Op de plek waar het vast zat druppelde een straaltje rode vloeistof naar buiten dat zich op de grond in een plasje verzamelde.
Langzaam drong trok hem door wat hij zo juist had gedaan.
Ik heb hem gedood, ik heb hem gedood. Eindelijk de draak is dood. Ik heb de draak gedood. De draak die de voorraadschuur  heeft afgebrand, de oogst vernield en Dalon en Talon heeft opgegeten. Gelukkig, hij dood! 
Hij liep naar de draak en pakte het gevest. Voorzichtig trok hij het zwaard uit de draak. Het lemmet van de zwaard glansde onnatuurlijk helder. Langzaam stopte hij zwaard in de schede. Traag draaide hij zich om naar waar ooit zijn paard gestaan, want zijn lichaam was uitgeput na de strijd. Helaas was zijn eens zo trotse viervoeter gereduceerd tot een hoopje as. Hij voelde een koel en aangenaam briesje en zag dat de ad werd weggedragen naar de eeuwige jachtvelden.
Plotseling hoorde hij een vaag gestommel achter zich. Hij probeerde zijn hoofd te draaien, maar het probleem was dat zijn helm niet mee bewoog. Hierdoor keek hij halverwege de beweging naar de binnenkant van zijn helm. Toen hij hoofd weer terug draaide was het gestommel aangezwollen tot het geluid van een kudde op hol geslagen koeien. Hij wist zijn vermoeide armen nog een keer aan te zetten tot het verrichten van arbeid om te proberen zijn helm af te zetten. Uiteindelijk wonnen zijn armen de strijd met de vermoeidheid en na wat gedraai liet de helm eindelijk los van de rest van het harnas. Hij zag dat de eens zo mooie rode pluim geheel verbrand was en een onaangename geur verspreidde.
Maar voor hij zich kon omdraaien om te zien wat dat enorme kabaal kon veroorzaken, werd hij opgetild. Het kabaal van stampen de voeten hing over in een hysterisch gejuich.
"Peter is de groot, Peter is goed, Peter weet hoe je draken doden moet!" klonk het overal om hem heen. Peter keek om zich heen en overal herkende zijn dropsgenoten. Hij werd nu gedragen door Borzel en Dorf. Daar zag hij Andariël en Oslamia. Peter genoot van dit moment. Langzaam liet hij zich naar het dorp voeren.

Toen hij het dorp in getild werd zag hij dat het hele dorp versiert was. Overal hingen slingers en doeken met de tekst over hoe geweldig hij de draak verslagen had. Voordat hij het besefte werd hij neergezet bij het dorpshuis. Voor het dorpshuis stond een klein podium. Hij werd binnen een paar seconden ontdaan van zijn harnas en hem feestelijk kleding aangedaan. Toen hij helemaal gekleed was stapte Rellot, de burgemeester van het dorp, het podium op. Hij droeg een paarskleurig feestgewaad. Het zag er belachelijk uit. Peter keek toe hoe burgemeester Rellot naar een kleine houten zuil toe liep en zijn brilletje op de zuil legde.
"Wil onze held op het podium komen staan?" sprak hij luid en statig.
Voordat hij was hij uitsproken voelde Peter al dat hij richting het podium geduwd. Bij het betreden begon hij te blozen. Hij hield er niet van om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Peter zag hoe burgemeester Rellot een toespraak had gemaakt die tientallen pagina's besloeg. Burgemeester Rellot schudde de papieren recht. Ondanks een zacht protesterend gemompel van enkele dorpsgenoten begon burgemeester Rellot toch aan zijn toespraak. Natuurlijk werd erin benadrukt dat als hijzelf twintig jaar jonger was geweest ook de draak wel gedood zou hebben en misschien nog wel sneller ook.

Na een flink uur was bijna iedereen al in slaap gevallen. Ook Peter kon zijn ogen moeilijk open houden. Gelukkig kwam dan eindelijk de verlossende zin:
"Mag ik een groot applaus voor onze levende legende Peter." Dit wist hij met zoveel stemgeluid te brengen dat iedereen meteen weer wakker was. Een daverend applaus barstte los. Maar dit ging over in een voorzichtig protest, want burgemeester Rellot pakte weer een klein papiertje.
"Dit is niet een toespraak, maar een lijstje met beloningen. Ten eerste zal het hele tafereel geschilderd word in het dorpshuis naast het verhaal van Lord Dorecil."
Opnieuw klonk er een luid applaus.
"Dit is nog niet alles. Natuurlijk zal hij ook de medaille voor bewezen moed krijgen."
Op dat moment stapte Dana, gehuld in lange avondjurk, het podium op. In haar handen had ze een  kussen met daarop enorm medaille. Opeens besefte Peter weer waarom hij verliefd was op haar. Haar licht grijze ogen en haar lang golvend haar. Toen zij de medaille om zijn nek hing bogen ze naar voren. Peter bewoog zich naar haar toe en sloot zijn ogen. Maar in plaats van een zoen hoorde hij plots iemand roepen:
"Peter, wakker worden. Je zou vanochtend de ezel naar Borzel brengen."
People tell me I'm insane, but the voices in my head tell me otherwise.

Dash

Peter opende direct zijn ogen. Helaas zag hij dit keer niet het bekoorlijke gezicht van Dana, maar de steunbalk die het dakdeel boven zijn kamer ondersteunde. Hij wreef in zijn ogen, terwijl hij besefte dat hij nooit een draak had gedood, naar het dorp was gedragen door een juichende menigte, het onderwerp van een ellenlange toespraak van burgemeester Rellot, dat hij naast Lord Dorecil geschilderd zou gaan worden, dat hij de medaille kreeg of op het punt stond Dana te zoenen.
Hopelijk komt in dat laatste snel een verandering. Misschien morgen als de kermis hier is.
"Waar blijf je? Schiet nou toch eens op. Je brood staat al klaar," werd er door de deuropening gebazuind.
"Ja, ma. Ik kom er zo aan," reageerde Peter nog een beetje slaperig. Snel stapte hij uit bed, trok zijn kloffie aan en liep naar de woonkamer. Op de eiken houten tafel lag een beboterd homp brood. Met grote happen werkte hij het naar binnen. Door het brood was zijn keel droog geworden. Peter keek rond of hij een beker zag staan. Even verder op zag hij zijn met kruidenthee gevulde beker staan. Hij rekte zich uit zover mogelijk uit, maar de beker bleef nog enkele duimen van hem verwijderd. Hij concentreerde zich op de beker in een poging zich nog net iets verder te kunnen uitrekken. Plotseling schommelde de beker en begon over de tafel te glijden in de richting van Peters hand. Op dat moment hoorde hij zijn moeder binnen komen. Snel trok Peter zijn hand terug. De beker stopte ook direct, maar de kruidenthee bewoog zich nog verder. Dit had tot gevolg dat de beker om tuimelde en de kruidenthee zich over het tafelblad verspreidde.
"Waar ben je mee bezig?" vroeg zijn moeder enigszins geschrokken. Peter keek zijn moeder aan. Hij zag dat zij alweer de hele ochtend druk was geweest met het plukken van allerlei kruiden. Hij stond op van zijn stoel en bood deze aan zijn moeder aan . Snel pakte hij een doekje en met een snelle veeg was het meeste thee verdwenen.
"Ga maar even rustig zitten. Zo te zien ben je de hele morgen al druk geweest. Ik zal wel even thee zetten," zei Peter, omdat hij zag dat zijn moeder er vermoeid uitzag.
"Bedankt, maar je hoeft geen thee voor mij te zetten. Ik heb hoofdpijn. Ik zal zelf wel wat kruidenthee maken. Breng nu de ezel naar Borzel, zodat dat beest weer nieuwe hoefijzers krijgt en neem meteen een emmer water mee," zei zijn moeder hoofdschuddend. Peter knikte. Snel boog hij iets voorover en gaf zijn moeder een kus op haar voorhoofd. Zijn moeder was een stuk kleiner dan hij was en het hielp ook niet dat zij iets voorover gebogen liep, maar zo zag zij volgens haar altijd de speciale, zeldzame kruiden.
"Ik ben zo terug. Tot zo. Moet ik nog iets mee nemen uit het voorraadschuur voor vanavond? Ik heb wel zin in iets met kip," sprak hij, terwijl hij in de deuropening stond.
"Als je kip wil zal je een kip mee moeten nemen, de rest heb ik nog. Tot zo," reageerde zijn moeder, voordat Peter naar buiten liep.
Peter liep naar het afdakje waar de ezel stond. De ezel keek hem slaperig aan, terwijl hij op wat hooi kauwde.  Peter wierp een blik op het kruidentuintje dat zijn moeder had aangelegd. Vanuit zijn ooghoek zag hij iets bewegen. Hij richtte er zijn blik op. Snel maakte hij een stap naar voren en schreeuwde: "Maak dat je weg komt!"
Meteen schoot er een konijn op volle snelheid er vandoor met een stuk plant in zijn bek. Peter zuchtte eens diep. Het kwam de laatste tijd vaker voor dat beesten in zijn moeders kruidentuin zich te goed deden aan de vele planten in de tuin.
Peter liep naar de ezel en streek met zijn hand over het dier alvorens hij het touw los knoopte. Met het touw in zijn ene hand en een wortel in de andere hand lokte hij de ezel mee.

Op het dorpsplein zag hij Droesil bezig met bladeren aan het op stapel. Peter kreeg medelijden met deze excentrieke zwerver. Voor zover hij wist was Droesil altijd een beetje gek geweest. Zo wilde hij niet binnen meer slapen. Als reden had hij dan over een of ander vuur of iets. Voorzichtig liep hij op Droesil af.
"Hé Droesil, hoe is het ermee?" vroeg Peter. De zwerver schrok hevig en stootte een stapel bladeren om. De zwerver draaide zijn hoofd naar Peter en keek hem aan met een blik gevuld van woede.
"Sorry, het was niet de bedoeling om je te laten schrikken," reageerde Peter snel toen hij de blik in Droesils ogen zag. Meteen veranderen de blik zijn de ogen van de zwerver. Hij stond op, liep naar de ezel en liet zijn hand over de flank van het dier glijden.
"Niet Dolf. Is niet Dolf, Peet?" vroeg de zwerver. Peter keek verbaasd naar de zwever.
"Erm... Nee. Hij heet Frans. Niet Dolf zoals het paard van Lord Dorecil," reageerde Peter twijfelend.
"Dolf was goed paard, mijn paard. Toen vuur en weg," brabbelde de zwerver. Peter had geen flauw idee wat de zwerver bedoelde. Hij kreeg er ook geen tijd voor om het te overdenken, want het volgende moment zat de zwerver op zijn ezel en drukte zijn hakken in de zij van de ezel. Helaas had de ezel geen zin om bereden te worden en steigerde. De zwerver werd van de rug van de ezel geworpen en landen tussen zijn stapels opgestapelde bladeren. Peter kon zijn lach niet onderdrukken en hij was niet de enige. Op het marktplein stonden nog wat mensen te lachen. Zij waren even gestopt om het tafereel te bekijken. De meeste liepen, nadat ze uit gelachen waren weer door, geamuseerd door dit voorval. Peter liep naar de zwerver toe, maar op het moment dat hij hem rechtop wilde helpen zag hij een meisje naderen. Peter stond meteen stil en staarde naar het meisje
"Droesil, alles goed met je?" vroeg het meisje, terwijl zij hem overeind hielp. Op dat moment zag ze Peter pas.
"Hallo," zei ze zachtjes. Peter wist niet hoe hij moest reageren en begon aan het touw te frunniken.
"Hoi, Dana," antwoordde hij eindelijk. Zijn tong voelde droog aan.
"Wat ga je met je ezel doen," vroeg Dana toen, terwijl ze de zwerver tegen de waterput zette. Het zag er niet naar uit dat hij enig vorm van letsel had, hij was alleen wat versuft.
"Ik moest hem naar je vader brengen. Hij moet op nieuw beslagen worden," antwoordde Peter terwijl hij probeerde naar Dana te kijken zonder te staren.
"Als je even wacht loop ik met je mee. Ik moest even een emmer water halen voor de smederij. Pa leert Drik hoe je een bijl op de juist manier moet smeden." Peter zag dat haar mooie grijze ogen om hem gericht werden. Hij hoopte dat hij niet dieprood werd.
"Ik help je wel even," zei hij en liep naar de waterput.
"Heb jij al zin in morgen?" vroeg Dana, terwijl Peter de emmer water naar boven hees.
"Ik wel. Ik kijk al een dagen uit naar de komst van het circus naar ons dorp. Hopelijk wordt het net zo leuk als vorig jaar."
"Ik hoop het ook en ik hoop dat het weer drie dagen kermis is zoals vorig jaar."
Op dat moment hoorde Peter het hengsel van de emmer de draaibalk van de waterput. Voorzichtig pakte hij de emmer die toch de rand toe gevuld was met water en wilde hem op de rand van de waterput zetten. Maar vlak voordat hij bij de rand was keek hij naar Dana om te zien waar ze haar emmer hield. Even lette hij niet op waar hij de emmer neerzette. De emmer stond te ver naast de rand,waardoor de emmer viel. Ondanks dat Peter de emmer snel weer vast pakte vloog er toch een golf water over de rand. Het water landde op Droesil. Deze schrok, stond op en bekeek zijn nat kleding. Zijn verbaasde blik ontlokte een glimlach aan Dana. Peter zette snel de emmer op de rand van de waterput. Hij wilde dat hij door de grond kon zakken.
"Droesil, kom maar met ons mee. Ik denk dat je even in de smederij bij het vuur mag zitten van mijn vader. Dan wordt je snel weer droog," zei Dana, terwijl ze haar emmer bij Peter neer zette. Peter vulde haar emmer er op lettend dat hij niets morste. Toen de emmer gevuld was liepen ze met zijn drieën naar de smederij van Borzel pratend over hoeveel zin ze hadden de komst van het circus en de bij behorende kermis.
People tell me I'm insane, but the voices in my head tell me otherwise.