Nieuws:

Heb je problemen met het forum? Contacteer Shaddow, redeast of yasu.

Hoofdmenu

Amaranta

Gestart door Mara, 14 maart 2010, 21:01:39

Vorige topic - Volgende topic

Mara

5. Rose

Ik had lang twijfels gehad of ik wel of niet naar Pink toe zou gaan vannacht. Ik had inderdaad een boel met hem te bespreken, maar de manier waarop we gisteren uit elkaar waren gegaan beviel me voor geen meter, en ik wist niet of ik wel toe was aan een nieuwe ontmoeting met hem. Bovendien had hij vandaag de hele dag met Violet doorgebracht - wat overigens erg goed had geholpen tegen zijn verdwijning - en van slapen was dus niet veel gekomen. Die jongen moest doodop zijn zo langzamerhand, een nachtje doorslapen zou hem echt geen kwaad doen. Bovendien had ik wel weer eens zin in een echte moord, in plaats van dat suffe gewurg de hele tijd. Goed, bloed was bloed, maar er zaten toch wel gradaties in hoeveel plezier ik aan een moord beleefde, en wurgen stond nou niet bepaald hoog op mijn lijstje. Pink kon heus wel één nacht zonder mij...
Ik sprong het raam uit en begon mijn tocht door de stad. Het was nog vroeg in de avond en ik hield een normaal tempo aan om niet teveel op te vallen. Het was een zwoele avond en ik had geen zin me verborgen te houden. Het was nog druk op straat, het was zaterdagavond en met dit weer bleef haast niemand thuis.
Ik viel natuurlijk wel op, ook al gedroeg ik me zo menselijk als ik kon, en ik kreeg veel nieuwsgierige blikken op me af. Ofwel verwijtend en geschokt, ofwel begerig. Maar ik deed of ik ze niet zag en liep gestaag door. Omdat dit eigenlijk niet op mijn planning had gestaan had ik ook geen slachtoffer uitgezocht, dat zou ik dus nog moeten doen vanavond.
Langzaam maar zeker drong ik door in het centrum, waar de zaterdagavondsfeer al in de lucht hing. Boven de talloze terrasjes hingen slingers met vrolijke lampjes en het wemelde van de mensen. Ik had ze maar voor het uitkiezen.
Ik besloot het Violet een beetje moeilijker te gaan maken vandaag, ze had het de afgelopen dagen wel heel erg snel opgelost. Wat zou ze doen als er helemaal geen lichaam was op de plek waar de moord was gepleegd?  Ik giechelde bij de gedachte en een paar mensen keken me verbaasd na in het voorbijgaan.
Ik liep naar een willekeurig café toe, liet me op een stoeltje op het terras zakken en bestelde een cola. Ik had alle tijd van de wereld. De hele nacht, om precies te zijn. Terwijl mijn glas cola voor me op het tafeltje stond op te warmen - jakkes, cola - nam ik de mensen om me heen in me op.
Het is soms haast lachwekkend hoe verschrikkelijk naïef sommige mensen zijn. Het was voor de meesten wel duidelijk dat ik geen type was waar je graag vrienden mee wilde worden - de sfeer die ik uitstraalde was bijzonder gewelddadig -, al waren er af en toe een paar brutale jongens die er een glimlach aan waagden. Maar ik was ronduit verbaasd toen ik een luchtverplaatsing voelde en er iemand naast me kwam zitten. Ik draaide me naar het onverwachte bezoek toe en nam het in me op. Het was een knappe jongen - echt een jongen nog, niet ouder dan een jaar of achttien. Hij had koperkleurige, springerige krullen en een vrolijke, brutale twinkeling in zijn lichtgroene ogen. Hij glimlachte breed en onthulde een stralend witte rij tanden. Ik vroeg me af hoeveel jaren beugeldragen dat gekost had.
'Hoi.' Begon hij hoopvol. 'Ik ben Pete.' Ik lachte mysterieus naar hem terug. 'Rose.' Ik boog me een heel klein beetje naar hem toe en onbewust deed hij hetzelfde.
Jammer jongen, ging het door mijn hoofd. Je hebt daarnet je eigen lot bepaald. Niet ik. Echt zonde, je had nog een mooi en lang leven voor je liggen. Ik wachtte totdat Pete zelf iets zou zeggen, maar toen dat uitbleef - verlegenheid? Overdondering omdat ik met hem praatte? - nam ik zelf het initiatief. 'Zeg, Pete...' Ik had meteen zijn volledige aandacht. 'Het is zo'n mooie avond... Zullen we niet een stukje gaan wandelen?' Zijn aarzeling duurde maar heel even, toen stond hij op - nog eerder dan ik - en knikte. 'Is goed.' Hij had blijkbaar geen idee wat ik met hem van plan was, dacht dat hij me wel aan kon.
Ik liep zo langzaam als ik kon, maar toch moest Pete moeite doen om me bij te kunnen houden en leek hij zich af te vragen waarom ik zo'n haast had.
We liepen door het centrum, haast zonder iets te zeggen. Ik begon me serieus af te vragen waarom Pete nog bij me bleef - al verklaarden de blikken vol begerigheid en aanbidding die hij me af en toe toewierp veel. Ik voerde hem zonder iets te zeggen mee, steeds verder van de drukte vandaan. Elke keer als hij zijn mond open deed om iets te zeggen wierp ik hem zo'n dreigende blik toe dat hij hem snel weer dicht deed en zijn commentaar heel wijs voor zich hield. Ik was nu niet meer in de fase waarin ik de schijn op wilde houden dat ik aardig tegen hem was. Ik had er nu geen problemen meer mee om geweld te moeten gebruiken om mijn doel te bereiken.
Na ongeveer een kwartier gelopen te hebben hadden we een plek bereikt die ik acceptabel genoeg vond om mijn plan uit te voeren.
Er was nog geen druppel bloed gevloeid - soms was het erg handig om zo aantrekkelijk voor je slachtoffer te zijn dat het vrijwillig met je meeging, waar je ook heen wilde. Ik wilde liever geen geweld gebruiken zolang de kans bestond dat iemand me zag. Onopvallendheid was nog altijd het sleutelwoord..
Maar het steegje waar ik uiteindelijk was blijven staan was perfect - zo afgelegen dat de moord en het bijbehorende geschreeuw onopgemerkt zouden blijven, maar toch zo gelegen dat ik het bewijsmateriaal snel weg zou kunnen werken. Ik glimlachte bij de gedachte aan wat Violet morgen allemaal zou moeten uithalen om de waarheid boven tafel te krijgen.
Pete's gezicht stond nu niet meer zo vrolijk als eerder. De brutale twinkeling in zijn ogen had plaatsgemaakt voor doodsangst, alsof hij eindelijk ook doorhad welk lot hem te wachten stond.
Ik duwde hem hardhandig tegen de stenen muur. Pete wist niet wat hem overkwam en legde sussend een hand op mijn arm. 'Rose?' Vroeg hij bezorgd en keek me onderzoekend aan, probeerde een verklaring te vinden voor de plotselinge honger die op mijn gezicht te lezen stond. Er welde een laag gegrom op van diep uit mijn borst en ik sloeg zijn hand weg. Pete kreunde en het duurde even voor ik besefte dat het waarschijnlijk van de pijn was - hij had vast een paar botjes gebroken of zo, mensen waren ook zó gevoelig.
'Goed.' Wilde ik zeggen, maar het geluid dat uit mijn keel kwam had meer weg van dierlijk gegrom dan van menselijke klanken. Ik schraapte mijn keel en probeerde het nog een keer. 'Het spijt me, Pete.' Mijn stem was nog steeds zo'n twee octaven te laag, maar in ieder geval verstaanbaar. Pete's angst maakte me gek, ik merkte dat ik bepaalde... instincten en verlangens maar moeilijk onder controle kon houden.
'Het spijt me voor... wat ik ga doen.' Mijn stem was schor en Pete keek me alsmaar bezorgder aan, zich totaal niet bewust van hoe de situatie eigenlijk in elkaar zat. Maar zijn lichtgroene ogen keken me - zelfs nadat ik zijn hand gebroken had - zo verschrikkelijk bezorgd en zelfs vriendelijk aan - al bleef de angst achter de façade sluimeren - dat ik het niet over mijn hart kon verkrijgen hem veel pijn te laten lijden. Daar schrok ik even van - waar was dat meedogenloze, dat harteloze gebleven waar ik altijd zo trots op was geweest? Ik had nog nooit echt médelijden met mijn slachtoffer gehad, nog nooit had ik geaarzeld bij het plegen van een moord.
Ik schudde wild met mijn hoofd en siste om die belachelijke gedachte kwijt te raken. Pete drukte zich nog dichter tegen de muur. De bezorgdheid was nu verdwenen, de doodsangst had de overhand gekregen in zijn mooie ogen - waardoor die meteen een stuk minder mooi werden. Ik zoog zijn angst in me op en voelde mijn verlangen groeien. Het knopje omzetten was nu niet moeilijk meer: ik schakelde mijn verstand simpelweg uit en gaf me volledig over aan mijn instincten. Ik was ervoor gemaakt om te doden, en dat merkte ik op dit soort momenten het beste. Mijn handen vonden automatisch de weg naar Pete's keel - ik kon me er nog steeds niet toe zetten hem echt pijn te doen - en sloten zich er bijna teder omheen. Een simpele beweging, kort maar krachtig, een laatste ademstoot en Pete's hoofd viel slap achterover tegen de muur.
Ik sloot even mijn ogen. Nu kwam het moeilijkste deel, als er bloed ging vloeien zou het wel eens moeilijk kunnen gaan worden mezelf in de hand te houden en het lichaam niet volledig aan stukken te scheuren. Er moest tenslotte wel íets voor Violet overblijven.
Ik ademde diep in, opende mijn ogen en trok in één beweging Pete's hoofd van zijn romp. Het bloed gutste over zijn lichaam en mijn handen en armen. Ik gooide het hoofd weg zonder te kijken waar het neerkwam en richtte me volledig op de rest van het lichaam. De geur van bloed drong diep mijn neusgaten binnen en verdoofde mijn hersenen. Ik liet het lichaam los waardoor het slap op de grond viel en ik dook ernaast in elkaar. Een deel van het bloed was al door de bodem opgezogen toen ik me naar voren  boog en mijn lippen tegen de open wond zette.
Plotseling hoorde ik iemand - die zijn best deed zacht te lopen, wat zinloos was in dit geval - het smalle steegje in komen. Ik voelde ergernis en woede in me opwellen. Niet zozeer omdat iemand me zag - dat was eerder zíjn probleem -, maar omdat ik de instincten en zintuigen die ik vrij spel had gegeven maar moeilijk onder controle kon houden. Om een moord te plegen en het lijk zo toe te takelen moest ik toch elke keer weer een deel van mijn... menselijkheid opzij zetten en oeroude verlangens loslaten. Ik wilde vannacht niet meer moorden plegen dan stikt noodzakelijk was...
Ik richtte me op van Pete's lichaam en draaide me naar de kant van het steegje waar mijn onverwachte getuige was verschenen. Ik zat zo in de schaduwen dat hij me - gelukkig - onmogelijk kon herkennen, maar ik kon elk detail van zijn vertrouwde gezicht onderscheiden. Ik kon elk detail van Pínk's vertrouwde gezicht onderscheiden. Hij zette nog een paar aarzelende stappen naar me toe en kwam van de plas maanlicht waar hij in had gestaan in de schaduwen. Zijn ogen verwijdden zich toen hij me zag. Zittend op de grond, op handen en knieën met mijn armen om Pete's bebloede lichaam heen, alsof  ik het wilde beschermen. Mijn handen, armen, kleding en - en dat was waarschijnlijk het afschrikwekkendste - mijn mond waren besmeurd met vers bloed.
Ik trok mijn bovenlip op en grauwde naar Pink, als teken dat hij weg moest gaan. Maar in plaats van zich om te draaien en rechtsomkeert te maken zette Pink nog een stap naar me toe en stak een hand naar me uit, op de manier waarop je een hand uit zou steken om een agressieve hond te sussen - of aan te lijnen. 'Rose...' Zei hij aarzelend en kwam steeds dichterbij, gevaarlijk dichtbij inmiddels. In een flits stond ik op, vloog op hem af en sloeg hem in zijn gezicht. Opnieuw stroomde er bloed over mijn hand - deze keer uit Pink's neus. De geur ervan liet nog een paar zekeringen in mijn hoofd doorbranden en ik jankte van verlangen naar zijn bloed en zijn dood.
'Ga weg.' Siste ik tussen mijn opeengeklemde kaken door en probeerde niet te diep in te ademen. Pink deinsde achteruit en zijn ogen flitsten koortsachtig heen en weer tussen mij en het lijk dat aan mijn voeten lag. Hij probeerde zijn afschuw te verbergen en slikte ongemakkelijk. 'Je eh... je bent bezig, geloof ik.' Stamelde hij terwijl hij langzaam achteruit begon te lopen. 'Maar... je was ook niet van plan om nog naar mij te komen, hè?' Doorzag hij mijn plan en vernauwde zijn ogen.
Ik keek omlaag en zei niets. Ik vertrouwde mijn stem nog voor geen meter. Pink schudde zijn hoofd. 'Dat was dom van je, Rose. Je zou beter moeten weten. Je had het me beloofd. En laat me je één ding vertellen: verbreek nooit een belofte aan mij, ik vind je toch wel.'
Toen begreep ik het. Pink's "gave" om de aanwezigheid van mensen te voelen was blijkbaar zo sterk ontwikkeld - wat ging dat snél! - dat hij het nu kon gebruiken om mensen op te sporen. Ik besefte ook dat wat dat betekende: ik zat aan hem vast, zolang als hij me wenste te volgen. Goed, ik was dan wel vele malen sneller, maar hij wist elk moment van de nacht waar ik me bevond.
Ik vloekte zacht. 'Pink, je weet niet waar je mee bezig bent. Ga weg. Nu!' Mijn laatste woord galmde tussen de gebouwen door en Pink schrok van de kracht van mijn stem. Toch leek hij niet van plan zich zomaar weg te laten sturen.
'Laten we het zo doen.' Stelde ik voor. 'Ik maak... dit,' ik gebaarde naar het lichaam op de grond, 'even af, en dan kom ik naar jouw huis toe, goed?' Daar leek Pink zich wel in te kunnen vinden en hij knikte. Op dat moment waaide een krachtige windstoot langs ons heen die Pink's geur weer vol in mijn gezicht dreef en me zwarte vlekken liet zien. 'Weg!' Gromde ik en Pink gehoorzaamde me meteen. Ik liet me weer op de grond zakken, maar iets weerhield me ervan mijn maaltijd voort te zetten. Ik zuchtte en gooide het lichaam over mijn schouder. Het hoofd liet ik liggen - als aanwijzing.
Ik rende het kleine stukje naar de haven en gooide het lichaam van Pete in het water waar het met een zachte plons in neerkwam, even boven bleef drijven en vervolgens langzaam naar beneden begon te zinken. Ik was benieuwd hoe Violet dit op ging lossen. Had ze tenminste wat te doen op haar vrije Zondagmiddag, de vorige keer was het wel héél makkelijk gegaan. Misschien - ik grijnsde toen ik dat bedacht - kon Pink haar wel helpen, hij had genoeg belangrijke dingen gezien vannacht.
Terwijl mijn benen me automatisch naar Pink's huis brachten dacht ik over hem na. Over ons. Wat ik voor hem voelde was absoluut niet goed - ik moest hem tenslotte vermoorden, hij had nog maar een paar dagen te leven. Wat hem bezielde wist ik niet, maar was het ook was, ik hoopte dat wat hij vannacht had gezien hem flink had afgeschrikt. Hij had nu het beest gezien dat diep binnen in me verborgen zat, en ik wist zeker dat dat geen prettige aanblik geweest moest zijn.
Ik stond precies voor de deur stil en bleef met mijn hand even boven het hout hangen. Nu kon ik nog terug. Maar een zacht kuchje boven mijn hoofd liet me inzien dat er geen weg terug bestond. Pink leunde uit het raam recht boven de deur -hij had me natuurlijk allang aan voelen komen - en wenkte me. 'De deur is open.' Ze hij, zo zacht dat een normaal mens het niet gehoord zou hebben. Ik liet mezelf binnen en Pink kwam de trap af om me te begroeten. Ik wilde automatisch doorlopen naar de woonkamer, maar Pink hield me tegen. 'Vandaag niet. We hebben bezoek.' Fluisterde hij. Ik hoorde inderdaad meerdere onbekende stemmen door de dichte deur zweven, maar voordat ik kon horen waar het gesprek over ging had Pink me al meegetrokken naar buiten. Hij trok de voordeur achter zich dicht en keek me uitdagend aan - alsof hij me uitnodigde om me tegen hem te verzetten. We wisten allebei dat ik hem fysiek gezien makkelijk aankon, maar het leek me beter hem niet teveel op stang te jagen.
Ik rolde met mijn ogen. 'Goed, waar was je dan van plan heen te gaan?' Daar leek Pink inderdaad nog niet over nagedacht te hebben. Hij sprong ongemakkelijk van zijn ene been op zijn andere en beet op zijn onderlip terwijl hij daarover nadacht. Dit was nou niet echt een tijdstip waarop je veel mogelijkheden had even ergens iets te gaan drinken of zo - tenzij in één of ander luguber café. 'Kunnen we niet gewoon een stukje gaan wandelen of zo?' Stelde hij uiteindelijk voor. Ik knikte maar, iets beters zou er toch niet uitkomen.
We moesten er belachelijk hebben uitgezien toen we door de verlaten straten liepen. Ik in mijn nogal... uitzonderlijke kleding, Pink in een afgeknipte spijkerbroek en vaal shirt die eigenlijk veel te koud waren voor dit weer en dit tijdstip. Bovendien bewaarde ik zorgvuldig een afgemeten afstand tussen ons, wat er nogal stijf en onnatuurlijk uit moest zien, maar ik wilde absoluut niet dat er nog zoiets gebeurde als gisteren.
'Gaat het al wat beter?' Verbrak ik uiteindelijk de stilte toen we een paar straten verder waren.
Pink wist meteen wat ik  bedoelde. 'Overdag wel. Toen ik bij Violet was voelde ik me echt een stuk meer... aanwezig. Maar nu heb ik wel weer het gevoel dat er iets... aan me loopt te trekken, als je je dat kan voorstellen.'
Ik knikte. 'Het lijkt me vrij duidelijk, eigenlijk. Wat er aan de hand is. Ik denk dat het er inderdaad op neerkomt dat je tijd op aarde op is. Je moet terug naar waar je vandaan komt - al kan je je daar niets meer van herinneren. Je zou het zo kunnen uitleggen: je hebt een bepaalde tijd gekregen om je leven hier in te vullen, en die heb je nu simpelweg opgebruikt.'
Pink aarzelde even en knikte. 'Maar hoe zit het dan met Violet? Als ik bij haar ben, lijkt het net alsof ik een soort... uitstel of zo krijg. Heb je daar ook een verklaring voor?' Hij ging er blijkbaar van uit dat ik een soort alleswetend was, waar ik natuurlijk niet eens bij in de buurt kwam. Maar op deze vraag had ik toevallig wél een antwoord - dat ik ook best met hem wilde delen.
'Dat lijkt me ook niet zo moeilijk, als je er even over nadenkt.' Zei ik vriendelijk. Het was dan wel makkelijk te begrijpen, ik ging er niet van uit dat Pink deze mogelijkheid had gezien. 'Je weet toch nog wel hoe het voelde toen je Violet ontmoette?' Pink knikte heftig en wilde zijn mond al open doen voor een uitgebreid verslag daarvan, maar ik kapte hem af. 'Laat maar, ik weet het net zo goed als jij, dus doe geen moeite. Maar het gaat om wat er tussen jullie gebeurd is. Jullie band was zo ongelooflijk sterk - dat heb je zelf ook gevoeld -, dat die jou op aarde heeft gehouden, en ook altijd op aarde zou houden. Zou, als je hem tenminste niet had verbroken. Juist doordat je haar hebt verlaten, is je tijd nu op. Als je dat niet had gedaan, was dit niet aan de hand geweest nu.' En daarmee doelde ik niet alleen op zijn verdwijnen.
Pink keek me verbaasd aan - hier had hij inderdaad nooit aan gedacht. Maar ik was nog niet klaar. 'Weet je, wat Violet tegen je gezegd heeft toen je weer terugkwam, over dat het nooit meer zo zou kunnen worden als vroeger, daar had ze volkomen gelijk in. Zelfs áls een deel van jullie oude vriendschap weer terug zou komen - wat ik nog steeds betwijfel - zal jullie band nooit meer helemaal hersteld worden. Het zal nooit meer zo sterk worden dat jij hier kunt blijven, wat er ook gebeurd. Je zal uitstel kunnen krijgen, dat wel, maar het zal onvermijdelijk zijn dat je op een dag gewoon zal verdwijnen. Onherroepelijk.'
Ik zag aan Pink's ogen hoe hard ik voor hem was. Ik had net de illusie weggenomen dat er misschien nog een uitweg voor hem was, had hem net laten inzien dat zijn einde er toch snel aan zat te komen - al was dat sneller dan hij nu vermoedde. Hij staarde me vol afgrijzen aan, zijn ogen groot en doodsbang. 'Dat... dat kan je niet menen, toch?' Stamelde hij.
Ik knikte langzaam. Het leven was hard, dat moest hij maar leren inzien. En hij wist nog niet eens de hele waarheid. Even bleef Pink stokstijf staan, toen draaide hij zich om en rende van me weg.
Ik liet hem gaan.

Mara

6. Violet

Heb je lekker geslapen, Violet?
Pete Thorstten
Fazalsteeg

Rose


Ik was haast opgelucht dat de achternaam niet weer Bollsen was. Het zou wel makkelijk geweest zijn - dan wist ik waar ik moest zoeken -, maar het idee dat de moorden op één familie werden gericht stond me tegen. Op de één of andere manier voelde ik me schuldig als ik dacht aan het kleine jongetje en zijn moeder - hoewel ik wist dat het niet mijn schuld was. Het adres waar ik naartoe moest was best een eindje weg, en omdat de televisie stil en zwart bleef treuzelde ik niet lang. Het was lekker weer en ik vond het helemaal niet erg dat ik een stuk moest fietsen. Het was nog behoorlijk vroeg en de straten waren - op een andere vroege vogel na - nog verlaten. Tot mijn verbazing was de Fazalsteeg geen straat waar gewoond werd. De oplossing was dus niet binnen te vinden - dat verklaarde ook het ontbreken van een huisnummer.
Ik zette mijn fiets tegen de muur en liep langzaam verder het steegje in, goed om me heen kijkend naar eventuele aanwijzingen. Het was verschrikkelijk vies en rommelig, het leek net de plaatselijke vuilstortplaats. Ik trok mijn neus op maar liep stug door - zelfs zonder het te proberen wist ik dat ik hier toch niet weg kon.
De Fazalsteeg liep een paar tiental meters door en eindigde tenslotte in een kale, blinde muur. Als ik afging op alle vorige moorden moesten de aanwijzingen duidelijk zichtbaar zijn - meestal in de vorm van bloed. En dat was hier nergens te bekennen. Ik draaide me om en wilde weer teruglopen naar het begin van de Fazalsteeg - al had ik nog geen idee wat mijn volgende stap dan zou worden - toen ik het zag liggen. Dicht tegen de muur, weggerold in de goot die bedoeld was om overtollig regenwater af te voeren - maar die nu ook heel geschikt bleek voor bloed.
Een hoofd. Het lag met het gezicht naar de grond en - ik slikte- met de kant waarmee het aan een lichaam vast hoorde te zitten van me af, maar het was onmiskenbaar een hoofd. Van een jongen, zo te zien, met koperkleurige krullen die op sommige plaatsen aan zijn hoofd geplakt waren door het bloed. Als vanzelf liep ik ernaartoe en knielde neer. Even aarzelde ik, toen draaide ik het hoofd om zodat ik het gezicht kon zien. Ik schrok vooral van de ogen. Ze waren wijd opengesperd en de doodsangst stond er nog in te lezen. Ze waren prachtig lichtgroen, maar er lag een enge, witte waas overheen. Ik draaide mijn hoofd de andere kant op - ik kon niet recht in zijn ogen blijven kijken. Dit zou wel de aanwijzing zijn waar ik naar zocht, maar het was wel duidelijk dat er niet nog ergens een lichaam verborgen was. En het was ook wel duidelijk dat ik dat wel moest vinden, ook al had ik geen idee waar ik moest beginnen met zoeken.
Ik was zo in gedachten verzonken dat ik de voetstappen - die ik anders wel opgemerkt zou hebben - niet hoorde en de aanwezigheid van een tweede persoon pas opmerkte toen er een hand zacht op mijn schouder werd gelegd. Ik keek achterom en was niet verbaasd Pink te zien - op de één of andere manier had ik hem wel verwacht. Hij keek me aarzelend aan, alsof hij niet wist hoe ik moe voelde. 'Vi? Gaat het wel met je?' Hij stak aarzelend een hand naar me uit, maar ik glimlachte. Ik wist nu tenminste wat hem dwarszat. 'Ja hoor. Ik bedoel, ik heb natuurlijk wel eens prettiger dingen gezien...' Ik wuifde vaag naar het losse hoofd. 'Maar ik kan best wat aan hoor.' Pink wist natuurlijk niet welke bizarre dagtaak ik telkens weer voor mijn kiezen kreeg. Welke verschrikkelijke dingen ik al had gezien. 'Maar...' Nu keek ik hém vragend aan. 'Wat doe jij her?'
Pink aarzelde even. 'Ik... ik kwam naar jou toe.' Hij gaf me niet de gelegenheid verder te vragen. 'Je moet weten... Nou ja, dit zal wel heel bizar klinken, maar je moet me maar geloven.' Hij keek me onzeker aan en ik knikte bemoedigend. Heel veel vreemder dan ik het gewend was zou het wel niet zijn.
'Nou kijk. Ik kan dus zeg maar de aanwezigheid van mensen voelen... Waar ze zijn, en waar ze naartoe gaan. Daarom wist ik dat je hier was.' Hij  bleef me onderzoekend aanstaren, alsof hij erop wachtte dat ik zou gaan gillen of zo. Maar ik was hooguit opgelucht. Dit was nog altijd een stuk minder ongeloofwaardig dan mijn eigen verhaal. Als je bedacht wat onze scheiding met mij gedaan had - ik kon mensen hypnotiseren, moest je nagaan - was het niet zo vreemd dat er ook iets vergelijkbaars met Pink was gebeurd. 'Ik ga niet gillen of flauwvallen, hoor.' Stelde ik hem gerust. Pink fronste zijn voorhoofd. 'Echt niet? Je vind me geen... afstotelijk monster of zo?' Ik grinnikte en schudde mijn hoofd. 'Nee, echt niet. Ben je heel teleurgesteld nu?' Pink trok een pruillip, maar ik plaagde genadeloos verder. 'Ik bedoel... wat is het ergste dat je me aan kan doen? Me de rest van mijn leven blijven stalken?' Mijn plagerige toon zwakte af toen ik verder ging. 'Eerlijk gezegd zou ik dat niet eens zo erg vinden...' Pink keek me intens triest aan, en ik begreep dat hij nog steeds niet kon beloven dat hij bij me zou blijven. Maar op de één of andere manier leek dat niet belangrijk, hij was er nu, hier, en dat was het enige dat telde.
Pink legde een hand onder mijn elleboog en trok me overeind. 'Zullen we hier maar weggaan?' Opperde hij voorzichtig. Ik voelde de paniek onmiddellijk in mijn buik opwellen. Hoe graag ik ook met hem meegegaan was, dit moest eerst. Ik trok me los en deed een stapje bij hem vandaan. 'Sorry Pink, eerst moet ik nog... iets doen.' Zei ik afwijzend. Pink keek me verbaasd aan. 'Wat dan? Zal ik je helpen?' Bood hij aan. Ik wilde mijn hoofd schudden, maar bedacht me en knikte aarzelend. 'Ja... misschien wel.' Als hij kon wat ik dacht dat hij ion, zou dat alles een stuk gemakkelijker maken. 'Kan je me zeggen... Weet je of de moordenaar hier is geweest? Kan je hem voelen?' Vroeg ik in één adem.
Ik wist niet hoe Pink op mijn vraag zou reageren, maar dit had ik niet verwacht. Hij lachte vrolijk. 'Ja, natuurlijk. Ik weet alles over haar.' Hij keek me opgewekt aan. 'Het is een zij, trouwens.'
Ik reageerde eerst niet, tot het tot me doordrong. Geen vragen die hij over me uitstortte, over waarom ik dat wilde weten, geen afwijzingen en volledige bereidheid me te helpen. 'Nou... mooi!' Lachte ik, nog steeds verbaasd. Mijn hersenen begonnen een plan uit te werken met deze nieuwe informatiebron die me opeens veel meer mogelijkheden gaf. 'Kan je me vertellen waar ze heenging nadat ze... hier was?' Pink knikte. 'Pak je fiets maar, het is best een stukje.'
Ik zat al op het zadel toen hij de zijne eindelijk van het slot had en tikte ongeduldig met mijn voet op de straatstenen. 'Schiet nou op!' Klaagde ik. Pink lachte - zijn humeur was vandaag even zonnig als het weer. 'Ik kan je ook niets vertellen hoor. Míj maakt het niets uit wat hier vannacht gebeurd is.' Hij haalde onverschillig zijn schouders op en zwaaide zijn been over de stang van zijn fiets. Was hij nou écht helemaal niet nieuwsgierig naar mijn motieven?
'Nou, kom op dan!' Ik zette mijn voeten op de trappers en was al een paar meter verder voordat Pink ook in beweging kwam en me nariep dat hij me wel in zou halen. Ik gooide mijn hoofd achterover en liet mijn haar in de wind wapperen terwijl ik zo snel mogelijk verder fietste.

Netjes naast elkaar fietsten we uiteindelijk het haventerrein op - het was veel te warm voor racewedstrijdjes. Pink sprong van zijn fiets en gooide hem vlak naast de kaderand op de grond. Het was bekend terrein, voor ons beiden - hier hadden we gezeten toen Pink weer terugkwam.
'Is het hier?' Ik stapte ook af en ging naast hem staan. Hij knikte en we keken samen naar het water dat een meter onder onze voeten zachtjes tegen de stenen wand klotste. '
Ik slikte. 'Ligt hij hier beneden?' Ik kon Pink niet aankijken. 'Ik weet het niet zeker...' Aarzelde hij. 'Hij was al dood, dus ik voelde hem al niet meer. Maar ze heeft hier wel stilgestaan...' We zwegen allebei. 'Hoe gaan we erachter komen?' Vroeg Pink uiteindelijk. Het viel me op dat hij meervoud gebruikte. We. Ik stond er niet meer alleen voor. Zonder hem te antwoorden haalde ik mijn mobieltje uit mijn broekzak en toetste vier cijfers in.
'Met Violet Bodegrave.' Pink kek me vragend aan, maar ik legde mijn vinger tegen mijn lippen. 'Politie.' Fluisterde ik met mijn hand over de hoorn.
'Dank u.' Zei ik daarna hardop. 'Nou, ik en mijn vriend, Pink, zijn nu in de haven. Gisteravond hadden we een... feestje.' Dat kon best, zaterdagavond was haast iedereen van onze leeftijd aan het stappen. 'En... nou ja... we hadden misschien iets meer op dan goed voor ons was.' Ik wachtte even terwijl de vrouw aan de andere kant van de lijn me uitfoeterde. 'Sorry hoor.' Onderbrak ik haar toen het me te lang duurde. 'Maar ik drink haast nooit, en bovendien was ik nog de meest nuchtere. Maar daar gaat het niet om. Toen we met een groepje naar huis terug liepen, zijn we mijn neef, Filip, hier ergens kwijtgeraakt.' Weer een donderpreek. Ik begon een beetje geïrriteerd te raken, ik kreeg op mijn donder voor fouten die ik niet eens gemaakt had! 'Maar luister nou!' Riep ik gefrustreerd, en het was meteen stil. 'We denken dat hij hier in het water is gevallen, en dat hij is verdronken! Jullie moeten komen dreggen!'
Pink begreep mijn plan nu ook en knikte me waarderend toe. Na een paar formaliteiten geregeld te hebben - naam, adres, telefoonnummer en dat soort zaken - werd me beloofd dat er een politieauto aankwam voor nader onderzoek. Ze namen me blijkbaar toch wel serieus.
Het duurde niet lang voor een politieauto de kade op kwam rijden en er twee agenten uitstapten. Ze kwamen meteen op ons afgelopen en de oudste stak een hand naar me uit. 'Jij bent Violet Bodegrave, naar ik aanneem?' Vroeg hij terwijl ik hem een hand gaf. 'Ik ben commissaris Kant, en dit is brigadier Fransz.' De politierangen zeiden me niets, al was commissaris Kant blijkbaar erg trots op zijn status. 'Ik ben Violet, ja.' Antwoordde ik hem vriendelijk. Het verdrietig-zijn kwam later wel. 'En dit is mijn vriend, Pink.' Commissaris Kant stelde zichzelf en zijn compagnon ook aan Pink voor maar wendde zich daarna weer tot mij. Ik was bij deze dus benoemd tot de woordvoerster. 'Zou je nog eens rustig aan ons willen vertellen wat er precies gebeurd is gisteravond? En alle details die je je herinnerd graag, hoe klein en onbelangrijk ze ook lijken.' Hij keek erg gewichtig en praatte met een zakelijke politiestem. Iemand die echt in de situatie verkeerde waarin ik wilde laten lijken dat ik me bevond, was er vast door gerustgesteld, maar mij maakte die koele zakelijkheid het alleen maar moeilijker om mijn leugens nog een keer op te dreunen. Commissaris Kant knikte en humde terwijl ik praatte, maar was er met zijn gedachten niet echt bij. Ik vroeg me af waar hij aan dacht.
'Gaan jullie nu dreggen in de haven?' Vroeg ik angstig toen ik mijn verhaal gedaan had. Commissaris Kant knikte nadenkend. 'Ja... Fransz, maak jij eens contact met het kantoor en vraag of ze duikers sturen.' Beval hij de jongere agent, die hem onmiddellijk gehoorzaamde. Het was zelfs mij wel duidelijk wie hier hoger in rang was.
Niet veel later kwam Fransz terug en meldde dat hij zijn opdracht naar behoren had uitgevoerd. Commissaris Kant knikte nadrukkelijk. 'Juist. Goed werk, Fransz.' Ik kon een giechel niet onderdrukken. Het leek soms net of ze in het leger zaten, al die poespas hoefde voor mij niet zonodig. Commissaris Kant leek daar anders over te denken en keek me achterdochtig aan, alsof ík de misdadigster was. Ook al was zijn beschuldigende blik onterecht, hij was erg intens en instinctief kroop ik een beetje weg achter de veel grotere gestalte van Pink. Hij sloeg een arm om me heen en kneep veelbetekenend in mijn schouder. Ik begreep de hint meteen en trok een droevig gezicht. Pink bracht zijn gezicht vlak bij het mijne. 'Gaat het wel, Vi?' Vroeg hij met heel overtuigend gespeelde bezorgdheid. Daarna wendde hij zich tot de twee agenten. 'Ze is nogal van slag.' Hij veinsde zelf ook een gekwelde uitdrukking. 'Dat begrijpt u toch wel? Misschien kunnen we beter even naar huis gaan? Dan hoeft ze er niet bij te zijn als... het lichaam wordt gevonden.' Commissaris Kant leek zelf ook wel wat voor dat voorstel te voelen. Dan had hij tenminste geen sentimentele tieners voor zijn voeten lopen.
Ik keek naar de grond naast mijn schoenen en knikte zwakjes. Ik was er écht liever niet bij als ze het lichaam boven haalden. Ik wist niet zeker of ik weg kon, maar ik kon net zo goed thuis gaan zitten wachten als hier.

Ik had me geen zorgen hoeven maken. Niet veel later zaten we zonder verdere problemen bij mij thuis op de bank en keken allebei onafgebroken naar mijn mobieltje dat op de tafel voor ons lag. Commissaris Kant had ons beloofd dat hij zou bellen zodra ze iets hadden gevonden. 'Dat kan nog wel even duren hoor.' Had hij er nadrukkelijk bij gezegd, maar toch konden we ons er geen van beiden toe zetten iets te gaan doen. Zelfs praten leek teveel gevraagd. Ik had bovendien wel genoeg aan mijn eigen gedachten -  ik lag nog steeds met mezelf in de knoop. Het was natuurlijk geweldig dat Pink me hielp en zich zo begrijpend opstelde, maar het was onmogelijk dat hij helemaal niet nieuwsgierig was naar waarom ik dit alles überhaupt deed. Hij moest zich toch haast wel afvragen wat hier achter zat - hij was niet dom.
Maar misschien, dat was de andere optie - de kans was minimaal, maar het was niet helemaal ondenkbaar - was onze band zo sterk en hecht dat het  hem écht niets uitmaakte waar ik mee bezig was. Misschien legde hij zich er gewoon bij neer dat dit voor mij noodzakelijk was, wat het automatisch ook noodzakelijk voor hem maakte.
Mijn hand vond de zijne op het kleine stukje bank tussen ons in en ik vlocht mijn vingers door de zijne, nog altijd zonder iets te zeggen. Zo bleven we roerloos zitten, een tijd die wel een eeuwigheid leek maar toch vliegensvlug voorbij was. Toen de telefoon op tafel begon te trillen en mijn ringtone afspeelde keek ik eerst verbaasd naar de klok. Zo snel konden ze toch niet zijn? Maar tot mijn verbazing was het al vier uur, de hele middag was voorbij gevlogen zonder dat ik er iets van had meegekregen. Pink reageerde sneller dan ik en had al opgenomen en de telefoon aan zijn oor gezet voordat ik mijn hand had uitgestoken. 'Met Pink.' Ik hoorde hoe de persoon aan de andere kant van de lijn iets zei, maar ik kon het niet verstaan. 'Ja, dit is de telefoon van Violet.' ... 'Maar u kunt het ook aan mij doorgeven hoor.' ... 'Ja.' ... 'Ja, natuurlijk, dat begrijp ik.' ... 'We komen naar u toe, zo snel mogelijk.' ... 'Een kwartiertje, twintig minuten hooguit.' ... 'Dat, meneer.' Pink drukte de afbreektoets in en gooide de telefoon in mijn schoot. 'Commissaris Kant.' Beantwoorde hij mijn onuitgesproken vraag. 'Je hebt hem heel wat uit te leggen, Vi. Hij had toch op zijn minst verwacht dat Filip nog een hóófd zou hebben.' Hij grijnsde en ik grijnsde terug. Commissaris Kant vormde geen onoverwinnelijk obstakel - het werd tijd dat ik liet zien wat ik kon. Ik sprong overeind en stak mijn hand uit naar Pink. 'Kom, dan gaan we!' Ik kreeg haast, het trekkerige gevoel had zich weer in mijn buik genesteld toen het lichaam tevoorschijn was gekomen. Pink pakte mijn hand vast en liet zich overeind trekken.

Twintig minuten later stonden we weer tegenover commissaris Kant, die ons met zijn strengste politieblik aankeek die hij vast speciaal bewaarde voor de allerergste misdadigers. Pink keek naar de grond, maar ik keek haast even streng terug. Mijn ogen stonden op scherp - één blik was genoeg om de man onschadelijk te maken -, maar ik wilde hem liever bij zinnen houden.
'Ik wil hem éérst zien!' Hield ik stug vol. De commissaris schudde voor de zoveelste keer zijn hoofd, net zo ontoegeeflijk als ik. 'Het is voor je eigen bestwil, kind. Bovendien vertrouw ik jullie twee voor geen meter meer.' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Ik sloeg mijn ogen neer. Dit ging niet werken - het was tijd voor actie. Ik hief mijn hoofd en keek recht in de ogen van de man voor me. Hij was meteen vertrokken.
Pink keek met groeiende verbazing naar de commissaris, die nu met een glazige blik in zijn ogen in eindeloze verten staarde en zich totaal niet meer bewust leek van te zijn van de omgeving of van onze aanwezigheid. Ik gebaarde naar Pink dat hij stil moest zijn - alles wat commissaris Kant nu te horen kreeg kon als een aanwijzing worden opgevat.
'Goed.' Zei ik tegen de commissaris. 'Je luistert naar wat ik zeg, en als ik in mijn handen klap kom je weer bij en doe je precies wat ik je heb opgedragen. Heb je dat begrepen?' Zonder zijn ogen af te wenden van het niets knikte de commissaris.
'Wij zijn... Jane en Joris, en wij volgen een speciale politieopleiding voor zeer getalenteerde studenten.' Pink trok een gezicht bij die nogal ongeloofwaardige leugen, maar ik haalde mijn schouders op - commissaris Kant zou alles geloven wat ik hem vertelde, hoe onwaarschijnlijk het ook was.
'Wij zijn bevoegd het lichaam te zien dat naar boven is gehaald en u zal ons daar naartoe brengen, maar we zullen zo van slag zijn door de aanblik ervan dat we daarna zo snel mogelijk naar huis willen. U zal ons laten gaan. Als we uit het zicht verdwenen zijn zult u helemaal vergeten dat we er ooit zijn geweest, evenals de kinderen die u de tip gaven over het lijk.' Dat moest wel genoeg zijn. Ik klapte in mijn handen en commissaris Kant kwam weer bij zinnen. Hij keek ons bewonderend aan. Blijkbaar genoten 'speciale studenten' flink wat aanzien in de politiemaatschappij. 'Nog zo jong.' Mompelde hij in zichzelf. 'Jane? Joris? Volg mij maar, dan zal ik jullie naar het lichaam brengen.' We liepen gedwee achter hem aan terwijl hij langs een groepje duikers liep en een aantal roodwitte politielinten opzij duwde. Zonder zijn hulp waren we hier echt nooit langsgekomen.
Gelukkig vroeg niemand naar ons, ik had niet zoveel zin om nog meer geheugens te moeten veranderen. Het liefste bleef ik helemaal uit de hoofden van andere mensen, maar af en toe kon het gewoon niet anders. De hulp van commissaris Kant kwam ons nu wel héél goed van pas.
Hij nam ons mee naar een grote witte tent die midden op de kade was opgezet - de politie verrichte geen half werk, dat was wel duidelijk - en nam ons mee naar binnen.
Even werd mijn leugen werkelijkheid: ik was echt enorm van slag door de aanblik van Pete's lichaam. Allereerst omdat het geen hoofd had. Ik had er nooit zo bij stilgestaan, maar een lichaam mist echt iets als het geen hoofd heeft. Waar de ziel ook zit - als die al mag bestaan -, zonder hoofd lijkt hij totaal verdwenen. Het gaf het lichaam haast een... onmenselijke uitstraling. Het lichaam had niet lang in het water gelegen, maar het was toch al flink opgezwollen.
Ik drukte mijn gezicht tegen Pink's schouder en hij sloeg beschermend een arm om me heen. 'Kom.' Fluisterde hij in mijn oor en trok me mee naar de uitgang van de tent.
'Ik neem haar mee, het wordt haar iets te veel geloof ik.' Zei hij tegen commissaris Kant. Ik keek even op van Pink's schouder en zag de commissaris meewarig knikken en zijn hoofd schudden. De 'speciale studenten' waren toch weer een paar graden in achting gezakt.
'Zo.' Zei Pink toen we buiten gehoorafstand van de agenten en duikers waren. 'Dat was best heftig, niet?' Ik knikte stom. Pink keek me onderzoekend aan. 'Weet je, Violet, dat ik af en toe echt het gevoel heb dat ik niets, maar dan ook helemaal niets van je weet? Je bent een vreemde voor me geworden in dat jaar dat ik bij je weg was.'

Mara

6. Rose

Ze was dus toch slimmer dan ik haar had ingeschat. Ze had de krachten van Pink goed aangevoeld, dat moest ik haar nageven. Dat ze de politie erbij had gehaald stond me minder aan - ik wilde niet al te veel publiciteit krijgen en de aandacht op mij en Violet vestigen -, maar tenslotte had ze eigenlijk geen andere keuze gehad.
Ik wist nu dat het toch geen zin had me voor Pink verborgen te houden - hoewel ik graag eens een nacht zonder hem had doorgebracht -, dus ik besloot hem dan maar meteen op te zoeken. Dan zou hij me daarna hopelijk met rust laten. Bovendien was het morgen Maandag, een doodgewone schooldag waarop Violet naast de taak die ik haar oplegde ook nog andere verplichtingen had. Ik zou het simpel houden, dan kon ze nog gewoon naar school.
Maar eerst Pink. Wat maakte die jongen het me af en toe lastig! Hij was òf ontzettend moedig, òf ontzettend dom bezig. Ik had zo'n flauw vermoeden dat het een combinatie was.
Ik legde Violet op bed en sprong het raam uit. Pink zat vast al op me te wachten. Ik vroeg me voor de zoveelste keer af waar hij de energie vandaan haalde. In Violets herinneringen was geen spoor van vermoeidheid te bekennen - op een paar uiterlijke kenmerken na, maar die werden door iets anders veroorzaakt. Het was in ieder geval goed dat Violets aanwezigheid hem weer wat steviger op aarde leek neer te zetten. Bovendien leken ze het geen van beiden erg te vinden zoveel tijd met elkaar door te moeten brengen. Volgens mij was ík degene die er het zwaarste aan tilde. Want ook al durfde ik het mezelf nauwelijks toe te geven, eigenlijk was ik jaloers op Violet. Wat zij voelde op de momenten dat Pink haar aanraakte, een arm om haar heen sloeg, was maar een slap aftreksel van wat ik had gevoeld toen hij míj had omhelsd, maar meer dan sterk genoeg om de woede en jaloezie als een hels vuur in me te doen oplaaien. Alle bezorgde blikken, zachte, liefdevolle aanrakingen die hij haar gaf...
Ik was een monster. Ik was slecht, door en door slecht in elke vezel, elke cel van mijn lichaam. Hoe zou iemand ooit van mij kunnen houden? Hoe zou ik ooit van iemand kunnen houden? Mijn harteloosheid, gevoelloosheid waar ik altijd zo trots op was geweest en wat me door mijn verschrikkelijke leven had getrokken, drukte nu als een loodzware last op mijn schouders. Ik was geen rots, ook ik kende emoties. Maar ik was niet in staat iemand lief te hebben. Ik zou het niemand kunnen aandoen, met mij te moeten leven. Ik verdiende niemand. Voor mij was er slechts eenzaamheid, en tenslotte vergetelheid. Op het moment dat ik Pink zou vermoorden - of op het moment dat Violet Pink zou vermoorden - zou de Amaranta-ziel weer samensmelten en zou ik weer opgaan in Violet. Ik zou er nog wel zijn, die weggestopt in Violets ziel, maar mijn karakter was nooit dominant geweest en zou dat ook nooit worden. Violet was zo'n persoon wiens natuurlijke slechtheid zo diep verborgen zit dat hij nooit vanzelf naar de oppervlakte komt.
Plotseling besefte ik dat ik niet meer rende en keerde terug uit mijn gedachtewereld. Ik was automatisch voor Pink's  huis stil blijven staan. De deur was open en Pink keek me aan - met dezelfde onderzoekende blik waarmee hij Violet vaak had opgenomen, alleen dan zonder het tedere randje wat er dan altijd aan zat. Ik glimlachte verontschuldigend naar hem en hij lachte terug. 'Kom je?' Zijn stem klonk onwerkelijk hard in de doodstille straat. Ik liep naar hem toe en volgde hem naar binnen. Het bezoek was blijkbaar weg, want de deur naar de woonkamer stond wijd open. De kamer was ongelooflijk netjes opgeruimd. In feite was alle troep verdwenen - in feite waren ook alle meubels verdwenen. De hele kamer was leeg en mijn voetstappen weergalmden hol tegen de kale muren. Hoewel dat nog niet lang zo kon zijn - vorige nacht was de kamer ongetwijfeld  nog ingericht geweest - had de ruimte toch al de uitstraling gekregen alsof hij al een paar maanden onbewoond was.
Ik keek Pink vragend aan en hij haalde zijn schouders onverschillig op. 'Jon en de anderen zijn vertrokken.' Ik vroeg niet wie de anderen waren en ook niet waarom ze weg waren gegaan - al vermoedde ik dat het gesprek van gisternacht er wel eens iets mee te maken zou kunnen hebben. Ik vroeg ook niet of hijzelf niet had meegenoten - ik wist het antwoord toch al. Ja. Maar hij kon Violet niet nog eens achterlaten. Zonder haar bestond hij niet meer - en met haar ook niet trouwens.
'Dus. Wat wordt het vannacht?' Ik liet de keuze voor onze plannen volledig aan Pink over. Als ik mocht kiezen was ik onmiddellijk weggegaan en had hem eens een nacht goed door laten slapen. De donkere holtes onder zijn droevige, nog altijd kleurloze ogen waren haast zwart en staken scherp af bij de rest van zijn gezicht, dat lijkbleek was. 'Hoe houdt je het vol?' Vroeg ik, nog voordat hij mijn vorige vraag had beantwoord. Pink lachte droevig. 'Ik slaap niet.' Het lag voor de hand. Natuurlijk sliep hij niet. 'Ik heb er gewoon geen behoefte aan.' Schokschouderde hij en ik trok één wenkbrauw op. 'Ja, ik wéét hoe ik eruit zie!' Hij schoot hij meteen in de verdediging. 'Maar ik voel me echt goed. Nou ja... niet moe in elk geval.' Ik kon me inderdaad niet voorstellen dat iemand in zijn toestand zich goed zou voelen. Mijn blik viel op het wijd openstaande raam en Pink's korte broek en shirt. 'Je voelt zeker ook geen kou?' Raadde ik.
'Leuke poging.'Lachte Pink. 'Inderdaad niet, nee. Dat wil zeggen... ik heb het niet koud, of warm. Ik ben gewoon neutraal, denk ik. Maar ik voel wel temperatuurverschillen.' Hij gebaarde naar het raam. 'Ik voel dat de nachtlucht kouder is dan de lucht hierbinnen. En als ik een trui aantrek, voel ik dat ook.' Hij knielde neer bij het hoog oplaaiende vuur in de openhaard - die was er uiteraard nog wel - en stak zijn arm er tot over zijn elleboog in. 'Dat voel ik. Tenminste, ik merk het op.' Hij trok zijn arm weer terug en hield de gebruinde huid vlak bij zijn ogen, alsof hij zichzelf ervan wilde overtuigen dat die nog helemaal gaaf was - wat inderdaad het geval bleek te zijn. 'Ik ben zo goed als onkwetsbaar.' Zei hij grimmig, bijna alsof hij het zelf jammer vond.
Míjn plannen schopte het in ieder geval aardig in de war. Onkwetsbaar. Iets onkwetsbaars was onmogelijk te doden, al was het niet per definitie onsterfelijk. Ik stopte die informatie weg in mijn hoofd voor later. Ik wilde er nu niet over nadenken. Ik zou er ongetwijfeld een oplossing voor vinden, later.
Ik richtte me weer op Pink. 'Apart.' Mompelde ik binnensmonds. Pink kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Je bent niet echt in een praatbui vannacht, hè Rose?' Ik schudde mijn hoofd, maar was met mijn gedachten alweer ergens anders. Ik dacht niet echt ergens over na, ik kon mijn gedachten gewoon niet bij het hier en nu houden.
'Je bent er met je gedachten niet bij.' Voelde Pink aan. Hij nam me onderzoekend op. 'Waar ben je, Rose? Wie ben je? Hoe meer ik je probeer te begrijpen, hoe ingewikkelder en moeilijker te doorgronden je lijkt te worden.' Hij zette een stap naar me toe en ik zette er automatisch een naar achteren om hem niet te dichtbij te laten komen. Het was een vreemd, dubbel gevoel dat ik had. Aan de ene kant het haast onweerstaanbare verlangen hem toe te laten, hem in mijn armen te nemen en hem alles te vertellen. Aan de andere kant mijn krachtige, oude instincten die me weghielden van iedereen die geen prooi en geen soortgenoot was. En hoewel Pink zelf ook verre van normaal was, een soortgenoot was hij allerminst. Hij zou me nooit volledig begrijpen, en ik kon onmogelijk eerlijk tegen hem zijn. Ik kon hem onmogelijk alles over mij en Violet vertellen. Sommige geheimen zouden simpelweg samen met mij de vergetelheid in verdwijnen en waren gedoemd daar eeuwig te blijven sluimeren zonder enige kans op ontdekking.
Ik schrok - voor de zoveelste keer - op toen er een hand op mijn arm werd gelegd. 'Zullen we naar buiten?' Vroeg Pink aarzelend. Ik knikte. De nachtlucht zou me misschien helpen mijn gedachten erbij te houden. Zonder na te denken liep ik naar het openstaande raam en sprong soepel en geruisloos de straat op. Het raam bevond zich op de begane grond, dus al te vreemd moest het toch niet zijn overgekomen. Toch gaapte Pink me stomverbaasd aan. Ik trok plagerig een wenkbrauw op. 'Kom je nog?' Pink grijnsde breed en volgde mijn voorbeeld.
Ik lachte schamper. Pink keek me vragend aan. 'Jij mag dan wel ongevoelloos zijn, maar bij mijn gratie en souplesse kom je niet eens in de buurt!' Spotte ik. 'En ik durf te wedden dat ik ook drie keer zo snel ben als jij!'
Pink liet zijn blik keurend over mijn lichaam gaan. 'Hm...' Luidde zijn oordeel. Toen brak er een grijns door op zijn stalen gezicht. 'Dat zullen we nog wel eens zien!'

Een paar minuten en straten verder liepen we in een normaal tempo - voor Pink dan - keurig naast elkaar. Pink hijgend als een jonge hond, ik met mijn ademhaling nog perfect onder controle. Ik grijnsde naar hem. 'Ik zei het toch.' Pink haalde verslagen zijn schouders op. 'Ik had het kunnen weten.' Mompelde hij. 'Ik moet geen wedstrijdjes meer met jou doen. Dat win ik toch nooit.' Ik knikte. 'Fijn dat je het zelf eindelijk ook door hebt.' Zei ik serieus.
Pink nam mijn serieuze toon over - maar paste zijn woorden daar ook aan aan. 'Moet je straks nog weg?' Ik knikte, hoewel hij zelf ook wel had kunnen bedenken dat ik nog geen tijd had gehad om mijn moord te plegen. Hij was blijkbaar ook ergens anders met zijn gedachten vannacht. Ik vroeg me af waar hij aan dacht en nam hem onderzoekend op - soms spraken gezichten en ogen boekdelen. Ze bevestigden in elk geval mijn vermoeden dat Pink er niet bij was. Hij staarde wezenloos voor zich uit, zonder de donkere straat voor ons echt te zien. De emoties op zijn gezicht waren moeilijker af te lezen - ik merkte dat hij zijn echte gevoelens vaak verborg achter een masker, hij was er geoefend in. Dat was ook niet zo gek, eigenlijk. Het verlies en het verdriet waarmee hij te kampen had gehad moest enorm zijn - en het duurde nog steeds voort, zonder dat er een einde in zicht kwam. Dat was ook meteen de voornaamste emotie die op zijn gezicht te lezen stond. Pijn. Verdriet. Ik slikte. Het stak me hem zo droevig te zien, en als ik er iets tegen had kunnen doen had ik het gedaan. Maar voor deze pijn bestond slechts één medicijn, en dat zou ik hem nooit kunnen geven. Ach, nog maar een paar dagen voor hij niets meer nodig zou hebben. Dan zou hij verlost worden van alle aardse ongemakken en...
Ja, daar zat het knelpunt. Ik had geen idee wat er Pink zou gebeuren als hij doodging. Waar zijn ziel heen zou gaan, welke weg die zou gaan volgen. Ik wist wel het één en ander over wat er met een normale, menselijke ziel gebeurde als die het tijdelijke voor het eeuwige verruilde, maar ik was ervan overtuigd dat Pink's ziel niet dezelfde weg zou volgen. Wat die weg dan wel zou zijn, was voor mij net zo'n raadsel als voor ieder ander.
'Rose?' Pink's stem bracht me terug naar de realiteit. 'Rose? Hoor je me wel?' Vroeg hij bezorgd. 'Sorry.' Reageerde ik na een paar seconden. 'Je had gelijk. Ik ben een beetje... afwezig vannacht.' Zei ik langzaam, elke lettergreep zorgvuldig uitsprekend. 'Ik zal proberen er met mijn gedachten bij te blijven.' Pink schudde lachend zijn hoofd. 'Ben ik werkelijk zulk saai gezelschap?' Ik rolde met mijn ogen. 'Ik merk het ook hoor.' Ging Pink verder, nu serieus. 'Het is vannacht gewoon lastig om me goed te concentreren. We zullen het maar niet al te laat maken.' Alsof één van ons behoefte had aan rust. We wisten allebei wat de ander zou gaan doen als we uit elkaar zouden gaan. Ik op zoek naar mijn volgende slachtoffer, Pink terug naar zijn kale, donkere huis waar hij alleen maar kon hopen dat hij deze nacht nog niet zou verdwijnen.
'Maar ik vroeg je iets.' Ik keek Pink verbaasd aan. Daar had ik niets van gemerkt. 'Wat dan?' Ik rimpelde mijn neus. Ik had geen zin in al te moeilijke vragen.
'Meende je echt wat je gisteren zei? Is er echt geen mogelijkheid om hier te blijven? Zal ik echt onherroepelijk verdwijnen?'
Ik knikte. 'Ik weet het natuurlijk niet helemáál zeker... Ik bedoel, wat weet ik er nou van?' Dat leverde me een sarcastische blik van Pink op.
'Weet je...' Zei ik nadenkend. 'Je zou eigenlijk nog eens met die man moeten praten. Je weet wel, waar je me over vertelde de avond nadat je me hebt laten zien... wat je precies bent. Ik denk dat hij je heel veel antwoorden kan geven die ik je schuldig moet blijven. Maar ik denk ook dat je, als je hem nog eens ontmoet, ontzettend voorzichtig en op e hoede moet zijn. Hij is degene die je van Violet weg heeft laten gaan. Hij heeft je gezegd dat jullie band te sterk was om in tact te laten. Hij is gevaarlijk voor je. Maar hij is tegelijk ook de enige die je begrijpt. Misschien dat hij je kan helpen.' Pink knikte nadenkend. 'Ik heb er zelf ook over nagedacht, weet je. Dat ene jaar waarin ik weg was heb ik zelfs heel veel nagedacht over van alles en nog wat. Hij heeft er inderdaad voor gezorgd dat ik de grootste fout heb gemaakt die ik in mijn hele leven gemaakt heb en die ik ooit nog zal maken. Maar het is ook mijn eigen schuld. Ik had beter moeten weten, hem nooit moeten vertrouwen. Maar op dat moment kón ik simpelweg niet anders! Ik wist niet meer wie ik was, wát ik was, en hij was degene die dat wel wist. Was het echt verkeerd dat ik hem zo vertrouwde?' Hij keek me smekend aan, hopend op mijn instemming. Ik schudde langzaam mijn hoofd. "Nee. Het was niet verkeerd van je, Pink.' Hij keek me zo dankbaar aan dat het leek of ik net besloten had om hem tóch maar niet te vermoorden - maar die beslissing zou ik nooit kúnnen maken, hoe graag ik het ook zou willen. Ik keek Pink indringend aan. Wat ik nu ging zeggen was belangrijk. 'Maar als je hem nog eens ontmoet - ga alsjeblieft niet naar hem op zoek -, wees dan ontzettend voorzichtig. Het is logisch dat je vragen hebt, en die kan je ook gerust stellen, maar noem nóóit, nóóit mijn naam! Je mag absoluut niet laten merken dat je mij kent of dat je ooit van de Amaranta hebt gehoord, begrijp je?' Pink's beschrijving van de man was te vaag om het zeker te kunnen weten, maar als die man was wie ik dacht dat hij was waren de gevolgen niet te overzien als hij achter mijn bestaan kwam. Hij was slim genoeg om één en één bij elkaar op te tellen, en zou vast niet toestaan dat ik één van zijn engelen zou vermoorden. Bovendien was hij machtig genoeg om me tegen te houden, en sluw genoeg om het zo te doen dat ik het niet zou merken voordat het te laat was.
'Pink?' Ik keek aarzelend om me heen. Pink begreep het onmiddellijk. 'O. Je moet weg, zeker. Nou, oké, dan zie ik je morgennacht?' Hij zette er meteen vaart achter. 'Het geeft niet, hoor. Ik moet sowieso nog wat dingetjes doen.' Hij haalde onverschillig zijn schouders op. Ik knikte, hoewel ik hem niet helemaal geloofde. Dingetjes te doen, het zou wel. Als hij dat wilde geloven, ging hij zijn gang maar. Ik vond het ook niet erg dat het gesprek zo abrupt werd beëindigd. Ik had dorst. 'Goed. Dan ga ik maar.' Ik sprong van mijn ene voet op de andere. 'Jij komt wel thuis vanaf hier, toch?'
Pink gaf me een vriendschappelijke stomp tegen mijn schouder - die ik niet eens voelde. 'Ik ben geen kind meer, Rose. Je hoeft niet op me te passen.' Hij grijnsde. 'Trouwens, ik ben ouder dan jij!' Hij sloeg triomfantelijk zijn armen over elkaar. Daar had ik niet van terug. Maar ik dacht er wel over na. Pink had gelijk met wat hij zei. Hij was geen kind meer, net als Violet en ik.  'Weet je, eigenlijk is het best wel vreemd.' Zei ik tenslotte. 'Ik bedoel, welke zestienjarige gedragen zich nou zoals wij doen?' Pink lachte. 'Bijna zeventien, inmiddels.'
Het was inderdaad al bijna 18 maart. Alleen zou die dag totaal anders worden dan hij verwacht had. En echt lang zou hij niet kunnen genieten van zijn achttiende levensjaar.
Bang om meer los te laten dan ik wilde kapte ik het gesprek weer af. 'Sorry Pink, ik moet echt weg nu. Zie je morgen!' Nog voordat de woorden zijn oren bereikten was ik uit het zicht verdwenen.

Mara

7. Violet

Heb je lekker geslapen, Violet?
Joachim Ruijssendahl
Populierenweg 1

Rose


Bij het opstaan was het me al duidelijk wat voor een dag dit zou gaan worden. Ten eerste was het een Maandag. Maandagen waren sowieso de verschrikkelijkste dagen van de week, als je nog met het weekend in je hoofd rondliep maar toch alweer naar school moest. Bovendien had ik vorige week bijna alle dagen gespijbeld, dus als ik niet heel erg in de problemen wilde komen zou ik toch echt gewoon naar school moeten.
Ten tweede had ik de afgelopen week zoveel vreemds meegemaakt dat ik mijn jaarlijkse portie wel zo ongeveer moest hebben opgebruikt. En dat vond ik eigenlijk best jammer - al hadden sommige dingen voor mij niet hoeven gebeuren.
Dit was typisch zo'n dag die je ook vaak voor je verjaardag meemaakt als je wat kleiner bent: zo'n dag die gewoon niet voorbij lijkt te gaan. Zo'n dag waarop de wijzers van de klok drie keer zo zwaar lijken als normaal en zich moeizaam voort lijken te slepen en waarvan elke seconde een uur lijkt te duren. En als ik ergens geen behoefte aan had, dan was het aan zo'n soort dag. Ik had behoefte aan een dag die voorbij vloog. En de dagen erna ook. Ik keek haast nog meer uit naar mijn zeventiende verjaardag dan naar alle vorige bij elkaar - al was het om een totaal andere reden. Op de één of andere manier leek dat een knooppunt te zijn. Als die dag alles goed ging, zou alles weer normaal worden. Dan zou ik Pink niet nog eens verliezen.
Het sloeg natuurlijk nergens op - dat wist ik best -, maar toch leek 18 maart een cruciale dag. Een dag waar heel, heel erg veel vanaf zou gaan hangen.
Ik startte internet op en zocht de Populierenweg op met Google Maps. Het was inderdaad wat ik verwacht had dat het was. Geen woonhuis, al was het deze keer wel een gebouw waar in gewoond werd. 'Rusthuis Populier', meldde het schermpje dat verscheen toen ik mijn muis op het grijze blok plaatste. Wat een naam.
Zou het deze keer echt een bejaarde man zijn die was vermoord? Ik dacht aan wat ik een paar dagen geleden bij mezelf had gedacht. Dat iemand die de naam van de roos droeg, zo'n prachtige, tere bloem, toch onmogelijk zo'n wreed wezen kon zijn. Maar was het niet zo dat ook alle rozen stekels hebben? En de stekels van míjn Rose waren blijkbaar uitzonderlijk scherp en talrijk.
Ik begon me te haasten. Ik had de eerste paar uur vrij, maar om op tijd op school te kunnen zijn moest ik toch een beetje vaart maken. De Populierenweg was niet bepaald dichtbij, en ik wist ook niet hoe makkelijk deze moord op te lossen zou zijn.
Gelukkig was het nog steeds prachtig weer, dus dat ik twintig volle minuten aan het fietsen was vond ik geen probleem. De Populierenweg lag aan de rand van de stad, al echt uit het centrum, en deed zijn naam eer aan. Het was een overschaduwde laan, zodat je het gevoel had dat je je middenin het bos bevond. Langs de rechterkant liep een hoog, smeedijzeren hek dat de tuin erachter afsloot van de buitenwereld. Dat was het terrein van 'Rusthuis Populier'. Het hek was bedoeld om de nieuwsgierige oudjes voor hun eigen veiligheid binnen te houden - en nieuwsgierige vreemden buiten. Ik volgde het hek tot ik bij de toegangspoort kwam - die dichtzat. Ik zette mijn fiets vast aan de dikke tralies en drukte op de knop van de elektronische bel. Het duurde niet lang voor de luidspreker met een zacht klikje aanging. 'Hallo?' Klonk een hoge vrouwenstem, met lichte ruis maar toch goed verstaanbaar. 'Wie is daar?'
Ik haalde diep adem. 'Ik ben Violet Ruijssendahl. Ik kom voor mijn oudoom, Joachim. Ik heb gehoord wat er met hem gebeurd is.' Ik gokte er maar op dat ze de moord op één van hun bewoners al ontdekt hadden. Dat bleek inderdaad het geval te zijn toen de vrouw verder praatte. 'O jeetje, kind, kom binnen!' Ik kon de uitdrukking op haar gezicht natuurlijk niet zien, maar die was niet zo moeilijk te raden. Er klonk een zoemer en de dubbele poort zwaaide automatisch naar binnen open. Ik liep over de brede oprijlaan - er liepen inderdaad aan beide zijden enorme populieren langs - tot aan het bordes van 'Rusthuis Populier'. Het kwam allemaal nogal pompeus op me over voor een bejaardentehuis - maar eigenlijk ook als het perfecte decor voor een moord. Ik zag de krantenkoppen al voor me en rilde.
Ik liep de brede trappen op tot aan de voordeur. Ik duwde ertegen en tot mijn verbazing - of eigenlijk niet, op de één of andere manier had ik het wel verwacht - zwaaide de deur geruisloos open. Ik glipte door de smalle kier. In plaats van in de hal die ik verwacht had in een huis met zo'n buitenkant, kwam ik in een relatief klein en kaal voorkamertje. Precies op het moment dat ik de deur weer achter me dichttrok hoorde ik het snelle getik van naaldhakken op een stenen vloer en ging een andere, kleinere deur open. De vrouw die binnenkwam was duidelijk geen 'normale' bewoonster van het rusthuis, daar was ze zo'n twintig jaar te jong voor. Toch was ze al aardig op leeftijd, ze had rimpels rond haar ogen en mond en haar haar was volledig zilvergrijs. Zodra ze mij in het oog kreeg kwam ze met kleine, snelle pasjes op me af en legde haar handen op mijn schouders. 'Och jeetje, kind, gaat het wel met je?' Vroeg ze bezorgd. Ik zette een stapje naar achteren om wat afstand tussen ons te creëren ren de handen van de vrouw vielen slap langs haar lichaam. Omdat ze duidelijk niet wist wat ze er nu mee moest doen frunnikte ze aan de dikke, gouden trouwring om haar linker ringvinger. 'Goed. Ik eh... Ik ben Margareth. Jij bent dus Violet.' Ze klonk alsof ze de rollen in een toneelstuk aan het verdelen was. 'En Joachim is jouw... oudoom, als ik het goed heb begrepen.' Ik knikte. Ik had nog niets gezegd, maar Margareth schreef mijn zwijgen blijkbaar aan een shocktoestand toe.
'En eh... Je weet dus al wat er met hem gebeurd is? Vroeg ze hoopvol. Ze keek er duidelijk niet naar uit het hele verhaal nog een keer te moeten vertellen. Maar dat was toch echt noodzakelijk. Ik schudde mijn hoofd. 'Nou... Ik heb gehoord van... van de moord, dat wel. Maar niet wat er nou precies gebeurd is.'
Margareth slikte ongemakkelijk. 'Nou ja... Je hebt er natuurlijk recht op om het te weten, maar misschien kan je dat beter aan de agenten vragen die boven bezig zijn.' Ik knikte weer. Margareth legde me de weg uit naar de kamer van Joachim en ik liep er door het toch best indrukwekkende huis naartoe. Ik zag meteen bij welke kamer ik moest zijn. Dat was de enige kamer waarvan de deur wijd open stond - en bovendien stond er een heel bekend persoon voor de deur te wachten. Het was Fransz. Brigadier Fransz, als ik het goed had. 'Ja meneer. Is goed, meneer.' Gaf hij antwoord op een vraag die ik niet gehoord had - maar waarvan ik wel kon raden wie hem gesteld had. Waar brigadier Fransz rondliep was commissaris Kant vast ook niet ver vandaan.
Ik liep met vastberaden stappen naar de man toe - hij en de commissaris waren geen partij voor mij. Fransz herkende me niet, gelukkig - dat betekende dat ik mijn werk gisteren goed had gedaan. Hij keek me wel stomverbaasd aan. Ik stak hem mijn hand toe. 'Ik ben Violet Bodegrave.' Hij nam mijn hand na enige aarzeling aan en schudde hem. 'Brigadier Fransz.' Hij trok een gezicht bij het noemen van die titel. Zonder zijn baas hechtte hij daar blijkbaar ook veel minder belang aan. 'Wat doe je hier?' Vroeg hij me daarna. Niet achterdochtig, eerder verbaasd.
'Joachim was mijn oudoom.' Fransz knikte begrijpend en legde vaderlijk een hand op mijn arm - terwijl hij nou ook weer niet zóveel ouder ouder. 'Ik snap het. Ik zal mijn baas even roepen. Hij wil je ongetwijfeld spreken.' Ik zuchtte. Daar zat ik echt op te wachten, een verhoor door meneer de commissaris.
Fransz vatte mijn zucht blijkbaar op als van verdriet en niet van irritatie en keek me medelijdend aan. Ik vroeg me af of hij al wel eens iemand had verloren die dicht bij hem had gestaan. Ik betwijfelde het.
Fransz liep de kamer in maar vroeg me niet hem te volgen. Ik bleef buiten staan wachten. Zoveel behoefte had ik er niet aan het lijk van Joachim te zien - al wist ik dat het noodzakelijk was.
Bijna onmiddellijk kwam mijn oude bekende commissaris Kant naar buiten. Toen hij mij zag glimlachte hij geruststellend en kwam naar me toe. 'Violet?' Vroeg hij, behoorlijk overbodig aangezien er - op Fransz na - geen andere levende wezens in de buurt waren. Ik knikte. Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor, op zo'n manier dat hij de aandacht duidelijk op zijn status richtte. Ik liet het ongeduldig over me heen komen, maar wilde dat hij er zo min mogelijk doekjes om zou winden. Ik wilde eigenlijk nog gewoon naar school.
Gelukkig vond commissaris Kant het ook niet nodig de harde waarheid in zachte omhulsels te winden - dat zou het uiteindelijk toch niet minder erg maken.
'Dus Joachim Ruijssendahl was jouw oudoom.' Zei hij nadenkend. Ik knikte. 'Ik hoorde wat er gebeurd was. Ik ben daarna zo snel mogelijk hierheen gekomen.'
De commissaris knikte. Blijkbaar was hij niet nieuwsgierig naar hoe ik het te weten was gekomen - of misschien zou die vraag gewoon later pas komen.
'Het is fijn dat je er bent, Violet.' Zei hij. 'Je moet weten dat we verder nog geen enkel familielid van meneer Ruijssendahl hebben kunnen vinden.' Ik voelde opeens een sterk gevoel van medelijden met de oude man, die blijkbaar helemaal geen familie meer over had. Ik kon me niet voorstellen hoe dat moest voelen. Goed, mijn familie bekommerde zich nauwelijks om mij, maar ik had goede vervanging gevonden - Pink was de beste broer die ik me wensen kon.
'Je begrijpt dat ik straks graag even met je wil praten.' Ging commissaris Kant verder. Ik knikte maar voor de zoveelste keer - al was ik niet van plan dat gesprek ooit plaats te laten vinden. Tegen die tijd was ik hopelijk al lang klaar.
Ik besloot het initiatief te nemen en keek de commissaris aarzelend aan. 'Zou ik... Mag ik hem zien?' Even aarzelde hij, maar tenslotte knikte hij. 'Ja. Natuurlijk. Maar... doe alsjeblieft geen dingen tegen je zin, oké? Verplicht jezelf nergens toe.' Dat was niet moeilijk, ík was niet degene die me tot dingen verplichte.
De commissaris ging me voor door de kamer- die eigenlijk precies zo was als ik verwacht had - tot hij stil bleef staan naast het smalle, houten bed van Joachim Ruijssendahl. Het lichaam dat op de lakens lag was absoluut niet zoals ik verwacht had. Eigenlijk was het zelfs totaal anders.. Zo anders dat ik begon te twijfelen of dit wel de moord was waar ik naar op zoek was. Ten eerste leek het lichaam geheel ongeschonden, op een rijtje kleine, ronde blauwe plekken langs zijn kaken na. Er was geen druppel bloed te zien, en ook alle ledematen leken nog precies zo te zijn als hoe ze hoorden. Bovendien lag Joachim Ruijssendahl er opvallend... rustig bij, vredig haast. Je zou zo kunnen denken dat hij gewoon sliep - alleen staarden zijn ogen leeg en onafgebroken naar het plafond en was zijn lichaam stijf en koud.
Ik keek pas weg van het lichaam toen iemand zacht en bescheiden zijn keel schraapte. Toen pas viel me op dat er, behalve de twee agenten, nóg iemand in de kamer was. Tegenover me, aan de andere kant van het bed, stond een lange, magere man. Hij was nog vrij jong - begin dertig, schatte ik -, maar zijn ogen waren die van iemand die al veel had gezien. Zodra ik hem recht aankeek begon hij te praten, rustig en heel beheerst - alsof hij het over het weer had -, maar ook weer niet emotieloos. Ik mocht zijn hele manier van doen onmiddellijk. Hij was duidelijk iemand die er ook niet van hield om dingen heen te draaien die toch onvermijdelijk waren.
'Ik ben Jorad, lijkschouwer van beroep.' Stelde hij zichzelf voor. 'Ik kan je vertellen hoe hij aan zijn einde is gekomen, maar je moet het aangeven als het je teveel wordt, goed?' Ik knikte. Dat had ik eerder gehoord.
De man ging verder. 'Joachim Ruijssendahl is vanochtend om half acht dood in zijn kamer aangetroffen, in precies dezelfde toestand als waarin hij nu verkeert. Ik heb natuurlijk nog geen grondige autopsie kunnen doen, maar ik schat dat hij rond een uur of vier 's nachts is gestorven. Dat is af te leiden uit de staat van zijn lichaam, maar ik zal je niet eindeloos gaan vervelen met de technische details.' Hij glimlachte en wachtte even voor hij verder ging. 'In de eerste instantie konden we de doodsoorzaak niet vinden. Het zou natuurlijk ook kunnen dat hij simpelweg een hartstilstand heeft gehad - Joachim Ruijssendahl gebruikte al jaren medicijnen om zijn hart op gang te houden -, maar in verband met de eerdere moorden wilde de politie dat er toch nog verder onderzoek werd gedaan.' Jorad keek me weer even aan en ik knikte geïnteresseerd naar hem. Ik moest toegeven dat zijn baan me absoluut niet oninteressant leek. Er zat in ieder geval genoeg spanning in.
De lijkschouwer ging weer verder en had mijn volledige aandacht. 'Zie je die rijtjes blauwe plekken op zijn kaken?' Hij wachtte niet op mijn antwoord maar vervolgde zijn verhaal. 'Dat was eigenlijk de enige aanwijzing die we hadden. Toen was het nog de vraag hoe ze daar zijn gekomen.'
Ik onderbrak hem. Niet dat ik ongeduldig was en hem tot spoed wilde aanzetten, maar omdat mijn hersenen één en één al bij elkaar op hadden geteld. 'Ik denk...' Jorad keek me even verwijtend aan omdat ik hem had onderbroken, maar liet me uitpraten. 'Ik denk dat iemand, de moordenaar waarschijnlijk, nar zijn dood geprobeerd heeft de stijf geworden kaken met geweld uit elkaar te trekken.' Jorad knikte me bewonderend toe. 'Je zit dichtbij. En ik moet zeggen dat ik dat zelf ook bedacht heb, maar het is niet logisch. Welk motief zou iemand daarvoor kunnen hebben?' Ik wilde mijn mond al openen om die vraag te beantwoorden, maar Jorad praatte door en ik besefte dat zijn vraag retorisch was bedoeld.
'Bovendien bleek al vrij snel dat de plekken vóór zijn dood zijn ontstaan.' Hij keek me uitdagend aan. 'Kan je bedenken wat er gebeurd is?'
Ik dacht na en beet op mijn lip terwijl ik alle eerdere moorden nog eens naliep. Hoe zou Rose deze man vermoord hebben? 'Nou...' Zei ik tenslotte aarzelend. Jorad knikte bemoedigend. 'Misschien heeft ze...' Ik sloeg een hand voor mijn mond. 'De moordenaar bedoel ik... Misschien heeft de moordenaar Joachim iets... laten slikken? Heeft hij daarom zijn kaken met geweld uit elkaar moeten halen? Omdat Joachim zich verzette?'
Ik wist niet zeker of Jorad mijn verspreking echt niet gehoord had - daar leek hij me eigenlijk veel te oplettend voor -, maar hij ging er in elk geval niet op door. Ik plaats daarvan glimlachte hij en keek me bewonderend aan. 'Slim. Heel slim.' Mompelde hij. 'Je hebt gelijk. Dat was precies wat ik ook bedacht. Dus ik heb een bloedmonster genomen en dat naar het laboratorium laten brengen. We hebben de uitslag nog niet binnen, die komt over een paar uur. Maar ik heb de directrice, Margareth, gevraagd naar de medicijnen die Joachim gebruikte. Hij slikte pillen voor zijn zwakke hart. Niet om het te genezen - dat was niet mogelijk -, maar om het op gang te houden. Als jij of ik ze zouden slikken zou ons hart op hol slaan. De dosering is cruciaal.'
Jorad gooide een potje van donkerbruin glas naar me toe. Ik ving het op en tuurde door het glas. Op de bodem lag nog één kleine, witte pil. 'Margareth verzekerde me dat het gisteravond nog voor meer dan de helft vol was.' Ik keek de man tegenover me met grote ogen aan en durfde niet weg te kijken -  bang dat mijn blik per ongeluk op het lichaam op het bed zou vallen.
'Dus...' Zei ik met een stem die plotseling niet meer normaal werkte. 'Dus de moordenaar heeft Joachim een overdosis medicijnen gegeven?' Als ik het zo zei leek het niet eens zo'n hele vreselijke dood. In ieder geval een stuk beter dan sommige anderen...
Jorad knikte. 'Ja. Zijn hart is ontploft, zou je kunnen zeggen. Te snel gaan kloppen.' Ik slikte. Dat klonk een stuk minder aangenaam.
Jorad zag de geschokte uitdrukking op mijn gezicht en probeerde me gerust te stellen. 'We weten het natuurlijk niet zeker... Het kan ook best anders zijn gegaan.' Maar ik wist toch wel dat dit het moordscenario was. Mijn gevoel loog niet.
Nu moest ik hier alleen nog weg zien te komen. Ik aarzelde even of ik Jorad ook moest bewerken, maar dat leek me niet nodig. Hij had er verder niets mee te maken. Commissaris Kant moest voor deze keer volstaan.
'Ik... Ik ga de commissaris zoeken.' Stamelde ik ontwijkend tegen Jorad. Hij knikte en bleef als een standbeeld naast het lijkt staan toen ik de kamer uit liep.
Commissaris kant stond op de gang, op de plek waar Fransz eerder had gestaan - die was gelukkig nergens te bekennen. Ik liet, net als gisteren, mijn blik op de man los en een paar minuten later liep hij versuft de kamer van Joachim Ruijssendahl binnen, zonder enige weet van mijn bezoek.

Een half uurtje later reed ik het verlaten schoolplein op. Ik was tien minuten te laat voor mijn les, maar op maandagochtend zou niemand daar echt een probleem van maken.
Ik zette mijn fiets snel op slot, zwaaide mijn tas over mijn schouder en liep de gangen in. Tot mijn verbazing leek de hele school wel verlaten. Niet alleen de gangen, maar ook de lokalen en zelfs de hal waren uitgestorven. Pas toen ik de trap naar de eerste verdieping op liep en een versterkte stem uit de aula hoorde komen besefte ik waar iedereen was. Het gebeurde eigenlijk maar zelden dat iedereen in de aula bijeen werd geroepen - en dan moest er wel iets heel bijzonders aan de hand zijn.
Vanaf de gang was de stem uit de aula onverstaanbaar, dus ik duwde de deur voorzichtig open en glipte naar binnen. Het eerste dat ik zag waren April en June die op de achterste rij stoelen zaten me een giftige blik toewierpen. Ik trok me er niets van aan en keek naar het podium in de hoop te kunnen ontdekken waar deze bijeenkomst over ging. Dat was niet moeilijk te raden. Aan de rechterkant van het podium stond een enorme, manshoge vaas, volledig gevuld met bloemen. Daarnaast stond een levensgrote portretfoto van een heel bekend persoon.
Precies op het moment dat ik het begreep drong ook de stem van de rector mijn oren binnen. '... betreurenswaardig. Ons aller geliefde Michael was pas zeventien. Zijn dodo is een enorme schok voor de hele school en...' Meer hoorde ik niet. Mijn hersenen sloten in een reflex alle invloeden van buiten af. De afgelopen dagen had ik Michaels dood zorgvuldig naar de achtergrond verbannen. Ik wilde er niet aan denken., er niet meer geconfronteerd worden. Dat was gelukt, ik had nauwelijks meer aan die gebeurtenis gedacht, was het eigenlijk haast weer vergeten.
Maar nu merkte ik dat die gedachten slechts door een flinterdunne wand uit mijn hoofd waren gehouden. Een wand die bij het horen van zijn naam onmiddellijk was gebroken.
Mijn hoofd vulde zich met dikke, verzachtende mist en zonder dat ik echt wist wat ik deed rukte ik de deur weer open en stormde het schoolgebouw uit.
Op mijn fiets.
Trappen. Zo ver en zo hard en zo lang als ik maar kon, als ik maar de kracht in mezelf kon vinden. Pas toen ik écht niet meer kon liet ik mijn fiets vallen en zakte op de grond in elkaar. Geknakt en gebroken. Ik wist niet hoelang ik daar gezeten had, huilend, toen ik plotseling twee warme armen om me heen voelde. Zonder op te kijken wist ik wie het was, en ik kroop dichter tegen Pink's veilige, vertrouwde lichaam aan. Nestelde me diep weggestopt in zijn armen en verborg mijn gezicht tegen mijn schouder.
Zo afgesloten van de buitenwereld, met zijn armen om me heen en mijn armen om hem heen, kon me niets meer gebeuren.
Hij zou voor me zorgen.
Hij was mijn veilige haven.
Mijn beschermengel.

Mara

7. Rose

Wat bedoeld was als een simpele moord had me uiteindelijk meer problemen gegeven dan andere. Violet had getoond dat ze slim en opmerkzaam was - wat op zich geen probleem was, ze had toch niet genoeg tijd meer om achter mijn bestaan te komen. Waar ik me vooral zorgen om maakte was die lijkschouwer, Jorad. Violet had een paar onvergeeflijke fouten gemaakt, die wel eens cruciaal zouden kunnen zijn - al wist ik nog niet precies waarvoor. Jorad was zeker iemand om in de gaten te houden, maar vannacht had ik andere zorgen. Het was bijna volle maan, en dan was de bloeddorst nog vele malen sterker dan anders. Ik zat natuurlijk aan Pink vast, maar ik zou eerst mijn eigen behoeften tevreden stellen.
Ik zou deze nacht niet naar het centrum gaan, of naar een andere plaats waar veel getuigen waren. Ik had nog geen slachtoffer op het oog, maar het kostte me niet veel moeite er één te vinden.
Ik rende langs een verlaten buitenweg en had niet verwacht iemand tegen te komen toen de wind een heerlijke geur mijn neus in blies. Ik kneep mijn ogen samen en merkte mijn slachtoffer nu ook met mijn andere zintuigen op. Het was een meisje, nog vrij jong - een jaar of dertien, veertien. Ze had een tas met een uitstekende hockeystick op haar rug en ze fietste hard. Haar gezicht werd om de paar seconden verlicht door het licht van de lantarenpalen waar ze onderdoor fietste en dat haar lichtblonde haren liet oplichten, om vervolgens weer overschaduwd te worden tot de volgende lichtplas.
Ik bleef geduldig staan wachten tot ze de laatste paar honderd meter die nog tussen ons lag had overbrugd. Terwijl ze steeds dichterbij kwam voelde ik mijn kracht en mijn dorst groeien, en omdat ik mezelf toch niet in de hand zou kunnen houden vannacht stond ik het toe.
Nog honderd meter.
Ik likte over mijn lippen en ging met mijn tong langs het scherpe randje van mijn hoektanden.
Nog tachtig meter.
In mijn hoofd begon zich een plan te vormen.
Nog vijftig meter.
Het was tijd voor iets nieuws.
Nog veertig meter.
Iets wat ik nog niet eerder gedaan had. Iets spannends, iets gewaagds.
Nog twintig meter.
Ik versmolt met de donkere schaduwen van de struiken langs de weg. Ik was onzichtbaar.
Nog tien meter.
Ik dook in elkaar en al mijn spieren spanden zich om straks één enorme sprong te kunnen maken.
Nog vijf meter.
Er trok een enorme grijns over mijn gezicht en er welde een zacht gegrom op uit mijn borst.
Nog twee meter.
Nog één meter.
Mijn benen strekten zich en een honderdste van een seconde later drukte ik het lichaam van het meisje tegen de grond, met mijn armen als de tralies van een stalen kooi om haar heen. Ze spartelde nog niet tegen - ze besefte nog niet wat er gebeurd was -, maar dat zou niet lang meer op zich laten wachten. Ik maakte van het ogenblik rust gebruik om haar stevig vast te grijpen. Ze zou onmogelijk kunnen ontsnappen - ze kon echt geen kant meer op.
Ik vond het altijd prachtig om de glimp van begrip op de gezichten van mijn slachtoffers te zien. Zo ook nu weer. Toen het meisje besefte in welke situatie ze zich bevond, werden haar ogen groot. Eerst van verbazing, daarna van angst. Ze opende haar mond en haar luide gegil doorkliefde de stilte van de nacht. Ik drukte mijn hand tegen haar mond en bracht mijn lippen vlakbij haar oor. 'Stil!' Siste ik tussen mijn tanden door. 'Je hebt er geen idee van wat ik je aan kan doen.'
Het gegil hiel meteen op, maar het lichaam onder me begon te trappen en te spartelen in een poging om vrij te komen. Ik hield haar zonder enige moeite tegen de grond gedrukt, en na een paar minuten kreeg ze zelf ook door dat het zinloos was en hield het gespartel op. Toen haar lichaam weer stil op de grond lag stond ik op en trok haar met me mee overeind.
Ze stond recht voor me en keek me onafgebroken aan met een vreemde mengeling van angst en een aantal emoties die ik niet kon plaatsen in haar blauwe ogen die me ontzettend aan Violet deden denken. Ik vond het bijna jammer dat ik dit meisje zou vermoorden vannacht. Ze had iets heel onschuldigs en puurs over zich, iets zachts en liefs.
Ik raakte haar haar aan en ze deinsde achteruit tot ze een meter bij me vandaan stond. Haar ogen schoten zenuwachtig heen en weer, op zoek naar een mogelijkheid om te ontsnappen, maar ze leek door te hebben dat ze die niet zou vinden.
Ik liet haar even haar gang gaan - ik had geen haast, Pink wist dat ik toch wel naar hem toe zou komen -, maar tenslotte vond ik dat het lang genoeg had geduurd. Het meisje rook verschrikkelijk lekker, en de bijna volle maan zorgde voor een aangename, verdovende mist in mijn hoofd die het veel makkelijker maakte mijn gedachten en gevoelens uit te schakelen - maar die het tegelijkertijd ook moeilijker maakte ze in stand te houden. In een flits stond ik weer naast het meisje en legde mijn hand op haar schouder. Het meisje draaide haar hoofd en keek me even recht aan. Toen trok ze in één soepele, geoefende beweging de hockeystick uit de tas op haar rug, sprong naar achteren en hield de stick als een wapen voor zich uit. Haar handen klampten zich vast aan het hout en er vielen plukken haar voor haar koortsig glinsterende ogen.
Ik gooide mijn hoofd in mijn nek en lachte. Ze maakte geen schijn van kans, maar ik vond het leuk dat ze weerstand bood. Dat was weer eens wat anders. Ik hield wel van een beetje temperament, een beetje verzet.
Ik kwam naar haar toe en greep haar geïmproviseerde wapen met één hand vast. Even bleven we zo staan, verbonden door het hout. Toen trok ik de stick én het meisje in één beweging naar me toe. Het hout kraakte en brak. Splinters vlogen in het rond en boorden zich in de arm van het meisje, waardoor dunne straaltjes bloed over haar huid begonnen te sijpelen. Ik pakte haar
niet-gewonde arm vast en trok haar mee, van de weg af. Ze bood geen weerstand meer, liet zich gewoon meevoeren. Ik had duidelijk indruk op haar gemaakt. En dat maakte me trots. Gaf me het gevoel dat ik toch geen totale mislukking was. Ik kon óók iets, hoe vreselijk en wreed het ook was.
Ik plantte het meisje achter de struiken naast de weg. Zelfs áls er iemand langs zou komen op deze verlaten weg zouden wij onzichtbaar zijn. Niemand zou ons opmerken. Het meisje durfde zich niet eens meer te bewegen, stond als een standbeeld naast me en keek me onafgebroken aan. Ik wist niet of ze echt zo bang was, of dat er nog een ontsnappingspoging aan zat te komen. Ik hoefde het ook niet te weten - het zou haar toch niet lukken weg te komen. Haar lot stond al vast. Maar het kon geen kwaad haar nog wat meer angst aan te jagen.
Ik zakte op één knie op de grond en friemelde wat aan mijn laars. Toen ik weer overeind kwam flitste het maanlicht even over het zilveren lemmet van een korte, scherpe dolk. Ik liep naar het meisje toe en hield het mes vlak voor haar gezicht. Het meisje vertrok geen spier, alsof ze het dodelijke wapen dat ik voor haar neus hield niet zag. Maar ik voelde haar angst groeien.
Ik bracht mijn arm omhoog en hief het mes. Met een vlugge flits van maanlicht op metaal bracht ik het wapen omlaag, maar in plaats van in het lichaam van het meisje boorde ik het lemmet in de takken van de struik naast haar.

Niet veel later had ik een behoorlijke berg droog, brandbaar hout die tot iets boven mijn knieën kwam. Ik nam het meisje mee en zette haar ernaast.
Doordat ik me nu al een poosje in haar nabijheid bevond had ik mezelf weer beter onder controle gekregen en ik dacht dat ik mijn stem wel weer normaal zou kunnen gebruiken.
'Heb je het koud?' Het ging zelfs beter dan ik had gehoopt, het lukte me zelfs een beetje bezorgdheid in mijn stem door te laten klinken. Het meisje keek me verbaasd aan, ze wist niet wat ze met deze plotselinge wending aan moest.
Ik probeerde het nog een keer. 'Zou je het fijn vinden als ik een vuur voor je zou maken? Een beetje licht en warmte?' Ze reageerde nog steeds niet, maar daar trok ik me niets van aan. Ik had de touwtjes in handen. Ik had alle macht.
Ik zakte weer op de grond - ik was niet bang meer dat het meisje weg zou lopen, en zelfs als ze het zou proberen had ik haar zo te pakken - en pakte twee stevige, kleine stokken tussen de stapel hout vandaan. Het was een omstreden methode om zo vuur te maken, maar als je zo sterk en snel was als ik was het een fluitje van een cent. Ik zette de stokjes tegen elkaar en hoefde ze maar een paar keer langs elkaar heen te halen om de eerste vonkjes al te laten ontstaan.
Even later had ik een prachtig knapperend vuurtje. Of eigenlijk eerder een vuur, het hout van de struiken brandde inderdaad uitstekend en de vlammen likten aan mijn ellebogen.
Het meisje stond er met grote ogen gebiologeerd naar te kijken. Haar gezicht was nu niet meer gehuld in het zilveren, geheimzinnige licht van de maan maar werd beschenen door de duistere, spookachtig flakkerende vlammen die het hout verteerden en vonken de hemel in spuwden. Ik had geen idee welk effect dit licht op mij had, maar de angst in de ogen van het meisje was veelbelovend. Vuur was mijn element. Ik was gek dat ik er niet eerder iets mee gedaan had, het lag zo voor de hand. Goed, ik was in alle elementen thuis, maar mijn oerelement was toch echt het vuur. Vuur was mijn vriend.
Ik stapte dwars door de vlammen heen naar het meisje toe dat aan de andere kant van de brandende hoop takken stond. Ik legde een hand op haar arm. 'Mooi hè?'
Ze gaf geen teken dat ze me gehoord had, maar dat had ik ook niet nodig. Ze ging haar gang maar, dan ging ik de mijne. Ik wist toch al wie er zou gaan winnen.
Ik grijnsde. 'Nu jij.' Het meisje keek me verschrikt aan. Haar mond ging open en dicht, als een vis die op het droge naar zuurstof hapt, maar er kwam geen geluid uit haar keel. Ik knikte. 'Je begrijpt me best.' Mijn stem was nog altijd vriendelijk en beheerst. Het tegenhouden van mijn moordlust ging me steeds beter af - wat niet wilde zeggen dat dit kind onder haar lot uit zou komen.
Het meisje begreep inderdaad precies wat ik van haar wilde - dat was duidelijk te zien aan de afschuw waarmee ze nu naar de dansende vlammen keek.
Toen deed ze iets wat ik niet verwacht had - niet van haar en niet van alle andere slachtoffers die ik ooit gemaakt had. Ik was eraan gewend dat ze tegenstribbelden en tegen me schreeuwden - maar nog nooit had iemand tegen me gepráát. En al helemaal niet op zo'n verschrikkelijk lieve en bezorgde toon als dit meisje deed.
Ze duwde mijn hand van haar arm en zette een klein stapje naar me toe. 'Waarom?' Haar stem was zacht en trilde een klein beetje. Haar ogen onderstreepten haar vraag toen ze vanonder haar wimpers naar me op keek. Ik was stomverbaasd. Hoewel het trillen van haar stem verraadde dat ze niet helemaal op haar gemak was leek ze niet echt bang meer. Ze was óf heel dom, óf heel dapper - en die twee gaan ook opmerkelijk vaak samen -, of ze wist precies waar ze mee bezig was. Dat laatste betwijfelde ik. Het was haast onmogelijk dat er een plan of een valstrik achter haar onverwachte zet zat. Ik vond het wel grappig. Deze nacht had veel onverwachte, vreemde dingen voor me in petto - of liever gezegd, dat had dit bijzondere meisje.
'Volgens mij...' Het meisje kwam nog dichter naar me toe en legde nu háár hand op mijn arm. 'Volgens mij ben je niet slecht.'
Ik wist niet waar het toppunt van verbazing lag, maar ik moest het nu toch wel bijna bereikt hebben. Dacht dat kind nou echt dat ze mij even kon vertellen wat ik was?
'Kind, je weet echt niet waar je mee bezig bent.' Gromde ik en ik schudde haar hand van mijn arm af. Het meisje stopte haar handen in de zakken van haar vest en haalde onverschillig haar schouders op. Ze leek alle angst van zich af geschud te hebben en stond er nu net zo ontspannen bij alsof ze op school met haar vriendinnen stond te praten. 'Dan niet. Ik ben Eline, trouwens.' Ik snoof. 'Rose.' Het beviel me niets, maar ik wilde haar toch niet meteen vermoorden. Ik wilde weten wat hierachter zat.
Eline knikte, alsof ik haar iets verteld had wat ze toch allang wist. 'Dûh. Maar... Ik meende wat ik zei, Rose. Volgens mij ben je niet slecht.' Ik keek naar de grond. 'Wat weet jij er nou van?' Mompelde ik. Het werd opeens een stuk moeilijker om haar te vermorden nu ik met haar had gepraat. Alsof ik nu pas besefte dat ik tegenover een levend wezen stond. Iemand van vlees en bloed. Iemand met gevoelens, met gedachten en met dierbaren. Ik schudde die gedachten snel van me af. Hoe kwam ik daar nu weer bij?
Eline zag dat ik van slag was en legde opnieuw haar hand op mijn arm. Het had opdringerig over kunnen komen, maar op de één of andere manier voelde het vooral troostrijk. Zo'n simpel gebaar, dat plotseling oneindig veel liefde leek te bevatten. 'Laat mij je helpen, Rose.' Zei Eline plotseling. Ik keek verbaasd op. 'Wat?!' Eline leek even van haar stuk gebracht. 'Precies wat ik zeg. Laat mij je helpen.' Op de één of andere manier had ik het gevoel dat ze niet op normale hulp doelde. Ik keek haar wantrouwig aan. Hoeveel wist dit vreemde meisje? En hoe kwam ze aan die kennis? Wat er ook achter zat, het was niet goed. Helemaal niet goed - helemaal verkeerd, zelfs.
Ik liet al mijn spectaculaire plannen varen - Eline moest dood, zo snel mogelijk. Vliegensvlug raapte ik het mes op van de grond en voordat het meisje doorhad wat er gebeurde had ik het lemmet al tegen haar keel gedrukt. 'Jammer voor jou.' Siste ik in haar oor. 'Maar ik heb geen hulp nodig.' Ik spande de spieren in mijn arm en zette kracht op het mes.
Van alle vreemde dingen die me vannacht waren overkomen spande dit toch wel de kroon. In plaats van dat het mes door haar vlees heen sneed als door warme boter, bood haar huid weerstand. Hoeveel kracht ik ook zette, ik had net zo goed kunnen proberen een tandenstoker in een blok graniet te boren. Eline duwde mijn hand weg en stapte onder mijn houdgreep vandaag. Ik liet het toe, teveel van slag door haar onverwoestbaarheid - en omdat ik niet zeker wist of ik wel in staat was haar tegen te houden. Eline grijnsde boosaardig - alle zachtheid was verdwenen. 'Nee, Rose. Jammer voor jóu!' Fluisterde ze, haar stem kil en spottend. Toen draaide ze zich om en begon bij me vandaan te rennen. Al na een paar passen ritste ze haar vest open en gooide het van zich af. De blote huid van haar rug stak scherp af tegen de donkere omgeving - maar lang niet zo scherp als de prachtige, spierwitte vleugels die uit haar schouders groeiden en zich ontvouwden zodra ze de ruimte kregen.
Ik keek het steeds kleiner wordende, lichte figuurtje na terwijl het de aarde voor de lucht verruilde tot het zwart werd voor mijn ogen.

Mara

8. Violet

Toen ik wakker werd voelde ik meteen dat er iets aan de hand was, dat dit geen gewone ochtend was. De verandering was niet onaangenaam - integendeel, prettig zelfs -, maar het voelde wel alsof er iets miste.
Pas nadat ik een paar seconden doodstil op de rand van mijn bed was blijven zitten besefte ik was dat iets was. Zodra ik dat doorhad werd ik overspoeld door een enorme opluchting. Zelfs zonder het uit te proberen wist ik dat er vandaag geen pop-up schermpje met een naam en adres zou verschijnen als ik mijn laptop aan zou zetten. Ik hoefde vandaag, voor het eerst sinds bijna een jaar, niet op zoek naar een moordslachtoffer.
Zodra dat eerste gevoel van opluchting een beetje was afgezwakt begonnen mijn hersenen automatisch andere gedachten naar boven te halen. Gedachten die ik van mezelf absoluut niet mocht denken.
'Misschien is dit wel het einde.' Zei dat denkbeeldige stemmetje dat iedereen in zijn hoofd heeft zitten op hoopvolle toon. 'Misschien was Joachim Ruijssendahl wel de laatste.' Ik schudde geïrriteerd mijn hoofd. Dat kon niet. Een jaar lang - nog niet eens precies, dan had ik het nog kunnen begrijpen - was alles in precies hetzelfde patroon gegaan. Dat zou echt niet opeens, zonder enige aanleiding, ophouden. Daar geloofde i niets van. Dat kon niet.
'Is er dan echt niets gebeurd wat dit zou kunnen verklaren?' Ging het stemmetje hardnekkig verder. Daar moest ik even over nadenken. Ik wist best waar dat stemmetje op doelde - dat was overduidelijk -, maar ik vond het moeilijk om te begrijpen wat Pink hiermee te maken had. Ja, hij was verantwoordelijk voor de twee ingrijpendste veranderingen in mijn leven, maar na tweede keer waren de moorden gewoon doorgegaan. Ik dacht eigenlijk kook niet dat Pink er iets mee te maken had.
'Maar de eerste keer is er wel iets veranderd.' Hield het stemmetje aan. Dat moest ik inderdaad toegeven. Toen Pink wegging waren de moorden begonnen, samen met het verdwijnen van de nachten uit mijn geheugen.
Ik werd plotseling overspoeld door een gevoel van teleurstelling, nog voor ik besefte wat ik nou zo jammer vond. Pas na een paar seconden hadden mijn hersenen mijn lichamelijke reactie weer ingehaald en begreep ik het. Hoewel er geen moord gepleegd was, was de afgelopen nacht nog steeds één groot gat. Ik kon me er nog steeds niets van herinneren. En hoewel ik niet wist of ik juist zat, legde ik gelijk de link. Dit was niet het einde. Om welke reden er vannacht geen moord was gepleegd wist ik niet, maar ik wist wel dat die reden éénmalig was, en dat ik morgen ongetwijfeld wél op zoek moest.
'En nu?' Vroeg het stemmetje zelfvoldaan. Tsja. Dat wist ik ook niet. Voor geen goud ging ik nog naar school vandaag, dat maakte me echt niets meer uit.
Ik kon het stemmetje in mijn hoofd bijna hóren fronsen. 'Je bent veranderd, Violet.' Zei het vermanend. Ik zuchtte droevig. Het was waar. Ik was veranderd, enorm veranderd. Ik keek niet verder meer vooruit dan een dag, twee hooguit. Wat ik met mijn toekomst ging doen kon me niet meer schelen. Ik zag wel. Hoe zou ik ooit iets van mijn leven kunnen maken als het me voortaan altijd zo zou vergaan? Ik herkende mezelf bijna niet meer. Waar was de oude Violet gebleven? Het deed pijn dat ik haar kwijt was. Ik had van haar gehouden.
Ik liet me op mijn bed vallen, krulde me op en sloeg mijn armen om mijn knieën. Zo bleef ik liggen, veilig opgerold, terwijl mijn kussen steeds natter werd van de tranen die onbedwingbaar uit mijn ogen bleven stromen.
Maar dit keer kwam Pink niet om me te troosten, al had ik maar behoefte aan hem dan ooit. Zelfs het stemmetje in mijn hoofd zweeg. Ik was alleen en voelde me verschrikkelijk verloren.
'Sta op, Violet.' Ik schrok van de woorden die plotseling in mijn oor werden gefluisterd. Ze kwamen niet van het stemmetje in mijn hoofd. Pas na een paar seconden besefte ik dat ik het zelf was die de woorden gesproken had. 'Kom op, Vi.' Fluisterde ik tegen mezelf. 'Je hebt je leven in eigen hand. Zorg dat je er wat van maakt.'

Ik zette de zware, rieten mand naast mijn voetnoot de grond en klopte op de deur. Ik hoopte vurig dat Pink niet opeens een aanval van braafheid had gekregen en naar school was gegaan - maar die kans schatte ik ook niet zo groot in.
Het duurde een hele tijd voor de deur open ging, en toen was het op een klein kiertje. Doordat het binnen donker was en buiten licht, kon ik onmogelijk zien wie er aan de andere kant van de deur stond. 'Pink?' Vroeg ik aarzelend. De deur ging iets verder open zodat ik het gezicht van de persoon die er achter stond kon zien. Het was inderdaad Pink, maar hij zag er verschrikkelijk uit - veel en veel slechter dan alle andere keren dat ik hem had gezien. Hoewel zijn huid - net als de mijne - altijd al bleek was geweest, was het nu vele malen erger. Bijna alsof je er doorheen kon kijken, alsof zijn huid op het punt stond transparant te worden. De donkere kringen onder zijn ogen waren ook mee vervaagd, maar tegelijk waren ze ook intenser geworden. Dit waren niet meer de gewone tekenen van ernstig slaaptekort. Hier was iets veel en veel ergers aan de hand.
'Mag ik binnenkomen?' Vroeg ik voorzichtig. De deur zwaaide nu helemaal open en Pink liet me binnen. Ik voelde meteen de gelijkenis - de gelijkenis met iets waar ik absoluut niet aan herinnerd wilde worden. Het huis, dat zo lang had leeggestaan, had na Pink's terugkeer weer iets bewoonds gekregen - al was het een slap aftrekstel van de vroegere huiselijkheid die het had uitgestraald. Maar zelfs dat kleine beetje was nu helemaal verdwenen. Het huis was weer even koud en verlaten was het was op de dag van mijn zestiende verjaardag. Alles wat los had gezeten was verdwenen en het was duidelijk dat er niet meer echt gewoond werd. 
Zonder iets te zeggen ging Pink me voor naar de woonkamer. In de openhaard brandde een klein vuurtje, want hoewel buiten de zon scheen was het best fris binnen. In de hoek naast de openhaard lag een matras met een keurig opgevouwen deken erop - onbeslapen. Ernaast stond een primus en een schoon bord, beker en bestekset. Die paar meubelstukken hadden de kamer er iets bewoonder uit kunnen laten zien, maar in mijn ogen bereikten ze juist het tegenovergestelde effect. Het was allemaal zo... onpersoonlijk. Als waren het museumstukken.
'Waar zijn de anderen?' Ik draaide me om en keek naar Pink die achter me in de deuropening was blijven staan. Hij keek naar de grond. 'Weg.' Mompelde hij. Ik ging er niet op door. Het ging me niets aan wat er tussen hem en zijn nieuwe vrienden speelde. Die gedachte deed pijn om te denken. Vroeger had ik alles van hem geweten, hadden we geen geheimen voor elkaar. Nu had ik het idee dat we geen van beiden de hele waarheid aan de ander vertelden. En hoewel ik geen dingen voor hem verborgen wilde houden wist ik dat er dingen waren die ik hem nooit zou kunnen vertellen.
Ik liep naar het raam en keek naar de zonovergoten straat buiten. Onwillekeurig sloeg ik mijn armen om mezelf heen en huiverde. Ik schrok toen er opeens iemand naast me stond. Het was Pink - dat viel te verwachten natuurlijk -, maar vreemd genoeg had ik hem niet aan horen komen, terwijl dat normaal gesproken wel het geval was. Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar zijn gezicht terwijl hij naar buiten keek. Pink was ook veranderd, misschien nog wel erger dan ik. Het vrolijke, onbezorgde jongetje dat alles van de positieve kant bekeken had had plaatsgemaakt voor een norsere, serieuzere en nuchtere volwassene. Ik besefte plots dat het deel dat verdwenen was ook het deel was geweest waar ik het meeste van had gehouden. Hoe langer ik hem bij me terug had, hoe meer ik het gevoel kreeg dat ik hem voorgoed was verloren en nooit meer terug zou krijgen.
Terwijl ik zo naar hem stond te kijken gebeurde er plotseling iets heel onverwachts en heel vreemds. Even leek Pink te... flikkeren. Als een lamp die het bijna begeeft en nog even hapert. Heel snel een paar keer uit en aan. Precies op die manier leek Pink ook een paar keer uit en aan te gaan.
Ik draaide zo snel mogelijk mijn hoofd naar hem toe om hem beter te kunnen zien - vanuit je ooghoeken zie je wel vaker dingen die er niet zijn -, maar toen stond hij weer in gewoon in zijn tastbare vorm naast me. Hij zag er in ieder geval erg massief uit.  Ik stak mijn hand uit om hem aan te raken - deels om mezelf gerust te stellen. Maar in plaats van dat ik de stof van zijn shirt en de stevigheid van zijn lichaam daaronder voelde ging mijn hand dwars door zijn schouder en arm heen. Ik deinsde geschrokken achteruit, maar Pink leek niet eens gemerkt te hebben dat ik daarnet mijn hand door zijn lichaam had gehaald. 'Pink.' Mijn stem klonk verstikt en er kwam bijna geen geluid uit mijn keel. Pink draaide zich meteen bezorgd nar me toe - dat deel van hem was er tenminste nog wel. Ik staarde hem met grote ogen aan. 'Wat is er, Vi?' Pink hief zijn hand, maar liet hem bijna meteen weer zakken.
'Wat is er?' Mijn stem sloeg over en de verstiktheid maakte plaats voor een scherp randje. 'Kan ik dat niet beter aan jou vragen?' Hij keek me stomverbaasd aan - hij had blijkbaar écht niet gemerkt wat er net gebeurd was - en legde een hand op mijn der. Heel licht, eigenlijk zonder me echt aan te raken. Ik tilde mijn hand op en probeerde de zijne aan te raken die vlak boven mijn schouder zweefde. Zoal ik al had verwacht ging ik er zo doorheen en legde ik mijn hand op mijn eigen schouder, half in de hand van Pink. Ik keek even naar onze handen en vervolgens naar Pink's gezicht. Hij knikte, heel rustig. 'Het spijt me zo, Violet.' Hij slikte om de brok in zijn keel weg te krijgen - wat hem niet lukte. Zijn stem klonk verstikt en bedroeft toen hij verder ging. 'Ik wil dit niet. Het spijt me zo.' Hij keek me smekend aan met zijn vreemde, kleurloze ogen. 'Ik hou van je.' Het was niet meer dan gefluister. 'God, wat jou ik veel van je. Je hebt geen idee.' Ik protesteerde niet. Ik zag dat hij het moeilijk had. 'Vergeet alsjeblieft niet,' ging hij verder, dwingender nu. 'Vergeet alsjeblieft niet dat, wat ik ook doe, wat er ook met me gebeurd en wilde keuzes ik ook maak...' Hij aarzelde even. 'Het zal altijd het beste zijn voor jou, Violet. Je bent belangrijker dan wat dan ook.' Ik knikte en wilde iets zeggen, maakt niet uit wat, maar kon de woorden niet vinden. Mijn hoofd was leeg.
'Ik ben ziek, Violet.' Zei Pink. De ernstige toon waarop hij het zei maakte me duidelijk hoe erg het was. 'Ik weet niet wat het is. Of wat ik eraan kan doen.' Beantwoorde hij mijn onuitgesproken vragen. 'Maar ik weet wel wat het doet.' Hij gebaarde naar zijn lichaam. 'Ik verdwijn. Ik heb niet lang meer, Violet.' Ik keek hem verschrikt aan. Meende hij dat nou? Verdween hij echt? Gewoon, zomaar in het niets oplossen? Ik wilde best geloven dat dat mogelijk was - wat was nou níet mogelijk de laatste tijd? -, maar dat het Pink, mijn eigen Pink, zou gebeuren... Dat kon niet. Dat mocht niet.
'En ik kan het niet stoppen, dat is nog het ergste. Er is geen remedie. Er is maar één ding dat het kan uitstellen.' Er klonk weer wat hoop door in zijn stem toen hij dat zei.
'Wat dan ook.' Mijn stem was schor en instabiel, maar de woorden kwamen naar buiten. 'Zeg het me. Wat dan ook. Als ik het je kan geven, dan zal ik het doen. Wat het dan ook is.'
Pink glimlachte. 'Dat is fijn. Want weet je, lieveling, het enige dat me uitstel kan geven, dat ben jij.'

Mara

8. Rose

Violet was bij Pink. Dat was niet erg, Pink wist het meeste toch al.
Toen ik bij zinnen kwam stond hij voorovergebogen over haar slappe lichaam heen en stak hulpeloos een hand naar haar uit - zinloos, hij zou dwars door haar heen gaan.
Ik besefte meteen hoe erg de situatie was - niet alleen voor Pink en Violet, maar ook voor mij. Als Pink zou verdwijnen zou dat voor niemand van ons goed zijn.
Pink draaide zich om zodra hij mij hoorde. 'Rose.' Zei hij dankbaar. 'Help me.'
Ik merkte het verschil meteen op. Tegen Violet ging het over hoe veel hij van haar hield en hoe erg het hem wel niet speet. Op mij had hij blijkbaar al zijn hoop gevestigd - hoewel ik zo ongeveer nog minder voor hem kon doen dan Violet, zelfs aan mijn aanwezigheid had hij niets. Ik wist niet wat ik liever had.
'Ik kan je niet helpen, jongen.' Zei ik afstandelijk. Maar toen ik zijn teleurgestelde, hopeloze gezicht zag werd ik wat milder. 'Hoe erg is het?'
Pink haalde zijn schouders op. 'Erg. Violet hield wel iets, maar dat was eerder gevoelsmatig dan dat ze me echt op aarde heeft gehouden. En nu ze weg is is dat ook verdwenen.' Hij keek even naar haar lichaam dat aan zijn voeten lag, als om zichzelf ervan te overtuigen dat ze er nog was en dat alles goed met haar ging. 'Ik kan niets aanraken.' Hij stak zijn arm tot over zijn elleboog in de muur naast hem. 'Maar ik heb nog wel genoeg energie om mijn voeten tastbaar te houden.'
Daar had ik nog niet aan gedacht. Maar anders zou hij natuurlijk allang door de vloer zijn gevallen. Ik besefte dat het hem wel veel energie moest kosten, zeker nu Violet hem niet meer kon helpen. Ik was ervan overtuigd dat hij meer aan haar aanwezigheid had dan hij toegaf.
'Gaat het makkelijker als haar lichaam in de buurt is?' Pink dacht daar even over na en fronste zijn wenkbrauwen terwijl hij zich concentreerde. Na een paar seconden schudde hij zijn hoofd. 'Nee. Het maakt niet uit of haar lichaam er is of niet. Als ze niet bij bewustzijn is doet ze niets voor me.' Ik knikte. 'Oké. Ik neem Violet mee naar haar eigen huis. En ik wil dat jij meegaat.' Pink maakte geen bezwaar en liep achter me aan toen ik met Violets lichaam over mijn schouder het huis uit liep. Ik zag dat hij haar graag zelf had gedragen - maar zelfs als dat had gekund en hij haar niet had laten vallen had ik het niet toegestaan.
We liepen in een rustig tempo door de straten. Alleen onze schaduwen op de muren verraadden onze aanwezigheid, geen van ons maakte geluid bij het lopen - ik was daarvoor gebouwd en getraind, Pink was simpelweg niet tastbaar genoeg om geluid te kunnen maken bij het lopen.
Toen we bij Violets huis aankwamen nam ik haar lichaam via de muur mee naar haar kamer. Ik was er nog niet uit hoe ik Pin naar boven moest krijgen, maar hij had zelf al een oplossing gevonden. Blijkbaar kon hij zich zo licht maken dat de zwaartekracht geen invloed meer op hem had en hij als een bleke schim langs de muur omhoog zweefde. Zodra hij bij het raam kwam werd hij weer zwaar en greep zich vast aan het raamkozijn - waarvoor hij zijn handen tastbaar moest hebben gemaakt. Met enige moeite trok hij zich naar binnen en bleef even in de vensterbank zitten. Ik kon de sterren door zijn gezicht heen zien en vroeg me af hoeveel energie dit grapje hem gekost had. De verleiding was groot om hem te vragen hoe hij zich voelde, maar ik wist dat ik daar toch nooit een eerlijk antwoord op zou krijgen - hoewel ik liever de waarheid hoorde, hoe hard die dan ook was.
Ik wenkte Pink en hij boog zich over Violets lichaam heen dat op het bed lag. Hij stak een hand uit en streek een pluk haar uit haar gezicht - blijkbaar waren zijn handen nog steeds tastbaar.
'Doe nou niet.' Siste ik tegen hem. Hij draaide zijn hoofd verbaasd naar me toe. 'Dat tastbaar zijn. Laat het gewoon, op je voeten na. Het slurpt alleen maar energie weg.' Pink knikte en boog zich van Violet af. 'Je hebt gelijk.' Zei hij droevig. 'Maar het is... moeilijk. En ik heb toch niet lang meer. Ik vraag me af of ik de volgende dag nog ga halen.' Ik keek hem geschrokken aan. 'Natuurlijk ga je de volgende dag nog halen! Dat moet wel!' Het kwam er feller uit dan ik had gewild. Pink keek me even onderzoekend aan maar ging er niet op door. 'Jij weet niet hoe ik me voel, Rose. Het is verschrikkelijk. Het trekt. Ik voel me echt alsof ik elk moment zo meegesleurd kan worden, naar...' Hij keek omhoog. 'Ik weet het eigenlijk niet. Waar ga ik heen, Rose?'
Ik wist niet zeker of hij een antwoord verwachtte, maar ik gaf het hem toch. 'Naar huis.' Zei ik zacht. 'Je gaat terug naar waar je vandaan komt. Je zal het herkennen. Je zal je er veilig voelen, veilig zíjn. En je zult er meer te weten komen, denk ik. Maar wat weet ik er nou van?' Ik voelde dat dit gesprek de verkeerde kant op ging - ik had geen behoefte het bezoek van die man weer ter sprake te brengen. 'Als ik jou was zou ik maar gewoon blijven staan - dat kost het minste energie, toch? - en er maar het beste van hopen. Ik kan echt niets voor je doen.'
Pink knikte. 'Wees eerlijk tegen me, Rose. Ik bedoel écht eerlijk. Ik wil de waarheid horen.' Ik keek op, knikte toen. Ik wilde best eerlijk tegen hem zijn, en als dat niet kon kon ik hem altijd nog een leugen voorschotelen. Ik had geen moeite met liegen, het was mijn tweede natuur.
'Hoe groot is de kans dat ik de ochtend haal?' Vroeg Pink. 'Ik wil een eerlijk antwoord!'
Goed. Als hij een eerlijk antwoord wilde, kon hij dat krijgen. 'Nou... Ik zal eerlijk tegen je zijn, Pink. Je hebt recht op de waarheid. Maar ik kan niets met zekerheid zeggen, bedenk dat alsjeblieft goed. Ik ben net zo onbekend met... jouw soort als jijzelf.' Dat was niet helemaal waar, maar het veranderde toch niets aan mijn uiteindelijke antwoord. Pink hoefde ook weer niet álles te weten. 'Maar eerlijk gezegd ziet het er niet zo goed uit. Je begint nu echt te vervagen, het is al behoorlijk ernstig.'
'Dus je denkt niet dat ik het ga halen?' Vroeg Pink somber. Ik beet op mijn lip. 'Nou ja... het kán wel natuurlijk. Maar ik ben bang van niet.' Dat was inderdaad waar. 'Maar het kán wel, Pink. Je moet er alles, maar dan ook alles aan doen om te zorgen dat je hier blijft. We hebben je nodig.' Ik gebruikte automatisch het meervoud. We. Violet en ik.
Pink keek me aan met in zijn ogen een mengeling van verbazing, geschoktheid en sarcasme. 'Wat dacht je dan, Rose? Dat ik weg wíl? Denk je dat ik niet mijn uiterste best doe om hier te blijven?' Zijn stem werd steeds harder en bozer.'Niet dat deze rotzooi hier me iets kan schelen. Als Violet er niet was geweest, was ik hier allang weg. Maar ik kan haar toch niet achterlaten?' Hij schreeuwde nu zo hard dat ik bang was dat Violets ouders het zouden horen en ik keek angstig naar de deur. 'Rustig, Pink.' Zei ik op dwingende fluistertoon. 'Je moet niet zo schreeuwen.' Pink haalde diep adem, maar zijn gespannen, trillende spieren ontspanden zich niet.
'Pink, je doet het geweldig.' Zei ik op sussende toon om zijn woede wat te bedaren. 'Echt. Ik weet hoe moeilijk dit voor je is, maar je bent al zo ver. Doe het voor Violet. Doe het voor mij.' Pink trilde nu over heel zijn lichaam. Hij had zijn vuisten gebald en zijn ogen stijf dichtgeknepen in een poging zich tot het uiterste te concentreren. Het was verbazingwekkend hoe snel hij achteruit ging. Ik kon de voorwerpen die achter hem stonden al vaag onderscheiden, hij was niet meer dan een ijle schim. Het trillen werd steeds erger en ging over in schokken en stuiptrekkingen. Was dit het einde? Het zou me niets verbazen.
'Rose...' Zei Pink moeizaam. Ik stond meteen naast hem. 'Pink?' Vroeg ik bezorgd. 'Pink, gaat het?' Hij beet op zijn lip en schudde zijn hoofd. 'Nee.' Zei hij gekweld. 'Nee, het gaat niet. Help me, Rose.' Ik voelde paniek in me opwellen. 'Ik kán je niet helpen!' Ik probeerde mijn stem rustig te houden, maar kon niet voorkomen dat er een beetje van mijn hysterie in doorklonk. 'Je moet dit zelf doen, Pink. Alleen. Maar ik weet zeker dat je het kan.' Ik aarzelde even en dacht na. 'Kijk naar haar, Pink.' Hij deed meteen wat ik zei en draaide zijn hoofd naar het lichaam op het bed, dwong zichzelf zijn ogen te openen en naar Violet te kijken. 'Je wilt haar niet nog eens verliezen, toch?' Hij schudde zijn hoofd zonder zijn ogen van haar af te wenden. 'Goed. Je houdt van haar. En zij houdt van jou. Ooit was jullie band ongelooflijk sterk. Probeer die band, dat gevoel terug te krijgen. Concentreer je daarop.' Pink keek strak naar het lichaam van Violet en grimaste. 'Ik houd het niet meer, Rose.' Gromde hij tussen zijn opeengeklemde kaken door. 'Je moet. Nog heel even. Zorg dat je met Violet in verbinding komt te staan, net zoals vroeger.'
Het bleef even stil terwijl Pink mijn opdrachten probeerde uit te voeren. Na een paar minuten werd hij wat rustiger en knikte hij. 'Volgens mij heb ik het.' Mompelde hij haast zonder zijn lippen te bewegen om zijn concentratie niet te verliezen.
'Geweldig.' Zei ik zacht en vol bewondering. Als het hem echt gelukt was, was dat een ongelooflijke prestatie. 'Hou het vast. Laat het niet tussen je vingers door glippen. En probeer dan, heel voorzichtig, een beetje van Violets energie over te nemen. Probeer het uit, speel ermee, maar blijf uiterst voorzichtig. Dit kan haar dood worden, als je onvoorzichtig te werk gaat.'
Pink vertrok zijn gezicht, maar even later ontspande hij en glimlachte. 'Wauw.' Zei hij opgelucht. Hij bracht zijn handen naar zijn gezicht en keek ernaar. Toen liep hij naar me toe en omhelsde me - heel zijn lichaam was weer tastbaar. Ik duwde hem onmiddellijk van me af. 'Wat doe je? Idioot! Laat los!' Siste ik woedend. Pink keek me verbaad aan. 'Wat bedoel je? Wat moet ik loslaten?'
'Je tastbaarheid!' Zei ik, nog steeds ontzettend kwaad maar iets gekalmeerd. 'Snap je het dan niet? Je staat nu zo nauw met Violet in verbinding, dat je haar energie voor jezelf kan gebruiken. Door haar sta je hier nu nog. Maar dat zegt nog niet dat je er zo onzorgvuldig mee om kan springen. Je moet begrijpen dat de energie die voor één lichaam is bedoeld nu door twee lichamen wordt gebruikt. Ik heb geen idee hoeveel energie Violet nog over heeft. Hoelang jullie daar nog mee kunnen doen.' Pink keek me verschrikt aan en als het gekund had was hij beslist wit weggetrokken. 'Bedoel je... Is dit gevaarlijk voor Violet?' Vroeg hij angstig.
'Wel als jij je zo gedraagt.' Snauwde ik hem toe, de echte vraag ontwijkend. Maar Pink wist het antwoord toch al. 'Ik stop ermee.' Zei hij beslist en zonder dat er ook maar een spoortje van twijfel in zijn stem doorklonk.
'Nee, Pink.' Zuchtte ik vermoeid. 'Dat doe je niet.' Ik probeerde hem niet te overtuigen, ik stelde gewoon een feit vast. Pink's standvastigheid was in één klap verdwenen. 'Hoezo niet?' Vroeg hij onzeker.
'Ten eerste.' Somde ik op. 'Ziet Violet er nog prima uit. Ze zal echt niet zomaar sterven als jij een klein beetje van haar energie afsnoept. En als ze weer wakker wordt kan je wel zonder haar energie, denk ik. Bovendien gebruikt ze nu toch niet al haar energie. Ze slaapt niet gewoon, weet je. Haar lichaamsfuncties zijn tot het minimum gedaald, als een hele diepe winterslaap. Wat jij gebruikt heeft ze hoogstwaarschijnlijk niet eens nodig.
Ten tweede weet ik niet zeker wat gebeurd als je de verbinding tussen jullie nu verbreekt. Jij zou  bijna zeker weten verdwijnen, maar het zou best kunnen dat Violet dan hetzelfde lot wacht.' Dat schokte Pink. Ik ging snel verder. 'En ten derde houdt ze genoeg  van je om dit voor je te doen. Dit zou ook haar keuze zijn, ga daar maar van uit. En ik kan het weten.' Ik glimlachte naar hem en hij glimlachte terug, al was het zwakjes. Ik ging naast Pink in de vensterbank zitten en er viel een stilte. We waren beiden te zeer in beslag genomen door onze eigen gedachten om ons met de ander te bemoeien.

Mara

Je zult altijd zien: Als je het meeste verlangt naar een nacht die eindeloos lijkt te duren, krijg je die niet en is het ochtend voor je het weet. Omgekeerd geldt precies hetzelfde. Ik wilde het liefst van alles dat de zon eindelijk zijn verlossende licht over me heen liet schijnen, maar mijn wens werd natuurlijk niet ingewilligd.
Ik was alle besef van tijd verloren toen ik uit mijn gedachten opschrok. Eerst dacht ik dat Pink wat had gezegd. 'Wat?' Vroeg ik automatisch. Hij keek me afwezig aan en knipperde verbaad met zijn ogen. 'Wat?' Vroeg ook hij. 'Laat maar.' Mompelde ik afwezig en spitste mijn oren.
Tik. Een zacht, scherp geluidje bereikte mijn oren.
Tik. Tik. Nog twee. Ik draaide mijn hoofd om te horen waar het vandaan kwam.
Tik. Van rechts. Tik. Van links.
Tik.  Het klonk een beetje als steentjes die tegen elkaar werden geslagen. Of... Ik sprong overeind.
Tik. Tik. Ik schoof het gordijn voor het raam opzij en keek naar buiten, naar de tuin beneden het raam. Ik had gelijk. Vlak onder het raam stond een donkere figuur die net een laatste steentje omhoog gooide. Ik ving het met één snelle beweging van mijn hand op voordat het me kon raken. 'Wie ben je? Wat moet je hier?' Riep ik op gedempte toon naar beneden. Ik was niet zo bang meer dat de ouders van Violet wakker zouden worden - als ze door dat geschreeuw van Pink heen hadden geslapen konden ze heel wat hebben.
De figuur zette een stap achteruit zodat hij in het licht van de lantarenpaal achter hem kwam te staan en sloeg zijn zwarte capuchon naar beneden zodat ik zijn gezicht kon zien. Ik herkende hem meteen, al vond ik het moeilijk zijn aanwezigheid in deze context te plaatsen. Wat deed Jorad hier in vredesnaam?
'Ik ben Jorad.' Stelde hij zich - nogal overbodig, maar dat kon hij natuurlijk niet weten - voor. 'Ik kom voor Violet. Kan ik haar spreken?' Hij gebruikte hetzelfde gedempte geschreeuw als ik had gedaan, al was dat niet nodig geweest. Hij kwam dus voor Violet. Dat was ook wel logisch, eigenlijk, aangezien hij mij en Pink nog nooit had ontmoet. Maar waarom op zo'n onchristelijk tijdstip? 'Wat moet je van haar?' Vroeg ik achterdochtig. Ik moest koste wat kost voorkomen dat hij haar te zien kreeg - hij zou vast geen genoegen nemen met haar bewusteloze lichaam.
'Ik wil haar spreken.' Hield hij aan. Ik schudde mijn hoofd, al dacht ik niet dat hij dat kon zien. 'Ze slaapt. En ik ga haar echt niet wakker maken voor een onbekend persoon.' Zelfs als dat kon, was het logisch dat je zoiets niet deed. 'Ze kent me. Je kan het haar vragen, als je wilt. Maar het is belangrijk, zeg maar gerust noodzakelijk. Ik moet met haar praten.' Zei Jorad dringend.
We moesten er belachelijk hebben uitgezien. Een man van in de dertig die onder het raam van een bijna zeventienjarig meisje stond en op gedempte, boze schreeuwtoon een gesprek met haar voerde.
'Het is vast niet zo dringend dat het niet tot morgen kan wachten.' Ik wist dat ik verschrikkelijk brutaal moest overkomen, maar ik moest hem hier zo snel mogelijk weg krijgen. Ik had al genoeg problemen zonder dat hij daar ook nog eens bijkwam. Ik wierp een snelle blik op Pink die naast me stond - gelukkig bij het raam vandaan - en die me vragend aankeek. Tot mijn opluchting zag hij er behoorlijk stabiel uit, en ook met Violet leek alles goed te gaan. Ik legde even mijn vinger tegen mijn lippen en boog me toen weer uit het raam. Jorad stond er nog steeds - en hij zag er niet uit alsof hij van plan was snel te verdwijnen.
'Ze komt niet. Ga weg.' Riep ik hem toe. De meeste volwassenen hadden zulke taal waarschijnlijk niet gepikt, maar Jorad leek meer aanstoot te nemen aan de betekenis van mijn woorden dan aan de manier waarop ik ze had uitgesproken. 
'Ze komt niet.' Hij leek zich erbij neer te leggen, en heel even vlamde de hoop in me op dat hij weg zou gaan. Het was valse hoop. 'Kan jij dan niet even naar beneden komen?' Vroeg hij. Ik wist dat ik eigenlijk moest weigeren, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn verstand. Ik wilde weten waarom Jorad Violet zo per sé midden in het holst van de nacht moest spreken. En ik wilde weten wie hij was. Ik vertrouwde hem niet. Er was iets met hem... Iets waar ik mijn vinger niet op kon leggen.
'Goed.' Ik liet me van de vensterbank naar buiten glijden en liet me de twee meter naar beneden toe vallen. Ik landde ineengedoken op de grond en stond meteen sierlijk op. Het kon geen kwaad vast een beetje indruk op hem te maken, zo dacht ik. Indruk had ik in ieder geval gemaakt. Jorad stond vol verbazing naar me te kijken, zijn mond een klein beetje open. Ik liep naar hem toe en glimlachte liefjes. 'Nou? Wat wil je?' Hij knipperde even met zijn ogen en kneep ze toen tot spleetjes. 'Wie ben jij?' Vroeg hij achterdochtig. Ik stak hem mijn hand toe. 'Rose. Aangenaam.' Hij kéék niet eens naar mijn hand en ik liet hem verslagen weer zakken toen hij verder praatte. 'Ik vraag het je nog een keer: Wie ben je?' Zei hij zacht.
Ik rolde met mijn ogen en hij fronste. 'Rose. Ik ben de zus van Violet. Haar tweelingzus, wel te verstaan.' Jorad deed zijn mond open om iets te zeggen maar ik gaf hem de kans niet. 'Ja, ik lijk niet op haar, ik weet het. Twee-eiig, je kent het wel.' Ze ik ongeduldig. Jorad deed zijn mond weer dicht en knikte langzaam. 'Weet je...' Zei hij na een korte stilte. 'Ik geloof je niet.' Daar schrok ik van. Dit was wel een héle rechtstreekse aanval. En hoezo geloofde hij me niet? Ik wilde protesteren, maar deze keer was hij het die mij geen kans daartoe gaf. 'Laat me uitpraten, Rose. Ik zal je zeggen wat ik denk, goed?' Ik knikte, maar zei niets. Jorad knikte ook. 'Goed. Je moet weten dat ik Violet pas gisteren...' Hij wierp een blik op het horloge aan zijn pols. 'Of eigenlijk eergisteren pas voor het eerst ontmoet heb. Ze zei dat Joachim Ruijssendahl haar oudoom was. En laat Joachim nou net die nacht zijn vermoord.' Ik kende het verhaal natuurlijk al, maar ik zei niets. Ik wilde het graag uit zijn mond horen.
'Ik kreeg de opdracht haar te vertellen wat er met hem was gebeurd. Dat wilde ik ook doen, snel en plichtmatig, maar zij onderbrak me en begon zelf over de moord na te denken. En met maar een kleine inbreng van mijn kant heeft ze de moord zelf opgelost. Ik was verbijsterd. Wie was dat meisje?' Hij keek even naar het raam boven mijn hoofd. Ik draaide me om en keek ook, maar er was niets te zien. 'Ga door.' Spoorde ik hem aan.
'Ik vroeg de commissaris naar haar, maar hij leek haar zich niet meer te herinneren. Alsof ze volledig uit zijn geheugen gewist was. Dat maakte me alleen nog maar nieuwsgieriger en ik was vastbesloten uit te zoeken wie dat meisje was. Er klopte iets niet met haar. Aan het einde van die dag heb ik nog met de politie gesproken, maar Joachim Ruijssendahl leek geen levende familieleden meer te hebben. Ik weet dat de politie best wel eens fouten maakt, maar toch was ik er vrij zeker van dat Violet tegen me had gelogen. Dat is op zich iets waar ik geen moeite mee heb - meestal hebben mensen er een goede reden voor als ze liegen -, maar ik was wel benieuwd naar Violets motieven. Dat is iets wat in mijn bloed zit, die nieuwsgierigheid.
Ik besloot dus om haar op te zoeken. Het was niet moeilijk haar te vinden. Ze had me de beste aanwijzing gegeven die maar mogelijk was: een naam. Kleine potjes hebben grote oren, moet je weten. Als iemand zich op de gang voorstelt terwijl de juiste deuren open staan willen woorden nog wel eens vreemde wegen volgen. Een naam was voor mij meer dan genoeg. In feite was het dodelijk simpel om achter haar adres te komen.' Hij gebaarde naar het huis achter me. Ik wilde vooral dat hij snel verder zou gaan en zijn verhaal af zou maken. Het was verbazingwekkend hoe hij dwars door Violet heen had geprikt. Ik had er absoluut geen spijt van dat ik had toegestemd met hem te praten.
'De volgende dag ben ik 's ochtends vroeg naar haar huis gekomen en ben haar gevolgd toen ze wegging naar het huis van die jongen. In de eerste instantie was het niet mijn bedoeling hen af te luisteren, maar toen ze bij het raam kwamen staan was de kans iets te mooi om te laten gaan. Je zal versteld staan als je weet hoeveel je door openstaande ramen kan opvangen.' Hij grijnsde naar me en ik keek woedend terug. Ik vroeg me af hoeveel hij van het gesprek tussen mij en Pink daarstraks had gehoord. Jorad kwam een stap naar voren zodat hij vlak bij me stond en ik voelde zijn hand om mijn pols sluiten. 'Er is iets met Violet. En met jou. Ik geloof niet dat jullie tweelingzussen zijn. En met die jongen is al helemaal iets vreemd aan de hand. Er hangt een raar luchtje om jullie heen. En ik wil weten waar het naar ruikt.' Zijn hand sloot zich nog iets strakker om mijn pols en hij bracht zijn gezicht vlakbij het mijne. Zijn ogen blonken koortsig in het maanlicht. 'En jij gaat het me vertellen, Rose. Of je het nu leuk vindt of niet, je gaat me alles vertellen, tot in de kleinste details.' Dat was duidelijke taal. Hij was klaar met zijn verhaal en wilde dat ik nu het mijne zou vertellen. Maar dat zat er helaas - voor hem dan - niet in vannacht. Ik sloot mijn vrije hand om zijn pols zodat het wat eerlijker verdeeld was - al was het eigenlijk nooit eerlijk, zelfs zónder armen was ik hem de baas. 'Dit spijt me echt, Jorad.' Zei ik gemeend. Het was ook waar. Ik had hem graag laten leven. Maar hij wist veel en veel te veel. Ik moest er wel een einde aan maken, ik had geen keuze.

Een kwartiertje later klom ik door het raam de kamer van Violet weer in en trok heel demonstratief het gordijn achter me dicht. Pink wendde vol afgrijzen zijn gezicht van me af.

Mara

#23
9. Violet

Ik werd wakker in mijn eigen kamer, hoewel het laatste beeld dat ik me kon herinneren toch echt dat van de lege woonkamer van Pink was. Ik draaide me om - ik lag met mijn gezicht naar de muur - zodat ik mijn kamer in kon kijken en vloog recht overeind toen ik zag wie er aan mijn voeteneinde stond. Ik keek Pink verrukt aan. 'Je bent er nog.' Mijn stem protesteerde luidruchtig vanwege het vroege tijdstip, maar ik trok me er niets van aan. 'Je bent er nog!' Herhaalde ik, harder nu, en ik sprong uit mijn bed. Ik wilde hem omhelzen, maar bedacht me net op tijd en liet mijn armen weer slap langs mijn lichaam vallen. 'Je bent zeker nog niet tastbaar?' Vroeg ik hoopvol. Pink schudde vrolijk zijn hoofd - hij leek er zelf niet echt onder te lijden. 'Nee. Ik ben ook bang dat een douche nemen niet zoveel zin zal hebben.' Hij trok een pruillip en ik bedwong de neiging om hem op zijn hoofd te kloppen - of liever: mijn hand door zijn hoofd heen te halen. 'Nou... Als je er geen bezwaar tegen hebt zou ik wél even willen douchen.' Ik keek hem vragend aan. Pink schudde lachend zijn hoofd. 'Natuurlijk niet. Ik wil je wel even helpen hoor...' Hij liet zijn zin suggestief open en trok veelbetekenend één wenkbrauw op. Ik draaide me - diep beledigd - om en snoof luid. 'Met wat?' Vroeg ik sarcastisch. 'De shampoo aangeven?'
'Als ik toch eens tastbaar was...' Zei Pink dreigend.
'Dan had ik je zo'n ongelooflijke opdonder gegeven dat je zou willen dat je het niet was.' Vulde ik zijn zin koeltjes aan en maakte dat ik weg kwam.

Toen ik wat later de kamer weer binnenkwam stond Pink nog op exact dezelfde plek als toen ik weg was gegaan - misschien dat bewegen teveel energie koste. 'En?' Zei ik terwijl ik mijn borstel pakte en de klitten uit mijn haar begon te halen. 'Hoe gaat het? En ik wil een eerlijk antwoord. Spaar me niet.' Pink zuchtte. 'Goed dan. Ik zal eerlijk zijn. Je weet al dat jouw aanwezigheid het makkelijker voor me maakt. Maar vannacht...' Ik gebaarde naar hem dat hij zijn mond moest houden - wat hij onmiddellijk deed - en legde mijn borstel naast me neer. Er was plots een idee bij me opgekomen. 'Zeg me eerst iets anders, Pink - en ook eerlijk zijn! Wat is er vannacht met me gebeurd?' Pink antwoordde meteen en zonder aarzelen - bijna té snel. 'Je viel plotseling in slaap. Zomaar uit het niets. En je was met geen mogelijkheid wakker te krijgen, wat ik ook probeerde. Als of je in coma lag of zoiets. Ik heb je maar naar huis gebracht, en ik ben bij je gebleven voor het geval je wakker zou worden. Dat gebeurde daarnet pas.' Hij keek me onzeker aan. Ik knikte. Hij had geen idee hoe opgelucht ik was. Als ik echt de hele nacht geslapen had en hij bij me was geweest kon ik onmogelijk verantwoordelijk zijn voor de moord die vannacht gepleegd was - want dát er een moord gepleegd was, was me wel duidelijk.'Ga verder.' Zei ik tegen Pink terwijl ik mijn laptop aanzette.
'Ja... Natuurlijk.' Zei hij. 'Je maakt het dus makkelijker voor me. Maar toen je sliep vannacht, was die hulp helemaal verdwenen. Het was verschrikkelijk zwaar, soms hield ik het bijna niet meer uit. Dan was het slechts de gedachte aan jou die ervoor zorgde dat ik nog een laatste beetje krachtin mezelf vond.' Hij keek me niet aan, hoewel ik omgekeerd op mijn bureaustoel zat en wel naar hem keek. Ik kon de pijn en de moeite die hij had moeten doen in zijn stem horen en had het gevoel dat ik van binnenuit door medelijden verscheurd werd.
'Net op het moment dat het heel erg was, toen ik het gevoel had dat deze wereld langzaam maar zeker uit mijn vingers gleed, gebeurde er iets vreemds. Ik was me plotseling heel erg bewust jou. Van hoeveel ik van je hou. En ik leek opeens weer meer kracht te krijgen. Niet het laatste restje uit mijn eigen lichaam, maar hele nieuwe kracht.' Plotseling keek Pink me recht aan. 'Die kwam van jou, Violet. Ik kon jouw energie gebruiken om hier te kunnen blijven. Het was zelfs zo krachtig dat ik weer tastbaar kon worden - wat ik niet deed, want het vergde allemaal energie van jou. Ik heb de hele nacht gebruik gemaakt van jouw kracht. Dat heeft me gered.'
Ik keek hem verbijsterd aan. Hij zag de blik in mijn ogen - maar vatte die verkeerd op. 'Wees niet boos, Vi! Ik ben er al mee opgehouden - zodra je wakker werd al! Het mag dan wel iets zwaarder voor me zijn, maar jouw aanwezigheid helpt best wat... Ik kan het wel aan. Maar het was mijn enige optie, Vi! Als je het niet wilt... dan zal ik het vannacht niet meer doen.' Zei hij met lichte paniek in zijn stem. Ik sprong op. 'Natuurlijk niet, idioot! Dat is juist geweldig! Echt. Dat ik je kan helpen. Dat had ik eerder moeten weten. God, je mag zoveel energie van me hebben als je wilt! Je mag het allemaal hebben als het nodig is. Snel, je moet wat overnemen!'
Pink leek even te aarzelen, maar had zijn besluit al vrij snel genomen. 'Vindt je het echt niet erg?' Vroeg hij onzeker. Ik schudde heftig met mijn hoofd. 'Ik ben juist enorm blij dat ik iets voor je kan doen, snap dat dan. Jij kan elk moment verdwijnen, en het enige waarmee ik je kan helpen is door er te zíjn! Dus doe het nou maar gewoon.'
Pink knikte en sloot zijn ogen. Ik bleef heel stil staan. Ik wist niet precies wat er van mij verwacht werd, maar aangezien ik de vorige keer sliep leek het me het beste om alles maar gewoon over me heen te laten komen. Pink bleef even onbeweeglijk staan, toen schudde hij geïrriteerd zijn hoofd. 'Het lukt niet.' Zuchtte hij. 'Alsof er iets geblokkeerd wordt of zo. Ik weet niet wat het is. Maar dank je, Vi. Je hebt geen idee hoeveel dit voor me betekend. Je bent geweldig.'
Ik liet me weer op mijn bureaustoel zakken en bewoog de muis van mijn laptop om de screensaver eraf te halen. Mijn bureaublad verscheen en het bekende pop-up scherm sprong omhoog.

Heb je lekker geslapen, Violet?
Jorad Tunnston

Rose


Dit was nieuw. Ik had al eens eerder geen naam gehad, of helemaal geen gepleegde moord, maar ik had nog nooit eerder zelf het adres moeten uitzoeken.
'Wat is dat?' Ik had helemaal niet gemerkt dat Pink achter me was komen staan - die ontastbaarheid begon me op mijn zenuwen te werken, ik hoorde hem nooit meer aankomen.
'De moord.' Zei ik zonder van het beeldscherm op te kijken. Ik had geen zin tegen Pink te liegen, hij wist toch bijna alles al. Bovendien was hij ook eerlijk tegen mij - tenminste, daar ging ik maar van uit. Ik vertrouwde hem volledig. Wat moest ik anders?
'Meestal - eigenlijk altijd - staat er ook een adres bij.' Legde ik uit. 'Maar het ziet er naar uit dat ik daar deze keer zelf achter moet komen.' Ik legde mij hoofd in mijn handen en zuchtte moedeloos. Ik had geen idee waar te beginnen.
'Ik kan je helpen.' Zei Pink zacht. Ik draaide me meteen om. 'Echt? Meen je dat? Hoe dan?' Vroeg ik ademloos. 'Doe het gordijn maar open.' Pink gebaarde naar het raam naast mijn bureau. Ik schoof het gordijn opzij zodat ik de straat voor mijn huis kon zien. Ik liet mijn ingehouden adem zachtjes ontsnappen. 'O.' Zei ik verslagen. 'Nou. Dat is heel eh...' Pink legde me met een sarcastische blik het zwijgen op. 'Je wilde toch niet echt 'mooi' zeggen, hè?' Ik staarde nog steeds naar buiten. 'Kom nou, Violet. Dit is afschuwelijk. Welk normaal mens doet nou zoiets?' Zijn stem droop van de afschuw. Ik kon niet anders dan hem gelijk geven. Het wás ook afschuwelijk. Meer zelfs. Het was verschrikkelijk wreed. Alleen iemand bij wie echt alle stoppen zijn doorgeslagen zou zoiets doen.
'Wat een mensen.' Mompelde Pink achter me. Ik knikte zonder om te kijken. 'Sensatiezoekers.' Zei ik minachtend. Er waren inderdaad een boel mensen op straat. Politie, inderdaad - geen bekenden deze keer -, maar ook nieuwsgierige buurtbewoners en toevallige voorbijgangers. Ze stonden allemaal op de stoep vlak voor mijn huis en verdrongen zich om een met roodwit politielint afgezette lantarenpaal. Het was wel duidelijk waarom. Aan het horizontale deel van de lantarenpaal hing een touw van een halve meter. Onder aan dat touw hing Jorad. Hij was opgehangen - de traditionele touw-om-nek manier -, maar het was niet duidelijk of dat ook de doodsoorzaak was.  Ik stond te ver weg om het echt goed te kunnen zien, maar zelfs vanuit mijn ongelukkige positie was duidelijk dat zijn lichaam hevig toegetakeld was.
Ik wendde mijn gezicht van het raam af en schoof het gordijn weer dicht. Ik kon er niet langer naar kijken. 'Gaat het, Vi?' Vroeg Pink bezorgd. Ik knikte. 'Jawel. Het is niets.' Ik slikte en glimlachte zwakjes. 'Dank je, trouwens.' Pink glimlachte ook. 'Ach, je had het zonder mijn hulp ook wel gevonden, denk ik. Zo moeilijk was het niet.' 'Nee.' Gaf ik toe. 'Maar toch bedankt.' Pink knikte hoffelijk. 'Tot uw dienst, mevrouw.'
Ik aarzelde even. 'Zeg Pink... Maakt het uit waar je bent? Ik bedoel, kost het meer energie als je iets doet, of is dat om het even?' Pink dacht even na. 'Nee. Als ik mezelf niet tastbaar maak en bij jou  in de buurt blijf, kan ik best ergens heen. Maar hoezo?' Hij keek me vragend aan. 'Heb je een plotselinge drang gekregen om gewoon naar school te gaan?' Ik schudde mijn hoofd. 'Natuurlijk niet. Maar ik word gek als ik de hele dag binnen blijf zitten.' Pink knikte begrijpend. ' Ja. Daar kan ik wel inkomen.'  Toen brak er een lach door op zijn gezicht en hij spreidde zijn armen alsof hij een denkbeeldig iemand wilde omhelzen. 'Maar de dag ligt voor ons open! Zeg het maar, wat gaan we doen?'

Ik had mijn keuze snel gemaakt. Het was weinig origineel - dat wist ik -, maar in de dierentuin samen met Pink leek net een droom. Het was heel rustig - iedereen zat gewoon op school, er waren alleen een paar schoolklassen die makkelijk te ontwijken waren en wat oude mensen. We hadden de hele dag de tijd en absoluut geen haast. Het was geweldig. Die middag lukte het me alles even te vergeten en alleen maar naar het hier en nu te kijken. Vooruit denken was niet zo'n goed idee - ik had geen flauw benul hoe het verder moest. Want hoewel het best goed leek te gaan met Pink - naar omstandigheden dan - wist ik dat hij dit niet eeuwig zou volhouden. Bovendien leefde hij zo maar een half leven. Een leven als schim tussen de mensen. En dan bestond er zelfs nog de kans dat hij vannacht niet genoeg had aan zijn eigen energie en op de één of andere manier ook niets meer van mij over zou kunnen nemen.
En dat was dan allemaal nog op relatief korte termijn. Ik moest er niet aan denken hoe de rest van mijn leven eruit zou gaan zien. Ik had dan wel meer toekomst dan Pink, maar een leven zonder hem... De glimp die ik daarvan had opgevangen was meer dan genoeg geweest om me te laten beseffen dat ik dat niet aankon. Zonder hem had ik simpelweg geen leven meer. Alles liever dan dat ik nog een keer van hem gescheiden werd. Echt alles.
Maar terwijl ik met Pink in de zon liep  en naar de dieren keek die stuk voor stuk een zorgeloos leven leken te leiden lukte het me alles even van me af te zetten. Ik wentelde me in een heerlijke nevel die me de toekomst liet vergeten. En hoewel ik wist dat die nevel veel te snel weer op zou trekken had ik het gevoel dat deze dag voor eeuwig duurde.
Alles ging geweldig. Pink en ik lachten, plaagden elkaar en slenterden tussen de dierenverblijven door, precies zoals we altijd hadden gedaan. Pink leek nergens last van te hebben en zag er goed uit - of in ieder geval niet slechter.
Ik was er dan ook totaal niet op voorbereid toen hij opeens stokstijf stil bleef staan en scherp inademde. Ik draaide me meteen naar hem toe. 'Pink?' Vroeg ik angstig. 'Pink, wat is er?' Pink staarde over mijn schouder naar een punt in de verte en leek zich niet bewust van zijn omgeving. Ik stond machteloos naast hem - het was ontzettend frustrerend om niets te kunnen doen. Ik knipperde verbaasd met mijn ogen - en hij was verdwenen. Helemaal weg, in het niets opgelost. Ik zette een stap naar voren zodat ik op de plek kwam te staan waar hij eerder had gestaan. Minder dan een seconde later werd mijn zicht vertroebeld en zette ik geschrokken een stap achteruit - weg uit het lichaam van Pink dat plotseling weer was verschenen. Hij was heel flets, ik kon elk afzonderlijk blaadje van de boom achter hem onderscheiden. Maar hij was er tenminste weer. Dat was al zoveel meer dan waar ik op had durven hopen.
'Pink, blijf hier!' Riep ik hem doodsbang toe. Hij gaf geen enkel teken dat hij me gehoord had - ik wist niet zeker of hij zich op auditief en visueel gebied wel in dezelfde dimensie bevond als ik. Maar ik kon niet helemaal níets doen - ik voelde me toch al zo machteloos - dus bleef ik tegen hem praten, op dringen, zachte toon. 'Het komt wel goed, Pink. Je kan het. Ik geloof in je, ik vertrouw je. Ik kan je niet missen, Pink. Zonder jou ben ik niets. Ik hou van je. Echt ongelooflijk veel.' Ik beet op mijn lip. 'Probeer het nog een keer, Pink. Probeer nog een keer mijn energie over te nemen. Ik zal je alles geven wat j wilt! Je moet het nog een keer proberen!' Mijn stem werd steeds harder en harder en mijn laatste woorden schreeuwde ik bijna. Er was gelukkig niemand in de buurt - we moesten er heel vreemd uit zien.
'Toe nou, Pink.' Smeekte ik. 'Doe het dan voor mij. Je móet het proberen. Ik verlies je Pink, en dat kan ik niet aan!' Eindelijk gaf Pink een teken van leven. Hij draaide zich langzaam - o zo langzaam - naar me toe. 'Concentreer je, Violet.' Zijn stem was niet meer dan gefluister, haast onverstaanbaar. 'Stel je voor me open.' Ik moest bijna liplezen om het te kunnen verstaan. En nog begreep ik het niet. Ik had geen idee wat hij nou eigenlijk van me wilde. Ik sloot mijn ogen en concentreerde me, precies zoals hij gezegd had.
Eerst gebeurde er niets, had ik alleen maar het gevoel dat we hersenspinsels najaagden en dat dit nooit zou gaan werken. Toen ging alles opeens heel snel. Ik besefte niet wat er precies gebeurde, maar van het ene op het andere moment was ik een deel van mijn energie kwijt. Het was niet echt vermoeidheid wat ik voelde, al komt dat nog het meeste in de buurt. Het was in ieder geval ontzetten donaangenaam, maar toen ik mijn ogen weer opende en naar Pink keek wist ik weer waarom ik het deed en kon het me niets meer schelen. Pink was niet meer echt transparant, al was hij bleker dan eerst. Maar hij was er weer en keek me stralend aan. 'Het is gelukt!' Zei hij, uitzinnig van vreugde. Toen zag hij mijn gezicht en maakte de blijheid op zijn gezicht plaats voor bezorgdheid. 'Hoe voel je je, Vi?'  Vroeg hij bezorgd. 'Als het niet gaat...' Zijn zin stierf langzaam weg. Als het niet ging, was dit zijn einde. Ik wist een waterig glimlachje te produceren. 'Het gaat best.'  Zei ik zwakjes. 'Ik weet nu in ieder geval hoe jij je de hele tijd voelt.' Pink glimlachte ook. 'Maar je bent nog wel tastbaar, toch?' Vroeg hij. Ik knikte. 'Ja. Toen jij... mijn energie afnam was het meteen wel heel veel, vreemd genoeg. Ik had eigenlijk verwacht dat het langzaam zou gaan, zeg maar. Dat je gewoon steeds meer en meer zou wegnemen. Maar dit leek in één klap te gaan.' Pink fronste. 'Dat is ook zo. Dat het langzaam gaat, bedoel ik. Ik snap niet helemaal waarom het meteen zo veel was...' Hij dacht even na. 'Wacht eens...' Zei hij tenslotte langzaam. 'Ik heb daar eigenlijk wel theorieën over.' Zonder af te wachten of ik ze wel wilde horen ging hij verder. 'Het zou natuurlijk kunnen dat dat altijd gebeurd als zoiets in gang gezet wordt - van de eerste keer herinner jij je natuurlijk niets. Dat lijkt me persoonlijk best wel onwaarschijnlijk.
Mijn andere - geloofwaardigere - theorie is deze: Het ging daarnet echt niet goed met me, dat heb je zelf kunnen zien. Ik was even zelfs helemaal verdwenen, al kwam ik bijna meteen weer terug. Maar ook toen was ik niet echt aanwezig hier. Ik kon jij bijvoorbeeld wel horen, maar in de eerste instantie kon ik niet met je praten of zelfs maar bewegen. Als die extra energie die ik van je heb afgenomen was denk ik nodig om me, zeg maar, weer op een acceptabel energieniveau te krijgen. En als dat echt het geval is - waar ik eigenlijk wel van uit ga - betekend dat dat ik ook nog energie van je af zal blijven nemen, zolang als ik die verbinding in stand hou.' Hij keek me aarzelend vanonder zijn neergeslagen wimpers aan. In mijn stem was niets van aarzeling te bekennen toen ik hem antwoord gaf. 'Klink logisch. Ik vind het niet erg.' Verzekerde ik hem op luchtige toon. 'Ik zei toch al dat je alles mag hebben, als je dat wilt. Dat meende ik, echt. Mijn energie is de jouwe, zolang als je het nodig hebt.' Pink glimlachte naar me op precies hetzelfde moment dat ik naar hem lachte. En hoewel ik wist dat we ons in een  uitzichtloze situatie bevonden voelde ik me even, heel even, volmaakt gelukkig.

Een uurtje later waren we weer op mijn kamer. Het had ons allebei beter geleken naar huis te gaan, hoewel het vreemde gevoel dat ik had sinds Pink een deel van mijn energie had afgenomen er niet minder erg van werd. Eigenlijk werd het alleen maar sterker. Ik zat op mijn vensterbank - zodat mijn hoofd ongeveer op gelijke hoogte was met dat van Pink - en voelde me buitengewoon slapjes. Ik dacht niet dat ik ook het risico liep om te verdwijnen, maar ik voelde me echt niet goed. Pink en ik hadden de hele weg terug niets gezegd en ook nu hing er een stilte tussen ons in - het was niet echt een onaangename stilte, al kreeg ik er wel een vreemd gevoel van. Ik keek omhoog naar Pink's gezicht, dat haast net zo vertrouwd was als mijn eigen. 'Ik ben bang.' Hoorde ik mezelf zeggen zonder dat ik controle over mijn stem had. Pink keek me bezorgd aan. 'Waarom? Je bent veilig, Vi. Ik zou jou nooit iets laten overkomen, dat weet je toch?' Ik knikte. 'Ik ben bang voor de toekomst. Voor morgen.' Zei ik met een klein, angstig stemmetje. Pink's bezorgdheid maakte plaats voor verbazing. 'Hoe kan je nou bang zijn voor wat er morgen gaat gebeuren?' Vroeg hij. 'Morgen ben je jarig! Dat hoort de gelukkigste dag van het jaar te zijn!' Voordat ik de kans kreeg iets te zeggen ging hij verder. 'Ik zal er morgen echt nog wel zijn. Dat beloof ik je. Het gaat zoveel beter nu.' Ik schudde mijn hoofd. 'Dat is het ook niet.' Ik aarzelde even voor ik verder ging. Ik wist niet zeker of ik Pink dit wel moest vertellen - niet dat ik dingen voor hem wilde verzwijgen, ik was alleen bang voor hoe hij erop zou reageren. Maar wie A zegt moet ook B zeggen. Nu kon ik niet meer terug. 'Ik heb het gevoel dat morgen beslissend is.' Zei ik onzeker en ik keek naar de grond. 'Ik weet niet in welk opzicht of zo, alleen dat er morgen iets heel erg gaat veranderen. Ten goede of ten kwade.'  Ik keek Pink van onder mijn wimpers schuchter aan. Zijn gezicht stond heel serieus en hij knikte. 'Wat het dan ook is, Violet, ik zal je helpen als ik kan. Als er ook maar iets is wat ik kan doen waar jij voordeel van hebt, zal ik mijn uiterste best doen om dat voor elkaar te krijgen.'

Mara

9. Rose

De eerste emotie die ik voelde toen ik bij zinnen kwam was er één die ik niet vaak voelde. Maar ik was toch echt vertederd toen ik Violet op haar bed zag liggen, haar ogen gesloten en met één arm slap over de rand naar beneden bungelend. Pink stond naast haar als een trouwe bewaker die zijn beschermelinge tot het uiterste zou verdedigen.
'Jullie hebben het geweldig gedaan vandaag.' Prees ik hem. Pink glimlachte. 'Ze is echt geweldig.' Zei hij met een liefdevolle blik op Violet.
Ik rolde met mijn ogen. 'Maar je begrijpt dat het zo niet door kan gaan, toch?' Hielp ik hem uit de droom. 'Je kan niet voor altijd gebruik blijven maken van Violets energie. Het is net als een drug: je raakt eraan gewend. En je hebt er steeds meer van nodig. Ze kan het nu nog wel aan, maar ik betwijfel of jullie morgen nog steeds genoeg hebben aan enkel haar energie.' Pink gezicht betrok. Ik vroeg me af of hij er echt van uit was gegaan dat hij voor altijd Violets energie kon gebruiken.
'Maar...' Gin ik glimlachend verder. 'Ik denk dat ik de oplossing heb gevonden.' Pink keek me ongelovig aan. 'De oplossing? Wat dan?' Het was duidelijk dat hij me niet helemaal geloofde. Dat was ook wel logisch, ik had het ook niet gedaan als iemand dat tegen me had gezegd. Maar het was noodzakelijk dat hij met me mee zou gaan. 'Ik weet het natuurlijk niet zeker... Maar de kans is groot dat het echt gaat werken.' Ik deed mijn best zo overtuigend mogelijk te klinken.
'Wat dan?' Vroeg Pink nogmaals. Ik schudde mijn hoofd. 'Dat kan ik je niet zeggen.'
Pink trok een gezicht, dus ik ging gauw verder. 'Je moet me vertrouwen, Pink. Ik weet dat ik niet echt... de juiste persoon ben om te vertrouwen, maar je zal wel moeten. Dit kan zo niet doorgaan, Pink, en dat weet jij zelf ook. Ik kan je helpen, denk ik, maar ik kan je niets vertellen. Je zult gewoon met me mee moeten gaan, dan zal je het vanzelf wel zien. Als alles goed gaat, ben je daarna uit de problemen.'
Pink keek me achterdochtig aan, maar zag de logica blijkbaar achter mijn theorie. 'Goed.' Zei hij ontoegeeflijk. 'Waar gaan we heen?' Ik knikte. 'Goed zo. Je bent blijkbaar toch in staat de juiste keuzes te maken.' Pink rolde met zijn ogen.
'Maar je moet begrijpen dat ik je ook niet kan vertellen waar we heen gaan. Je zult echt op mij moeten vertrouwen.' Zei ik genadeloos. Ik kon aan Pink zien dat hij het niets vond, maar hij had geen andere keuze. Zonder mij was hij echt nergens meer, hij zag zelf ook wel in dat dit geen oplossing voor de lange termijn was.
'Kom.' Ik wenkte hem terwijl ik naar de deur liep. Met nog een laatste blik op Violet kwam Pink achter me aan. We namen de trap naar beneden - ik wilde Pink niet nacht eens zo'n trucje met het raam laten uithalen - en ik opende heel zachtjes de deur om de ouders van Violet niet wakker te maken. Het scheelde daarbij wel een boel dat Pink geen geluid meer maakte.
Eenmaal buiten begon ik wat sneller te lopen - maar wel zo langzaam dat Pink me makkelijk bij kon houden. Maar al na een paar meter vroeg Pink me om te stoppen. De klank in zijn stem maakte dat ik hem onmiddellijk serieus nam. 'Wat is er?' Vroeg ik bezorgd. Er moest nu echt niets mis gaan, één minuscuul foutje kon alles verpesten.
'Het gaat niet.' Zei hij angstig. 'Zodra ik bij Violet wegging voelde ik die band, waardoor ik energie kreeg, breken. En nu voel ik mijn energie wegstromen. Het gaat niet. Ik moet terug.' De paniek was duidelijk hoorbaar in zijn stem. Ik dacht een seconde lang na, toen had ik de oplossing gevonden. 'Wacht even. Blijf staan en verroer je niet.' Beval ik hem. Ik dook een zijstraatje in en was binnen een paar seconden weer terug met een dikke, grijze kater in mijn armen. 'Leg nu diezelfde verbinding als je met Violet had met deze kat. Geloof me, dieren hebben een hele simpele geest, het zal je geen enkele moeite kosten om binnen te komen.' Pink keek me even verbaasd aan, maar stelde geen vragen.
'Ja.' Zei hij nog geen seconde later. 'Gelukt. Dat voelt al beter. Al vind ik het een weerzinwekkend idee dat ik nu op de energie van een kát leef.'
Ik grijnsde. 'Dat kan ik begrijpen. Maar geloof me, je zult me er dankbaar voor zijn. Na vanavond heb je hoogstwaarschijnlijk helemaal geen energie van iemand anders meer nodig.'
We liepen weer verder, ik met de kat in mijn armen die als protest zijn nagels diep in mijn armen boorde. Ik voelde het niet. Geen van ons beiden wilde de stilte verbreken die tussen ons in hing. We waren allebei te druk bezig met onze eigen gedachten. De mijne tolden in het rond als een op hol geslagen draaimolen. Ik was tegen Pink aan het liegen. Glashard aan het liegen. Natuurlijk had ik geen oplossing voor zijn probleem - hoogstwaarschijnlijk wás die er niet eens. Er was een hele andere reden dat ik hem mee wilde nemen. Ik was op weg naar de haven, dat leek me de meest geschikte plek.  En het was nu dan nog wel geen achttien maart, maar dat zou niet langer dan een uurtje meer duren. Dan was het tijd voor mijn wraak. Ergens had ik ook wel de waarheid tegen Pink gesproken. Na vannacht zou hij geen energie van anderen meer nodig hebben. Maar dat zou niet om de reden zijn die hij dacht. Het was eindelijk zover. Het was tijd voor wraak.
En ik moest eerlijk zeggen dat ik best een goed plan had uitgedacht. Er zaten een paar zwakke plekken in - dat moest ik toegeven - maar ik was ervan overtuigd dat het zou lukken. Het moest gewoon lukken.
Ik wilde nog steeds dat Violet bij P9ink zou zijn als hij eindelijk zou sterven, maar ik wilde zelf degene zijn die hem de wonden toebracht. Daar was Violet nog niet aan toe, haar band met Pink was veel te sterk - en bovendien vond ik het zelf veel te leuk om me uit handen te laten nemen. Eergisteren met Eline had ik gemerkt dat Pink doden wel eens moeilijker zou kunnen gaan worden dan ik had gedacht. Hij was dus inderdaad onkwetsbaar - niet sterk, maar onmogelijk te verwonden. Ik had er lang over nagedacht. In de eerste instantie over hoe hij aan die bescherming kwam, en toen ik daar de verklaring eenmaal voor had gevonden was de oplossing ook niet moeilijk meer te bedenken.
Pink was gewoon door en door goed. Zo verschrikkelijk rein en zuiver dat niets hem kon deren. Er was natuurlijk de optie om hem iets slechts te laten doen - iemand vermoorden of zo. Dan had ik ongetwijfeld zo een mes in zijn hart kunnen steken. Maar dat zou moeilijk worden. En er was nog een andere mogelijkheid - die mij persoonlijk veel meer aanprak. Iets door en door goeds was dan wel bestand tegen alle soorten wapens, maar iets door en door sléchts zou het ongetwijfeld niet aankunnen. En wat was er nou slechter dan ikzelf? Ik was vanbinnen zo zwart als de nacht. Eén en al puur kwaad. Geen spoortje goedheid te bekennen. En ik was er vrij zeker van dat hij dat niet aan zou kunnen. Het enige waar ik dus voor moest zorgen was dat ík het was die hem verwondde, en niet een of ander wapen - maar dat zou wel niet zo'n groot probleem worden.
Ik zou alles zo plannen dat Pink op het randje van de dood balanceerde op het moment dat de zon opkwam. Violet zou wakker worden, het adres lezen dat haar laptop aangaf en naar de haven komen. Daar zou ze Pink vinden. Ze zou er ongetwijfeld alles aan doen om hem te redden, om hem in leven te houden, maar hij zou dan al zo ver heen zijn dat hij onmogelijk meer was terug te halen. En in Violets armen zou hij dan zijn laatste adem uitblazen - de adem die van twee zielen weer één zou maken. Dat zou dan eindelijk het einde zijn van de scheiding van zielen van mij en Violet. We zouden weer één worden. Ik zou weer in haar opgaan, net zoals vroeger en alles zou weer worden als het eens was - behalve dan dat Pink er niet meer zou zijn. Alles zou goed zijn. Eindelijk.
Afwezig aaide ik over de vacht van de kat die zijn verzet had opgegeven en zwaar en bewegingsloos is mijn armen hing. Ik controleerde even of hij nog leefde - wat het geval was, al scheelde het niet veel meer. Pink zoog zijn levenskracht toch sneller op dan ik had gehoopt. Deze kat zou waarschijnlijk niet genoeg zijn om hem tot morgenochtend in leven te houden. Ik maalde er niet om - wat was nou die ene kat op zo'n enorm aantal moorden? En bovendien was het voor een goed doel.
We waren inmiddels bijna bij de haven aangekomen en Pink had eindelijk doorgekregen waar we naar op weg waren. Hij bleef staan en sloeg zijn armen over elkaar heen in een koppig en opstandig gebaar. 'Zo.' Zei hij beslist. 'En nu zet ik geen stap meer voordat je me precies en tot in alle kleine details aan toe verteld hebt wat je met me van plan bent.'
Dat was duidelijk. Ik zou harde maatregelen moeten gaan nemen. Ik wilde mijn hand al uitstrekken om hem met dwang mee te nemen toen ik het besefte. Ik kón hem helemaal niet aanraken. Hoe kon ik hem ooit iets aandoen als ik alleen maar dwars door hem heen zou grijpen? Ik beet op mijn lip. Pink volgde al mijn beweging precies met zijn ogen en leek niet van plan ook maar een centimeter toe te geven.
'Goed. Blijf staan. Ik ben zo terug.' Ik gooide het haast levenloze lichaam van de kat op de grond en sprong de schaduwen van een steegje in. Pink keek me verbaad aan, maar bleef staan - wat moest hij anders? Ik was bijna meteen weer terug met een nieuw kat in mijn armen die luid miauwde. 'Maak je tastbaar.' Snauwde ik tegen Pink. Hij keek me verbaasd aan maar knikte. Ik wachtte een seconde en duwde de kat in zijn armen. Toen klemde ik mijn hand om zijn bovenarm. 'Zo. En nu meekomen.' Er gebeurde precies wat ik verwachtte. Pink fronste en kneep zijn ogen dicht - hij probeerde zich weer ontastbaar te maken. Maar omdat ik hem vasthield lukte hem dat niet meer. Hij zat vast in zijn stoffelijke lichaam.
Ik trok hem het laatste stukje naar de haven mee, ervoor zorgend dat ik hem geen moment losliet. Ik wist dat hij elke gelegenheid om weg te komen met beide hand aan zou grijpen. En zodra hij weer ontastbaar was geworden en ik mijn grip op hem - letterlijk en figuurlijk - was verloren zou ik hem nooit meer met me mee krijgen. Pink was woedend - vanzelfsprekend - maar had gen andere keuze dan zich mee te laten voeren. Hoewel ik hem nog steeds niet kon verwonden - ook nu ik hem gedwongen had weer tastbaar te worden - was ik sterk genoeg om hem te kunnen laten doen wat ik wilde. Ook een zachte bankschroef kan je gevangen houden - en ik was vele malen sterker dan een bankschroef.
Ik bleef vlakbij het water staan. Het was voor ons beiden een bekende plek - het leek me wel toepasselijk als hij zou sterven op dezelfde plaats als waar hij en Violet elkaar weer hadden teruggevonden. Dan had daar zowel het begin als het einde van dit alles plaatsgevonden. Ik hield Pink nog steeds stevig vast en bleef vlakbij hem staan. Zodra we stilstonden begon hij op wanhopige, smekende toon op me in te praten. 'Waar ben je mee bezig, Rose? Wat doe je?' Ik grijnsde. Hij was niet in de positie om vragen te stellen. Ik koos toch zelf of ik ze wilde beantwoorden of niet.
Toen hij doorkreeg dat ik hem toch geen antwoord zou gaan geven ging hij verder. 'Rose, dit kan je echt niet doen!' Mijn grijns werd nog breder. 'Het zal je verbazen wat ik allemaal kan. Ik heb alle macht in handen, besef dat toch eens! Ik weet niet of je het door hebt, maar je kan echt geen kant meer op.' Pink zuchtte. 'Dat weet ik. Ik kan écht nergens meer heen. Maar ik wil alleen maar weten waaróm! Je bent niet slecht, Rose. Ik zal niet beweren dat ik je ken, maar ik weet zeker dat je niet slecht bent.'
Ik zette mijn vrije hand in mijn zij. 'Dus.' Zei ik met een duidelijk, sarcastisch ondertoontje. 'Jij denkt dat ik niet slecht ben. En nu wil je ook nog dat ik je alles vertel?' Pink knikte. 'Ja. Ik denk dat je het zo wel zou kunnen samenvatten. Net als in films, je weet wel. De schurk denkt de held gevangen te hebben, doet zijn plannen om de mensheid te overheersen en zo uit de doeken en vervolgens ontsnapt de held en redt de wereld. Waarom zou jij dat clichébeeld niet gewoon volgen, zoals het hoort?'
God, wat had die jongen een lef zeg! Maar ik besloot zijn spelletje mee te spelen. Als dat zijn laatste wens was, vond ik het best. Er vloog een vage glimlach langs mijn lippen. 'Nu vergelijk je me toch weer met de slechterik. En aangezien je net beweerde dat ik absoluut niet slecht ben, vind ik ook niet dat  ik aan jouw schurkenclichés moet voldoen.' Pink glimlachte onwillekeurig, maar trok zijn gezicht bijna meteen weer in de plooi. Ík meen het, Rose. Dat je niet slecht bent. Maar ook dan kan je je wel als de schurk gedragen - en dat doe je ook, op dit moment. Ik zie mezelf ook niet als de held. Jij bent degene die me in die rol heeft gedwongen, ik heb me er maar in te schikken.' Ik knikte. Dit gesprek begon toch nog best interessante vormen aan te nemen. Ik vond het echt jammer dat dit de laatste nacht van zijn leven zou zijn. Hij had een hele bijzondere kijk op bepaalde dingen.

Mara

'Ik dwing jou in geen enkele rol.' Wierp ik tegen. 'Ik verplicht je nergens toe hoor. Voor mijn part maak je mij tot held en jou tot schurk en is wat ik doe nodig om de mensheid voor een vreselijk lot te behoeden.' Pink knikte langzaam. 'Ja...' Zei hij nadenkend. Hij woog zijn woorden voorzichtig af toen hij verder ging. 'Maar dat is nou juist de vraag: Wat ben je aan het doen? Als ik dat niet weet kan ik ook moeilijk beoordelen of jij de slechterik of de held bent. Maar erg veelbelovend ziet het er op dit moment niet uit...' Hij keek veelbetekenend naar mijn hand die nog steeds strak om zijn bovenarm geklemd zat. Ik liet hem - natuurlijk - niet los, en trapte evenmin in zijn nogal opvallende manier om mij dingen te ontfutselen. 'Leuk geprobeerd.' Zei ik sarcastisch. 'Je zal vanzelf wel merken wat ik met je van plan  ben.'
Pink leek door te hebben dat ik hem echt niets zou vertellen en hij bleef stil.
'Je zult nog even geduld moeten hebben. Het is nog iets te vroeg.' Pink keek me verbaad aan toen ik dat zei, maar hij vroeg niets. Blijkbaar was hardnekkig zwijgen zijn nieuwe tactiek - al zou dat niets uitmaken.
Het bleef een paar minuten stil. Alleen de nachtelijke geluiden van de haven en de stad die achter de verlaten woonwijken begon bereikten mijn oren - maar het meeste zou Pink waarschijnlijk toch niet kunnen horen met zijn zwakke mensengehoor. De stilte was tegelijkertijd rustgevend als beangstigend en ik werd er verschrikkelijk onrustig van. Uiteindelijk kon ik er niet meer tegen en wendde me weer tot Pink. 'Weet je...' Begon ik aarzelend. 'Die filmclichés hè, daar is nog iets mee wat niet klopt.' Pink knikte. 'Clichés kloppen haast nooit.' Mompelde hij. 'Maar waar doel je op dan?'
'Het feit dat de held, nadat de schurk zijn volledige plan inclusief alle zwakheden uit de doeken heeft gedaan, toch altijd weet te ontsnappen. Ik bedoel: Stel je eens voor dat je de slechterik bent.' Ik wachtte een paar seconden voor ik verder ging. 'Stel je voor dát je al zo dom bent om je gevangene je hele plan te vertellen - terwijl je hem net zo goed meteen kan vermoorden - dan laat je hem daarna toch niet ook nog ontsnappen?' Pink fronste en keek me onderzoekend aan. 'Je denkt verkeerd, Rose. Je moet het heel anders zien. Die clichés zijn ook ergens op gebaseerd. Daar is heus wel over nagedacht.' Pink zweeg weer en ik keek hem geïnteresseerd aan. 'Ga door.' Ik beval het niet deze keer, maar vroeg het hem. Ik wílde echt dat hij door zou praten - en niet alleen omdat de tijd dan sneller voorbij zou gaan.
'Nou...' Pink aarzelde. 'Kijk, zelfs de schurken hebben een reden om hun plannen te vertellen. Stel je nou voor dat je een geweldig, ongelooflijk ingenieus plan hebt uitgedacht. Je bent er echt van overtuigd dat het niet kán mislukken, het is volledig waterdicht. Dan zou je het ook wel aan iemand willen vertellen, lijkt me. En dat ontsnappen... tsja, misschien is dat ook alleen maar omdat het een fílm is. Daarin moet alles uiteindelijk wel goed aflopen, denk je ook niet?' Ik knikte. Jammer voor hem dat zijn leven geen film was. In de echte wereld liepen de dingen haast nooit goed af. In de echte wereld golden geen filmclichés – en dat gold voor meer dingen dan enkel het ontsnappen van de held.
Er viel opnieuw een stilte, en deze keer verbrak ik hem niet. Ook Pink leek zich in zijn lot te hebben geschikt en bleef haast bewegingloos naast me staan. Zijn hand streelde automatisch over de vacht van de kat die slap in zijn armen lag.
De tijd leek voorbij te kruipen, maar ten langen leste waren ook de laatste seconden weggetikt en was het eindelijk achttien maart. Ik kneep voorzichtig in Pink's arm. 'Gefeliciteerd, Pink.' Fluisterde ik in zijn oor. Hij keek me hoopvol aan. 'En nu?' Vroeg hij met schorre stem. Ik schudde lachend mijn hoofd. 'Je leert het ook nooit. Ik ben niet van plan je alles te vertellen. Je hoeft het waarom niet te weten, alleen het wat en hoe. En daar zal je snel genoeg achter komen.'
Ik had lang nagedacht over hoe ik dit precies aan zou gaan pakken. Ik most hem genoeg verwonden om ervoor te zorgen dat hij sowieso zou sterven, maar ik moest hem wel in leven houden tot het tijd was. En daarnaast moest ik mijn bloeddorst bedwingen. Dat zou nog wel eens het moeilijkste deel kunnen worden: Ik had er al eerder mee geworsteld en toen was hij nog helemaal... heel geweest. Ik wist niet zeker of ik me nog steeds zo goed zou kunnen bedwingen als zijn bloed eenmaal zou vloeien – maar ik had geen keuze.
De eerste stap was in ieder geval niet zo moeilijk: Zorgen dat hij niet weg kon komen. Ik had wel een idee hoe ik dat zou kunnen aanpakken, maar ik wist niet zeker of het zou lukken zonder hem los te laten – want als ik dat deed was ik hem kwijt. Ik besloot het erop te wagen en haakte, zonder enige waarschuwing, mijn voet achter Pink's been en gooide hem op de grond. Ik hield hem met één knie tegen de straatstenen gedrukt – zo maakte ik ook contact met hem – en had zo beide handen vrij om zijn rechterbeen een flinke ruk opzij te geven. Het maakte een akelig, knappend geluid toen zijn bot bezweek. Het been lag nu in een vreemde, onnatuurlijke hoek ten opzichte van zijn lichaam. Daar zou hij niet ver mee komen.
Pink leek nog niet helemaal te beseffen wat hem nou precies was overkomen en staarde me geschokt aan. Zelfs de pijn leek nog niet tot hem te zijn doorgedrongen. Plotseling verschoof zijn blik van mijn gezicht naar een plek iets boven mijn rechterschouder. Ik draaide me half om – zonder de druk op zijn borst te laten afnemen – en zag meteen waar hij naar keek. Een imposante verschijning kwam over de verlaten kade op ons af lopen. Hoewel hij in het zwakke, gelige licht van de lantarenpalen liep leek hij volledig uit schaduwen te bestaan. Mijn adem stokte in mijn keel. Ik had nog geen idee wie deze verschijning was, maar de kracht die hij uitstraalde was enorm - groter dan ik ooit gevoeld had.
Pink en ik konden allebei niet anders dan naar de gestalte blijven kijken terwijl hij steeds dichterbij kwam. Toen hij nog een meter of vijf bij ons vandaan was hoorde ik een zacht geluidje. Ik keek verstoord opzij om te zien waar het vandaan kwam - en geloofde mij ogen bijna niet. De kat, die op de grond was gevallen toen ik Pink gevloerd had en zo goed als dood was blijven liggen, was opgestaan en stond nu op vier poten zijn omgeving verbaasd in zich op te nemen. Er trok een reeks rillingen over zijn lichaam die het dier van kop tot staart lieten schokken en toen sprintte de kat ervandoor alsof de duivel hem op de hielen zat. Ik bleef hem nakijken, ook toen hij allang uit het zicht verdwenen was. Niet dat ik hem zo graag wilde zien - ik wilde gewoon niet meer naar de beangstigende gestalte kijken. Ik kon voelen dat hij nu vlak naast ons stond - en dat Pink nog steeds zijn ogen op hem gevestigd hield.
Plotseling voelde ik de spieren in mijn nek zich spannen en werd mijn hoofd opzij getrokken. Ik werd gedwongen naar de gestalte te kijken. Hij was nog dichterbij dan ik verwacht had en ik moest de neiging om op te springen en weg te rennen onderdrukken.
'Niet doen.' De stem die klonk was diep en rommelend. De gestalte had niet bewogen, maar ik wist dat hij het was die had gesproken. Ik wist nu ook wie ik voor me had. 'Michaël.' Fluisterde ik ademloos. De donkere gestalte knikte langzaam.
'Rose?' Pink's stem was heel zwak en hij klonk doodsbang. Dit moest voor hem vele malen bedreigender zijn dan voor mij - ik wist tenminste wie ik voor me had. Ik siste naar hem. 'Dat is Michaël.' Fluisterde ik, hoewel ik wist dat Michaël het toch wel zou horen. Pink's ogen flitsten van mij naar de gestalte schuin achter me en weer terug naar mij. Hij keek ongelovig en bang. 'Je bedoelt...' Stamelde hij. Ik knikte nog voordat hij zijn zin had afgemaakt. 'Ja. Michaël. De aartsengel.' Ik voelde de kracht van Michaël achter me toenemen toen Pink verder praatte. Hij was machtig genoeg om ons allebei met één vingerknip weg te vagen.
'Dus hij is echt...' Pink leek echt van slag.
'Ja. Ik weet dat hij er niet echt uitziet als een... engel.' Onderbrak ik hem alweer. 'Maar hij is er toch echt een.' Ik keek automatisch weer achterom naar Michaël. Hij voldeed inderdaad niet aan het clichébeeld van een engel - maar wat klopte tegenwoordig nog met de clichés? Michaël was niet volledig in het wit gekleed, straalde geen licht uit, had geen aureool boven zijn hoofd hangen en had zo op het eerste gezicht ook geen vleugels - maar die had hij waarschijnlijk verborgen.
In feite zag hij eruit als een heel normaal mens. Hij was misschien iets groter dan de gemiddelde man - die haalden meestal geen twee meter - en ook iets gespierder, maar dat viel niet enorm uit de toon. Hij droeg een zwarte kapmantel die over de grond sleepte en ver over zijn handen viel en hij had de capuchon diep over zijn gezicht getrokken  waardoor dat volledig aan het oog onttrokken werd. Toch kon ik het gevoel dat hij volledig uit schaduwen bestond niet van me af zetten, en ik was ervan overtuigd dat hij zo in de schaduwen die de lantarenpalen op de kade wierpen op zou kunnen gaan.
Toch was het enige concrete bewijs dat ik kon ontdekken dat ik geen gewoon mens tegenover me had staan de onmenselijke kracht die hij uitstraalde. Die was zo sterk dat zelfs een gewoon mens hem moest kunnen voelen. Ik besefte heel goed dat ik me in een hele vervelende situatie bevond. Ik wist precies waarom Michaël hier was. Ik was daarnet bezig geweest een engel te verwonden - te vermoorden, zelfs. En dat stond Michaël natuurlijk niet toe. Engelen waren zeldzaam genoeg om er bijzonder zuinig op te zijn en ze niet zomaar bij bosjes om zeep te laten helpen. Ik zou het nooit van Michaël kunnen winnen. Ik kende mijn eigen krachten, en hij was echt zo verschrikkelijk veel sterker dan ik. Een rechtstreekse krachtmeting zou mijn einde betekenen.
Ik had nog één mogelijkheid - die waarschijnlijk niet zou werken, maar het was mijn enige kans. Ik moest al mijn plannen voor vannacht overboord gooien en er gewoon nu, ter plekke een einde aan maken. Een verrassingsaanval. Misschien dat ik daarmee een wond toe zou kunnen brengen die Pink's dood zou betekenen - wat er daarna met mij zou gaan gebeuren wist ik niet, dat zag ik dan wel weer.
Ik boog me razendsnel naar voren, schuin over Pink heen en zette mijn mond tegen zijn keel. Op het moment dat mijn tanden over zijn huid schraapten - die was hard, maar geen ondoordringbaar gesteente, eerder krijtrotsen - werd ik door een onzichtbare hand achteruit getrokken. Ik vloog van Pink af en landde twee meter verderop met een smak op de grond. Ik keek meteen of Pink nog tastbaar was. Dat was zo. Michaël had hem blijkbaar van nieuwe kracht voorzien, want zijn huis was niet meer zo bleek en zijn wangen waren lichtroze. Ook zijn ogen blonken weer als twee stralende, blauwe sterren die me verwijtend en vol afschuw toestraalden. Ik draaide mijn hoofd om naar Michaël. Zijn ogen leken ook licht uit te stralen, maar dat was geen vriendelijk, zacht blauw. In de schaduwen die zijn gezicht verborgen gloeiden twee puntjes op als rode kooltjes. Zodra hij zag dat hij mijn aandacht had lichtten ze woedend op. 'Waag het niet, Rose.' Rommelde zijn stem. Het verbaasde me niet dat hij mijn naam wist - wel dat hij me zo snel door had gehad.
Onverwacht nam ik een sprong naar voren, naar Pink toe die nog steeds bewegingloos toe lag te kijken, hoewel hij allang weer vrij was. Het voelde alsof ik recht tegen een onzichtbare, maar heel massieve muur op sprong. Zodra ik op de grond neerkwam voelde ik hoe ijzersterke banden - die volledig uit energie bestonden - zich om mijn polsen en enkels sloten en me aan de grond vast kluisterden. Ik voelde hoe ze zich vervolgens over mijn lichaam uitspreidden en een onzichtbare kooi vormden waar ik nooit uit zou kunnen ontsnappen. Michaël nam het heel serieus.
Terwijl ik worstelde om vrij te komen - hoewel ik wist dat het zinloos was - kwam Michaël naar me toe en bleef naast me staan. Ik keek naar hem op - zoveel bewegingsvrijheid boden de banden me nog wel - en siste woedend naar hem. Michaël boog zich een beetje naar voren en stak zijn hand - die ook volledig bedekt werd door de lange mouwen van zijn mantel - naar me uit. 'Hou je koest, Rose. Gedraag je niet als een ongetemde kat.'
Ik beet zo hard op mijn lip dat mijn tanden er bijna doorheen schoten, maar zei niets. Voor het eerst in mijn bestaan had iemand me echt volledig in zijn macht. Had ik de situatie voor het eerst niet meer in eigen hand. Het voelde niet goed.
Michaël liep een rond je om me heen en ik kon hem alleen maar met mijn ogen volgen. 'Dus.' Zei hij. 'Wat zullen we eens met jou doen?' Ik gaf geen antwoord.
Michaël bleef weer staan en hield zijn hoofd een beetje schuin. 'Zeg het, Rose.' Beval hij. Een regelrecht bevel van hem kon ik niet negeren en ik voelde hoe mijn kaken uit elkaar werden getrokken, hoe mijn mond als vanzelf openging en hoe ik naar woorden begon te zoeken. Ik rukte woedend aan mijn kettingen en spande de spieren in mijn armen tot het uiterste om los te komen. Toen ging alles opeens heel erg snel. Ik voelde de energiestromen die me gevangen hielden wegvallen en ik sprong overeind. Op hetzelfde moment vloog Michaël naar achteren door een oorzaak die ik niet kon achterhalen. Mijn hersenen hadden maar een fractie van een seconde nodig om alles te begrijpen en de juiste conclusies te trekken. Nog geen seconde nadat de energiebanden waren verdwenen zat ik al geknield naast Pink en boog mijn hoofd naar zijn keel. Vlak voordat mijn lippen zijn huid raakten kruisten onze blikken elkaar. In Pink's ogen - die zo mooi waren dat ik even van mijn stuk was gebracht - stond een vreemde mengeling van gevoelens te lezen. Angst, maar ook berusting en begrip. Hij knikte me toe. Bemoedigend. Alsof hij me duidelijk wilde maken dat hij zijn beslissing al had genomen en dat ik nu mijn keuze moest maken. Ik schudde ongecontroleerd met mijn hoofd om de gedachten eruit te krijgen en keek weg van Pink's gezicht. Toen zette ik mijn mond tegen zijn huid en boorde mijn tanden in de krijtrots.

Ik zal nooit vergeten wat de laatste prikkels waren die mijn zintuigen me binnenbrachten voordat het voorgoed zwart werd voor mijn ogen.
De smaak van het krijt van Pink's huid.
De geur van angst, zowel van Pink als van mij.
Het geluid van water dat tegen de kaderand kloste en dat absoluut niet op zijn plaats leek.
Het gevoel van Pink's lichaam onder het mijne dat wild schokte in een wanhopige doodsstrijd.
Het beeld van het licht in zijn ogen dat langzaam uitdoofde.
En het onbehaaglijke voorgevoel dat ik de verkeerde keuze had gemaakt.

Mara

Epiloog: Pink

Natuurlijk heb ik erover nagedacht hoe het is om dood te zijn. Hoe de hemel - als er al een hemel bestaat - eruit zal zien. Zelfs voordat ik te weten kwam wat ik ben heb ik me dat wel eens geprobeerd voor te stellen. Toen ik bepaalde dingen te weten kwam is mijn visie op de dood heel erg veranderd ten opzicht van hoe ik er eerst tegen aankeek. Maar geen van mijn voorstellingen komt ook maar in de buurt bij hoe het echt is.
Allereerst is de dood niet pijnloos. De pijn die ik voelde toen Rose haar messcherpe tanden in mijn lichaam boorde is niet te beschrijven. Het was erger dan alle andere pijn die ik ooit gevoeld heb - zowel lichamelijk als geestelijk. Het voelde of ze geconcentreerd zuur in mijn aderen pompte dat zich razendsnel door mijn bloedbaan verspreidde en zich door mijn lichaam een weg naar buiten brandde.
Maar hoewel de pijn ondraaglijk was, hield ik vol. Hoewel mijn lichaam instinctief alles los wilde laten en zichzelf wilde verdedigen dwong ik het om te doen wat ik wilde dat het deed. Vergelijken met die pijn voelde de uiteindelijke dood haast als een verademing. Ik zag geen lange, donkere tunnel waar ik doorheen vloog, en ik zag ook niet mijn hele leven aan me voorbijgaan. In feite gebeurde er helemaal niets met me. Ik stond niet en ik zat niet, maar ik bewoog ook niet. Ik zweefde of dreef niet. Ik deed gewoon niets, ik was er niet - maar ik was zowel lichamelijk als geestelijk aanwezig. Maar wáár ik precies aanwezig was kon ik niet zeggen. Ik was ook nergens, om me heen was alleen maar... niets. Geen zwart, geen wit of welke andere kleur dan ook. Gewoon niets. Het was eigenlijk heel beangstigend, als had ik alles liever dan de afschuwelijke pijn die ik eerder voelde.
Ik heb geen idee hoelang ik daar geweest ben - tijd deed er daar niet toe, bestond het niet eens - toen ik door een onzichtbare kracht meegetrokken werd. Weg uit het niets. Eerst was het volledig zwart om me heen. Ik heb nooit beseft hoe donker het kan zijn. Bijna altijd komt er nog wel een beetje licht van onnaspeurbare bron in je ogen terecht. Daar heerste volledige duisternis waar ik met een onwereldlijke snelheid doorheen scheerde. Na verloop van tijd werd het lichter. Eerst was de verandering zo minimaal dat ik het niet opmerkte, maar langzaam maar zeker veranderde het diepzwart in minder diep zwart dat vervolgens ophelderde naar donkergrijs. Ook daarvan gingen alle denkbare tinten aan me voorbij, tot het tenslotte echt, helder wit was. Maar zelfs toen was het kleurenspel nog niet afgelopen - er bleken ook nog verschillende gradaties in witheid te bestaan. Het werd steeds helderder en gek genoeg feller, tot mijn omgeving een zo oogverblindende kleur had bereikt dat ik instinctief mijn ogen dicht wilde knijpen. Maar tot mijn grote schrik merkte ik dat ik helemaal geen oogleden meer had. Meer zelfs - ik had helemaal geen lichaam meer.
Zodra ik dat geconstateerd had stopte mijn voorwaartse beweging en begon ik aan een duizelingwekkende val naar beneden. Het ging maar door en door, ik voelde me net Alice die in het konijnenhol viel - maar dan zonder alle rotzooi die zij om zich heen had. Net toen ik er genoeg van begon te krijgen en me afvroeg wat de volgende etappe van mijn reis zou zijn, stopte ik met vallen en bleef ik stil hangen. Om me heen was nog altijd niet meer dan oogverblindend wit. 'Is dit het? Is dit de hemel?' Ik merkte dat ik mijn gedachten hardop uitsprak. Toen het laatste woord over mijn lippen was gekomen begon het wit af te zwakken. Ik begon langzaam naar beneden te zweven en voelde na een meter of wat vaste grond waar ik op kon blijven staan. Ik keek naar mijn voeten: Ik stond tot mijn enkels in donzige, witte wolken die liefjes rond mijn enkels kolkten en aan mijn benen likten. De wolkenmassa strekte zich uit zover als ik kon kijken. Erboven prijkte een strakblauwe lucht. Dit begon eindelijk ergens op te lijken - als had ik niet verwacht dat de hemel er écht zo uit zou zien.
Na een tijdje begon ik te wennen. En ik bleef er, zonder dat er  nog iets noemenswaardigs gebeurde. Ik verloor alle besef van tijd en had geen idee wat er precies van me verwacht werd.

'Pink?' Plotseling zegt iemand achter me mijn naam en ik schrik op uit mijn gedachten. Ik draai me geschrokken om - dat had ik niet verwacht. Het is een meisje. Ze is nog heel jong - een jaar of dertien, schat ik - en ze staat me van een meter afstand belangstellend op te nemen met ongelooflijk grote, helderblauwe ogen.
Ik zie meteen wat ze is. Ze draagt een oude spijkerbroek met slijtplekken op de knieën en afgeknipte, rafelige randen en een verwassen, vaal lichtblauw Paul Frank shirt. Maar boven haar hoofd wijzen twee enorme, witte vleugels recht omhoog naar de lucht die precies dezelfde kleur blauw heeft als haar ogen.
Ik knik een beetje afwijzend naar haar, maar ze lacht stralend terug en veegt een blonde haarlok uit haar gezicht. 'Ik ben Eline.' Ze komt wat dichterbij en steekt haar hand naar me uit. Ik schud hem - hij voelt veilig en heel menselijk. 'Pink.' Zeg ik, nog steeds niet helemaal op mijn gemak.
'Ja, dat wist ik al. Ze hadden je eigenlijk niet verwacht hier. Niet nu.' Het valt me op dat ze de derde persoon meervoud gebruikt. Ze? Wie zijn dat?
'Daarom stuurden ze mij.' Zegt Eline opgewekt. 'Er was niemand anders. Ik had echt geluk, deze keer. Eigenlijk mag ik helemaal gen mensen ophalen, en nu wordt ik zomaar naar jou toegestuurd!' Haar ogen glinsteren opgewonden. Ze kijkt om zich heen en rimpelt haar neus. 'Kon je echt niets originelers bedenken? Dit is wel het meest clichébeeld dat ik ooit heb gezien.' Ik kan haar niet volgen. Dat lijkt ze zelf ook te beseffen. 'Sorry. Je snapt er natuurlijk niets van.' Verontschuldigd ze zich gauw. 'Ik kan je wel het één en ander vertellen, al weet ik ook lang niet alles. Maar dan wil ik óók wat van jou horen.' Ze kijkt me vanonder haar wimpers heel onschuldig aan. Ik zucht. Natuurlijk, voor wat hoort wat. En die puppy-ogen kan ik niet weerstaan. 'Goed. Maar jij eerst. Dan mag je daarna vragen stellen.'
Eline grijnst en knikt. 'Nou ja... Je hebt waarschijnlijk al begrepen dat je dood bent.'
'Ja.' Zeg ik sarcastisch. 'Zover was ik al wel.' Dat kind moet niet gaan denken dat ze me nu als een nietswetende kleuter kan gaan behandelen. 'Is dit de hemel dan?'
Eline slaat haar armen in een koppig gebaar over elkaar. 'Ik kan je ook niets vertellen hoor.' Zegt ze opstandig. Maar haar nieuwsgierigheid wint het van haar koppigheid en ze gaat verder. 'Dit is alleen maar een tussenstop. Het voorportaal van de hemel, zeg maar. Als ze iemand verwachten zorgen ze dat er iemand is om hem op te vangen. Maar jou verwachtten ze blijkbaar niet.' Ze kijkt me nieuwsgierig aan. Ik heb al zo'n vermoeden wat ik haar straks moet gaan vertellen.
'Eigenlijk mag ik helemaal geen mensen ophalen, maar er was niemand anders om het te doen. Ik ben te jong.' Ze kijkt zo bedroefd dat ik haar automatisch wil troosten. 'Ach, je moet gewoon een paar jaartjes wachten. Die vliegen zo voorbij, neem dat maar van me aan.'
Eline schudde haar hoofd. 'Zo werkt het niet. Maar dat zal ik je straks vertellen. Eerst het één, dan pas het ander. Goed, dit is dus de hal van de hemel. Je kan hem zelf vormgeven, hij neemt de omgeving aan die je verwacht. Ik heb het zelf natuurlijk nog nooit gezien, maar de anderen zeggen dat het meestal de plaats is waar het slachtoffer dood is gegaan. Of anders de plek waar ze zijn opgegroeid of zo.' Er trekt een spottende lach over haar gezicht. 'Maar dit is wel heel erg cliché. Waar haal je dat nou weer vandaan? Ik wist niet dat er nog mensen zij die echt geloven dat de hemel er zo uitziet.' Ze grinnikt.
Ik schiet meteen in de verdediging. 'Zo gek is het niet hoor! Ik bedoel: Ik ben van de ene vreemde omgeving in de andere gegooid, allemaal even bizar en onbekend en verre van cliché. Niets lijkt hier te zijn zoals het hoort. Jij bent nou ook niet echt een doorsnee engel.'
Eline staart naar haar blote voeten. 'Nou zeg. Ik heb er ook niet voor gekozen hoor.' Mompelt ze. Ik kijk haar verbaasd aan.
Komt later.' Zegt ze. 'Ik zal het je allemaal uitleggen, echt. Maar kom, doe hier eens iets mee!' Ze maakt een weids armgebaar om de omvang van mijn mogelijkheden uit te drukken. 'Weg met die clichés! De meeste mensen zouden een moord plegen om dit mee te mogen maken.'
'Is dat ook niet precies die prijs die ze hiervoor moeten betalen?' Zeg ik zacht en binnensmonds. 'Eén moord?'
Hoewel Eline het best hoort gaat ze er niet op in. 'Ik ben al zo lang niet meer op aarde geweest. En de laatste keer moest ik bijna meteen weer terug. Laat me eens wat zien!'
Eerst doe ik het voornamelijk om haar een plezier te doen, maar terwijl ik bezig ben krijg ik er zelf ook steeds meer lol in. Het gaat ook steeds makkelijker. Ik neem haar mee naar het regenwoud, naar een bergweitje aan een glashelder meer van zuiver smeltwater. Ik laat haar uitgestrekte weilanden en torenhoge watervallen zien. Dan schakel ik over naar de bebouwing. Een klein boerendorpje, de kerk op het plein vlakbij mijn huis. Mijn eigen kamer. Daar ga ik snel weer van weg, het beeld doet me te veel pijn. Ik toon haar de skyline van steden als New York en Las Vegas, een uitzicht op de bergen in de verte en tenslotte plaats ik ons op een strand met ons gezicht naar de zee waar in de zon juist ondergaat. Ik kan de warmte van de laatste zonnestralen bijna op mijn gezicht voelen. Ik doe mijn mond open om dat tegen Eline te zeggen, maar als ik haar gezicht zie doe ik hem snel weer dicht. In haar ogen, achter een waas van tranen, staat een mengeling van verdriet, geluk en verlangen te lezen. Ik leg een hand op haar schouder. 'Gaat het?' Ze draait zich naar me toe en haar gezicht wordt onmiddellijk weer hard en gesloten. 'Natuurlijk.' Zegt ze scherp. 'Zal ik verder vertellen?'
Ik knik. Eline kijkt even om zich heen. 'Kan je er geen bank of zo bij denken?'
Ik knik weer. Het worden twee roodwit gestreepte standstoelen - inclusief een tafeltje met twee onbekende drankjes erop die Eline met groot wantrouwen bekijkt. 'Ik zou het niet proberen. Ik vertrouw eerlijk gezegd niet zo op jouw inbeeldingsvermogen.' Waarschuwt ze. Ik volg haar advies met alle plezier op.
We gaan allebei op eens stoel zitten. Eline laat zich meteen achterover vallen, legt haar handen achter haar hoofd en slaat haar benen over elkaar alsof ze op vakantie is. Ik blijf rechtop zitten en we kijken samen naar de oranjerode halve bol en het rimpelloze water.
'Waar engelen vandaan komen.' Zegt Eline plotseling zonder me aan te kijken. 'Zal ik je dat vertellen?'
'Ja.'
'Oké. Niet iedereen wordt een engel. Eigenlijk wordt bijna niemand een engel. Ze ontstaan zo: Soms gaat er iemand dood die op aarde zo'n eerlijk leven heeft geleid en wiens geweten zo zuiver is dat hij eigenlijk puur uit goedheid bestaat.. Als er zo iemand de hemel binnenkomt, vist Michaël ze er zo uit. Hij heeft daar een zesde zintuig voor, heb ik het idee. Alleen die personen - maar dan ook ál die personen - veranderd hij in een engel. Ik heb er dus niet zelf voor gekozen.'  Eline kijkt me nog steeds niet aan. Dit verhaal ligt haar waarschijnlijk nogal moeilijk. '
De meeste engelen zijn dus nog heel jong. Michaël veranderd sowieso nooit iemand onder de dertien - dat scheelt al een hoop, geloof me. Op dat punt beginnen mensen net een beetje minder braaf te worden. Als hij dat niet deed zouden we hele legers baby- en kindengelen hebben. Ik zat net op het randje - helaas. Je moet weten dat je als engel niet ouder wordt. Ik zal altijd dertien blijven. En altijd de jongste. Ik ben nergens echt nuttig voor.'
Ik heb medelijden met haar. Gedoemd tot een eeuwig leven als dertienjarige - ik moest er niet aan denken. Dan bedenk ik me dat datzelfde eigenlijk ook voor mij geldt - alleen ben ik dan geen veertien maar zeventien. Eigenlijk nog niet eens zestien, als ik inderdaad niet ouder ben geworden sinds ik een engel ben.'
'Wat doen engelen? Ik bedoel, je vertelde dat ze gestorvenen hier komen ophalen, maar is er meer? En waarom was ik op aarde? ' Eline aarzelt. 'Je laatste vraag kan ik niet beantwoorden. Ik hoopte eigenlijk dat jij me dat zou kunnen vertellen.' Zegt ze teleurgesteld. Ik schud mijn hoofd. 'Nee. Sorry. Ik zal je straks alles vertellen wat ik weet, misschien dat het je dan wat duidelijker wordt. Maar eerst jij.' Ik glimlach vriendelijk naar het meisje. Hoewel ik haar in nauwelijks ken, voel ik me toch verbonden met het haar. We zitten tenslotte in precies hetzelfde schuitje - min of meer, dan.
'Oké.' Eline kijkt alweer wat vrolijker. 'Je hebt gelijk. Mensen hier ophalen is niet de enige taak van de engelen. Je moet weten dat alle engelen ook... krachten hebben. Dat is heel abstract, en bij lang niet iedereen even aanwezig. Over het algemeen geldt dat hoe ouder de persoon was op het moment dat hij dood ging, hoe sterker zijn kracht. Maar krachten kunnen ook toe- of afnemen als de persoon langer een engel blijft. De engelen met de sterkste kracht - dat zijn dus meestal de oudsten - worden door Michael geselecteerd en meegenomen. Eigenlijk weet niemand precies wat er met ze gebeurd.' Eline buigt zich iets naar me toe en fluistert op vertrouwelijke toon: 'Maar er wordt gezegd dat hij een leger heeft. Al weet niemand wat hij daarmee moet.' Ze leunt weer achterover en gaat hardop verder. 'We zien ze in ieder geval nooit meer terug. Degenen die niet krachtig genoeg zijn hebben andere taken. De belangrijkste is het orde houden. Zowel in de hemel als op aarde. Het wordt af en toe echt een rotzooi met zoveel mensen bij elkaar. Wij worden er door de 'hogere' engelen - die ook door Michaël zijn geselecteerd -  op uit gestuurd om de troep op de ruimen. Het is dodelijk saai, geloof me.'
Ik grinnik om haar woordkeuze en ook aan Eline's lippen ontsnapte een giechel. 'Ik meen het.' Zegt ze daarna weer serieus. 'En ik ben dus gedoemd dit tot in de eeuwigheid te blijven doen. Engelen zijn haast niet dood te krijgen.'
Ik knikte. Dat had ik gemerkt, ja.

Mara

Eline kijkt me vragend aan. 'Ga jij me nu vertellen wat er met je gebeurd is?' Ik barst nog van de vragen, maar toch knik ik. Ze heeft recht op antwoorden, ze heeft me al zoveel verteld. 'Wat ik je nu ga vertellen...' Ik aarzel even. Eline kijkt me gespannen aan. 'Dit is moeilijk, Eline. Ik heb iedereen van wie ik hou verraden.' Haar ogen worden nog groter. 'Ik wil het horen.' Zegt ze dringend.
Ik zucht. Ik moet hier doorheen. Maar ik voel nog steeds steken in mijn hart als ik denk aan hoe ik iedereen voorgelogen heb. Hoe ka ik mezelf de dingen die ik gedaan heb ooit vergeven? Hoe kan ik nog met mezelf leven? Ik ben de enige die weet wat voor verschrikkelijk monster er in me huist.
'Ik...' Begin ik, maar ik val meteen stil. Ik haal diep adem en probeer het nog een keer. 'Ik ben niet op dezelfde manier een engel geworden als jij vertelde. Ik kan het me tenminste niet meer herinneren.' Eline kijkt me verbaasd aan, maar zegt niets. Ik vat moed en ga verder. 'Ik heb ooit een pan kokend water over mezelf heen gegooid. Toen mijn lichaam bewusteloos op de grond lag ben ik... naar buiten getreden. Ik was als een geest die per ongeluk nog onder de levenden verkeerde. Ik was niet tastbaar en volgens mij ook niet zichtbaar - al heb ik dat nooit gecontroleerd. Toen ontmoette ik Michaël. Hij zat bij mij in de keuken. Ik wist eerst niet wie hij was. We hebben ontzettend lang gepraat. Eerst stelde hij zich voor, als de aartsengel Michaël. Hij vertelde me dat ik ook een engel was - maar niet alle details die jij me net verteld hebt.' Ik kijk nu ook onafgebroken naar de zon die midden in zijn ondergang lijkt te zijn bevroren. 'Weet je wie Violet is?' Vraag ik zonder Eline aan te kijken. Vanuit mijn ooghoek zie ik haar knikken. Daar ben ik blij om. Ik wil daar liever niet teveel over nadenken.
'Michaël zei dat ik Violet moest achterlaten. Ze was te gevaarlijk voor me. Hij zei dat onze band te sterk was, dat ik haar moest vergeten en dat we ieder onze eigen weg moesten gaan. Hij zei dat ik tot mijn zeventiende verjaardag had - dat was toen nog iets meer dan een jaar - voordat ik naar 'huis' zou komen. Ik was het niet met hem eens, wilde niet doen wat hij van me vroeg. Maar ik had geen andere keuze. Hij kon me helpen, dacht ik. Dus ik ging weg. Ik liet mijn hele leven achter en vertrok. Zonder doel, zonder iets dat me ook maar enige richting gaf. Datgene dat mijn leven bepaald had liet ik achter.' Ik slaak een diepe zucht. Dit was het makkelijke gedeelte. Nu komt het lastige deel. Het deel dat ik nog nooit aan iemand verteld heb. Het deel waar ik over gelogen heb.
'Ik zal niet teveel uitweiden over hoe mijn leven eruit kwam te zien, maar het was geen feest. Zelfs onder normale omstandigheden zou het een vreselijke leefwijze zijn geweest, en ik droeg ook nog eens de pijn van een gebroken hart - een echt gebroken hart - met me mee. Ik heb er meerdere keren over nagedacht om er gewoon mee te stoppen, er uit te stappen. Maar ik kon het niet. Zelfs toen nog hield Violet me tegen - ze heeft mijn leven gered, vaker dan ze denkt.' Ik merk dat het oplucht om erover te praten. Het voelt alsof het gewicht dat ik al zo lang met me mee tors steeds lichter wordt.
'Een paar maanden nadat ik weg was gegaan heb ik Michaël weer ontmoet. Ik had al vaker gehoopt dat hij naar me toe zou komen, ik heb zelfs even met het idee gespeeld expres een pan water over me heen te gooien - maar zoals ik eerder al zei kon ik dat gewoon niet. Toen ik hem eindelijk tegenkwam was het op een moment dat ik er totaal niet op was voorbereid. Het was midden in de nacht - niet rond middernacht, maar een uur of drie, vier. Wat je echt het holst van de nacht noemt. Ik werd wakker, ging rechtop zitten en merkte meteen dat er iets mis was. Ik had mijn lichaam weer achtergelaten en was weer in dezelfde, vreemde toestand terechtgekomen als toen ik Michaël de eerste keer ontmoette. We hebben weer gepraat. Hoewel ik barstte van de vragen weigerde hij er ook maar één van te beantwoorden. Hij had me wel een heleboel te vertellen. Er was blijkbaar iets misgegaan toen ik me van Violet had gescheiden. Hij legde me uit wat een Amaranta is en vertelde dat die was ontstaan. Ik snapte eerst niet wat het probleem was, maar daar kwam ik gauw genoeg achter. Rose zou er alles aan doen om mij te vermoorden, en hoewel ik als engel onkwetsbaar was was zij als Nachtwezen van de Amaranta prima in staat me te doden. Ik moest zo ver mogelijk bij haar uit de buurt blijven en absoluut niet naar Violet op zoek gaan. Ik had nog tot mijn zeventiende verjaardag, dan zou alles goed komen - hoe zei hij er niet bij. Mocht het zo zijn dat Rose me toch zou vinden - wat heel onwaarschijnlijk was, daar moest ik me vooral geen zorgen over maken - zou hij me helpen. Hij was veel sterker dan Rose, hij kon haar makkelijk aan.' Mijn ogen verschuiven even van de horizon naar Eline's gezicht. Als ze ziet dat ik naar haar kijk begint ze haar nagels te bestuderen, maar ik weet dat ze al mijn woorden als een uitgedroogde spons in zich opzuigt.
'In de eerste instantie deed ik wat hij van me vroeg. Ik bleef waar ik was en mijn leven sleepte zich voort op precies dezelfde manier waarop het eerder had gedaan. Maar ongeveer een maand voor mijn verjaardag hield ik het niet meer uit. Ik ging samen met wat vrienden terug naar mijn oude huis, dat toch leeg stond. Ik voelde me meteen beter toen ik zo dicht bij Violet was. Ik wilde haar eigenlijk ontmoeten, maar ik besefte dat dat te gevaarlijk was. Op dat moment wat ik daar tevreden mee. Maar een week of zo voor mijn verjaardag kwam Rose naar me toe. Ze vertelde me over de Amaranta - maar niet alles. Ik heb tegen haar gelogen. Ik heb net gedaan of ik nergens iets vanaf wist. Mijn acteertalenten zijn blijkbaar goed genoeg, ze geloofde me. Het is volgens mij niet één keer in haar opgekomen dat ik ook kon liegen - waarom zou ik ook? Ik zag Violet weer terug. Dat was geweldig, als was ze verschrikkelijk veranderd. Toen pas zag ik echt welke gevolgen mijn vertrek had gehad.' Ik begin meer haast te maken met het vertellen van mijn verhaal. Het voelt goed om het eindelijk kwijt te kunnen.
'Ik maak nu even een sprongetje in de tijd, als je het niet erg vindt. Een paar dagen voor mijn verjaardag begon ik te verdwijnen. Eerst dacht ik dat dat de manier was om naar huis terug te keren, maar het was te vroeg. Zonder de  hulp van Rose en Violet had ik het nooit uitgehouden. Wat het ook was, het was iets dat niet door Michaël geleid werd. Maar ik doorstond het. Toen kwam de fatale avond. Toen Rose me meenam naar de haven wist ik al wat ze van plan was. Ik wist ook dat ik me er niet tegen kon verzetten - en ik wist ook dat ik me er niet tegen wílde verzetten. dat klinkt je misschien vreemd in de oren, maar ik had er lang over nagedacht. Ik hou van Violet, Eline. Ik hou zo ongelooflijk veel van haar. Zonder haar heb ik geen leven meer. En samen met haar hou ik ook van Rose. Rose is een deel van haar, ze horen bij elkaar. Samen. Ik kon gewoon niet anders. Als ik dood moest om hen te redden, zou ik met alle plezier sterven. Zij twee zijn belangrijker voor me dan wat dan ook. Ik zal alles voor ze doen, echt alles.
Helaas gooide Michaël roet in het eten. Ik had lieve gehad dat hij zich niet aan zijn afspraak had gehouden en me gewoon had laten doodgaan. Maar hij kwam op tijd en hield Rose tegen. Hij was ongelooflijk sterk - de kracht die hij uitstraalde as enorm. Maar zijn aanwezigheid leek iets in me los te maken. Een vreemde kracht die ik nog niet kende. Ik was woedend. Op hem, en op mezelf. En al die woede, in combinatie met de krachten die Michaëls aanwezigheid in me hadden losgemaakt, vuurde ik op hem af. Ik was sterk genoeg om hem tegen te houden. Ik was sterk genoeg om Rose de tijd te geven om me te vermoorden. Ik was sterker dan Michaël zelf.'
Ik stop met praten en het blijft een paar seconden helemaal stil. 'Jezus.' Zegt Eline tenslotte. 'Dat is pas een verhaal.' Ze kijkt me bewonderend aan. 'Volgens mij ben jij geen normale engel, Pink. Je bent niet op dezelfde manier ontstaan, je hebt ongelooflijk sterke krachten en je bent doodgegaan.' Haar bewondering is nu echt ontzag geworden. 'Je moet wel écht speciaal zijn. Michaël heeft ongetwijfeld plannen met jou.' Ze aarzelt even. 'Volgens mij hebben we genoeg gepraat. We moeten gaan. Kom.' Ze staat resoluut op van haar stoel. Ik blijf zitten. 'Eline?' Vraag ik voorzichtig.
'Ja?'
'Heb jij op aarde echt zo'n goed leven geleid? Je moet het niet als een belediging opvatten hoor, maar zo kom je niet echt op me over.' Eline's gezicht wordt onmiddellijk gesloten en afwijzend. 'Ik ben het zat.' Haar prachtige ogen glinsteren met een uitzinnige woede. Toch is haar stem niet meer dan nauwelijks hoorbaar gefluister. 'Ik ben het zat om braaf te zijn. Ik ben niet lief. Ik ben niet aardig en zacht en zoet. Ik heb er zo genoeg van. En ik zit er voor eeuwig aan vast.'
Ik heb spijt van mijn vraag. Ik was alleen maar nieuwsgierig. Eline lijkt het zich niet aan te trekken, ze is alweer haar vrolijke zelf geworden. 'Ga je nou mee? We hebben hier lang genoeg gewacht!' Ik sta ook op, maar weet dan al niet meer wat de bedoeling is. 'Wat nu?' Vraag ik haar. Eline lacht. 'Denk maar een trap.'
'Waar naartoe?'
Haar lach veranderd in een grijns en ze kijkt naar de donkere lucht. 'Naar boven.'

Mara

#28
Epiloog: Violet

Ik weet niet waar ik ben. Ik weet niet hoe ik hier gekomen ben of wat er allemaal met me gebeurd is. Het laatste dat ik me kan herinneren is, zoals gewoonlijk, de vorige avond. Ik herinner me nog elk woord van het gesprek dat Pink en ik toen voerden.
Is dit het? Is dit waar ik al bang voor was?
Ik kijk om me heen en neen mijn omgeving zorgvuldig in me op. Overal herhaalt zich hetzelfde patroon. Het lijkt net alsof ik midden in de wolken sta. Overal om me heen is pluizig wit - het lijkt of ik volledig omgeven wordt door watten. Een zorgvuldig ingepakt, breekbaar, glazen mensje. Ik kan ze niet voelen. Ook onder mijn voeten voel ik geen vaste grond, niets waar ik houvast aan heb. Ik zweef  gewoon, blijf stil hangen. Ik beweeg mijn armen en benen, maak wilde zwembewegingen. Het haalt niets uit.
Tenslotte ontspan ik en sluit mijn ogen. Ik kan nu toch niets doen, dan kan ik me maar beter in mijn lot schikken. Even probeer ik aan iets anders te denken, maar mijn gedachten blijven in kringetjes ronddraaien en komen uiteindelijk toch telkens weer bij hetzelfde onderwerp uit: Wat is er gebeurd? En waar is Pink?
Ik ben eraan gewend dat ik me de nacht niet meer kan herinneren - ik zou me haast zorgen gaan maken als ik dat wél kon -, maar dat ik niet gewoon in mijn eigen bed wakker wordt, is nieuw. Bovendien weet ik zeker dat Pink bij me was gisteravond - en nu is hij nergens te bekennen.
Plotseling voel ik een windvlaag langs me heen gaan die mijn haren in mijn gezicht blaast en aan mijn kleren rukt. Ik open mijn ogen. De omgeving is in korte tijd enorm veranderd. De wolken zijn er nog wel, maar van pluizig, lieflijk wit zijn ze verkleurd naar dreigend donkergrijs en zwart. Ze staan nu ook niet meer stil, maar worden in een moordend tempo jachtig voortgestuwd door de wind die ook tegen mij aanblaast. Maar hoewel mijn kleren aan mijn lichaam trekken en mijn haren wild in het rond worden geblazen blijf ik als een standbeeld op mijn plek staan, verankerd aan het niets.
Ik ben nauwelijks bekomen van deze plotselinge verandering als er weer iets onverwachts gebeurd. In de wolken onder me verschijnt een opening. Het wolkendek wordt simpelweg opengeklapt, als een stormachtig luik. Zodra de opening gevormd is hoor ik stemmen van ver onder me naar boven zweven. Hoewel ik kan horen dat de eigenaars ervan nog behoorlijk ver weg zijn  kan ik ze prima verstaan, als staan ze vlak naast me.
‘Doe ik het goed? Waar gaan we eigenlijk heen?’ Ik voel een schok door mijn hele lijf gaan als ik de stem herken. Meteen daarna verspreid een intens gelukkig, tintelend, warm gevoel zich vanuit mijn borst tot de topjes van mijn tenen en vingers. Pink!
De stem die hem antwoordt herken ik niet - het is de stem van een meisje, in ieder geval, waarschijnlijk iets jonger dan wij. ‘Je doet het prima. Hou dit gewoon maar vast. En waar we heen gaan zie je vanzelf wel. Het moet tenslotte een beetje spannend blijven, niet?’ Ze lacht met hoge, tinkelende stem. Pink lacht met haar mee. Ik voel een steek in mijn borst en mijn ogen beginnen te branden. Ik weet niet wie ze is, maar ik heb nu al een hartgrondige hekel aan dat kind. Het is wel duidelijk dat ze mijn gedachten niet kan horen, want ze kwebbelt vrolijk verder. ‘Ik ben echt benieuwd wat Michaël met je gaat doen.’ Pink mompelt iets dat ik niet kan verstaan, maar het meisje blijkbaar wel. ‘Je hoeft niet bang te zijn. Je bent veel te bijzonder om iets aan te doen. Je moet alleen doen wat hij van je vraagt.’
‘Ja. Daar zit ik echt op te wachten.’ Ik weet precies hoe Pink’s gezicht er nu uitziet. Een heerlijke mengeling van sarcasme en vrolijkheid. Zijn ogen twinkelen dan op een geweldig leuke manier. Het meisje lacht weer en ik voel mijn ergernis toenemen. Daarna blijft het een hele tijd stil, en als ze weer beginnen te praten zijn ze opeens een stuk dichterbij. ‘We zijn er bijna.’ Zegt het meisje, nog altijd even vrolijk en opgewekt. Pink’s reactie is minder enthousiast, en ik merk dat dat me een goed gevoel geeft. ‘Gelukkig. Er wordt me ook nooit verteld wat er met me gebeurd.’ Moppert hij. Het blijft weer even stil, en een minuut later zie ik de bovenkant van een hoofd in de opening van het wolkenluik verschijnen. Ik zie meteen dat het niet het hoofd van Pink is - het moet zijn begeleidster zijn. Terwijl ze steeds verder naar boven komt - ik vermoed dat ze een trap oploopt - heb ik de tijd om haar te bestuderen. Ik zweef aan de zijkant van het luik, op iets meer dan een meter afstand en ze heeft me nog niet gezien. Het meisje heeft prachtige blonde haren en grote, blauwe ogen. Ze lijkt heel in de verte wel een beetje op mij toen ik wat jonger was. Haar kleren zijn onopvallend en licht versleten. Maar het meest opvallende zijn toch wel twee vleugels die uit haar schouders lijken te groeien. Zou ze echt een engel zijn? Waar ben ik in vredesnaam beland?
Als ze boven is zet ze haar voet voorzichtig op het wolkendek en loopt een stukje verder - de wolken lijken haar gewicht prima te kunnen dragen. Als ze zich omdraait ziet ze mij in de lucht zweven. Haar ogen worden groot en schieten van mij naar de opening in de wolken waar Pink net uit te voorschijn komt. ‘Ken je haar?’ Ze geeft een kort, afgemeten knikje in mijn richting. De vrolijkheid is uit haar stem verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor een scherp randje. Pink draait zijn hoofd om en ziet mij. Als onze blikken elkaar kruisen voel ik mijn hart een sprongetje maken. Pink moet hetzelfde hebben gevoeld, want hij neemt de laatste paar treden in twee grote stappen en rent over de wolken naar me toe zonder het meisje antwoord te geven. Zodra hij mijn voet aanraakt val ik naar beneden. Pink vangt me op in zijn sterke armen en drukt me tegen zich aan. Ik sla mijn armen om hem heen en verberg mijn gezicht tegen zijn schouder. Even blijven we bewegingloos staan terwijl duizenden gedachten door mijn hoofd razen met hetzelfde tempo als waarin de wolken boven onze hoofden voortjakkeren.
Ik heb het wel gezien. Pink heeft ze ook - vleugels. Ik weet niet wat het is, wat het betekend. Ik weet niet waar ik ben en wat ik hier doe. Maar dat maakt allemaal niets meer uit.
Ik wend mijn betraande gezicht op naar Pink en hij kijkt me aan. Ook in zijn ogen glinsteren tranen. Ik lach naar hem en hij lacht naar mij en alles is goed. Wat er verder ook met me mag gaan gebeuren, zolang ik samen met Pink ben kan het me niets meer schelen. Met hem aan mijn zijde kan ik de hele wereld aan. Zolang we maar samen zijn. Als Pink me nog eens stevig tegen zich aandrukt weet ik dat hij er precies hetzelfde over denkt.
Nadat we  een tijd die wel eindeloos lijkt zo hebben gestaan maakt Pink zich van me los en zet een stapje naar achteren. Hij blijft mijn handen vasthouden en ik vlecht mijn vingers door de zijne. Ik wil iets tegen hem zeggen, maar ik kan de juiste woorden niet vinden - als er al juiste woorden bestaan voor dit moment. Ik heb het gevoel dat alles wat ik zeg dit moment alleen maar minder mooi kan maken, het als glas uiteen kan laten spatten.
Onverwachts tilt Pink onze ineengestrengelde linkerhanden op en maakt onze vingers los. Heel voorzichtig neemt hij mijn linkerhand in zijn handen, als was het een jong vogeltje dat  hij door één ongecontroleerde beweging kan vermorzelen. Met een oneindig teder en zacht gebaar vouwt hij mijn vingers open en bestudeerd mijn handpalm zorgvuldig. Ik snap niet wat hij aan het doen is, tot hij mijn hand omdraait zodat  ik de binnenkant ervan kan zien. Ik adem scherp in.
Op mijn gave, witte huid staat een roos. De bloem is iets groter dan een twee-euromunt en bloedrood. Het steeltje is heldergroen en loopt over de binnenkant van mijn pols door en verdwijnt onder mijn kleren. Ik breng mijn hand naar mijn gezicht en bestudeer de bloem op mijn huid. Het is geen tatoeage, geen opplakgeval en het is ook niet met stift of iets dergelijks op mijn hand getekend. Het ís er gewoon, alsof het altijd al deel van me is geweest en ook altijd een deel van me zal blijven.
Zonder iets te zeggen pakt Pink mijn pols vast en brengt mijn handpalm naar zijn gezicht. Dan kijkt hij me recht aan. ‘Mag ik?’ Vraagt hij aarzelend. Ik knik meteen. Ik vertrouw hem, haast meer dan ik mezelf vertrouw.
Pink brengt nu ook zijn andere hand omhoog en raakt heel licht met één vinger de rood op mijn handpalm aan - het is eigenlijk meer erover strijken.
Zodra onze huid contact maakt veranderd de roos in een brandende plek die zo ontzettend veel pijn veroorzaakt dat ik het bijna uitschreeuw. Het voelt echt of het stuk huid ter grootte van een twee-euromunt in brand staat - al zijn er natuurlijk geen vlammen te zien. Ik klap mijn kiezen op elkaar en proef de smaak van mijn eigen warme bloed als het mijn mond in stroomt. De brandende plek op mijn handpalm zwelt nog iets op en lijkt de steel van de roos dan aan te steken als een lucifer een lont aansteekt. Ik pak Pink met mijn rechterhand bij zijn schouder en boor mijn nagels in zijn vlees. Hij lijkt het niet te merken, kijkt me alleen maar doodsbang en ontzettend bezorgd aan.
De brandende pijn schiet razendsnel langs mijn arm omhoog, tot het binnen mum van tijd mijn hart bereikt. Als ik dacht dat ik het ergste al gehad had, had ik het mis. Het lijkt wel alsof mijn hart ontploft, ter plekke aan stukken wordt gereten tot er niets meer van over is. Mijn benen kunnen mijn gewicht niet meer dragen en ik zak in elkaar in de armen van Pink, die me overeind houdt.
De pijn begint langzaamaan weer af te nemen en een halve minuut later is het geslonken tot een zacht zeuren aan de linkerkant van mijn borst. Toch voel ik dat er iets veranderd is. Als ik Pink aankijk weet ik wat het precies is. Zodra we oogcontact maken voel ik hoe binnen in me een pasgeboren, maar toch al ongelooflijk krachtig beest zich opricht en een luid gebrul uitstoot. Het is wakker geworden, en zal niet meer inslapen voor het zijn doel bereikt heeft.
Ik kijk naar Pink en weet dat er iets onherstelbaar en ingrijpend veranderd is. Iets dat niet zo één twee drie weer goed gaat komen - als het ooit al goed komt.
Maar ik lach naar hem en hij lacht naar mij en alles is goed.