Huiswerk, a story of genius

Gestart door Jnusch, 3 december 2008, 19:59:30

Vorige topic - Volgende topic

Killinstinct

De overheid pakt ons geld af!

'Inflatie weer onder 3 procent' (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2008) kopt CBS op haar website. Inflatie is één van het meest besproken onderwerp in onze economie. Inflatie wil zeggen hoeveel de prijzen gemiddeld zijn gestegen. Inflatie bepaalt dus hoeveel ons geld minder waard is geworden. Heel veel economen hebben uitspraken gedaan over de inflatie. Zo ook de Nobelprijs winnaar van 1974: Friedrich August von Hayek (1899-1992). Hij vond het geen overdrijving om te zeggen dat de geschiedenis grotendeels een geschiedenis is van inflatie, die meestal door de overheid is gecreëerd om als overheid meer te verdienen. Ik ga deze stelling bekritiseren door middel van een aantal theorieën. Eerst zal ik theorieën gebruiken die het met de stelling eens zijn, daarna zal ik theorieën gebruiken die het niet eens zijn met de stelling en ik zal eindigen een conclusie.

Veel mensen op straat klagen over de (te hoge) inflatie. Inflatie zorgt er namelijk voor dat het geld minder waard wordt, waardoor de koopkracht daalt. Het is natuurlijk logisch dat niemand hierop zit te wachten. Toch heeft inflatie ook goede dingen. Uit een onderzoek (Mankiw & Tarlor, 2008, p. 120-121) blijkt namelijk dat mensen liever een inflatie hebben van 5% en een loonstijging van 3%, dan dat ze een inflatie hebben van 2% en een loonstijging van 0%. Hoewel de koopkracht ongeveer gelijk blijft prefereren de mensen dus een hoger loon boven een lagere inflatie, maar hoe ontstaat die inflatie eigenlijk?
Er zijn veel theorieën die gaan over het ontstaan van inflatie. Eén theorie daarvan staat beschreven in hoofdstuk 4 van ons studieboek (Mankiw & Taylor, 2008, p. 93-132). Deze theorie staat ook wel bekend als de verkeersvergelijking van Fisher en gaat over de geldhoeveelheid in de economie. Deze theorie beschrijft de inflatie als π = gM – gY. Hierin staat π voor inflatie, gM voor de groei van de geldhoeveelheid en gY voor de groei van de economie. Aangezien de groei van de economie een parameter is, is er een direct verband tussen de inflatie en de groei van de geldhoeveelheid. De overheid kan dus volgens deze klassieke theorie zelf de hoogte van de inflatie, of deflatie, van een land bepalen.
De overheid kan ook voor inflatie zorgen door belastingen. Een voorbeeld hiervan is de BTW. De BTW is op dit moment 19%, maar de overheid had plannen om op 1 januari 2009 de BTW te verhogen naar 20%. Dit zorgt ervoor dat de producten waar op dit moment 19% BTW op zit met ongeveer 0,8% gaan stijgen. Dit lijkt misschien heel weinig, maar als je er vanuit gaat dat de ECB streeft naar een maximale inflatie van 2%, is die 0,8% al een aanzienlijk deel. De overheid verdiende in 2007 bijna 42 miljard aan BTW (CBS, 2008). Een ander voorbeeld zijn de accijnzen op benzine. Deze accijnzen zijn tussen 1991 en 2000 gestegen met ongeveer 61% (CBS, 2000). De overheid creëert dus inflatie door middel van belastingen, de overheid is ook degene die op deze belastingen verdiend.
Het tegenovergestelde van inflatie is deflatie. Bij deflatie dalen de prijzen ten opzichte van het voorgaande jaar. Het effect hiervan is dat mensen minder gaan uitgeven, omdat het de volgende dag toch goedkoper is. Hierdoor blijven bestedingen uit en dit is slecht voor de groei van de economie. Japan is het bekendste voorbeeld van een land dat heeft te maken met deflatie. In de jaren 1998-2001 was het CPI gemiddeld -0,275% per jaar, de mutatie van het BBP was gemiddeld -0,85% per jaar en de mutatie van M1 (de totale geldhoeveelheid) was gemiddeld 8,9% per jaar (Johnsson, 2003). Hieruit kun je afleiden dat de formule uit de vorige alinea in deze praktische situatie kant noch wal raakt. In Japan was er namelijk een forse stijging van de geldhoeveelheid, maar er was toch deflatie. Terwijl je volgens de verkeersvergelijking van Fisher dan ook inflatie zou moeten krijgen, vooral omdat ook het BBP daalde. Uit het voorbeeld van Japan is wel te zien dat deflatie zorgt voor een daling van het BBP en dit zorgt voor een slecht economisch klimaat. Dit is volgens de meeste economen ook erger dan een stijging van de gemiddelde prijzen.
Hoewel de theorie in de 2e alinea goed onderbouwd is, kun je hier behalve de kanttekeningen uit de vorige alinea ook nog andere kanttekeningen bij plaatsen. Volgens de moderne theorieën heb je 2 verschillende soorten inflatie, namelijk kosteninflatie en bestedingsinflatie. Bestedingsinflatie is inflatie die ontstaat wanneer de bezettingsgraad van een land boven de normale bezettingsgraad ligt. Hierdoor zullen bedrijven een hogere prijs vragen voor hun producten, waardoor de afzet zal dalen, omdat ze anders niet kunnen voldoen aan de verwachte afzet. Deze inflatie is een soort 'conjunctuur inflatie'. Naast bestedingsinflatie heb je ook kosteninflatie. Dit is inflatie die ontstaat doordat de kostprijs stijgt. Winstinflatie is een voorbeeld van kosteninflatie, dit kan voorkomen wanneer de ondernemers relatief meer winst willen behalen, hierdoor zal de kostprijs gaan stijgen. Een ander voorbeeld van kosteninflatie is geïmporteerde inflatie. Dit kan voorkomen doordat er een oogst is mislukt of doordat er in een bepaald gebied overstromingen zijn geweest. Door deze natuurrampen daalt het aanbod van een bepaalt product, waardoor de prijs zal stijgen. De overheid kan geen invloed uitoefenen op deze factoren, en dus kan de overheid ook niet direct voor inflatie zorgen. Behalve dit heb je ook nog bedrijven met een monopolie positie. Deze bedrijven met een monopolie positie kunnen zelf de prijzen bepalen van de goederen en diensten die zij leveren. Een voorbeeld hiervan zijn de OPEC-landen, deze hebben min of meer een monopolie op olie. Ze kunnen zelf de prijs hiervan bepalen, want olie is één van de belangrijkste goederen dat een land nodig heeft. Als de OPEC wilt dat de prijzen gaan stijgen, verminderen ze simpelweg de 'productie' van olie, waardoor het aanbod daalt en dus de prijs gaat stijgen.

Aan de ene kant zou je wel kunnen zeggen dat de overheid zorgt voor inflatie. Door bijvoorbeeld de maatschappelijke geldhoeveelheid te veranderen of door de belastingen (te verhogen). Bij de belastingen verdiend de overheid er ook zelf aan en dus kun je concluderen dat Von Hayek op dit punt gelijk heeft. Aan de andere kant, klopt deze bewering niet vaak. De overheid heeft niet veel invloed op de hoogte van de inflatie, de overheid kan immers niets doen aan natuurrampen of aan monopolieposities van bepaalde bedrijven of landen. Misschien had Von Hayek last van een tunnelvisie of had hij gewoon een hekel aan belasting betalen.



Niets uit deze Paper mag worden overgenomen zonder mijn toestemming  8)