Nieuws:

Heb je problemen met het forum? Contacteer Shaddow, redeast of yasu.

Hoofdmenu

Shadows of the Past

Gestart door maartentje582, 24 januari 2010, 12:54:03

Vorige topic - Volgende topic

Hoe vond je het?

Super goed
Goed
Slecht
Super slecht
Ik heb het niet gelezen xD

maartentje582

Hoofdstuk 15: Opoffering en Twijfel

Vermorzelende onrust doorboort mijn hart
Met messcherpe steken laat ze het doodbloeden
Tot er niets meer van overblijft
Het voor eeuwig verloren is,
En ten prooi valt aan Hem

Die woorden vullen mijn blad op, als ik de volgende ochtend mijn huiswerk probeer te maken. Ik kan me niet concentreren op Bezweringen, Toverdranken of welke les dan ook. Mijn hoofd is nog half verdoofd van de pijn en emoties van gisteren. Ik was ervan overtuigd dat ik van Marten hou, echt waar. Het is zo grappig ironisch, maar niemand in het heden kan zich de lieve, schattige Marten inbeelden denk ik. En toch bestaat die. En ik ben de uitverkorene om die naar boven te halen, dag in dag uit. Het probleem is alleen dat hij de touwtjes in handen heeft, dat hij alles controleert en niet ik. Ik zucht en verwerk het blad papier tot een propje. Maar… Misschien als ik hem de indruk geeft dat hij alles controleert… Dan zal hij niets vermoeden en kan ik mijn plan voortzetten. Ik glimlach en heb moed. Met een precieze worp smijt ik het propje in de prullenbak en sta ik op.

“Wat zeg je?”
Sean staart me met ongelovige ogen aan en probeert in mijn ogen te kijken. Maar dat kan ik niet toelaten, dan zal hij zien dat ik het niet meen.
“Inderdaad,” zeg ik met gebogen hoofd. “Ik wil niet meer met je omgaan.”
“Wát? Wanneer?”
“Nu niet, nooit niet.” Mijn stem beeft.
Sean laat zijn schouders verslagen hangen.
“Hij wil het niet, hè?”
Ik krijg een grote brok in mijn keel en heb het gevoel dat ik moet gaan overgeven. Sean is juist, maar dit is het enige dat ik kan doen. Ik moet Marten laten denken dat hij de controle heeft, dus moet ik hem laten tonen dat zijn wil wet is.
“Vergeet niet dat je soms een kleine opoffering moet maken om een groot doel te bereiken.”
Dat zei professor Perkamentus tegen me. Sean is een opoffering. Ik moet hem zien als een voorwerp waarover je je heen moet zetten om het Voldemort-obstakel te overwinnen. Verdorie!
Als ik blijf zwijgen legt hij even zijn hand tegen mijn wang.
“Ik begrijp het, Rose.”
“Nee, dat doe je niet,” zeg ik vermoeid.
“Ik doe mijn best. Nog veel succes.”
Daarop loopt hij weg, op hetzelfde moment dat ik een traantje wegpink. Dit is een van de vreselijkste momenten uit mijn leven. En dat heb ik allemaal te danken aan Voldemort. Ik haat hem. Maar ik hou van Marten. Ingewikkeld.
                                                                                                   
Ik zit in de leerlingenkamer van Zwadderich, opgekruld tegen het warme lichaam van Marten. Zijn sterke arm zit losjes om me heen en hij kijkt me liefjes aan. Het is alsof gisteren gewoon nooit heeft plaatsgevonden, alsof het vergeten is. Ik laat hem maar in de waan. Ik geloof dat ik mijn missie in de steek heb gelaten door gevoelens voor Marten toe te laten, misschien dacht ik dat het zo gemakkelijker zou gaan. Nu weet ik dat dat compleet fout was. Ik moet bij hem liefhebbend en naïef overkomen, maar in werkelijkheid goed met mijn voeten op de grond staan. Gevoelens zijn niet meer toegestaan, hard tegen hard, zo ga ik het doen. Hij wil een spelletje spelen? Hij zal een spel krijgen. En ik zal zorgen dat ik er als winnaar uit kom, koste wat het kost. Rondom ons zit het gebruikelijke groepje; Thomas, Helena, Diane, Liam en Philip. De meesten zijn bezig met hun huiswerk, maar Helena zit afstandelijk naar buiten te kijken, helemaal in zichzelf gekeerd. De laatste tijden stelt ze mij veel vragen over mijn leven buiten Zweinstein, waarover ik dus moeilijk kan vertellen zonder door de mand te vallen. Het is alsof ze het weet of het begrijpt.
Ooit zal je het haar moeten vertellen, Hermelien.
Mijn gedachten worden opgeschrikt door Liam, die demonstratief zijn keel schraapt.
“Zeg Marten, hoe zit dat eigenlijk met Rosalines ritueel?”
“Ja,” voegt Thomas toe, “het is al bijna Kerstmis.”
Vervloekt die twee…
Marten lacht ontspannen en kijkt ondeugend naar mij. Ik probeer terug te glimlachen, maar het komt waarschijnlijk geforceerd over.
“Ik denk dat dat voor zeer binnenkort gaat zijn, nietwaar Rose?”
Hij geeft me een steelse por en zet een haarlok die voor mijn ogen ligt, op zijn plaats. Mijn hart begint jachtig tekeer te gaan en ik krijg een raar gevoel in mijn buik. Ik weet wel wat hij wil… Het spel dat Marten en ik spelen, is geen kinderspelletje meer, dit is zware ernst.
Liam en Philip beginnen dom te grinniken, Diane trekt haar wenkbrauwen op en zwijgt, maar Helena blijft verder staren naar buiten. Zo ken ik haar niet, ik weet bijna zeker dat er haar iets dwars zit.

Marten merkt dat ik even aandacht aan iets anders besteed en duwt me dichter tegen zich aan. Hij legt zijn neus in mijn haar en ruikt eraan.
“Hmmm…” zegt hij, zachtjes mijn wang strelend.
Ik sta mezelf even toe ervan te genieten, alvorens ik opsta. Met een klein kusje op Martens mond en een “ben zo terug” neem ik afscheid en ga ik naar Helena toe.
“Zin in een ommetje?”
Helena knikt onverschillig en wandelt met mij de leerlingenkamer uit. Buiten is het ijskoud, dus wandelen we maar een beetje rond in het kasteel. We zeggen beiden geen woord tot we bij de Grote Zaal aankomen. Ik maak aanstalten om verder te lopen als Helena plotseling stil blijft staan. Ik draai me om, klaar om te vragen wat er nu eigenlijk scheelt, maar ze is me voor.
“Wie ben je eigenlijk?”
De woorden klinken raar uit haar mond, alsof ze zelf niet overtuigd is van haar vraag.
“Eh… Hallo? Aarde aan Helena? Ik ben Rosaline, je vriendin…”
“Je weet wat ik bedoel, Rose… of misschien niet Rose…”
Helena houdt haar mond en ik zie haar twijfelen. Dit heeft haar al de hele tijd bezig gehouden.
“Helena…”
Ik zet een stap dichterbij, maar ze wijkt achteruit met een afstandelijke blik in haar ogen, alsof ik een totale vreemde ben en niet haar beste vriendin.
“Hoe ben je erachter gekomen?” vraag ik dan maar kleintjes, het heeft toch geen zin om nog rond te pot te draaien of te doen alsof er niets is.
“Het klopte gewoon niet, van in het begin niet, maar ik dacht dat er iets mis was met mij… dat ik het me allemaal inbeeldde.”
“Het spijt me…”
“Dat is niet wat ik wil horen en je weet het.”
Ik kijk schuldbewust naar mijn voeten.
“Ik zal je alles uitleggen, laten we alleen een rustigere en veiligere plek uitzoeken.”
Ik voel me schuldig, het gevoel verteert me zelfs. Ik heb mijn beste vriendin eigenlijk gewoon zitten voorliegen, ook al is het voor een goed doel. Hoe zou ik daarop reageren als het andersom was? We gaan op zoek naar een leeg klaslokaal en ik vergrendel de deur magisch. Helena voelt zich nog steeds helemaal niet op haar gemak en gaat zitten op een stoel. Ik doe hetzelfde en begin dan te praten. Ik zeg alles.
Ik begin met Voldemorts opgang, die binnen enkele jaren zal plaatsvinden, ik vertel over zijn plannen, verdere daden, over Harry Potter; de jongen die bleef leven, over Voldemorts dood, Voldemorts terugkeer, professor Perkamentus…
Tenslotte komt mijn missie aan bod. Helena zegt geen woord en blijft de hele tijd gespannen luisteren. Soms schuift ze ongemakkelijk heen en weer op haar stoel maar ze kijkt me niet hoe langer hoe vreemder aan, zoals ik gevreesd had. Ik heb de indruk dat ze het geheel gelooft. Bij sommige stukjes kijkt ze ongelovig of schudt ze misprijzend haar hoofd, maar als ik eindelijk uitgepraat ben, zwijgt ze en uit ze een diepe zucht.
Ze opent voorzichtig haar mond en ik lach haar bemoedigend toe.
“Hermelien?”
“Jah.”

Helena zucht weer lang en kijkt me dan onzeker aan.
“Het spijt me, Helena, maar je snapt hopelijk wel dat ik dit aan niemand kon zeggen…”
“Ik snap het. Maar er is nog een ding dat me dwars zit. Voldemort ziet en weet veel, bijna alles. Als hij al iets vermoed zal hij toch proberen je te stoppen…”
“Ja… daarom denk ik dat hij nog niets vermoed, anders zou hij toch niet met me om gaan?”
“Nee, daarvan mag je niet uitgaan. Als ik een vermoeden heb, heeft hij dat zeker. Hij zal proberen subtiel je in de val te lokken.”
Helena kijkt ernstig en meent wat ze zegt. Ik ben zo blij dat ik haar in vertrouwen heb kunnen nemen…
“Heb je enig idee hoe dan?”
Helena denkt na en sluit haar ogen om zich extra te kunnen concentreren. Plots knipt ze met haar vingers en kijkt ze me aan.
“Het ritueel.”
Het ritueel?
“Je opdracht is geheim…”
“Ja, maar ik kan hem best aan jou vertellen hoor.”
“Ik denk dat ik het al weet. Hij wil je aan hem verbinden… En niet symbolisch maar in levenden lijve, letterlijk. Is het dat?”
Ik ben verbaasd van Helena’s denkvermogen, ze heeft het absoluut bij het rechte eind en zo heb ik het zelf nog niet eens bekeken. Dat ritueel dient natuurlijk niet alleen maar om officieel bij het “Voldemort-clubje” te behoren. Het gaat veel verder. Hij kan macht over me krijgen zo…

Die laatste gedachte beangstigt me zo hard, dat het waarschijnlijk op mijn gezicht te lezen is. Helena komt dichter bij me zitten en legt haar armen om me heen.
“Je draagt een zware last, Ro… Hermelien.”
“Zeg maar Rose, dat is veel eenvoudiger voor iedereen,” glimlach ik. Ik wil er niet aan denken wat er gebeurt als Helena in Martens bijzijn mijn echte naam uitspreekt. Het is een gevaarlijke stap die ik gezet heb, iemand in vertrouwen nemen. Maar Helena zal me nooit verraden en beter nog, omdat ze Marten al zo lang kent kan ze me helpen. En ik zal alle hulp kunnen gebruiken als Helena het inderdaad bij het rechte eind heeft. Marten zal mij na gisteren zo snel mogelijk aan hem willen binden, eventueel magisch. Ik ril bij de gedachte van magie tijdens een lichaamsverbondenheid. Die moet echt krachtig zijn dan. En hoe langer ik erover nadenk, hoe logischer het lijkt. Marten wil niet gewoon met me naar bed, wat zo vele jongens met hun liefje willen doen. Marten wil macht over me, op zijn eigen manier, zodat hij zekerheid heeft. Hij haat het om afhankelijk te zijn van iemand, ook al is het maar een klein beetje. Dat ik dit nog niet eerder bedacht heb verdorie…
Ik zucht vermoeid en kijk naar mijn beste vriendin. Van haar zal ik voortaan mijn steun en moed moeten putten. Wat een geluk dat ik haar nog heb…
Science tells me God must exist.
My mind tells me I will never understand God.
And my heart tells me I am not meant to.

maartentje582

Hoofdstuk 16: Visioen

Helena en ik zitten in de bibliotheek van Zweinstein Hogeschool voor Hekserij en Hocus-pocus. Mijn hoofd rust op een stapel zware boeken vol informatie over bindingsrituelen. Ik ben moe en uitgeput van het lange zoekwerk, maar Helena zit aandachtig te lezen in een van de vele boeken die op haar schoot liggen. Haar oogspleten zijn vernauwd voor een maximale concentratie en dat verbaast me enorm. Helena is iemand die nooit graag naar de bibliotheek gaat. Boeken vind ze in het algemeen saai, tenzij ze er iets uit nodig heeft. Dan kan ze uren aan een stuk doorwerken, wat ze nu dus doet.
Ik schrik als Helena een sprongetje maakt op haar stoel.
“Ik denk dat ik iets gevonden heb.”
Ik wrijf vermoeid met mijn hand in mijn ogen en buig me over het boek dat ze vasthoudt. Ik lees de passage die ze met haar vinger aanduid en glimlach goedkeurend. Ze heeft inderdaad iets gevonden.
“Dus, even ter herhaling,” begint Helena, “Marten wil jou aan zich binden, zodat hij macht over je heeft en je aan hem verbonden bent. Waaróm moeten we nog uitzoeken, maar dit weten we al. Waarschijnlijk gaat hij je letterlijk aan zich binden met een bindingsspreuk en die werkt het sterkst als je ook lichamelijk met elkaar verbonden bent.”
Ik luister aandachtig en knik.
“Daarvoor gebruikt hij het ritueel, want tja dan zijn jullie…”
“Lichamelijk innig met elkaar verbonden ja…” vul ik nors aan.
“Inderdaad.”

“Deze spreuk komt denk ik het dichts overeen bij wat we denken dat hij gaat doen, niet?”
“Ja, ik geloof van wel,” antwoord ik.
“Dan is het toch maar even handig dat hier een beschermingsspreuk tegen bestaat,” grijnst Helena.
“En hij is niet te ingewikkeld precies,” zeg ik terwijl ik de spreuk bestudeer. Hij bestaat uit twee delen; een toverdrank innemen en een spreuk opzeggen.
“De toverdrank maken zal ongeveer een week in beslag nemen, geloof ik,” zegt Helena.
“Dus moet je ervoor zorgen dat dat ritueel hoogstens pas volgende week wordt voltrokken.”
Ik leg mijn hand op Helena's arm.
“Bedankt voor alle hulp, Helena. Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik Marten een stap voor ben. Dat is een enorme opluchting. Nu voel ik me er helemaal klaar voor.”
“Graag gedaan, meid,” lacht Helena en ze omhelst me.
Ja, ik ben er klaar voor. Laat hem maar komen…
De rest van de tijd gedraag ik mij voorbeeldig, zoals het volgens Marten past. Hij kan echt niets op me aan te merken hebben. Ik heb mijn contact met Sean volledig verbroken, ik sta altijd tot Martens beschikking als hij me nodig heeft en ik zie dat hij me goedkeurend toeknikt. Binnenin grijns ik, laat hem maar denken dat ik voor hem kruip. Uiteindelijk win ik toch. Helena is een enorme steun voor mij. Samen werken we aan de beschermingsdrank (ze is trouwens uitzonderlijk goed in toverdranken) en Marten kan niets achterdochtigs zoeken achter “met mijn vriendin optrekken”. Alleen ’s avonds staat hij erop dat ik naast hem kom zitten in de leerlingenkamer, legt hij zijn arm bezittelijk rond mijn schouder en moet ik de schijn hoog houden door hem aanmoedigend toe te lachen.

Als hij zijn lippen op die van mij drukt en mij kust heb ik een reflex om weg te duiken, maar ik leg dat stemmetje in mijn hoofd het zwijgen op en zet mijn verstand op nul. Ik zal nooit vergeten dat ik met Marten ook liefdevolle, gelukzalige momenten heb meegemaakt, ook al waren het eigenlijk allemaal leugens. Maar nog steeds voel ik me op een perverse manier tot hem aangetrokken. Martens macht, zijn knappe uitstraling en zijn charmes houden precies het evenwicht met Voldemorts macht, zijn verschrikkelijke plannen en zijn daden.
Ik moet mezelf er vaak genoeg aan herinneren wat er is gebeurd op de gang enkele dagen geleden, toen Marten me met zijn geest aanviel. En het vooruitzicht aan het ritueel geeft me de kriebels. Ik weet dat Marten het zo snel mogelijk wil voltrekken. Elke avond als ik bij hem zit fluistert hij in mijn oor hoe graag hij het wil.
“Eind deze week,” beloof ik.
“Zaterdag,” fluistert hij. “Dan is het volle maan.”
Ik slik.
Denk aan je beschermingsspreuk, Hermelien. Je bent hem deze keer een stap voor. Jij zult winnen. Houd moed.

Marten grijnst en brengt zijn hand naar mijn wang. Wanneer zijn hand me aanraakt gebeurt er iets. Er ontstaat een soort knetter, vergelijkbaar met als je iemand elektriciteit overdraagt. Dat gevoel heb ik nu ook, alleen is het resultaat anders. Plotseling vervaagt alles voor me en wordt het donker. Dan krijg ik een visioen. Ik voel dat ik nog steeds naast Marten zit in de leerlingenkamer, maar mentaal zit ik ergens totaal anders. Ik bevind me in een grote, witte kamer met een groot, wit hemelbed. Het zonnelicht schijnt fel door de grote ramen. Op het hemelbed zit een meisje met haar armen rond haar knieën en ze is helemaal naakt. Ze schokt van het snikken en haar tranen druipen op het bed. Haar lange bruine haardos ligt op haar naakte schouders en beweegt op het ritme van haar gehuil. Ik krijg al een naar voorgevoel… Ik probeer te zien wie het is maar haar hoofd is helemaal gebogen. Enkele passen van haar af staat een knappe jongeman, eveneens naakt, die ik herken als Marten. Ik kan mijn ogen met moeite van zijn volmaakte lichtbruin gespierde lichaam afwenden. Maar zijn blik is hard en zijn ogen zijn gevaarlijk rood. Mijn gevoel van onrust wordt alsmaar groter en ik voel me helemaal niet op mijn gemak. Wat is dit hier toch allemaal?
Hij kijkt triomfantelijk naar het snikkende meisje. Zijn blik schijnt te zeggen: “Zie je wel, ik win altijd…”
Ik krijg kippenvel en kijk naar het naakte meisje op het bed. Plots kijkt ze op naar haar overwinnaar. Ik val bijna flauw als ik merk dat IK dat meisje ben. Haar ogen kijken recht in die van Marten en stralen pure haat uit. Ik word van afgrijzen vervuld en bekijk het schouwspel met half toegeknepen oogspleten. Dit is foute boel…
Waarom toont Marten me dit? Weet hij iets? Vermoedt hij alleen maar iets? Is het per ongeluk? Is het echt? En wat in godsnaam heeft hij bereikt dat hij zo triomfantelijk op me neer mag kijken?
Ik wil alles verder onderzoeken maar dan voel ik dat mijn geest zich uit het visioen trekt.

Ik zie weer een glimlachende, niet-naakte Marten naast me, die zachtjes mijn wang streelt.
“Is er iets, lieveling?” zegt hij bezorgd als hij mijn angstige blik ziet. De schok om van de ene, triomferende Marten naar de andere, tedere te gaan is hard. Ik dwing mezelf onmiddellijk mijn hartslag te kalmeren en slaag erin een poging tot glimlachen te ondernemen. Mislukte poging dus.
“Ik… Ik voel me niet lekker,” zeg ik dan maar, wat niet eens gelogen is.
“Kruip misschien eens vroeg in bed, je het kunt gebruiken.”
“Ja, misschien doe ik dat,” zeg ik.
Ik maak me van Marten los en sta op. Hij staat mee op en loopt met me tot aan de trappen die leiden naar de meisjesslaapzaal. Daar houden we halt en geeft hij me een zachte zoen op mijn voorhoofd.
“Ik hou van je,” zegt hij teder.
De komediant…
“En ik kijk enorm uit naar zaterdag,” voegt hij er lief grijnzend aan toe.
Inderdaad, daar draait het allemaal om, vuile smeerlap!
“Ik ook,” breng ik er met moeite uit.
Ik wil gewoon zo snel mogelijk alleen zijn, in mijn bed liggen, mijn ogen sluiten en denken aan niets.
“Slaapwel Marten.”
“Slaapwel Rose.”
Als ik eindelijk in mijn bed lig krijg ik het visioen niet uit mijn hoofd. Het blijft maar door mijn hoofd spoken. Ik weet niet waar ik het moet plaatsen… Ik weet niet wat ik ervan moet denken… Ik weet alleen dat het nooit mag uitkomen. Het enige wat ik nu nog kan doen is hopen en bidden dat dit geen stukje uit de toekomst was…
Science tells me God must exist.
My mind tells me I will never understand God.
And my heart tells me I am not meant to.

maartentje582

Hoofdstuk 17: Laatste voorbereiding

“Beschrijf het einde nog is, heel kort en duidelijk,” zegt Helena de volgende ochtend aan de ontbijttafel. Ik heb haar meteen ingelicht over mijn visioen, dat lijkt me het veiligst. Ik hoopte dat ze er een logische verklaring voor had, maar haar gezicht staat donker en de wallen onder haar ogen ontsieren haar gezicht. Ze heeft deze hele week bitter hard gewerkt aan de toverdrank en dat eist zijn tol. Ikzelf ben de hele week al bezig met de spreuk te oefenen die lekker ingewikkeld in elkaar zit, maar ik heb het er voor over. Ik moet me kunnen verdedigen tegen Voldemort, anders ben ik verloren.
“Rose?” schrikt Helena me op uit mijn gedachten.
“Oh ja, het einde… Ik kijk hem vol haat aan en Marten kijkt triomfantelijk op me neer.”
“Zegt of doet hij nog iets speciaals?”
“Oh Helena… ik weet het niet meer precies… ik geloof van niet…”
“Het is oké Rose, het lukt wel. Ik denk niet dat het iets is waar je je zorgen over hoeft te maken.”
Ik kijk mijn vriendin bedenkelijk aan maar zwijg, het is beter dat ik haar gewoon geloof in plaats van me zorgen te maken. Zorgen heb ik immers al meer dan genoeg. Alleen krijg ik dat verdomde visioen maar niet uit mijn hoofd. Het is dan ook niet bepaald een goede motivatie om aan het ritueel te beginnen.
Moed, meid! Oh god, hoe vaak heb ik dit de laatste tijden tegen mezelf moeten zeggen…
De rest van de week lijkt veel te snel te gaan. Op donderdagochtend word ik wakker door een verschrikkelijke nachtmerrie waarin Marten de hoofdrol speelt. Op vrijdagochtend voel ik me lichtjes misselijk en krijg ik af en toe onverwachte rillingen. Maar zaterdagochtend moet ik echt kotsen en als Helena mij de wc-pot ziet induiken, klopt ze medelevend op mijn schouder.
“Adem Rose, het is heus niet zo… Oké jawel, het is wel belangrijk maar het zal wel lukken… Het zal wel lukken.”
Tussen twee kotsbuien door mompel ik dat ik haar natuurlijk geloof, maar we weten allebei dat er te veel op het spel staat om hier luchtig over te doen. Ik weet dat de hele periode die ik hier, in het verleden bij Marten, heb doorgebracht, draait om vandaag. Vandaag is het vallen of staan, alles of niets. Nadat ik tien keer mijn tanden heb gepoetst, durf ik eindelijk trillerig naar Marten toe te gaan. Hij zit helemaal op zijn gemak doodleuk een lekker ontbijt naar binnen te werken. Ik krijg alweer bijna kotsneigingen als ik zijn toast met boter zie, maar zet moedig door, geef hem een ochtendkusje en ga naast hem zitten. Binnenin beef en ril ik, maar vanbuiten ben ik sterk en vrolijk. En dat is ook nodig als ik de schijn hoog wil houden, ik mag nu niet uit mijn rol vallen en Marten laten merken dat ik iets doorheb. Ik ben het naïeve meisje, ik ben het zwakke kind dat Marten gehoorzaamt en vereert. Ik ben fake, van top tot teen, fake, en doodsbang dat hij erachter komt.

“Goed geslapen liefste?”
Marten ziet eruit als een god, de kille novemberzon schijnt op zijn bleke gezicht en zijn ogen staan donker en warm. Hij strijkt met zijn vingertoppen over mijn wang en kijkt me liefjes aan. Ik begin tegen mijn zin te smelten.
Hermelien verdorie, hoe kan het toch dat je zo snel kunt vergeten wie je voor je hebt!
“Natuurlijk, schat.”
“Mooi zo,” lacht Marten zijn hagelwitte tanden bloot.
“En een beetje klaar voor vanavond?” knipoogt hij.
Helena hoort het en verstrakt, maar gelukkig ziet Marten het niet en heeft hij alleen maar oog voor mij.
“Ja hoor, ik heb er zin in,” speel ik mijn rol perfect.
“Daar ben ik blij om, Rose,” grijnst hij. Er verschijnen pretlichtjes in zijn ogen en ik weet waar hij aan denkt. Ik onderdruk een rilling. Het is ook zo moeilijk. Ik weet dat Marten Voldemort is, mij met een spreuk aan zich wil binden, mij pijn kan doen zoveel hij wil zonder enig schuldgevoel. Maar ik weet ook dat Marten de lieve, gevoelige jongen is waar ik verliefd op ben geworden. En het lastige is dat al bij al die gevoelens niet echt zijn weggegaan. Haat en liefde liggen dicht bij elkaar zeggen ze, ik kan ze alleen maar gelijk geven. Hoe groot mijn afkeer van Voldemort ook is, mijn liefde voor Marten bestaat nog. Als hij me liefjes aankijkt zoals nu, willen mijn hersenen gewoonweg niet accepteren dat hij me ooit kwaad zou doen, of dat zijn liefde ook maar enigszins gespeeld zou zijn.
Zucht.

Het begint tegen de avond te lopen. Diane, Helena en ik zitten op onze kamer, maar elk bezig met verschillende dingen. Helena zit de laatste ingrediënten in de toverdrank te mengen met uiterste concentratie. Ik ben zo dankbaar dat zij dat voor me doet, ikzelf zou mij met deze moed der wanhoop allerminst kunnen concentreren. Diane zit haar kleerkast te herordenen, af en toe verveeld haar neus ophalend bij de sterke geur van Helena’s brouwsel. Ikzelf zit op mijn bed en probeer me volledig te richten op de spreuk die ik in mijn handen heb, zonder succes. Ik moet steeds denken aan deze avond, wanneer ik met Marten het ritueel zal uitvoeren en ik worstel met mezelf. Hoe kan het toch zijn dat ik ergens verlang naar zijn strelende handen op mijn huid, naar zijn prachtige lichaam dicht tegen dat van mij, naar zijn zachte stem die me lieve woordjes toefluistert…? En aan de andere kant ben ik dan doodsbenauwd voor wat de werkelijke bedoeling van dat rotritueel is…
Aaargh!
“Rose?”
Helena klinkt uitgeput maar tevreden. Dat kan maar een ding betekenen.
“De toverdrank is klaar.”
Ik zie dat Helena de drank al handig in een bekertje heeft gegoten en loop naar haar toe. Ze houdt me de beker voor en kijkt me zwijgend aan. De drank heeft een heldere, donkerrode kleur, bijna de kleur van bloed. Ik slik. De vraag stellen: “Moet ik dit echt opdrinken?” heeft niet veel zin, ik weet evengoed als Helena dat dit mijn enige kans is. Hieraan moet ik me vastklampen of ik ben helemaal verloren. Hiermee maak ik nog een kans. Waarom drink ik die verdomde beker dan niet gewoon leeg?
Vanuit haar kleerkast werpt Diane vreemde blikken op Helena en mij, maar ze heeft waarschijnlijk door dat het belangrijk is dus houdt ze wijselijk haar mond. Ik ga de spreuk nog eens na in mijn hoofd, om er zeker van te zijn dat ik hem feilloos ken. Ik besef dat ik tijd aan het rekken ben om die bloedige toverdrank maar niet te hoeven drinken en ik weet waarom. Als ik begin met drinken is het definitief. Het is alsof ik mijn lot dan aanvaard en niet meer terug kan. Helena ziet hoe in mij de twijfels zich opstapelen en ze legt haar zachte hand op mijn wang.
“Je kunt dit Rose. Je bent slim, je bent sterk… Als iemand Voldemort sneller af kan zijn dan ben jij het. Ik sta helemaal achter je, Rose. Je kunt het.”
Ik kijk Helena dankbaar knikkend aan, dit was het duwtje in de rug dat ik nodig had om mijn twijfels op nul te zetten. Ik breng de beker naar mijn lippen en drink hem in een teug leeg. De smaak is zo sterk dat ik bijna moet kokhalzen, maar ik hou me sterk. Met een nare nasmaak in mijn mond zeg ik de spreuk op, terwijl Helena hem voor de zekerheid in het boek nakijkt. Aan haar goedkeurende glimlach weet ik dat ik hem juist hem opgezegd. Dan sluit ik mijn ogen en wacht. Als er na een minuut nog niets gebeurt open ik mijn ogen.
“Eh Helena, is het de bedoeling dat ik nu iets voel van de drank en de spreuk ofzo? Want in dat geval…”
“Nee hoor, er zijn geen neveneffecten of uitwerkingen vermeld. Tenminste, geen zintuiglijk waarneembare.”
“Oké dan, des te beter.”
“En, voel je je er klaar voor?” vraagt Helena met een bezorgde glimlach.
“Zal ik me er ooit klaar voor voelen?”
“Kom op meid! Je hoeft je nergens zorgen om te maken, met deze beschermingsspreuk lukt het allemaal wel.”
“Wat als het misgaat? Ik heb niet eens een Plan B…”
“Rose, je moet kalmeren en logisch redeneren, goed?”
“Ik… Ik zal proberen.”
“Zo hoor ik het graag,” grijnst Helena.

“Dus,” zeg ik iets luider en zekerder, “laten we het nog eens overlopen.”
“Goed, jij gaat zo meteen naar Voldemort toe.”
“Jep.”
“Jullie gaan euhm… hum…”
“Wij gaan “het” doen ja…” zeg ik gespannen.
“Inderdaad, en hij gaat ondertussen proberen een verbindingsspreuk op je uit te voeren. Máár… dat gaat hem niet lukken, omdat je toverdrank en je spreuk een soort van schild hebben opgezet daartegen, dus je bent beschermd.”
“Zal Marten het dan niet opmerken dat zijn verbindingsspreuk niet werkt?”
“Normaal gezien niet, hij zal denken dat je de zijne bent terwijl in werkelijkheid jij de touwtjes in handen zult hebben.”
“Het is zo raar,” zeg ik opeens, “vroeger was mijn doel; Marten laten inzien dat de goede kant zoveel beter is, maar nu is mijn doel; mezelf redden.”
Ik lach gespannen en Helena kijkt me vol medelijden aan.
“Wel, je huidige doel zal wel bereikt worden,” knipoogt ze.
“Ik hoop het, Helena. Ik hoop het uit de grond van mijn hart.”
“Tuurlijk wel,” glimlacht ze aanmoedigend.
“Bedankt voor alles. Wat je voor mij hebt gedaan is te groot om in woorden uit te drukken,” grijns ik, “maar ik zal het je ooit wel eens terugbetalen, hoe dat weet ik nog niet…”
Helena lacht en slaat haar armen om me heen. Ze houdt me stevig vast en legt haar hoofd op mijn schouder.
God, dit lijkt wel een afscheid…
“Het is tijd,” zeg ik, een blik op de klok werpend.
Helena maakt zich los en kijkt me glimlachend aan. Verbeeld ik het me nu of blinken er tranen in haar ogen?
“Doe het nog goed, meid. Ik geloof in je!”
En met die woorden loop ik de meisjesslaapzaal uit.
Marten staat beneden in de leerlingenkamer al glimlachend op mij te wachten. Ik schenk hem mijn grootste glimlach en loop de trappen af. Als ik beneden kom neemt hij me in zijn armen en geeft hij me een kusje in mijn hals.
“Ben je er klaar voor, liefste?” zegt hij warm, zijn stem hees van de opwinding.
“Jah,” zeg ik, “ik ben er klaar voor.”
En terwijl ik de woorden uitspreek besef ik dat ik ze meen. Laat hem maar beginnen, ik ben er klaar voor.
Science tells me God must exist.
My mind tells me I will never understand God.
And my heart tells me I am not meant to.

maartentje582

Hoofdstuk 18: Het Inwijdingsritueel

Marten neemt me bij de hand en leidt me de leerlingenkamer uit. We wandelen zwijgend door het kasteel en af en toe kan ik door een raam de mooie, volle maan zien. Ik heb geen flauw benul waar Marten het ritueel wil volbrengen. In het hele kasteel lijkt me geen enkele plek geschikt om zo een soort ritueel uit te voeren, maar ik volg hem zonder vragen. Uiteindelijk belanden we op de achtste verdieping en ik begin een vermoeden te krijgen.
Natuurlijk, de kamer van Hoge Nood…
Tegenover het tapijt van Barnabas de Onbenullige blijft Marten staan. Hij loopt drie keer voor de muur met uiterste concentratie, tot er een deur verschijnt. Ik wil de deur openduwen maar Marten houdt me tegen.
“Nog even geduld, liefste. Ik heb nog een kleinigheid voor je.”
Ik trek nieuwsgierig mijn wenkbrauwen op als ik zie dat zijn hand zijn broekzak ingaat. Hij haalt een witte doek naar boven en grijnst.
“Oogjes toe,” fluistert hij.
Hij blinddoekt me en neemt dan mijn hand vast. Ik voel dat hij de deur openmaakt en me naar binnen leidt. Plots neemt hij me langs achteren vast en drukt hij me een kusje in mijn hals, op mijn wang, op mijn neus en tenslotte een teder kusje op mijn mond. Mijn borst gaat jachtiger op en neer, ik verlang naar hem. Na een volgende serie van kusjes neemt hij mijn blinddoek af en kan ik zien waar ik me bevind. Ik sta in een grote, witte kamer met grote ramen en een hoog plafond. In het midden van de kamer staat een groot, wit hemelbed. Ik slik. Ik ken deze kamer uit mijn visioen, en dat voorspelt niets goeds. Marten merkt mijn gespannenheid en neemt me meteen in zijn armen, als om mij gerust te stellen. Het werkt nog ook, want ik laat me helemaal gaan en vergeet het verdomde visioen. Het maakt nu toch niets meer uit, ik ben beschermd, laat hem maar afkomen met zijn bindingspreuk.
Ik verdrink in zijn kussen en geniet van zijn zachte handen die me liefjes strelen. Ik weet dat er toch geen weg meer terug is, ik moet hierdoor, dan kan ik er evengoed van genieten, toch? Gewillig laat ik me door hem naar het bed dragen. Marten legt me voorzichtig op de witte sprei van het hemelbed neer en komt dan naast me liggen. Hij ziet er fantastisch uit. Zijn lippen zijn rood van het zoenen, zijn bleke gezicht heeft een etherische schoonheid en zijn ravenzwarte haren hangen wild rond zijn gezicht. Zijn felle, diepbruine ogen kijken me intens aan en zijn lippen zijn gekruld in een grijns.
“Ik wil je, Rose,” zegt hij hees.
Ik glimlach en druk mijn lippen tegen die van hem. Ik wil hem ook, meer dan ik ooit heb beseft. Meer bevestiging heeft Marten niet nodig, en zijn handen glijden over mijn lichaam heen. Op dat moment vergeet ik mijn missie, vergeet ik mijn visioen, vergeet ik Voldemort, vergeet ik alles en iedereen. Het enige dat telt is Marten, Martens handen, Martens lippen, Martens warme lichaam… Ik laat me volledig gaan, verstand op nul, en ik geniet.

Als ik wakker word zijn mijn zintuigen nog half verdoofd. Ik lig tegen Martens warme lichaam aan en snuif zijn zoete geur op. Beetje bij beetje komt de herinnering aan ons ritueel naar boven. Ik glimlach als ik eraan terugdenk. Langzaam open ik mijn ogen en zie ik dat Marten nog slaapt. Zijn brede, gespierde borst gaat traag op en neer en er ligt een vredige uitdrukking op zijn gezicht. Ik bewonder zijn zuivere schoonheid en slaag elk detail van gezicht op. Hoe de afloop hiervan ook zal zijn, afgelopen nacht vergeet ik nooit. Stilaan komt de gedachte aan de bindingspreuk bij me naar boven, maar ik kan me niet herinneren dat Marten die heeft uitgevoerd, als hij die al heeft uitgevoerd.
“Goed geslapen, liefste?”
Ik schrik als ik Martens vaste stem hoor.
“Ja hoor, ik dacht dat je nog sliep,” zeg ik zachtjes.
“Mooi zo,” glimlacht Marten. Hij staat lenig op en met tegenzin verlaat ik de warmte van zijn lichaam. Het zonnelicht schijnt fel door de grote ramen heen en ik knijp mijn ogen tot spleetjes om Marten goed te kunnen zien.
“Rose?” spreekt hij opeens.
“Hm ja?” zeg ik slaperig.
“Ik hou van je.”
Ik grijns en rek me uit. Zijn ogen glijden over mijn naakte lichaam heen en ik voel het schaamrood naar mijn wangen stijgen. Ach wat…
“Ik ook van jou,” zeg ik eerlijk glimlachend.
“Ik hou van je, en daarom heb ik dit gedaan,” gaat hij verder, alsof ik niets heb gezegd.
Mijn glimlach verstart en ik kijk hem met grote ogen aan.
Oh god, wat heeft hij gedaan…
“Daarom heb je wat gedaan?” vraag ik kleintjes.
“Dit ritueel liefste.”
Zijn ogen hebben een rode schijn en hij heeft een hautaine, haast triomfantelijke blik.
“Was de toverdrank lekker?” vraagt hij opeens, fel grijnzend.
Verdorie, dit loopt fout…
“W…Welke toverdrank?” breng ik zwak uit.
“Oh je weet wel, liefste,” zegt hij luchtig, “die beschermingsdrank?”
Oh nee, wat moet ik doen? Wat moet ik doen!
Verdorie… Nee! Alles loopt fout…
Ik voel de eerste tranen opkomen maar bedwing ze. Dit is absoluut niet het moment om te huilen, ook al loopt alles fout, ook al is alle hoop vervlogen, ook al…
“Ik weet niet waar je het over hebt,” zeg ik zo luid en vast mogelijk.
Marten uit een hoge, kille lach. Ik herken hem niet meer, de lieve, tedere jongen van vannacht is verdwenen. Een eerste traan loopt naar beneden over mijn wang.
Hermelien, niet  huilen! Vooruit meid, sterk zijn!
“Vooruit Rose, nu geen komedie spelen, we weten allebei dat ik gelijk heb.”
Oh nee, de drank heeft niet gewerkt… Ben ik aan hem verbonden?
“Maar ik moet zeggen, je had je de moeite eigenlijk kunnen besparen. Een bindingsspreuk, denk je nu echt dat ik zo doorzichtig te werk ga? Veel te voor de hand liggend, liefste.”
Een tweede traan vindt zijn weg naar beneden. Ik ben nog steeds naakt en krijg overal kippenvel. En elke keer dat Marten het woord “liefste” uitspreekt gaat er een rilling over mijn rug naar boven en is het alsof ik met een mes getroffen word.
“Oh nee toch, geen gehuil, liefste. Dat is zo zwak, en typisch vrouwelijk…”
Naast pijn, verdriet en vernedering komt er nu ook een woede in me te boven.
“Mag ik je eraan herinneren dat jij ook hebt gehuild Marten?” zeg ik met een harde klank in mijn stem. Ik schrik als ik mezelf hoor, zo klink ik toch helemaal niet…
Sterk zijn, meid.
Ik zie Martens kaak verstrakken en hij kijkt me woest aan.
“Hoe denk je dat dat kwam? Ik zal het je zeggen, Rose. Dat is allemaal jouw schuld. Door jouw toedoen heb ik gehuild. Dat jij zulke gevoelens bij mij kunt bovenbrengen vervulde me met angst en woede tegelijk. Dat kon ik toch niet toestaan? Mijn liefde voor jouw staat in mijn weg, maar ik kan hem niet van me afzetten. Ik hou van jou en dat zal voor altijd zo blijven, dus zat er maar een ding op.”
“Mij aan jou binden?” zeg ik trillerig.
“Inderdaad, maar niet met een simpele bindingsspreuk. Ik weet dat je een slim hoofdje hebt, liefste. Het zou niet zo lang duren vooraleer je me doorhad. Daarom heb ik iets veel beter uitgekozen.”
Zijn grijns wordt groter en ik krimp steeds meer ineen.
Een derde traan loopt naar beneden, gevolgd door een vierde en vijfde. Ik trek mijn knieën op tot onder mijn kin om me zo klein mogelijk te maken.

“Mijn lieve Rose toch, het doet me bijna pijn je zo ontredderd te zien.”
“Oh Marten, maak jezelf niets wijs, niets kan jou pijn doen…” zeg ik schril.
“Ik vrees dat je daar een punt hebt, liefste. Maar wil je niet weten hoe je aan mij verbonden bent? Hoe het komt dat je helemaal de mijne bent, voor eeuwig en altijd?”
Ik kan niets uitbrengen, mijn tranen blijven maar vallen, ik kan ze niet tegenhouden.
Blijf ademen Hermelien, rustig. Je kunt dit, het lukt je wel, rustig.
“Goed, dan zeg ik het zo wel,” vervolgt Marten, triomferend op me neerkijkend.
“Je weet dat onze lichamen heerlijk met elkaar verbonden waren, niet?”
Hij kijkt vragend naar me, maar ik zwijg en kijk van hem weg. Het wordt teveel…
“Antwoord me, liefste,” zegt hij met een bozere ondertoon.
Ik hef mijn hoofd op en kijk hem recht in zijn rode ogen. Hij zet een dreigende stap dichterbij en richt zijn toverstok op mijn naakte linkerborst, op mijn hart.
“Antwoord Rose!” schreeuwt hij.
Zijn gezicht is enkele centimeters van het mijne verwijderd, ik open mijn mond als om iets te zeggen, en spuug dan recht in zijn oog. Ik had verwacht dat Marten boos zou zijn of zou uitbarsten van woede, maar hij kijkt me alleen maar grijnzend aan en haalt met zijn hand het speeksel van zijn oog af.
“Dat temperament van jou vind ik geweldig, Rose. Maar het is nog geweldiger om te beseffen dat het aan mij toebehoort, je bent helemaal van mij.”
Zijn vingertoppen strelen mijn wang en vegen enkele tranen weg. Ik ril onder zijn aanrakingen.
“Nuja, waar waren we gebleven. Ohja… onze lichamen…”
Marten stapt weer achteruit en kijkt grijnzend op me neer.
“Ik geloof dat je wel weet wat er gebeurt tijdens zo een vereniging… Om het kort te maken, je draagt mijn zaad, liefste.”
Oh god, zijn zaad… Waarom heb je daar niet aan gedacht, verdorie Hermelien!
“En met mijn zaad draag je ook mijn zoon,” vervolgt Marten luider.
“Zo zie je maar, Rose, ik ben je toch sneller af. Niemand kan zich meten met mij, liefste.”
“W…Wat zei je? Z…Zoon?”
“Dat klopt ja, mijn zaad, onze zoon.”
De grond zakt weg onder mijn voeten, mijn wereld stort in. In een reflex ga ik met mijn hand over mijn buik. Zwanger? Van Heer Voldemort?
Oh god, zeg dat het niet waar is, zeg alsjeblieft dat dit niet waar is…
“Is er iets, liefste?” grijnst Marten.
Science tells me God must exist.
My mind tells me I will never understand God.
And my heart tells me I am not meant to.

maartentje582

Hoofdstuk 19: Strijd met de dood

“Is er iets, liefste?” grijnst Marten.
Adem Hermelien, blijf gewoon ademen. Het komt wel goed, het komt wel goed, je vindt wel een oplossing. Blijf gewoon ademen.
Ik moet iets vinden, ik moet hieruit komen. Er moet iets zijn, een gaatje… iets dat hij over het hoofd heeft gezien… En dan schiet er mij iets te binnen. Hoe kan Voldemort met zekerheid weten dat ik zwanger ben en zijn zoon draag? Een straaltje hoop bereikt mijn hart en ik voel dat ik hiermee zal vallen of staan.
Komaan Hermelien, raap al je moed bijeen en daag hem nog een keer uit. Alles is nog niet verloren.
“Je vergeet iets Marten…hoe weet je zeker dat ik zwanger ben?”       
Ik vrees dat de helft van mijn woorden door de emotie onverstaanbaar is, maar dat maakt niet uit. Ik hunker naar Martens reactie, een aarzeling, een woede uitbarsting, iets dat aantoont dat hij een fout heeft gemaakt… Mijn enige hoop…
Ik word diep teleurgesteld. Zijn kille lach schalt door de ruimte en boort mijn hoop naar de bodem.
“Ach Rose, je denkt toch niet echt dat ik risico’s neem? Mijn zaad is behekst, lieve. Maak je maar geen zorgen.”
En dat is het moment, dat ene moment, waarop een mens breekt. Wanneer zijn laatste hoop verdwijnt en hij geen enkele reden meer kent om voort te gaan, om nog te leven. Zo voel ik me nu. Ik voel me alsof ik gewoon in dit bed wil neerliggen om nooit meer op te staan, of om mijn polsen door te snijden en het weinige leven dat ik nog bezit langzaam uit me te zien vloeien. Het stemmetje in mij dat me sterk houdt, me doet doorzetten, me niet laat opgeven, is uitgedoofd. Ik ben alleen, helemaal alleen in een vijandig gebied. Ik geef me over. Ik vecht niet langer terug. Marten heeft gewonnen, ik ben verloren. Ik ben uitgeteld. Hij kan met me doen wat hij wil, ik heb niet langer de macht om hem te stoppen. Ik laat alles over me heen gaan, onverschillig. Het is gedaan. Het is over en uit. En dan wordt het zwart voor mijn ogen en val ik in de duisternis.

Als ik weer bijkom lig ik terug in het witte hemelbed, nog steeds naakt en met de deken over mij heen. Ik vraag me net af waar Marten gebleven is als ik besef dat ik in zijn armen lig. Zijn armen houden mij dicht tegen zich aan en hij streelt met zijn vingers zachtjes mijn kruin. Ik ben te moe om mij uit die houding te bevrijden. Al mijn energie is op. Langzaam begint de gedachte bij mij te dagen of iemand op Zweinstein mij niet mist. Per slot van rekening zitten Marten en ik hier al sinds gisterenavond. Maar het is zondag, niemand zal op zoek zijn en Helena weet niet eens waar ik zit, dus laat ik de gedachte varen. Marten streelt nog steeds mijn bruine haren en zijn lippen raken zachtjes mijn voorhoofd. Ik onderga het als verlamd, niet in staat te reageren.
“Ik hou van je,” fluistert hij zachtjes in mijn oor. Ik weet dat hij het meent en ergens schrikt het mij een beetje af. Dat heer Voldemort al die moeite doet om mij aan hem te binden, omdat hij van me houdt en me nooit meer kwijt wil… En hij denkt natuurlijk dat ik ook van hem hou en altijd heb gehouden, heel die tijd. In één ding ben ik dan ten minste toch geslaagd, besef ik. Marten heeft nog steeds niet door dat ik undercover ben. Rosaline Danes…
Die gedachte geeft mij terug moed. De mist in mijn hoofd trekt op en ik kan al helderder nadenken. Ik moet een ontsnappingsweg vinden en blijven vechten. Anders zie ik nooit meer Harry’s ravenzwarte haren, Rons lachende gezicht, mijn ouders’ bezorgde trekken… Wat zit ik hier verdorie nog tijd te verspillen in Voldemorts armen? Ik moet vechten! Vechten voor al degene die ik liefheb, vechten voor mezelf. Want ik en ik alleen ben de enige die mij hieruit kan krijgen. Ik moet hem in verwarring brengen, hem onwaakzaam maken en dan proberen te ontsnappen. Stilaan voel ik mijn vechtlust weer naar boven komen. Maar hoe krijg ik hem verward? Hoe krijg ik hem zover dat hij wankelt?
“Je bent van mij Rosaline,” fluistert Marten, met zijn hete adem mijn oor bedekkend.
Rosaline…
Natuurlijk!
Hij weet niet dat ik alles heb gefaket…
Vliegensvlug begin ik een plan te bedenken, mijn ontsnappingsweg. Ik moet naar het heden geraken.
“Marten?”
“Ben je eindelijk wakker liefste?”
Zijn stem klinkt zacht en teder. Hij heeft gekregen wat hij wou, dus is hij niet meer Voldemort maar Marten. Ik zucht.
“Ja, ik moet je iets vertellen.”
Waarom klinkt mijn stem zo ijl en zwak, ik moet sterk zijn!
“Moet dat nu Rose? Ik was net van plan aan ons ontbijt te beginnen…”
“Ik ben niet Rose.”
“Oh,” glimlacht Marten verontschuldigend, “sorry liefste, hoe wil je dan dat ik je noem?”
Nu Hermelien, alles op alles!
“Bij mijn naam Marten, en dat is Hermelien.”
“Ha, Rose toch, jij met je fantasie…”
“Ik zei; Ik heet Hermelien. Ik ben niet wie je denkt dat ik ben Marten.”
Nu pas dringt het tot Marten door dat er misschien toch iets niet klopt. Zijn gezichtsuitdrukking verandert zo plotseling, dat ik zijn mondhoeken echt kan zien zakken.
“Ga door,” zegt hij met opeengeklemde kaken.
“Mijn naam is Hermelien Griffel, mijn ouders zijn dreuzels en ik hoor niet thuis in deze tijd.”
Ik zie hoe Marten gespannen zijn adem inhoud en de informatie verwerkt, maar hij laat me uitspreken dus ga ik door.
“Ik hoor thuis 50 jaar verder in de toekomst en ben naar hier gekomen om jou in de val te lokken en van mij te doen houden, zodat je onze wereld niet zou vernietigen.”
Marten ademt diep in en zijn ogen zijn wijd opengesperd van ongeloof en verbazing.
“En dat plan is gelukt Marten. Ik ben gewonnen.”
Net als ik die woorden zeg besef ik dat ik ook werkelijk gewonnen ben, zij het op een andere manier dan ik gehoopt had.
“Snap je het nu Marten? Ik moest FAKEN, alsof doen dat ik van je hield, om jou van mij te doen houden. Want denk je werkelijk dat iemand ooit echt van jou kan houden?”
Ik zie hoe Martens ogen zich vullen met tranen en zijn bovenlip dreigend begint te trillen.
Goed zo, Hermelien, je hebt hem.
“Je kunt een meisje alleen maar aan je binden door een spreuk te gebruiken, niemand houd van je, ze vrezen je alleen maar. Niemand zal ooit van je houden, kijk wat je mensen aandoet… Je bent een MONSTER!”

Een eerste traan rolt langs Marten gezicht naar beneden. Ik herinner me die nacht, toen Marten huilde en besef dat dat echt was. Zijn zwakke plek. En daarmee steek ik hem nu neer en kan ik de weg naar de vrijheid vinden. Zonder nog eens naar hem te kijken grijp ik mijn kleren bij elkaar, stap de kamer uit en zet ik het op een lopen. Terwijl ik ren kleed ik me onhandig aan, blij dat ik tot dusver niemand ben tegengekomen in de gang.
Een geluk dat het zondag is…
Ik ben al helemaal aangekleed als ik de eerste mensen tegenkom beneden in de grote zaal. Het is dus al middag. Hoe lang zal het duren voordat Marten beseft wat er gebeurd is en me achterna komt? Resoluut begin ik nog sneller te lopen, tot Helena me plots de weg versperd.
“Rosaline, wacht!”
Buiten adem kom ik voor haar tot stilstand, de steken in mijn zij negerend.
“Helena, ik moet weg, vluchten…”
“Wacht, vertel me eerst hoe het is ge…”
“Ik heb geen tijd Helena,” onderbreek ik haar meteen. “Ik moet nu terug, naar het heden, zo snel mogelijk.”
Helena slikt moeizaam door, maar ik herken in haar gezichtuitdrukking begrip. De tranen staan in haar ogen als ze met een klein stemmetje vraagt:
“Zie ik je ooit weer?”
Hoe graag ik haar op dat moment wil geruststellen, wil zeggen dat we elkaar nog zullen zien, nog samen zullen kunnen lachen en plezier maken… Ik krijg het niet over mijn hart te liegen tegen mijn beste vriendin.
“Ik vrees van niet…” zeg ik zacht. En het dringt nu pas tot me door. Ik zal ze missen. Haar en Diane en Sean…
Plots slaat Helena haar armen om me heen en legt ze haar hoofd op mijn schouder.
“Vaarwel dan, Rosa- Hermelien,” fluistert ze in mijn oor.
“Vaarwel Helena, ik wens je het beste toe. Ik zal je missen.”
Bij het laatste woord slaat mijn stem over van emotie en besef ik hoeveel tijd ik aan het verliezen ben. Marten kan nu elk moment achter me aan komen lopen, ik moet echt maken dat ik weg ben.
Zacht maar beslist sla ik Helena’s armen van me af en ren verder, het kasteel uit, het veld in. Mijn hand gaat in mijn broekzak en vind daar mijn zendertje. Blindelings toets ik de runencombinatie van professor Perkamentus in terwijl ik het hek van het terrein van Zweinstein passeer.
“Hermelien?” klinkt het luid door de zender.
“Ik kom terug professor, waar moet ik heen?”
Waarschijnlijk hoort Perkamentus hoe gespannen mijn stem klinkt en stelt hij daarom geen vragen, ik ben hem er alleen maar dankbaar voor. Ik heb geen idee van hoeveel tijd er mij nog rest om ongemerkt te ontsnappen.
“Oké Hermelien, waar ben je nu?”
“Ik ben net het terrein van Zweinstein uitgerend.”
“Goed, loop verder richting Zweinsveld en zorg dat je bij het Krijsende Krot geraakt.”
Mijn benen voelen zwaarder aan dan pilaren en ik loop de longen uit mijn lijf, maar ik ga steevast door met steeds de gedachte aan wat zal gebeuren als Marten me inhaalt.
“Ik ben er professor, en nu?”
“Daar moet ergens een oude eik staan, die fel lijkt op de eik in het tijdsveld dat je eerder gebruikt hebt.”
Mijn hart klopt in mijn keel en ik voel mijn bloed jachtig door mijn lichaam stromen.
“Ik zie geen oude eik…”
“Dan kijk je niet goed, liefste.”
Ik ril bij het horen van die stem. Vliegensvlug draai ik me om en zie ik hoe Marten doodleuk aanleunt tegen een grote, oude eik. Mijn knieën knikken en ik voel dat ik elk moment in elkaar kan zakken.
Marten trekt zijn toverstaf en roept: “Accio!” en de zender vliegt uit mijn handen. Marten vangt hem handig op, smijt hem op de grond en laat hem vlam vatten. Ik uit een klein kreetje van ontsteltenis en laat mijn instincten het overnemen. Ik wil mijn toverstok trekken tot ik besef dat ik hem niet bij me heb.
Verdorie, Hermelien… Je bent hem vergeten op de kamer van Hoge Nood!
“Zoek je deze?” zegt Marten scherp terwijl hij mijn toverstaf hoog in zijn rechterhand houdt.
Zijn wangen tonen nog de sporen van eerdere tranen, maar dat maakt hem niet minder knap.
“Geef hier!” schreeuw ik zo luid en vast ik kan, om mijn eigen angst te overwinnen.
Tot mijn verbazing werpt Marten de toverstaf tot bij mijn voeten. Ik raap hem meteen op en richt hem op Marten met een verbeten trek om mijn mond. Ik ben nu zover gekomen, ik ga niet meer terug.
“Wat nu Rosaline? Gaan we vechten?”
“Het is Hermelien, en ja, we gaan vechten.”
“Och Rose, denk je nu echt dat ik die zever van je geloof? Wat ben je van plan? Naar je “toekomst” terug te keren? Flauw verhaal hoor…”
Wat? Gelooft hij me niet?
“Ik moet toegeven dat je me in het diepst van mijn hart raakte met je toespraak, Rose, maar ik heb mezelf herpakt. Dat zal ik niet nog eens laten gebeuren. Je bent nu de mijne.”
De grijns op zijn gezicht is mij zo bekend, dat ik een flauwe glimlach produceer bij het zien ervan. Marten stapt op me af en verspert me zo niet langer de weg naar de eik. Ik loop ernaartoe en zoek de runen, zonder notie te nemen van Marten die me verbaasd aankijkt.
“Geloof je dan zelf ook in die onzin, liefste?”

Ik word met ontzetting geslagen bij het horen van de tederheid in zijn stem. Na alles wat er gebeurd is houdt hij nog steeds van me…
En het vreemdste is dat hij denkt dat ik dat verhaal van de toekomst heb verzonnen, om gewoon te kunnen ontsnappen…
Hij onderschat me, zijn eigen liefde maakt hem blind…
“Ja Marten, ik geloof daarin.”
Ik heb de runen op de eik gevonden en weet dat het tijd is. Marten gaat niet beseffen wat er gebeurd is tot ik weg ben, vervuld van ongeloof.
Zijn warme lach schalt door de ruimte en ik maak ervan gebruik om snel de spreuk op te zeggen. Marten slaat me kalm gade maar verrekt geen vin.
Hij gelooft nog steeds niet dat ik zal ontsnappen…
De eik begint lichtjes te gloeien, een wit licht ontstaat en een grote opening wordt zichtbaar. Ik kijk achterom en zie dat Marten plat op de grond ligt, zijn ogen afwendend van een licht dat hem verblindt. Op de ene of andere manier versta ik dat dat het licht van de eik is, maar ik snap niet hoe dat kan als ikzelf er geen problemen mee ondervind.
“Vaarwel Marten,” zeg ik luid, om er zeker van te zijn dat hij me hoort.
Ik stap zonder aarzeling in de opening van de stam en zie hoe Marten langzaam overeind krabbelt. Zijn hoofd wordt witheet van woede als hij merkt wat er aan de hand is, maar hij is te laat. De opening sluit zich en het wordt donker voor mijn ogen. Of dat komt door de tijdspoort of door mijn eigen vermoeidheid weet ik niet, maar ik val buiten bewustzijn en zak in elkaar.
Science tells me God must exist.
My mind tells me I will never understand God.
And my heart tells me I am not meant to.

maartentje582

Hoofdstuk 20: Het eindgevecht

Als ik mijn ogen langzaam opendoe, zie ik naast me wazige gestalten die zich over me heen buigen. Vaag zie ik een bril met halfronde glazen en een lange, witte baard links van me en rechts een bos ravenzwarte haren en een rood, bliksemvormig litteken. Mijn hoofd doet pijn en ik sluit mijn ogen weer. Ik voel hoe professor Perkamentus en Harry me optillen en vooruitdragen. Het volgende ogenblik lig ik in een klein eenpersoonsbed in een blauwe kamer, met Harry, Ron, professor Perkamentus, Mevrouw en Meneer Wemel en Ginny rondom mij. Ergens vind ik de kracht om een kleine glimlach te produceren, en meteen zie ik hun gezichten opklaren. Ik besef plots hoeveel ik van hen houd en hoeveel ik hun heb gemist.
“Hier kindje,” zegt Mevrouw Wemel zacht, terwijl ze een stuk chocolade in mijn mond propt.
Ik zet me recht en eet het dankbaar op. Ik voel hoe de chocolade mij sterker maakt en hervind mijn stem.
“Dank u.”
Ron kijkt naar me met een diepe bezorgdheid in zijn ogen, alsof ik elk moment kan sterven. Harry glimlacht alleen maar, net zoals Perkamentus.
“Welkom terug, Hermelien,” zegt de hoofdmeester van Zweinstein.
“Waar ben ik?” vraag ik nadat ik met mijn ogen de kamer ben afgegaan. Ik kan me niet herinneren dat ik hier eerder geweest ben.
“Je bevindt je nu in mijn huis. Toen je me opriep met je zender zijn Harry en ik meteen naar het tijdsveld vertrokken. Ik vreesde al dat je niet meer ging komen toen ik Martens stem herkende. Het moment daarop was de verbinding verbroken en wist ik niet meer wat er gebeurd was, maar ik kon er wel naar raden. Harry wou meteen naar je toekomen, maar ik hield hem tegen, wetende dat het nog veel te vroeg voor Voldemort was om zijn toekomstige rivaal te zien. Toen ik wist dat je de tijdspoort uiteindelijk toch had geopend zorgde ik ervoor dat Marten hem niet zou kunnen gebruiken…”
“Was u dat?” onderbreek ik hem meteen, me het licht dat Marten verblindde herinnerend.
“Ja, Hermelien, dat was ik. Het volgende ogenblik verscheen de opening van de oude eik in ons tijdsveld en zagen we je neerkomen. Je kunt niet geloven welke opluchting er door ons heen ging toen we wisten dat je nog leefde.”

Perkamentus' stem lijkt vermoeid, en nu ik hem goed bekijk, zie ik dat hij in die drie maanden ontzettend verouderd is.
Natuurlijk, de tijd heeft hier niet stilgestaan…
“Wat heb ik allemaal gemist?”
Ik heb het gevoel dat iedereen zucht en elkaar aankijkt met de gedachte; is het wel een goed idee om het haar te vertellen?
“Er zijn goede en slechte dingen gebeurd, Hermelien,” zegt professor Perkamentus tenslotte.
“We hebben alle Gruzielementen gevonden en vernietigd, zonder dat Voldemort het weet. We hebben veel moeten strijden, en hebben verliezen geleden.”
Bij het woord verliezen blinken er bij iedereen tranen in de ogen en ik begin te beseffen dat er iets ernstig gebeurd is.
“Wat is er gebeurd? Wie hebben we verloren?” vraag ik kleintjes.
“Voldemort heeft het Ministerie van Toverkunst geregeld aangevallen en vele tovenaarsgezinnen en dreuzelgezinnen zijn uitgemoord. Ook enkele leden van de orde hebben hun einde gevonden…”
Mevrouw Wemel uit een luide snik, maar grijpt meteen haar zakdoek om het geluid te smoren. Meneer Wemel legt meteen zijn arm steunend om haar heen, maar kijkt bewust naar de grond.
Wat heb ik gemist?
Ik kijk wanhopig naar Ron, maar ook hij kijkt van me weg.
Harry kijkt me medelevend aan en zegt uiteindelijk: “Charlie en Lupos zijn vermoord tijdens een gevecht.”
Oh nee, zeg dat het niet waar is…
“Ze hebben zich dapper geweerd en zijn eervol gestorven,” zegt Perkamentus troostend.
Maar voor mij is dat geen enkele troost, noch voor Mevrouw Wemel, Ron, Harry, Meneer Wemel of eender wie hen gekend heeft. De tranen wellen op in mijn ogen als ik denk aan de vrolijke Charlie die enthousiast over zijn draken in Roemenië vertelde, of aan Lupos, de beste leraar Verweer tegen de Zwarte Kunsten die we ooit hebben gehad. Waarom moest het noodlot hen juist treffen?
En dan bedenk ik plots dat hetzelfde had kunnen gebeuren bij Harry, Ron of anderen. Zij hebben al die tijd in uiterste gevaren moeten leven, met onmogelijke gevechten en verliezen, terwijl ik met Helena zat te lachen, me met Sean amuseerde of met Marten kuste…
Een diep schuldgevoel doorboort mijn hart en slaat me neer, alsof ik een kleine vlieg ben en niet kan ontsnappen.
Ik heb niets bereikt… Ik ben op missie gegaan, maar heb al die drie maanden niets bereikt… Niets nuttigs… Niets dat kan helpen… Voldemort heeft ongestoord zijn werk kunnen doen en mijn vrienden vallen aan hem ten prooi, evenals andere onschuldigen. Ik heb dus toch gefaald en alleen maar aan mezelf gedacht, mijn eigen hachje redden, me van Voldemort losmaken…
Mijn hand glijdt in een reflex over mijn buik. Ik ben misschien aan Marten kunnen ontsnappen, maar ik ben nog steeds zwanger. Ik draag de zoon van Voldemort, de zoon van degene die verantwoordelijk is voor ontelbare moorden, voor de dood van Harry’s ouders, Charlie en Lupos en zoveel anderen.
“Vertel ons eens Hermelien, vertel ons over wat je daar gedaan hebt,” zegt Harry dan.
En plots wordt alles me teveel en voel ik dat ik het niet meer aankan. Het ritueel, mijn zwangerschap, de spanning om te ontsnappen, het verlies van mijn vrienden zowel in het heden als in het verleden… Ik barst uit in een luid snikken en heb het gevoel dat ik nooit zal kunnen ophouden met huilen, nooit!
Door mijn tranen heen zie ik hoe Mevrouw Wemel me in haar armen neemt.
“Maar kindje toch… Shhttt… Huil maar, het is goed.”
En de tranen blijven maar komen, tot ik tenslotte te moe ben om te huilen en in slaap val.

Als ik wakker word, bevind ik me nog steeds op de kamer in Perkamentus’ huis, maar staat er niemand naast mijn bed. Ik ben al wat sterker en voel de nieuwsgierigheid in mij ontwaken. Ik ben nog nooit in Perkamentus’ huis geweest en had er eigenlijk nog nooit over nagedacht waar hij zou wonen. Zo stil ik kan sluip ik de kamer uit en sluit ik de deur achter me. Ik kom uit op een brede, lange gang waarvan de vloer bedekt is met zacht tapijt. Terwijl ik de gang doorloop passeer ik een tiental kamers en uiteindelijk kom ik uit op een brede, houten trap. Zonder te aarzelen ga ik de trap naar beneden en zie ik voor mij een groot salon met donkerrode en donkergroene divans. Aan de muren hangen kandelaars met lange witte kaarsen en grote magische schilderijen. Een oude man in een schilderij vertrekt meteen als hij me ziet en ik volg hem met mijn ogen, tot hij in het volgende vertrek is. In een grote open haard knispert het hout zachtjes en ik voel hoe het vuurtje mijn hart verwarmd.
“Hierheen Hermelien.”
Ik schrik me rot als Perkamentus’ stem vanuit de andere kamer klinkt. Meteen loop ik door en tref ik hem in een grote, ouderwetse keuken met magische snufjes. Achter het fornuis staat een opgewekte professor Perkamentus is een donkergroene badjas.
“Goede morgen, Hermelien. Goed geslapen?”
“Dag professor, ja tuurlijk,” zeg ik meteen, niet wetend wat nu te doen. Zou ik gewoon mogen gaan zitten?
“Ga gerust zitten, hoor,” beantwoordt Perkamentus mijn vraag.
“Lust je spek met eieren?”
“Ja, bedankt.”
Terwijl Perkamentus met de grote pan schudt, zet ik me aan een lange, houten tafel die al gedekt is.
Even later sloft hij op dikke, roze pantoffels naar de tafel toe en gaat hij zitten. Hij schept wat spek en eieren op mijn bord en neemt zelf ook een sneetje brood. Ik besef plots hoeveel honger ik heb en eet smakelijk van het lekkere eten. Het voelt wat raar aan om met de hoofdmeester van Zweinstein te ontbijten, maar de sfeer is gezellig en we spreken over koetjes en kalfjes. Na de maaltijd schenkt Perkamentus ons beide een kopje thee in en weet ik dat het tijd is om mijn verhaal te vertellen.
Perkamentus zegt niets, maar ik schraap voorzichtig mijn keel en begin. Ik wil het zo snel mogelijk achter de rug hebben en er is maar een persoon bij wie ik terecht kan. Dus vertel ik hem alles. Sinds de eerste dag van mijn aankomst op Zweinstein, de eerste kennismaking met Marten, Helena, Diane en Sean. Ik vertel hem over Lucius en over hoe Marten me heeft gered, over de Halloweenparty en tenslotte over het ritueel. De hele tijd zegt professor Perkamentus geen woord, ook als mijn tranen geluidloos naar beneden glijden bij de herinnering aan mijn leed en geluk, onderbreekt hij me niet en spreek ik gewoon verder.
En dan komt het moment dat alles is gezegd. De woorden zijn eruit en ik besef dat het avontuur definitief over is. Het is echt gedaan. Mijn taak zit erop, ook al heb ik die niet volledig volbracht, ik mag trots zijn op wat ik bereikt heb en ik ben tenminste heelhuids teruggekomen.
“Wat ga je doen met het kind?”
Perkamentus heeft de hele tijd met geconcentreerde blik zitten nadenken en spreekt nu op een uiterst rustige toon.
Zijn vraag formuleert de zorgen die de laatste twee dagen door mijn hoofd spoken. Wat doe ik met mijn zoon, de zoon van Marten Vilijn, de zoon van Voldemort? Mijn gedachten dwalen onwillekeurig af naar het ritueel, toen het kind werd verwekt. Marten droeg me het bed in en ik was gelukkig. Ik hield van hem en weet nu, op dit moment, dat ik nog steeds van hem houd, en voor eeuwig van hem zal blijven houden. Hoe ver en onbereikbaar hij ook is. Ook al verafschuw ik Voldemort, van Marten zal ik blijven houden, mijn hele leven lang. Alle mooie momenten die we samen hebben meegemaakt vergeet ik niet, nooit niet. Het kind dat ik draag is uit liefde gemaakt, zowel langs Martens kant als langs mijn kant. En ik ga het houden, als herinnering aan mijn liefde aan Marten Vilijn.
Perkamentus heeft de beslissing in mijn ogen gelezen en glimlacht. Hij respecteert mijn beslissing en zal me helpen.

De volgende dagen breng ik door bij mijn ouders. Ze waren door Perkamentus ingelicht en hebben de afgelopen drie maanden in de grootst mogelijke onrust doorgebracht, maar ze zijn zo blij dat ik terug ben dat ze het me vergeven. Ik vertel aan niemand het verhaal over wat er gebeurd is in het verleden. Alleen Perkamentus weet het over mijn zoon. Harry, Ron en de anderen stellen geen vragen (waarschijnlijk in opdracht van Perkamentus) en ik kan ze er alleen maar dankbaar om zijn. Stilaan slaag ik erin om de draad van mijn oude leven terug op te nemen. Het leven gaat verder en het heden wordt steeds meer terug de werkelijkheid voor mij. En wat voor een werkelijkheid…
Elke dag komen er berichten binnen over Voldemorts gruweldaden die ik met gepijnigd hart en gesloten ogen ontvang. Telkens dat er zo een bericht binnenkomt sla ik mijn armen beschermend over mijn buik en denk ik aan Marten, die zei dat hij zijn best ging doen om minder egoïstisch te zijn.
Na een maand ben ik het leven in het heden al gewoon geworden. Dagelijkse strijd tegen Voldemort, lachen met Harry, Ron en Ginny, Voldemorts plannen bespreken met de orde… Ook al ben ik nu in het heden, nog steeds draait mijn hele leven en het leven van alle andere mensen om Voldemort. Hij heeft werkelijk de macht en neemt alle plaats in, in onze gedachten en in onze wereld.

Ik zit in de keuken van Sirius’ oude huis samen met Mevrouw Wemel aardappelen te schillen als Bill komt binnenstormen. Hij is helemaal buiten adem en een straaltje bloed loopt langs zijn slaap naar beneden.
“Gevecht- oud pakhuis- niet ver van hier- moeten leden oproepen- …”
Mevrouw Wemel veert meteen op en loopt naar haar zoon toe.
“Oh Bill, je bent gewond, gaat het wel? Wil je niet even zit-”
“Geen tijd,” zegt Bill. Hij is al terug een beetje op krachten gekomen en grijpt zijn moeders armen vast.
“Moeder, verwittig NU zo veel mogelijk parate leden, anders is er niet veel hoop meer over…”
Mevrouw Wemel schijnt plots de ernst van de situatie te beseffen en begint zich paniekerig aan Bill vast te klampen.
“Ron… en Harry… Zijn ze…?”
Een vreselijke gedachte ontwikkelt zich in mijn hoofd. Vol spanning kijk ik Bill aan, samen met Mevrouw Wemel.
Bill zucht en zegt: “Ze vechten mee. Ik heb geen goede kijk kunnen nemen op het gevecht voor ik weggezonden werd, maar ik denk dat ze nog niet gewond zijn.”
Bij het woordje “nog” krimpen Mevrouw Wemel en ik in elkaar. Meteen daarop vertrekt Bill weer en haalt zijn moeder diep adem. Ze weet wat haar te doen staat. Op het volgende ogenblik is ze verdwijnseld en zit ik alleen in de keuken, met het aardappelmesje nog in mijn hand. Ik gun mezelf niet de tijd om na te denken. Uit Bills woorden en stem heb ik opgemaakt hoe zwaar het gevecht is en dat ze elke man kunnen gebruiken voor het te laat is. Als ik eraan denk dat Harry en Ron nu misschien al gedood zijn door een smerige Dooddoener, weet ik dat ik geen seconde mag twijfelen. Ik ga staan op de plek waar Bill is verschenen en Verdwijnsel naar het pakhuis.

Ik duik weg voor een spreuk die met een razende snelheid op me afkomt, als ik Verschijnsel in het strijdgewoel. Meteen trek ik mijn toverstok en zie ik een Dooddoener op me afkomen.
“Sectumsempra!”
Hij ligt neer op de grond nog voordat zijn mond een toverspreuk kon vormen. De grond ligt al bezaaid met dode en gewonde tovenaars, maar het gevecht gaat verder. Overal om me heen staan Dooddoeners en leden van de Orde die dodelijke spreuken op elkaar afvuren. Plots zie ik Harry voor me uitlopen en ik loop hem achterna, niet wetend wat ik beter kan doen. Aan Harry’s andere zijde loopt professor Perkamentus. Zonder waarschuwing doemt er voor ons een felle rookvlaag op die het pakhuis vult. De oorzaak ervan wordt me al snel duidelijk. Nadat de rook een beetje gezakt is kan ik een donkere figuur voor Harry onderscheiden. Hij draagt een lange, zwarte cape met een kap die van zijn hoofd afvalt als zijn kille, hoge lach uit zijn mond ontsnapt. Als zijn bleke gelaat zichtbaar wordt, sla ik mijn armen om mijn buik en staar naar de vader van mijn toekomstige zoon. Ik kan geen enkele uiterlijke gelijkenis ontdekken met de Marten Vilijn die ik heb gekend. Maar hij schenkt geen aandacht aan mij. Met een spreuk velt hij professor Perkamentus die meters achteruit vliegt en richt dan zijn rode, kwaadaardige ogen op Harry, die pal tegenover hem staat.
“Expelliarmus!” schreeuwt Voldemort.
Harry is ontwapend, maar ik kan zijn gezicht niet zien. Om me heen staan tovenaars, treffen hun spreuken doel, zakken ze in elkaar… Maar ik besef het niet. Ik besef alleen dat dit het einde zal zijn, voor Harry en voor de hele wereld. Perkamentus is uitgeschakeld, Harry is ontwapend en niemand staat nog tussen hem en Voldemort.
Behalve ik.
Science tells me God must exist.
My mind tells me I will never understand God.
And my heart tells me I am not meant to.

maartentje582

Hoofdstuk 21: Het einde

Wat gaat er om in een mensenhoofd als hij weet dat dit het einde is? Als hij weet dat er geen kans meer is op redding en dat hij radeloos zijn lot zal moeten aanvaarden? Wat gaat er in zijn gedachten om als hij weet dat hij de dood recht in de ogen kijkt, en bij wijze van spreke al met een voet in die andere wereld staat. Ik kan onmogelijk Harry’s gedachten lezen, maar hij staat daar voor Voldemort met zo’n uiterste beheersing en kalmte dat ik voel dat hij zijn dood accepteert. Hij weet dat de toekomst voor hem niets meer zal brengen en kijkt zwijgend op naar zijn aartsrivaal. Voldemort uit een kille lach die naar mijn gevoel het hele pakhuis doet beven. Hij zet een vaste stap naar voren en bekijkt zijn prooi met zoveel genot, wetende dat hij gewonnen is. Hij heft zijn toverstaf op zonder zijn blik van Harry af te wenden en Harry buigt zijn hoofd. Ik geloof dat ik later nooit zal begrijpen hoe ik zo kalm ben kunnen blijven terwijl de gebeurtenissen hier snel na elkaar hun loop gingen. Iets in Harry’s houding zegt me dat ik niets moet doen, dat hij het aanvaard heeft en dat ik er niet in moet tussenkomen. Maar hij neemt die houding alleen maar aan omdat hij werkelijk denkt dat hij alleen is. Geen van de twee mannen voor mij besteedt ook maar de minste aandacht aan mij. Het lijkt wel of ik onzichtbaar ben, maar ik weet dat ik niet zonder meer aan de kant zal kunnen blijven staan, zonder in te grijpen. Als Harry dood is, is het gedaan met de hele wereld. Dan is de missie pas echt gefaald. Er is maar een gedachte meer die bij me opkomt.
Red Harry.
Hoe, daar heb ik geen flauw benul van, maar ik weet dat ik íets moet doen.

Red Harry. Komaan Hermelien, wees niet bang, wees moedig. Zet die stap vooruit, red Harry.
Een tweede stem in mij vind zijn weg naar mijn gedachten.
-Wat als ik faal? Wat als ik weer faal? Wat als ik Harry helemaal niet kan redden, wat ontzettend waarschijnlijk is trouwens? Wat als ik het alleen maar erger maak, en ik op staande voet wordt gedood, en met mij mijn ongeboren zoon?
-Dan heb je het tenminste geprobeerd en weet je dat je de dood waardig in de ogen mag kijken.
Mijn eerste stem krijgt de overhand en ik weet wat me te doen staat. Ongeacht de afloop, ik zal niet toekijken hoe Voldemort mijn beste vriend van kant maakt. Ik zal vechten, omdat Harry het niet meer kan. Ik zal vechten, om Voldemort te tonen dat er toch nog iemand is die hem kan weerstaan, ook al is het maar voor even. Ik zal vechten, om de wereld waarin mijn zoon zal moeten opgroeien, te behouden zoals hij vroeger was. Ik zal vechten uit liefde en uit haat.
En dat is het moment waarop ik een felle stap naar voor zet en tussen Harry en Voldemort in ga staan. Ik zie hoe Voldemort zijn wenkbrauwen optrekt en nu wel genoodzaakt is om naar mij te kijken. De metamorfose van zijn gezichtsuitdrukking is haast lachwekkend als de situatie niet zo ernstig is. Eerst kijkt Voldemort me met een hautaine glimlach aan, die me pijnlijk doet denken aan het ritueel dat ik met hem heb beleefd. Hij zet een brede grijns op en richt zijn toverstok op mij. Mijn instincten nemen het over, ik controleer niet langer wat ik doe. Voor ik het weet zeg ik: “Dag Marten,” en kijk ik hem recht in zijn ogen aan. Wat ik daar zie is de verandering van zekerheid naar angst. Als hij naar me kijkt, en me voor het eerst écht ziet, zie ik hem schrikken van herkenning. Op zijn gezicht staat nu niet alleen angst, maar ook bezorgdheid te lezen. Ik weet dat achter me, Harry overeind krabbelt en zijn toverstok oppakt, maar Voldemort ziet het niet. Hij heeft alleen oog voor mij en kijkt me aan met zo een verpletterende uitdrukking van liefde en medelijden dat ik een traan niet kan bedwingen.
“Oh Rose,” zegt hij zacht, en ik hoor een spoor van Martens warme stem in die woorden. Als ik in zijn ogen kijk zie ik niet langer die rode, dreigende kleur maar warme, bruine ogen. Martens ogen. Voldemort werpt zijn toverstaf weg en komt naar me toe. Ik sta als verlamd naar hem te kijken en kan me niet verroeren. Met zijn lange, benige vingers streelt hij mijn traan weg met zo een teder gebaar dat ik er kippenvel van krijg.
Hij is me niet vergeten, hij houdt nog steeds van mij.
Dan zakt hij zo plotseling op zijn knieën voor mij dat ik ervan schrik, en klampt hij zich met beide armen vast rond mijn benen. Ik besefte maar met moeite wat ik zag, ik wist dat dit Marten was. De Marten naar wiens gezicht ik uren aan een stuk naar kon kijken, de Marten met de zwarte lokken, de prachtige bruine ogen. De Marten die me had gered van Lucius en me had getroost zonder woorden, me naar het witte bed droeg en me alle liefde gaf die hij maar bezat. En ik had hem lief, ik heb hem lief en zal hem voor altijd liefhebben. De vader van mijn toekomstige zoon.
Zijn gezicht houdt hij strak tegen mijn benen, maar ik zie dat hij huilt, hoe het mogelijk is weet ik niet, maar hij huilt.
“Oh Rose,” fluistert hij. “Rose, laat me niet alleen. Blijf bij me Rose, blijf bij me.”
Ik vind het gruwelijk, zo gruwelijk dat ik zo’n macht over hem kan hebben. Niemand zou zoiets mogen bezitten. Maar ik heb het nu eenmaal, tegen wil en dank. En hem zo ontredderd te zien doet pijn, meer pijn dan ik ooit heb gehad om mezelf of om gelijk wie.
Ik leg voorzichtig mijn hand op zijn schouder.
“Het is goed Marten,” zeg ik zacht.
“Het is goed, alles komt g-”
“Avada Kedavra!”
Een groene flits, en voor ik het besef ligt Voldemort op de grond, met zijn ogen wijdopen naar het plafond van het pakhuis starend, zijn gezicht nog nat van de tranen. Zijn armen liggen nog steeds om mijn benen geslagen maar alle mogelijke kracht is eruit verdwenen. Voldemort, of Marten, is niet meer. Ik kijk op en zie Harry wankelend op zijn benen staan, zijn toverstaf nog steeds gericht op de man die hij gedood heeft.

Perkamentus komt naar ons toegewandeld met plechtige tred en heel het pakhuis is overmand door de stilte. Geen woord, geen fluistering komt over de lippen van de zojuist nog vechtende leden van de orde en dooddoeners. Iedereen staart naar Harry, mij en de dode man aan mijn voeten.
“NEE!”
Een luide, wanhopige stem schalt door de ruimte en het duurt even voor ik besef dat het die van mij is. Ik kijk naar Voldemort, die doods voor zich uitstaart en ik zie Marten, de jongen aan wie mijn hart toebehoort. De jongen waarvoor ik door het vuur zou gaan. De jongen die mijn zoon heeft verwekt. En plots ziet iedereen in de zaal het. Het lijk van Voldemort is getransformeerd in het dode lichaam van de jonge Marten Vilijn. De ogen die naar het plafond staren zijn bruin, de kale kop is weer het hoofd van Marten. En zijn zwarte haren liggen rond zijn beeldschoon gezicht. Als ik ooit groot verdriet heb gehad in mijn leven is het niets in vergelijking met wat ik nu voel. Hoe ik me voel kan ik trouwens amper onder woorden brengen. Ik voel me verscheurd, alsof mijn lichaam in tweeën is gereten en ik rond mijn as tol met een misselijkmakende snelheid. Ik voel me kapotgemaakt en neergeslagen met een grote bijl, en het verdriet dat in mij opkomt, vreet als een tumor in mijn lichaam en nestelt zich alsof het nooit meer zal verdwijnen. En al deze mensen rondom mij voelen dat niet. Ik sta helemaal alleen. Ik buk me over het lichaam van mijn geliefde en streel met mijn vingertoppen zijn haar, zijn gezicht, zijn ogen. Ik strijk met mijn vingers over zijn volle, koude lippen en druk er een zachte kus op.

Ik voel de tranen in mijn ogen opwellen en doe geen enkele moeite om ze tegen te houden. En ik huil en snik, harder dan ik ooit gedaan heb. Ik ween om het verlies van de liefde van mijn leven, de vader van mijn zoon, Marten Vilijn. Mijn gehuil word geschreeuw en ik kan niet meer helder zien, zwarte plekken ontnemen mij het zicht. Mijn hart en mijn longen worden uit mijn lijf gerukt maar ik maal er niet om. Mijn verdriet is te groot. Ik leg mijn zware hoofd op Martens brede borst en snik verder en verder. Ik weet niet hoelang ik door kan gaan met huilen voordat mijn tranen opraken, maar alles is beter dan Marten te moeten verlaten.
De laatste woorden die hij tegen me sprak: “Blijf bij me,” zal ik nooit vergeten. Harry staat achter me en legt een troostende hand op mijn schouder, maar ik schud hem meteen weg en klamp me nog harder vast aan Martens dode lichaam. Ik wil geen troost van hem, hij die Marten van me heeft afgepakt. Hij die Martens lot bezegelde en hem gedood heeft op een afschuwelijke manier. Maar ik mag niet alle schuld op Harry steken. Ik ben even schuldig. Voldemort werd zwak door mij, zijn pantser viel af door mij, zijn zwakke plek was ik. Ik heb het mogelijk gemaakt dat Marten werd gedood. Ik ben zo schuldig als de duivel zelf.
En dat besef drukt zwaarder op mij dan Martens dood zelf.
“Hermelien, het is tijd om te gaan.”
Ik was even vergeten dat er nog andere mensen in de ruimte zijn, maar nu zie ik dat Perkamentus de enige is die overblijft. Hij neemt me bij mijn beide schouders vast en trekt me overeind. Ik stribbel zwakjes tegen want ik wil Marten niet achterlaten. Ik kan hem niet achterlaten. Maar Perkamentus weet wat hij doet. Hij neemt me bij de arm en verdwijnselt samen met mij. Ik heb niet eens de tijd om nog eens naar Martens lichaam om te kijken. Voor ik het weet staan we in de keuken van Sirius’ huis. Ik besef niet goed wat er gebeurt maar Molly drukt me op een stoel en veegt met een kleine, stoffen zakdoek mijn tranen weg.
Mijn geliefde is weg, voorgoed uit mijn leven, maar mijn ongeboren zoon is er nog. Ik zal hem vertellen over zijn vader, Marten Vilijn, die mij zijn leven heeft gegeven en voor altijd in mijn hart zal verder leven. Hij zal worden grootgebracht in liefde, en een stukje van zijn vader in hem dragen. En alle liefde die ik nog heb, zal ik steken in hem. Voor Marten.
 
Einde
Science tells me God must exist.
My mind tells me I will never understand God.
And my heart tells me I am not meant to.