Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

kevin's kortverhaal

Gestart door Beertyah, 15 januari 2009, 12:44:52

Vorige topic - Volgende topic

Beertyah

proloog

Van de vier elementaire krachten vreesden we vuur het meest. De aarde kon beven en bomen vellen, zelfs hele landen opslokken. Water slijt het hardste gesteente en kan hele gebieden verdrinken. De lucht kan zijn prooi vele kilometers meevoeren en dan met vernietigende kracht tegen de grond smijten. Maar vuur was de beheerste kracht. We hadden het vuur leren kennen, en dwaas als we waren dachten we wat we nog steeds denken, dat we het vuur kunnen controleren. Maar bovenal was vuur het wapen der demonen.
Ik weet niet waar het vuur toen vandaan kwam. Of een omgevallen kaars in de slaapkamer van een kluizenaar de aanstichter was. Of de vlammen ontsprongen waren aan de vuurstenen van een reiziger die zijn vuur vergat te doven. Wat ik wel weet is wie de eerste waarschuwing riep. Anna was een jong meisje, de dochter van de dorpsoudste. Ze was samen met haar vriendinnen naar het meer geweest om te zwemmen wanneer het groepje krijsend en slechts half-gekleed het dorp kwam binnen gerend. Al snel stond iedereen voor zijn deur in angst te kijken naar de rode gloed boven de bomen, die nog ver weg was, maar steeds sneller dichterbij kwam. Het was een allesvernietigend vuur. Vlammen zo hoog als huizen vraten aan de bomen. Eeuwenoude eiken voelden het water diep in hun stam borrelen en verdampen voor ze vlam vatten. De mensvrezende edelherten stormden uit hun schuilplaatsen diep in het woud en begaven zich zelfs in de dorpen der mensen op zoek naar een veilige plaats. Die was er echter niet. Ook wij hadden onze dorpen verlaten en waren de rivier overgestoken in de hoop dat het water de storm van hitte en allesverterende vlammen zou stoppen. De ouderen van mijn generatie hadden echter snel door dat zelfs de machtige rivier dit geweld niet zou stoppen. De vlammen aan de wilgen werden al in het water weerkaatst en wind en wrakhout brachten de altijd hongerige vlammen naar de overzijde.  Wij konden ons terugtrekken in de Schuilplaats, de bosdieren hadden minder geluk. Oorspronkelijk bedoeld als laatste vluchtplaats mochten de demonen ons vinden, werd de Schuilplaats, het uitgebreide tunnel- en grottennetwerk, opengezet voor de vluchtelingen. Dagen bleven we daar terwijl we het beest boven ons hoorden bulderen en het woud huilen.

Ik was één van de eersten die zijn hoofd terug boven de grond stak. Wat ik zag was zo schokkend dat ik er zelfs nu nog over droom. Onze wereld van groene bomen en blauwe lucht was weg. In de plaats bevonden we ons in een dood land. Dode verkoolde bomen staken als gepijnigde vingers naar de hemel. Maar zelfs daar was geen troost te vinden. Een grijze laag roet en stof verduisterde de hemel, zo dik dat zelfs de zon er niet door kwam. Mannen en vrouwen weenden en wanhoopten en de dorpsoudsten uit alle dorpen kwamen samen om over onze toekomst te vergaderen.
Ik zag mijn dorpsgenoten bij elkaar kruipen. Mijn vrienden hielden zich stoer. Mano zat op een zwartgeblakerde omgevallen boom en sneed een pijlpunt uit een verbrande tak. Wanneer het hout in zijn handen verbrokkelde verscheen er een traan in zijn ooghoek, maar hij nam een andere tak en zette koppig door. De tweeling, Arne en Arno probeerden zich te mengen in het gesprek dat plaatsvond onder de volwassenen. Tot één van hen zich omdraaide en hen zei dat als ze iets nuttig wilden doen ze zich beter om het vrouwvolk zouden bekommeren. De vrouwen zaten in een kluitje bijeen en troostten jammerende kinderen. Zelf werden ze getroost door hun eigen oudste dochters die niemand hadden om hen te troosten. Ik vroeg me af of ik me bij Arne en Arno moest voegen die net Anna en haar vriendinnen omhelsden. Ik besloot dat ik niet klaar was om met wie dan ook over deze verschrikking te praten en hield me afzijdig.

Het duurde twee dagen voor de oudsten het eens waren. Vele gezinnen hadden zich intussen teruggetrokken in de Schuilplaats. Daar was er beschutting en eten.
De dorpsoudsten vertelden dat zolang de zon niet door de roetlaag aan de hemel kon komen er geen leven meer mogelijk was in onze wereld. Ze wilden niet wachten tot er verbetering kwam, want ze vreesden dat het vele jaren zou duren eer het woud genas, als het dat ooit zou doen. In plaats daarvan zouden ze uit elk dorp enkele uitverkorenen wegsturen, op zoek naar een plaats om te leven. Hevige discussies braken er uit tussen de volwassenen. Niemand met een gezin wilde vertrekken, en de zeldzame eenzaten werden niet vertrouwd. In elk dorp was het hetzelfde. En zo kwam het dat op de dag dat mijn reis begon er zestien jongeren op een podium van geblakerd hout stonden. Elk dorp had vier jongeren gekozen en vier groepen zouden in de vier windrichtingen vertrekken op zoek naar een bewoonbare wereld.
Ik herinner me niets van wat de oudsten vertelden aan het volk wanneer ik op dat podium stond. Maar ik herinner me nog als gisteren hoe mijn moeder me omhelsde toen ik het podium verliet. Hoe de moeders huilden, van verdriet omdat hun zoon wegging, of van geluk net omdat die van haar niet uitverkoren was. De oudste meisjes hadden mantels genaaid van vossenvachten die we hadden opgeslagen in de Schuilplaats. We kregen elk zo'n rode mantel omgegespt. Ik weet nog dat Anna achter me stond en fluisterde 'we zien je gauw weer'. Had ik toen maar beseft wat ze bedoelde...

Beertyah

hoofdstuk 1

Wij trokken naar het oosten. Onze rugzakken voelden licht aan op onze schouders, we hadden enkel gedroogd voedsel voor een week. Mano had zijn boog over zijn schouder en een mes in zijn rugzak om pijlen te snijden wanneer we gezond hout vonden. De tweeling en ikzelf hadden niets om ons mee te verdedigen. Ik kon wel overweg met een vechtstok, maar het enige hout dat we vonden was verbrand en zou bij de eerste slag verbrokkelen. Arne, de slimste onder ons, was de enige die er aan had gedacht touw mee te nemen mochten we obstakels tegenkomen waar we niet zonder hulp voorbij konden, en vuurstenen om 's avonds een vuur te maken om ons te warmen. Dat laatste was lange tijd niet nodig. Het was zomer, en het leek alsof de roetlaag aan de hemel alle hitte die was vrijgekomen bij de brand vasthield. Onze mantels van vossenbont verdwenen snel in onze rugzak. Hemden werden open geknoopt en het zweet liep ons over de rug. Toch stapten we door, dagen aan een stuk, ervan overtuigd dat wij het waren die ons volk zou redden.
Het woud was groot. Dat moest ook want het was onze laatste toevluchtsoord voor de demonen die de rest van onze wereld overheersten. Maar toen in die lange dagen besefte ik pas goed hoe groot het werkelijk was, en hoe ver het vuur had gereikt. Niets had het monster kunnen tegenhouden. Ons voedsel raakte snel op, en na een week vochten we om de minst verbrandde takken om op te kauwen. Het smaakte vreselijk en als je er iets van inslikte werd je vreselijk ziek, maar erop kauwen was de enige manier om onze magen te kalmeren. Af en toe zagen we dieren. Vossen en konijnen die in een hol diep onder de grond, net als wij aan het vuur waren ontsnapt. Maar zonder pijlen voor Mano's boog, hadden we geen schijn van kans ze te verschalken. Wanneer we een beek tegenkwamen dronken we het kleine beetje modderige water dat naar as smaakte tot onze maag gevuld was.
Elf dagen nadat we bij de Schuilplaats vertrokken waren, na vier dagen zonder voedsel, bereikten we de rand van het woud. Voor ons strekte zich een grote zwarte vlakte uit. Zelfs hier was het gras verbrand. Maar wanneer het avond werd vonden we een rivier. Het gras was te laag en het vuur had zonder hoge bomen om van te springen niet ver genoeg gereikt om het gras aan de overkant te bereiken. En wij keken over het water uit naar een grote groene vlakte met in de verte zelfs enkele bomen. Bang om in het donker het woelige water over te steken besloten we nog één nacht op verbrandde bodem door te brengen.

Het was in die nacht dat we gewekt werden door geluid. Bevreesd voor de demonen die de wereld buiten het woud onveilig maakten keken we op vanuit de kuil die we voor onszelf gegraven hadden aan de oever van de rivier. Drie gedaanten strompelden over het verbrandde gras in onze richting. 'Te klein voor demonen,' fluisterde Arne. 'Klein genoeg om geen bedreiging te vormen,' maakte Arno zijn zin af. We stonden tegelijk recht en de gedaanten stopten doodstil. Dan hoorde ik een stem die ik dacht lange tijd niet te zullen horen. 'Mano? Sam? Arne, Arno? Zijn jullie dat?'
Onze adem stokte en dan riepen we als één, 'Anna?' En plots stormden de drie meisjes op ons af. Ik werd omhelsd door Sanne voor ik door had wie het was en Marie wist niet of ze nu Arne of Arno wilde omhelzen. 'Wat doen jullie hier?' Vroeg Arne wanneer we gekalmeerd waren. Er klonk een beetje van een beschuldiging door in zijn stem en Anna had dat, zoals altijd, meteen opgevangen. Ze zette haar handen op haar heupen zoals alleen een vrouw dat kon doen. 'Wat doen jullie hier?' Vroeg ze hem.
Verbaasd wist Arne niets te zeggen. Mano, eerder moedig dan slim wel, 'wij zijn uitverkoren om een nieuwe wereld te vinden waar we kunnen wonen. Jullie hadden ons niet mogen volgen, het is hier onveilig voor kleine meisjes.'
Natuurlijk het verkeerde antwoord wist ik meteen, en ook de andere twee meisjes gingen bij Anna staan, die duidelijk de leiding had genomen in hun groepje. 'En wat weten mannen nu van een wereld om in te wonen. Het zijn de vrouwen die thuis blijven, voor de kinderen zorgen, voor eten zorgen. De ouderen hebben jullie gestuurd omdat ook zij mannen zijn. De vrouwenraad wist wel beter en zond ons in het geheim achter jullie aan om jullie te helpen.'
'We hebben geen h...' Hier onderbrak ik Mano snel. 'We kunnen alle hulp gebruiken,' vertelde ik hem. Eigenlijk wilde ik hem gelijk geven. Maar met Anna viel niet te discussiëren. Vooral niet wanneer ze haar ene wenkbrauw zo op trok als ze op dat moment deed. En daarbij, we konden ze nu niet meer terugsturen, opnieuw die tocht door het verbrandde woud, zonder voedsel zouden ze zeker niet overleven. We werden uit onze situatie gered door Arno. Hoofs als altijd nodigde hij de meisjes uit zich bij ons te voegen in onze slaapkuil. Dit leverde hem twee extra opgetrokken wenkbrauwen op en leidde zo de aandacht voor ons af.

We hadden de ochtend daarop enkele uren zonlicht voor de zon achter de roetlaag verdween. Wetend dat dit betekende dat ook aan die afschuwelijke wolk in de hemel een einde zou komen waren we allen opgewekt. De discussie van de avond tevoren was vergeten en Sanne merkte zelfs vrolijk op dat de expeditie nu wel moest slagen omdat we met z'n zevenen waren, een heilig getal. De rest van ons glimlachte en Arne bestudeerde de rivier om een manier te vinden deze over te steken. Anna, vastbesloten haar leiderschap niet op te geven wanneer haar groepje zich bij ons had aangesloten ging bij hem staan. Eigenlijk was er niet veel om over te discussiëren. We konden of zwemmen, of de rivier volgen om een oversteekplaat te vinden. Arne, uitgehongerd en overtuigd dat we aan de overkant voedsel konden vinden was voorstander van te zwemmen, net als de rest van ons. Anna wilde daar echter niets van weten. Zij hadden - naar eigen zeggen - beter op hun voedselvoorraad gelet en hadden totnogtoe nog geen honger moeten lijden. Ik moet zeggen dat ik akkoord ging met Mano die luidruchtig opmerkte dat ze gewoon bang waren hun jurken nat te maken. Toch was ik slim genoeg dat niet luidop te vermelden. Jong als we waren, wilden we er echter niets van weten ons te laten commanderen door de dames en tegelijk kleedden we ons uit tot op ons ondergoed. Onder luid protest van Anna dat we hen daar niet mochten achterlaten stapten we het water in. Met onze kleren opgeborgen in onze rugzak en onze rugzak hoog boven ons hoofd zwommen we naar de overkant. Het water voelde heerlijk fris na de lange dagen in de hitte en droogte van het verbrande woud. Wanneer we aan de overkant kwamen en omkeken zagen we dat Anna haar grip op de andere twee meisjes aan het verliezen was. Sanne en Marie zagen achter gelaten worden net iets minder zitten dan nat worden. Met hun rugzak opgehouden boven hun hoofd en enkel in hun ondergoed gekleed trappelden ze proestend onze richting uit. Mano en Arno doken meteen terug het water in, ik en Arne zwommen tot bij Anna om haar te overtuigen mee te komen. Onder druk van ons tweeën en wetende dat ze alleen stond zwakten haar argumenten af, tot ze koppig als altijd verkondigde dat ze er niet aan dacht haar kleed uit te doen waar wij bij stonden. Afgaand op haar gekruiste armen en hoog opgeheven hoofd wist ik dat we met praten niet verder zouden komen. Arne, die vast hetzelfde dacht keek mij aan en ik voelde dezelfde glimlach opkomen die op zijn gezicht stond. Anna zag het ook, maar voor haar was het te laat. Met één arm onder haar schouder en één bij haar trappelende benen smeten we haar onder luid protest in de rivier. Luid proestend kwam ze boven, maar haar zware jurk, gevuld met water trok haar weer onder waardoor ik en Arne genoodzaakt waren haar de hele weg naar de overkant te steunen.

Ik weet nog dat ze toen zeker drie dagen niet meer tegen mij of Arne gesproken had. De eerste dag liepen we in ons ondergoed. Sanne en Marie hadden hun natte onderkleed gewisseld voor hun droge jurk - waarbij wij beleefd de andere kant uit moesten kijken - een luxe die Anna niet had gekend. Wel moest Anna onze blikken die duidelijk onze gedachten vertaalden, gedachten over de meisjes die onder hun jurk niets aan hadden, niet verdragen. Tegen de avond hadden we het eerste bosje bomen bereikt. Het natte ondergoed werd aan de takken te drogen gehangen. Anna, wiens boven- en onderkleed even nat waren moest een keuze maken. Arno's aanbod van zijn vossenmantel wees ze koppig af, en dus viel ze in slaap in een klamme jurk. Het bosje bood genoeg beschutting om ons, en de meisjes veilig te laten omkleden zonder dat we elkaar konden begluren. Iets wat ik in die tijd zeker jammer vond. Maar beschutting was niet het grootste voordeel van de bomen. Het waren namelijk hazelaars waarvan de noten in dat seizoen rijp om te eten waren. Alles wat we zo konden aandoen werd uit onze rugzakken verwijderd en - nadat we onze honger hadden gestild - vervangen door noten.
Die tweede dag liep Anna steeds enkele meters achter ons, terwijl Sanne en Marie tussen ons in liepen. Ze zei nog steeds geen woord, zelfs niet wanneer de zon door het dunne laagje roet aan de hemel brak en haar klamme jurk verwarmde. De tweeling danste een vreugdedansje met de meisjes. Die avond sprak ze voor het eerst. Niet met mij of Arne uiteraard, maar met Arno. Ze wilde haar jurk ditmaal te drogen hangen, maar eiste wel zijn vossenmantel op om haar warm te houden in de nacht. Arno was zo slim geweest haar eis als een verzoek te beschouwen, en de derde dag werden hij en Mano getrakteerd op glimlachjes terwijl Arne en ik slechts norse blikken ontvingen. Het was in die derde avond dat onze kleinzielige ruzie vergeten werd door onze eerste aanvaring met de duistere wezens buiten onze wereld. Verscholen in een bosje wees Sanne trillend van angst naar de lucht. Een wezen dat we enkel kenden uit verhalen en sprookjes vloog hoog boven ons door de hemel. Het moest wel een draak zijn besloten we. Het monster vloog zo hoog dat we het amper konden zien, maar zijn klauwen lieten een duidelijk spoor na waar het beest de hemel verscheurde. Een afrgijselijke enorme wond was zichtbaar waar het beest de wereld zelf had aangevallen. Als een litteken aan de hemel bleef het nog lang nagloeien nadat de draak verdwenen was. Die avond zaten we alle zeven samen. Jongens en meisjes, samen huiverend en elkaar vasthoudend. Draken waren de ergste van de demonen. Ze waren de grootste en de machtigste, en een vijand van de wereld zelf. 's Nachts waren ze minder gevaarlijk, dan was hun aandacht gericht op hun gevecht met de engelen van de nacht. Maar overdag wanneer hun klauwen gapende wonden aan de hemel brachten was hun blik naar beneden gericht, op zoek naar voedsel.

Ik weet niet meer hoe vaak ik die nacht wakker geworden ben, noch hoe vaak ik de dag erop struikelde terwijl mijn blik angstig op de hemel gericht was. We beseften wel dat deze kleine bosjes niet genoeg beschutting vormden tegen de demonen en dus zetten we onze zoektocht  verder. Na enkele dagen ging het landschap over van grazige vlakten naar heuvels bedekt met rotsformaties. Mano had pijlen voor zijn boog en in het heuvellandschap konden we vele knaagdieren verschalken. Het hout van de hazelaars die in die streek overheersten was echter niet geschikt om een vechtstok van te maken en zonder deze wapens om ons en de meisjes mee te beschermen waagden we het niet groter wild aan te vallen. Na dagen met enkel hazelnoten en eekhoorns - die waarschijnlijk zelf ook enkel hazelnoten aten - als voedsel was zelfs het vinden van een beukenboompje een reden om feest te vieren. We begonnen stilaan te wanhopen dat we geen echt eten meer zouden vinden. De herfst was volop ingetreden in dit landschap. Het zou snel winter worden en dan moesten we terugvallen op onze voedselvoorraad en die bestond uit, jawel, enkel noten. Het was dan ook een opluchting wanneer de lage glooiende heuvel groter en steiler werden en de zachte aarde ondergrond vervangen werd door één van rots waarop paddestoelen weelderig groeiden. Hier bewezen de meisjes met hun kennis van paddestoelen - een kennis die ze hadden opgedaan door al als klein kind met hun moeders mee voedsel te gaan verzamelen - voor het eerst hun nut. Zelfs Mano aanvaardde in stilte hun superioriteit omtrent de kennis van giftige en eetbare paddestoelen, en in ruil daarvoor hielden de meisjes hun zelfvoldane glimlachen tot een minimum. Marie trakteerde ons op haar kookkunsten, een saus van noten en paddenstoelen met op steen gebakken eekhoorn. Thuis zouden we hebben gewalgd van zulk een combinatie, maar daar konden we haar er enkel om prijzen.

De reis door de heuvels ging veel trager dan over het graslandschap. Eerst dachten we over de heuvels heen te kunnen gaan. We wilden een zo recht mogelijk lijn naar het oosten aan houden om de weg terug naar huis niet te vergeten. Dat bleek echter ondoenbaar. We hadden een halve dag nodig om een heuvel te beklimmen en dan moesten we uitgeput de gevaarlijke afdeling naar beneden doen. Ons ritme aanpassen zodat we 's ochtends afdaalden en 's avonds de heuvel beklommen kon ook niet. Boven op de heuvels stond er een aanhoudende strakke wind en er was geen beschutting. In de dalen was het echter lekker warm. Na twee dagen van klimmen en dalen hielden we het al voor bezien en besloten we rond de heuvels te gaan. Sanne probeerde nog met wat houtskool en papier de weg die we liepen neer te tekenen, maar de derde nacht kwam ze huilend naast me zitten en vertelde me dat ze het niet meer wist, dat we de weg nooit terug zouden vinden. De komende dagen was het die gedachte die voortdurend in ons achterhoofd knaagde, maar het enige wat we konden doen was doorgaan. Door terug te keren zouden we enkel verloren lopen zonder eerst een bewoonbare wereld te vinden.