Nieuws:

Heb je problemen met het forum? Contacteer Shaddow, redeast of yasu.

Hoofdmenu

Mijn verhaal (A)

Gestart door jakarw, 24 juni 2008, 20:41:46

Vorige topic - Volgende topic

jakarw

Ik denk dat ik niet de enige ben, maar ik heb de verschrikkelijke eigenschap dingen waar ik aan begin nooit af te maken :P zo ook met verhalen schrijven, kheb er heel wat op mn computer staan, de een beter dan de ander, maar steeds maar 1 of 2 hoofdstukken. Kwil toch hier iets posten om te kijken of jullie het leuk vinden :P
dus geef alsjeblieft kritiek en commentaar :)



jakarw

#1
Een gure bergwind woei over een kam van de avondsterbergen. Het was ijskoud en overal lag sneeuw. Het sneeuwde nu niet maar de donkere lucht zag en dreigend uit. Het was doodstil en er was geen levend wezen op de been.
Of toch wel.
Daar, halverwege de windhoospiek, liep een klein groepje mannen. Ze waren met z'n vieren. Allemaal ingepakt in grote bruine mantels, zich verstoppend voor de kou. Ze liepen in een aardig tempo over het kleine pad dat naar de top leidde.
De voorste was het langst en duidelijk de baas. Hij liep met zijn borst vooruit en met een nonchalance alsof hij boodschappen aan het doen was. Zijn lange bruine haar wapperde in de wind en hij had gezonde rode blossen op zijn wangen.
Nummer twee in de rij zag er minder fit uit en een stuk jonger. Hij liep gebogen en zijn wallen staken scherp af tegen zijn bleke huid. Hij droeg een grote zak op zijn gebogen rug en had het duidelijk zwaar.
De derde man was een gedrongen figuur. Hij stapte met zelfverzekerde stappen door de sneeuw en leek geen last van de kou te hebben. Ook hij had een zak op zijn rug, maar ook dit leek hem niet te deren.
De achterste en kleinste man had duidelijk moeite het tempo bij te houden. Hij struikelde om de minuut en had een knalrode kop. Hij had een buideltas aan zijn zij hangen en een stok in zijn hand om op te steunen.
Zo liepen ze daar in de kou.  Steeds verder stijgend en langzamer lopend.

De donkere lucht had niet gelogen, want de eerste sneeuwvlokken vielen uit de lucht binnen no-time sneeuwde het hevig en zaten de mannen onder de sneeuw. Het pad dat de mannen volgden maakte een bocht en werd een stuk smaller. Dicht tegen de rotswand gedrukt liepen ze verder. Uitkijkend over een grote diepte die akelig dichtbij was. Aan de horizon zagen ze een uitgestrekt bruin landschap: De doemduinen. Achter deze duinen lag de Westzee, hun bestemming. Maar voordat ze bij de doemduinen konden uitrusten en opwarmen, hadden ze nog een lang stuk te gaan.

Een flits.
Aan de horizon was het onweer los gebartsen.
Gedonder.
'We moeten schuilen!'riep de gedrongen man luid, proberend over het geluid van de storm heen te komen.
De voorste man hoorde hem niet en liep verder. Langs de spelonk die de gedrongen man als schuilplaats had willen gebruiken 'Meneer, we moeten schuilen!' riep hij nog eens, zo mogelijk nog harder.
Dit keer reageerde de lange man wel.
'We gaan pas schuilen als ik dat zeg, Argon! En niet eerder!'
De bleke jongenman keek nog eens geschrokken in de afgrond en huiverde.
Sjokkend gingen ze verder door de steeds dikker wordende laag sneeuw. Het pad werd weer iets breder en werd nu ook iets overdekt door overhangend stuk rots.
Flits.
Gedonder.
De kleine man slaakte geschrokken een kreetje.
'Het komt dichterbij,' piepte hij. Maar niemand hoorde hem.
Nog een flits.
Bam! Met een reusachtige kracht sloeg de bliksem in, net boven de mannen.
Geschrokken keken ze omhoog.
'Zet je schrap!' Riep Argon.
De mannen bereidden zich voor op het ergste en vreesden wat er zou gebeuren.

De inslag had rotsen doen rollen en sneeuw doen wegspringen en nu kwam het met vernietigende kracht in de vorm van een reusachtige lawine naar beneden. De rotsblokken en sneeuwstromen spoten over het overhangende stuk rots, boven de mannen, alsof het een schans was en stortten de diepte in. Steeds meer sneeuw kwam naar benenden. Vóór de mannen was het pad al weggeslagen door deze bijna goddelijke kracht.
'Blijf waar je bent Tegel, ga niet terug.' riep Argon de kleine man, die zich had omgekeerd en was weggerend, na, maar het was al te laat.
Een grote lading sneeuw en steen kwam nu ook achter de mannen op het pad terecht, het stuk waar Tegel net nog had gelopen. Met een luid gekraak brak het stuk rots af en de sneeuw, de stenen en ook Tegel stortten de afgrond in.
'Blijf waar je bent!' riep de lange man geheel overbodig. Ze konden geen kant meer op. Er kwam nog steeds veel sneeuw naar beneden.
Kraaaaak!!!!
Een grote barst werd zichtbaar in het overhangende stuk rots.
'Druk je tegen de w-.'
Argon werd onderbroken door een oorverdovend gekraak. Het stuk rots brak af en kwam met een hele hoop sneeuw naar beneden zetten. De lange man was verlamd van angst en bleef staan. Argon pakte snel de jongen, die Nachtegaal heette, vast en drukte zich tegen de muur.
Met een grote smak kwam het grote stuk rots op de leider terecht en sleurde hem mee de afgrond in. De sneeuw stroomde nu ongehinderd het pad op en bedekte het helemaal. Nog heel even ging het door en toen stopte de stroom. De lawine was voorbij.


jakarw

#2
Ik weet niet of er behoefte aan is maar hier is hoofdstuk:
2

Een wit licht. Kou, ijzige kou.
Argon opende langzaam zijn ogen. Wit, het was helemaal wit om hem heen. De dood, dacht hij. Hij huiverde en knipperde eens.
Hij zag zijn benen opgetrokken tegen zich aan liggen. Hij voelde ze niet meer, maar dat verontruste hem op een of andere manier niet. Hij bewoog zijn hoofd iets. Hij hoorde een knisperend geluid en iets kouds liep zijn nek in.
'Aaah, koud,' bracht hij hijgend uit.
Hij probeerde zijn rechterarm, die op zijn borst lag, te bewegen. Niets. Hij probeerde zijn andere arm. Waar was die eigenlijk dacht hij verbaasd. Hij draaide iets en een hevige pijn schoot door zijn lichaam. Hij knipperde nog wat verdoofd zijn ogen weer.
Ik lig natuurlijk op mijn arm dacht hij en glimlachte cynisch.
Hij probeerde weer iets te draaien en weer schoot er een hevige pijscheut door zijn lichaam. Hijgend rustte hij even uit. Na een poosje lukte het hem om de vingers van zijn rechterhand te bewegen. Langzaam kwam het gevoel terug in zijn arm en ook in zijn tenen. Hij bewoog ze moeizaam en probeerde zijn been te strekken. Hij stootte tegen iets aan en weer dat knisperende geluid. Ik zit ergens in dacht hij. Hij voelde met zijn rechterhand aan de massa om hem heen die hij net had ontdekt.
Het knisperde en was ijskoud. Er brokkelde iets af en viel op zij voorhoofd. Hij huiverde, wat hem opnieuw een pijnscheut opleverde, en veegde het van zijn voorhoofd.
Sneeuw!
Ineens wist hij het, het was sneeuw.
Plotseling kwamen nu ook zijn andere herinneringen weer opdagen. De lawine, de dood van Tegel en meneer Tuskor, alles kwam even hard aan.
'Nachtegaal,' bracht hij huiverend uit, zich beseffend dat de jongen misschien ook nog wel leefde. Hij dacht in ieder geval dat hijzelf wel in leven was. Met nieuwe kracht probeerde hij zich te draaien. Dit lukte wel, maar weer was er die pijn. Hij keek nog eens goed om zich heen. Hij lag opgerold in een holte onder de sneeuw. Hij spuwde en het speeksel droop over zijn wang naar links.
Hij keek naar rechts. Dat is dus boven dacht hij.
Hij zette zijn benen schrap en leunde met zijn rechterhand op de sneeuw. Hij kreeg het voor elkaar om zich op te richten en zag dat zijn linker arm in een hele rare hoek naast hem lag. Ondanks de hevige pijn kreeg hij het toch voor elkaar zijn linkerarm te rechten en op zijn schoot te leggen.
Wat nu, dacht hij.
Hij schraapte met zijn hand over de sneeuw boven hem. Het brokkelde naar beneden. Hij ging iets verzitten, wat moeilijk en pijnlijk was in deze kleine ruimte, helemaal nat en met een gebroken arm. Hij schraapte nog meer sneeuw van zijn 'plafond' en zorgde dat het bij zijn benen terecht kwam en niet op zijn hoofd.
Nog een keer. Zo ging hij door. Zijn hand had al lang geen gevoel meer, maar dat stopte hem niet. Hij had zich al een aantal keer verplaatst en was ongeveer een meter gestegen.
Na wat uren leek te duren zag hij een steeds feller wordend licht boven hem. Hij bleef door graven en na een net zo lang lijkende tijd was hij in staat zijn hand boven de sneeuw uit te steken. Nog even door gaan dacht hij. Hij haalde nog wat sneeuw weg en kreeg het nu voor elkaar zijn hele arm op de oppervlakte te leggen. Hij probeerde zich af te zetten, maar de sneeuw gaf mee en bedolf hem.
Daar lag hij. Bedolven onder de sneeuw met alleen zijn hand boven de sneeuw.
Nachtegaal, was het laatste wat hij dacht voordat hij zijn bewust zijn weer verloor.

jakarw

#3
3

Warmte. Eindelijk weer warmte. Argon deed zijn ogen open. Het was donker. Hij knipperde zijn ogen en liet ze even aan de duisternis wennen. Al snel begon hij dingen te onderscheiden. Hij lag in een lekker warm bed met een dikke deken over hem heen. Aan zijn rechterkant was de muur. Er zat een klein raampje in, maar vanuit zijn liggende positie kon hij niet naar buiten kijken. Hij keek naar links en zag dat de kamer zeer klein was. Er stond een stoel naast zijn bed en meteen daar achter, tegen de muur, een kast. Naast de kast was de deur en dat was alles.
Argon ging rechtop zitten. Hij merkte dat zijn arm was verbonden en in een mitella hing. De pijn was weg, maar dat kwam misschien omdat hij helemaal geen gevoel meer had in zijn arm.
Hij kuchte als een zieke man. Dat avontuur in de sneeuw is niet goed voor me geweest dacht hij en hij schraapte zijn keel.
Hij keek uit het kleine raampje. Het was donker. De Doemduinen strekte zich in de diepte voor hem uit. Ik ben dus nog steeds in de bergen, maar gelukkig wel aan de rand, dacht hij. Hij ging weer liggen.
Hij was moe, dood moe. Hij deed zijn ogen dicht en doezelde weg. Maar net voordat hij in slaap viel, ging de deur open.
Hij werd verblind door een straal licht die de kamer binnen viel. En voor dat hij iets kon onderscheiden, hoorde hij een zware stem zeggen:
'Zo, je bent eindelijk wakker.'
'Waar ben ik,' vroeg Argon, 'wie bent u?'
Hij zag nu weer beter en zag een donker silhouet in de deuropening staan. Het was heel breed en lang.
'Je bent in mijn hut, aan de rand van het gebergte. En ik ben Clemen.'
De man liep even weg en kwam terug met een olielamp.
'Genoeg over mij, hoe is het met jou. Voel je je arm?'
'Nee,' antwoordde  Argon beduusd.
'Mooi, dat zal nog wel even zo blijven.'
'Maar...' hij werd onderbroken.
'Je zult het niet snappen. Slaap nog wat. Ik zal je morgen inlichten. Ook over je twee vrienden.'
Twee maar waar was de derde dan?!
'Meneer, alstublieft! Zeg me....' Weer werd hij onderbroken.
'Slaap, ik ben ook moe!' het klonk als een bevel en Argon voelde ineens een sterke drang om te gaan slapen.
'Maar...'
Verder kwam hij niet door de slaap die hem overviel.