Hephaistions verhaal. Titel moet ik nog verzinnen

Gestart door Hephaistion, 8 februari 2008, 13:56:43

Vorige topic - Volgende topic

Hephaistion

Okee, ik wil het verhaal van het verhalenwedstrijd verder spelen alleen dan met alleen Máté dus zonder de rest

het dikgedrukte is een inleiding. Een soort frans gedichtje ongeveer
Het normale is het verhaal van voor hij opgepakt is voor de moord op baron le duc
Het schuine is het verhaal nadat hij is opgepakt

HOOFDPERSONEN
- Máté( máthias de rezzonico)
- de dood, mysterieuze man (de dood)

Mathidinkske

Waar blijft het verhaal?? ???
We are still waitin g :D


Hephaistion

#3
Hoofdstuk 1


Pour toi, une rose, que je t'aime.
Pour toi, un rayon de soleil, que je veux t'embrasser.
Pour toi, ma vie, que je sais: tu restes ici, pour toute ta vie.


Máté keek naar het lege papier dat hij in zijn hand had. Zijn pen lag op de grond en de zwarte inkt vloeide tussen de straatgroeven. Het ochtendlicht dartelde op de straatstenen en langzaam werden de smalle steegjes van Venetië gevuld met de ochtendmist. De zachte bries liet zijn haren, die net zijn schouders bereikten, op zijn gezicht dansen. Hij streek zijn blonde lokken naar achteren en stond op. Hij keek vooruit en liep naar het water toe. In gedachten raakte hij verdwaald. Steeds zag hij het voor hem. Dat beeld dat hem niet met rust wou laten. Zijn gedachten werden verstoord door een wat het eerst leek plots opkomende luchtbel. Máté keek ernaar en zag nog de ringen langzaam breder worden en geluidloos verdwenen ze weer in de zee. Hij hurkte en haalde een voorzichtige glimlach tevoorschijn. Plotseling zag hij een vis. Een lange donkere vis, die zijn weg de zee in zocht. Máté glimlachte en benijdde het dier. "Kon ik maar net zo vrij zijn als jij:" zei hij zachtjes tegen het schepsel. De twintigjarige jongen was de zoon van een Dogenfamilie. De dogen waren een groep rijke families die er ieder hun paleis neer hadden gezet. Zo ook de familie de Rezzonico. Zij hebben het paleis Ca' Rezzonico opgekocht en gerenoveerd.
Wij schrijven het jaar 1830 en de Renaissance is in volle gang. Matthias de Rezzonico is het jongste kind van de familie. Dit statige gezin behoort tot de hoogste sociale laag en vader en moeder de Rezzonico willen dan ook dat hun kinderen hoge functies gaan nemen in het Venetiaanse leven. Marcos en Belle, Máté's oudere broer en zus, zitten al in het stadsbestuur en nu wordt Máté zelf gedrild om ook deze functie aan te nemen. Er is echter één probleem: Máté wil graag rondreizen en de familie de Rezzonico vind dit natuurlijk maar niks. "Studeren en regeren, dat is jouw toekomst:" zeiden Josephine en Giorgio, Máté's arrogante ouders. "Ik wil zelf mijn leven leiden:" had Máté geantwoord, maar zijn ouders wilden het niet horen. "Jij wordt regent:" en daarmee was het gesprek ten einde. Boos was Máté weggelopen en vervolgens was hij gaan rondslenteren in de straatjes van het vroege Venetië. Uiteindelijk was hij dan hier gekomen. Bij de brug voor het oude klooster. "Stomme ouders, stom leven:" had Máté gedacht en hij gooide een steentje het water in. Hij liet zijn hoofd zakken en langzaam verschenen er een paar tranen op zijn gezicht. " La vie et terrible:" zei Máté. Zijn moeder was Frans en Máté was de enigste die de taal van zijn moeder had geleerd. Hij veegde de tranen van zijn gezicht en hij liep de donkere straten van Venetië in.

"Waarom heb je de Baron le Duc vermoord:" zei een boze stem boven hem. "Antwoord:' had de stem nu beveelt. Máté tilde zijn hoofd op. "Avance au feu éternel:" had Máté verachtend geantwoord en hij wendde zijn gezicht af. Een rode vlek vormde zich rond Máté's wang. De rechercheur had hem woedend geslagen met een leren handschoen. "Jij vuil, achterlijk uitschot:" zei de man spugend. Máté veegde het van zijn gezicht en keek de man aan. "Nacht na nacht dezelfde vragen. Al 3 maanden. Snap je het niet. Ik heb hem niet vermoord:" zei Máté woest en hij stond op. Meteen schoten twee wachters naar hem toe maar de rechercheur gebaarde dat het niet hoefde. De man keek Máté aan. "Jij gaat dood:" fluisterde de man in Máté's linkeroor en met een verachtelijke lach eindigde hij zijn intimidatie. Máté haalde zijn vuist naar voren en sloeg de man. "être mort. C'est une libération:" antwoordde Máté en hij ging weer zitten.

Hephaistion

#4
Hoofdstuk 2

"Goed jullie allen te zien. Kom, kom, ga zitten. Als u iets wil, vraag het de werknemers gerust. Ze zijn hier om te werken." Josephine had een vergadering van hoge pieten van het stadsbestuur uitgenodigd. In pak gesneden, kwamen ze aangelopen. Hun rollen vet netjes verstopt, gingen ze zitten in de vergaderzaal van het paleis. Één voor één worden ze aangekondigd door één van de werkneemsters van het huis. "Heer de Vasale:" riep Maria, een bediende van de familie de Rezonnico. Maria Ardos was een klein, pittig vrouwtje afkomstig uit Spanje. Als klein kind was ze ter vondeling gelegd en op haar zestiende werd ze meegenomen door Josephine. Josephine wou niet zomaar een bediende. Een hele waslijst aan eisen werden doorgenomen tot uiteindelijk de kleine Maria overbleef. "Mooi, maar niet te mooi en met een sterke stem:" had de weesbaas gezegd. Met een knikje gebaarde Josephine dat het goed was en de zwartharige Maria werd meegenomen. Maria had eerst haar twijfels, maar toen ze de kleine Máté, toen 6 jaar, alleen en ongelukkig zag, wou ze toch blijven om Máté te helpen. Ze leerde hem koken en andere huishoudelijke klussen. "Waarom moet ik leren wassen:" had Máté vragend geantwoord toen Maria hem een wasbord liet zien. Maria ging op haar knieën. "Máté jij wilt vrijheid, dat zie ik in je ogen." Maria had Máté's handen gepakt en keek hem aan. "Leer om vrij te zijn:" smeekte Maria en met een glimlach had Máté haar gerustgesteld.
Baron le Duc, werd er nu door de gang geschreeuwd. Een lange man met een snor zette zijn entree. In tegenstelling tot de rest was le Duc niet veelte dik en Máté keek dan ook even op van zijn papier. "Ooit word jij een groot kunstenaar:" zei le Duc tegen Máté. "Komt niks van in. Máté:" klonk een stem achter hem. "Matthias wil graag de politiek in:" zei Giorgio en hij pakte zijn zoon bij zijn schouders. "Wat moet je toch met dat onnozele gedoe." En hij gooide Máté's schetsboek weg. "Dank u meneer:" zei Máté vriendelijk tegen de baron en met een afkerende blik naar zijn vader liep hij naar de plantenbak op het balkon. Het bijzondere aan het paleis was dat op de derde verdieping zich een enorm balkon bevond. Dit in de stijl van de Renaissance gemaakte oogpunt trok veel aandacht als de mensen vanaf hun boten naar het paleis keken. Zo'n kwart van de hoogste verdieping van het paleis werd gebruikt voor het tuinachtige immense balkon. Máté liep het terras op en pakte zijn schetsboek dat naast een beeld van de god Apollo was gegooid. Terwijl hij keek of de tekeningen en gedichten nog intact waren, hopend dat de fontein waar het langs op was gevlogen niet al te veel schade had veroorzaakt, hoorde hij de bestuursleiders en diens vrouwen lachen en praten. De in sierlijke letters geschreven poëzie en de schetsen van de stad en zijn inwoners waren gespaard gebleven en opgelucht keek Máté naar de zee die Venetië omringde. Máté haalde diep adem en staarde voor zich uit. "Libéralisée moi."
Langzaam werd het felle winterlicht verduisterd en veranderden de luidruchtige kreten van de ruziënde mannen in een zachte luim die verdween in de schaduw. Máté verloor de grip op de werkelijkheid en het beeld van zijn verlangen groeide tot een persoon. "Matthias!"

Hephaistion

Hoofdstuk 3

"Matthias, het is een lange tijd voordat wij elkaar weer zagen. Herken je me nog." Máté's verlangen had zich gevormd in een jonge man. De zwartharige man keek hem aan met zijn helder blauwe ogen en riep hem nog een keer. Máté draaide zich om en keek de man verbaasd aan. Voor de rijke Venetianen leek het alsof Máté in het niets staarde, maar ze hadden het te druk met ruziën om zich te realiseren dat Máté in de greep van de man werd gehouden . De mysterieuze man ademde hardop uit en Máté liep naar hem toe zonder zijn blik af te wenden van de blauwe ogen.  Máté stond nu vlak voor de man en voelde de adem van hem.  "Si la vie ne veux pas t'aimer alors tu choisis une autre route. Kom naar mij. Ik wacht op je:" Qui as-tu:" vroeg Máté. "Ik ben een vriend, kom Matthias." En de man pakte Máté's hand. "Wees vrij:" en de man begon te lachen. "Nee:" schreeuwde Máté en hij rukte zich los van hem. De man haalde zijn gespierde arm terug en begon te lachen.
"De tijd word oud en moe, de wijn wordt  flauw. De lucht wordt zwaar en verstikkend, in spiegelzaal.  Onzichtbare ogen, zien ons beiden toe. En allen wachten op het rendez-vous." Máté keek om zich heen, maar de warme schaduw versperde nog steeds het licht. De man pakte Máté bij zijn kaak. "De laatste dans, is alleen voor mij. De laatste dans, dans ik alleen met jou." De man begon te lachen en terwijl Máté zijn stappen naar achteren zette, zette de man ze naar voren. Steeds dichter kwam de verleidelijke man bij hem en beide wendden ze hun blikken niet af van elkaar. "En zo wacht ik in het donker. En zo kijk ik jou aan. Als de grote verliezer, Toch ik weet ik win:" Máté werd door de man bespeeld en verleidt; hij stond stil en de man stond hem nu aan te kijken. Nog geen stap stonden ze van elkaar verwijderd en terwijl Máté slikte en zich zowel angstig als vertrouwd voelde, bleef de man hem aankijken. "Porte la cargaison de la vie:" draag de last van het leven. Een medaillon vormde zich rond de hals van Máté. De vreemde man stond bij Máté en fluisterde in zijn oor. " Vrijheid ligt bij mij:" en de man verdween in de schaduwen. Langzaam werd de duisternis doorbroken door het felle licht. Maria had Máté zien staan. Starend naar het niets en was bezorgd naar hem toe gegaan. "Máté, wat is er. Gaat het:" had ze vragend geantwoord op de stilte van de jongen. "Ik zag de dood en het licht in één.:" en Máté keek de bezorgde Maria aan.   

"Sluit hem op. Hij zegt toch niks:"zei één van de wachters toen Máté weer een vraag weigerde te beantwoorden. De zon was gevallen en Máté was de hele tijd ondervraagd. Moe en uitgeput werd hij in de cel gegooid. Zijn ogen deden zeer van telkens de duisternis van de kerkers en het felle licht van de ondervraagkamer. Zijn schenen waren blauw en pijnlijk en op zijn gezicht zat een schram van de slagen van de rechercheur. De striemen van de riem zaten op zijn lichaam te branden en de patricierszoon viel levenloos neer. Hij viel in slaap en in een nachtmerrie beleefde hij de marteling opnieuw.



Hephaistion

Hoofdstuk 4

Het was in de late zomer in het jaar 1831 toen voor de honderdste keer het liberte di festival werd gehouden. Dit feest, ter ere van de bevrijding van Venetië, was voor de venetianen net zo belangrijk als het canal grande; het grote kanaal die door het hart van Venetië stroomde. Paleis ca rezzonico lag ook aan deze door mensen gemaakte rivier en voor het paleis lagen een paar gondels. De drie rijkelijk versierde gondels werden verzorgd, bestuurd en bemint door de drie gondeliers die Josephine had ingehuurd. Natuurlijk mochten ze wel eens weg van hun plaats en mochten anderen ook tegen betaling een ritje maken. Maar als het belletje werd gerinkeld konden ze maar beter op hun plek staan anders werden ze op staande voet ontslagen. "Dat had je je moeten bedenken voordat je twee minuten te laat was:" had ze een keer geantwoord tegen een smekende gondelier met een vrouw en drie kinderen. Máté had zwijgend toegekeken. "Dat ik daar familie van ben:" dacht hij bij zichzelf toen hij zijn moeder naar binnen zag lopen. Portos, Aramis en Athos waren de drie nieuwe slachtoffers en ze wisten het nu al een heel jaar vol te houden. "Athos, wil je me naar de markt brengen." Máté was ingestapt en Athos sprong op. "Waarom ga je naar de markt Máté." Athos wist nu wel dat Máté normaal behandeld wou worden en hij was daar blij mee. "Alles anders dan je moeder is een positief iets:" had hij eens gezegd tegen Máté toen Josephine hem aan het dwingen was. "Ik heb schetsen gemaakt voor mijn masker en kostuum voor het aankomende Carnaval. Als ik ze nu bezorg dan worden ze op tijd gemaakt en kunnen er nog veranderingen in aangebracht worden." Toen Athos vroeg of hij de schetsen mocht zien had Máté aarzelend ja geknikt. Athos pakte de papieren en Máté nam het roer over. Gondelier leek hem altijd al leuk. Vrij en zonder zorgen lekker peddelen over de grachten. "Gondelier zijn is ook niet alles knul. Het verdient nauwelijks genoeg voor een heel gezin. Dan kan je beter geboren worden zoals jij, in een gouden wiegje:" had Athos geantwoord. "Beter arm en vrij, dan rijk en geketend." Athos keek Máté aan. "Je hebt mooie schetsen jong:" zei Athos bezorgd. Ze waren net aangekomen en nadat Athos had gevraagd of Máté nog wat wijn wou meenemen was hij uitgestapt. Hij liep langs de mensen massa's en door de straten van Venetië in de middagdrukte. Nadat hij bij de kostumerij was geweest liep hij de overvolle markt op om wijn te halen. De inmiddels 22 jarige jongen voelde een triomfantelijk gevoel in zijn maag. Eerder op de dag had hij te horen gekregen dat hij toegelaten werd op de Wienische Akademie von Art und Musik. Hij moest dan gaan wonen in Wenen maar daar was hij blij mee. "Eindelijk weg van mijn ouders:"dacht Máté. Helaas was er wel het probleem dat zijn ouders Máté in het bestuur wouden zien en onzin zoals kunst vonden ze maar niks. "De mensen van de academie zullen wel met je ouders praten:" had Aramis geantwoord. "Inderdaad, je ouders zullen echt niet tegen academici ingaan." Portos begon te lachen. "Neem een glas wijn, daar knap je van op." De drie gondeliers wisten Máté gerust te stellen en vervolgens waren Máté en Athos op weg gegaan naar het centrum. Hij liep over de markt en haalde wat rode wijn, een stokbrood en drie andere broodjes. "Over een paar weken kan ik dansen, zingen, acteren, tekenen, dichten." Máté voelde zich sterk en voelde de bevrijding naderbij komen. Hij keek naar zijn weerspiegeling in het water en zag een glimlach op zijn gezicht. "Ich bin starker als sie." Máté had samen met Frans en Hongaars ook Duits geleerd en dat zou nu goed van pas komen. Zijn gedachten dwaalden af en langzaam zag hij het beeld weer voor zich. "Laat me alleen. Ik heb je niet nodig. Ik ben sterk genoeg alleen." Máté merkte dat alles weer stil en duister werd en dat hij moest vechten tegen de stem in zijn hoofd die zich nu telkens vormde naar een man. "De schaduwen zullen blijven groeien en ooit." Het werd stil. "zullen ze je bedwelmen." De schaduw die in zijn oor fluisterde verdween in een lach en verdwaasd staarde Máté naar het water. De golven duwden tegen de fundering van Venetië en ook al hield de stad op het water stand. "Voor hoe lang zou dat nog duren. Wanneer zou Venetië bedwelmen onder de zee

Hephaistion

#7
Hoofdstuk 5

'Maschera é molto bello.' Máté keek naar zijn masker. Het was midden februari en het feest in Venetië zou niet lang meer op zich laten wachten. Over een uurtje zou hij vertrekken naar het grote bal in het Dogenpaleis. Normaal was de normale mens niet te vinden in het statige paleis, maar op deze nacht was iedereen gelijk. Arm of rijk allen waren ze uitgenodigd. Máté staarde nog even naar zijn masker. Het donker blauwe masker bedekte de helft van zijn gezicht en de rand en versieringen waren bedekt met een laagje bladgoud dat schitterde in het licht. Zijn blauw met zwarte pak werd aangedaan en de gouden armband die hij gekregen had van zijn ouders deed hij om. Hij keek op de klok; nog een halfuur voor het grote feest. Hij staarde naar het medaillon dat voor hem lag. Hij gaf het mij:' fluisterde hij zacht. Máté pakte het medaillon. Opeens hoorde hij een geluid. De klok sloeg en snel verstopte hij het medaillon onder zijn sportieve toch galante pak. Hij deed zijn masker op en vertrok de donkere nacht in. Eenmaal aangekomen bij het paleis stapte hij naar binnen. Hij had expres zijn ouders niets laten zien in de hoop dat ze hem niet zouden herkennen. 'Straks moet ik weer naar die saaie gesprekken luisteren:' dacht hij bij zichzelf toen hij zijn voeten in de balzaal zette. Vrolijk zaten mensen te lachen en te dansen. Door de maskers wisten ze niet of hun gesprekspartner van rijke of arme bodem was en die ontdekking vond Máté plezierend om naar te kijken. Máté keek speurend rond en merkte al snel dat zijn ouders nergens te bekennen waren. De grote beelden, het vele marmer en de rijkversierde muren deden Máté nog steeds een raar gevoel geven. 'Les gents sont des serfs de leurs inhérent desir:' de mensen zijn slaven van hun eigen lust. 'Mátthias, ik had je bijna niet herkend. Waar zijn je ouders.' Máté keek op. "Bounos serra baron le Duc. Fijn dat u mij niet herkend heeft.' De baron lachte. Máté merkte al snel dat hij het begreep en nadat hij Máté had gefeliciteerd liep hij verder. Het nieuws van de academie werd al snel bekend en opgelucht haalde Máté adem toen hij de volgende dag nog steeds niks van zijn ouders had gehoord. 'nessuno notizia é bene notizia:' had Aramis geruststellend gezegd tegen Máté. En dat was ook zo. Telkens als Máté zijn moeder hoorde roepen bonkte zijn hart in zijn keel maar gelukkig ging het telkens over iets anders. 'Er is hoop:' dacht hij bij zichzelf. Zijn gevoel van triomf en geluk groeide toen meer mensen hem feliciteerde en hij hoorde dat morgen er een man zou komen van de academie om met zijn ouders te gaan praten. 'Je hebt veel talent en hiermee kan je die laten zien:' zei iemand die hem een lelie kwam brengen als felicitatie. Máté keek naar de bloem en wendde snel zijn gezicht weer af. 'Ik heb al een roos:' zei hij en snel liep hij weg. 

'Opstaan rat.' Het felle ochtendlicht brandde op Máté's gezicht. 'Een nieuwe dag, een nieuwe marteling:' dacht hij bij zichzelf. Hij kreeg wat stinkende smurrie, wat het eten voor moest stellen,  voor zich geschoteld en werd meegetrokken. De bewakers duwde hem in de stoel en opnieuw werd hij ondervraagd. 'Nu wel zin in praten:' zei de man met een verachtelijke lach en hij keek Máté aan. Máté wendde zijn gezicht af en weigerde een woord los te laten. "Waarom doe je zo koppig, jongen. Als je onschuldig bent had je je wel verdedigd. Deze houding maakt je alleen nog maar verdachter.' Nog steeds kwam er geen woord. 'Breng hem naar de kerker. Misschien dat wat koud water hem goed zou doen:' de man glimlachte plezierend en Máté keek hem aan. Hij spuugde en mompelde wat in het Frans. 'Een simpele boer die Frans kan? Dat is zeldzaam:' bedenkelijk keek de rechercheur hem aan. 'Misschien krijgen we meer franse woorden uit hem tijdens het bad. De mannen sleurden Máté mee tot in een donkere kamer met een groot gat gevuld met water en daarboven hangende kettingen. Máté werd vastgebonden en de man bediende de touwen. 'Praat:' gebood de man Máté, maar die zweeg. De touwen vlogen omlaag en Máté eindigde in het ijskoude water. Hij voelde het water meer en meer op zijn lichaam komen en langzaam veranderde zijn bruine kleur blauw en rood. De kou drong door tot diep in zijn botten, maar Máté weigerde een woord voorbij zijn lippen te laten komen. Naar een aantal keren scheurde zijn kleren van hem af en opeens stopte de man met zijn marteling toen hij iets zag schitteren op Máté's schouder. 'De franse lelie?" Máté keek verbaasd op en legde snel zijn hand voor de tatoeage. 'Dus dit is niet je eerste marteling.' Máté keek de man duister aan en hij probeerde zichzelf los te wurmen. De man gebaarde de wachters om Máté los te maken. Langzaam zakte hij door zijn knieën en probeerde zich daarna weer staande te houden aan de muur, niet denkend aan de herinneringen van die last op zijn schouder.

Hephaistion

Hoofdstuk 6

Met de roos in zijn hand liep Máté naar de hal toe. Overal waar hij keek waren mensen. Vrolijk dansten ze en maakten ze plezier. De voeten dansten op de marmeren vloeren, op de enorme dubbele trap en door de andere kamers. Een wat gezette vrouw deelde de flessen drank uit, die gulzig werden rondgebracht. Een rij mensen stonden boven de trap en gingen samen met hun partner draaiend het marmer af. Nog net wist Máté aan de kan te springen toen een man tegen de kant werd geduwd door het dansende team. Zo arrogant als ze waren negeerden ze de net weer opstaande man en dansten ze rustig verder. Verachtend keek Máté ze aan en hij liep verder. 'Welkom madame de rezzonico:' hoorde Máté toen hij naar de bar toe liep en snel verstopte hij zich. 'Nee hé.' Verbaasd liep Máté snel weg en bedekte zijn gezicht, deels met zijn hand en deels met zijn masker. Een vrouw vroeg hem ten dans maar met een vluchtige glimlach bedankte hij haar. Toen hij weer dacht veilig te zijn haalde hij zijn hand weg. 'Hier kan ik wel even blijven:' zei hij toen hij zich in de achterste kamer van de balvleugel bevond. Ook al waren hier net zoveel mensen als in de andere kamers, zijn moeder zou hier niet zo snel zijn. 'De kamer voor de rijksten scheidt mij en haar:' dacht hij bij zichzelf toen hij naar de bar liep. Nog lichtelijk in gedachten ging hij bij de bar zitten. 'Wat mag het zijn:' zei een diepe donkere stem tegen hem. 'verbaasd keek Máté op, maar zag alleen maar de rug van de lang en breed gebouwde man. 'Een disaronno. Het komt eraan:'zei de man mysterieus en plezierend. Máté staarde wat naar beneden. Hij voelde het weer. Hij had het altijd al gevoeld maar nu brandde het meer dan ooit. 'Wat is er toch gebeurt, toen.' Vage flitsen spookten door zijn herinneringen. 'Pijn, hitte, onbegrip, dat brandmerk:' Máté staarde voor zich uit en zag het weer voor zich. De ketens, die man en dat hete ijzer. Hij voelde zijn last weer zwaar worden en hij herinnerde zich de hitte van het ijzer dat hem voorgoed zou verminken. Hij keek naar zijn schouder en duwde langzaam zijn kleren opzij. Langzaam werd zijn schouder zichtbaar en bij het zien van de eerste kleur deinsde hij terug. 'Uw disaronno, mein herr.' Máté keek op. 'Jij;' schrok hij en hij stond op. hij wou wegrennen maar merkte dat dat niet ging. De lichten werden donkerder, het geluid viel weg. De mensen werden koud en stil en langzaam groeide de schaduw weer. 'Tijd dat wij ons eindelijk spreken. Tijd het zwijgen te doorbreken.' Het werd stil. ,Herken je me nog:' De lange, zwartharige man keek Máté aan met zijn helder blauwe ogen. Zijn uiterlijk was bijna net zo mooi als zijn stem en Máté voelde zich weer licht en voelde een vaag verlangen opkomen. 'Natuurlijk herken ik je nog:' zei Máté zachtjes en gekalmeerd. 'Niemand versteht mich so wie du:' zeiden ze beide. 'Kom bij me, ik zal je troosten:' fluisterde de man lieflijk. Overheerst door de aanwezigheid van de mysterieuze verschijning, voelde Máté zich warm en geliefd. Hij keek hem aan. 'Nee, laat me met rust. Jij kan mij onmogelijk helpen:' Máté zette angstig een stap terug en keek de helderblauwe ogen aan. 'Onmogelijk, Waarom? Ook de dood is een redding:' zei de man en hij stapte van de bar af waar hij op had gezeten. 'Ik begin het leven lief te hebben:' zei Máté verzettend. 'Dat is een fantasie.' De dood zette een stap naar Máté toe. 'Ik heb nog een kans:' schreeuwde Máté hulpeloos in het rond. 'Ik kan je bevrijden:' riep de dood en zijn stem galmde door het paleis. Even werd het stil. Hij hield diep adem en zuchtte. Hij keek Máté aan. 'Matthias, bij mij ben je vrij en bemint. Bij mij ben je jezelf en vrij van allen.' En dood:' zei Máté en hij wendde zijn gezicht af. 'Ga, ik wil je niet. Ik heb je niet nodig:' zei hij en hij deed zo koud en hard als hij kon. 'Een leugen, blijft een leugen.' De dood legde zijn hand op Máté's linkerschouder. 'En vervloekt blijft vervloekt:' lachte hij toen hij de lelie openbaarde. Snel rukte Máté zich los en trok zijn kleren weer terug. Met tranen in zijn ogen rende hij weg, met op de achtergrond nog het bevrijdende gezang van de dood.

Hephaistion

Hoofdstuk 7

Zo snel als hij kon rende Máté weg van de schaduw die hem wou omarmen. Hij knalde tegen een aantal mensen op maar dat scheen hij niet te merken. Hij stormde de kamers door en rukte de deuren open,  terwijl hij zijn bedroefde gezicht verborg achter het masker.  Hij kwam bij de kamer van de idioten, zoals Máté de rijkeren wel eens noemde,  en zag zijn moeder opkijken van de rennende verschijning. 'Máté:' schreeuwde ze verbaasd en ze stond op. Z'n vader pakte Máté bij zijn arm maar met een ruk was hij bevrijdt; bevrijdt van het autoritaire gezag. Z'n ouders wouden hem nog achterna rennen, maar merkten dat rennen geen zin had. Eenzaam bleven ze achter, zichzelf afvragend wat ze fout hadden gedaan al die jaren. Terwijl Máté voortschreed op verdriet klonk er een koude schreeuw, het gekras van een mes dat in iemands lichaam dringt en een neerstortende man in de balzaal. Even stond Máté stil, luisterend naar de herrie die daarna het gebouw vulde. Hij keek om en zag een man gehuld in zwart op hem afkomen. Verbaasd viel Máté op de grond toen de man hem aan de kant duwde, het mes op Máté's borst laten rusten. De vreemde man rende weg en, terwijl het geluid werd gedempt door de binnenkomende politie, staarde Máté naar het mes dat zich op zijn borst bevond. Één van de mensen zag Máté liggen met het bebloede moordwapen en schreeuwde:' De moordenaar, de moordenaar, stop de moordenaar.' Máté's ogen werden groter, maar nog voordat hij iets kon doen werd alles zwart en zou het licht pas weer gaan schijnen in een donkere kamer met een fel licht op hem gericht met slechts één vraag: "Waarom heb je de Baron le Duc vermoord." Máté's antwoord zal altijd hetzelfde zijn, voor meer dan drie maanden lang totdat het geheim zal worden openbaard.'Avance au feu éternel.'

De rechercheur keek Máté vreemd aan, terwijl hij dichterbij kwam. De gepijnigde jongen deinsde bij iedere stap naar achteren, zich vasthoudend aan de muur. 'Wat heeft jou zo gekrenkt. Wat heb jij gedaan om dit te verdienen:' zei de man in een poging om nader te komen, maar Máté deinsde weer terug. De rechercheur zette nog een stap en strekte zijn hand uit en weer deinsde een duistere blik terug. Hij zet een stap naar achteren, maar mist een greep en valt op de grond. De eens zo jonge, aantrekkelijke, vurige man ligt nu ineengedoken als een zielig hoopje ellende. De rechercheur begint medelijden te krijgen met de bange, jonge hond en zei:'ga maar weg,'terwijl hij de bewakers commandeert dat ze Máté naar z'n cel moeten brengen. Daar aangekomen gaat Máté zitten op zijn bed. Hij staart naar voren en kijkt naar de spiegel. Pas na een minuut staren merkt hij dat hij geen kleren draagt en zakt hij in elkaar op zijn bed. 'Waarom, waarom:'fluistert hij ,terwijl hij huilend zichzelf omarmt. Helemaal alleen op die donkere kamer met maar een nauwe spleet licht door de kerkerraam, ziet hij de naakte waarheid. Het komt tot hem dat hij nooit vrij zal zijn en met die gedachten begint hij hardop te zingen. 'Zwarte prins, waar ben je. Hoor jij mij smeken. Jij bent als ik.' even wordt het stil. 'Jij hebt mij nodig:' zong hij huilend. 'Ik laat iedereen in de steek om mij te bevrijden.' Een woede worstelt omhoog naar Máté's stem. 'En wat heb ik bereikt:'Niets, niets, echt niets.' Hij kijkt naar zijn gezicht, terwijl zijn tranen vloeien. 'Kon ik maar één keer, jou nog omarmen. En jou voelen, dicht tegen mij aan.' Hij pakt zijn kussen en houdt het vast. 'Maar nu is het  te laat; jij laat mij in eenzaamheid. Beiden blijven wij.' De stilte drong weer toe en Máté valt met zijn gezicht in zijn kussen. 'Alleen.'

Hephaistion

hoofdstuk 8
Eenzaam staarde Máté voor zich uit, terwijl de bewakers hem meesleurden. Het interesseerde hem niet meer. Niets was nog belangrijk, niets in dit leven kon hem nog plezieren. 'Echt niets:' schreeuwde hij wanhopig waarna de bewakers opkeken. Máté dacht aan nog maar één ding, aan één persoon. Plotseling rukte Máté zich los; hij beet in één van de bewakers handen en sloeg een ander voor zijn gezicht. Met een grote kracht werd Máté tegen de grond geduwd en probeerden de mannen de emotioneel verstoorde jongen in bedwang te houden. Máté spurde tegen. Hij sloeg, duwde, trapte, beet in een poging los te komen toen langzaam het licht vervaagde en de greep van de bewakers verzwakte. Verbaast keek Máté op, ook al wist hij wat er ging gebeuren. een vriendelijke hand beurde Máté op en duwde hem in een omhelzing. Starend en gerust, leunde Máté tegen de borst van zijn enige bevrijding. 'wees niet bang en rust in mijn armen. Ik zal je troosten:' zei een stem lyrisch, bijna als een lied, maar toch een zachte sluim. Máté keek de dood in zijn helderblauwe ogen en voelde zijn knieën slap worden en met een trillerige stem kon hij nog net de woorden 'blijf bij mij' uitspreken. Een kleine glimlach verscheen op de man zijn gezicht en langzaam aaide hij de branding op Máté's  broze schouder. De dood duwde kietelend de stof op Máté's schouder weg en zachtjes, bijna aarzelend raakte hij de pijn van het verleden aan. Bedwelmend onder een brandend gevoel van verlangen bracht de aanraking van de dood Máté terug in het verleden. In flitsen zag hij alles voor zich; een dertigjarige man met sluik bruin haar die een twaalfjarige jongen met blond haar vertelde over een pauw en een groep eenden. Stil had de blauwogige jongen geluisterd naar het verhaal van de man.
'Naar een weelderige vijver zat eens een pauw te kijken, naar het water,  OP een grasveld stond de pauw met om zich heen een enorm hek met spijkers en andere punten en in de hoek een vijver met daarachter de vrij wereld. De pauw wist dat hij niet kon zwemmen en zolang hij dat niet kon zat hij voor eeuwig vast in een door hekken omklemde gevangenis. De pauw staarde naar het water en sprong de ijskoude nattigheid in. Bijna verdronken wist de pauw weer op het land te komen en droogde hij zijn prachtige veren. Er kwam een groep eenden langs en zeiden: 'Pauw waarom duik jij in het water, je weet toch dat pauwen niet kunnen zwemmen. De pauw antwoordde:'Ik wil naar de buitenwereld toe om mijn veren aan iedereen te tonen en meer te leven, dan dit leven.' De groep eenden keek de pauw raar aan en begonnen te lachen, terwijl ze kwetterend wegzwommen. De pauw liet zich hierdoor niet intimideren en sprong opnieuw de vijver in om vervolgens bijna verdronken weer op het lande te komen om zich daarna op te warmen in de zon en daarna weer het water in te springen. Zo ging de pauw door. Voor weken sprong, redde en droogde de pauw zich, totdat opnieuw de groep eenden aan kwamen zwemmen. 'Geef het toch op:' zeiden ze kwetterend in koor. 'Nee:' zei de pauw volhardend tegen de lachende groep eenden. Het gelach was oorverdovend en de pauw draaide zijn hoofd. Plotseling spreidde de pauw zijn vleugels en vloog hij weg, de groep eenden achter zich latend.'
Aandachtig hadden de jongen en Máté staan luisteren naar de man, wiens stem Máté zo bekend voorkwam maar wie hij niet kon plaatsen. 'En Matthias wat vond je ervan:' zei de man. Máté staarde naar de kleine jongen. 'Mooi meneer de baron, alleen pauwen kunnen toch niet vliegen:' zei de kleine jongen die Máté voor moest stellen. Verbaasd en niet bevattend keek Máté het tweetal aan. Máté kon zich het verhaal van de baron niet meer herinneren en zijn ogen groeiden toen Máté de openhaard in de hoek herkende. 'Soms ze verlangen wezens tot wonderbaarlijke dingen aan, Matthias:' zei de baron, terwijl hij een brandmerker pakte. Hij sloeg zijn armen om de keine Máté en haalde de merker met de lelie dichterbij. De jongen begon angstiger te kijken uit zijn toen al mooie ogen, terwijl de baron Máté's linkerschouder ontblootte. 'Jij zal je vleugels nooit spreiden:' waren de laatste woorden voordat hij de lelie in Máté's schouder brandde en voor altijd zijn lichaam zou verminken. Bij het zien van de lelie zou iedereen Máté zien als een misdadiger of een prostituee wat in die tijd ook onder mannen voorkwam. Voor altijd zou Máté gekleed moeten zijn, niet zwemmen in het openbaar, geen kleding die zijn schouders zouden ontbloten en nooit opgaan in de bedrijving van de liefde, zich overgevend aan een ander. Máté's verbazing groeide toen hij nog eens drie mensen binnen zag komen: zijn vader, zijn moeder en Maria wisten ervan. 'Het is gedaan:' hoorde Máté de baron nog zeggen voordat hij terugkeerde in de armen van zijn geliefde. De dood keek Máté aan en even viel er een stilte toen Máté plots zei:'kom we gaan'
Een uur later zouden de bewakers Máté's levenloze lichaam zien met een mes, een roos en een medaillon. Hij was bevrijdt van de last van het leven en koos voor de vrijheid.