Nieuws:

Welkom op het nieuwe locatie van het forum
Op dit moment wordt de .nl website doorgestuurd naar de .be website.

Hoofdmenu

Sprookjes voor volwassenen uit Kaetan - de zeven zonden tegen het Licht

Gestart door Beertyah, 30 december 2009, 15:37:03

Vorige topic - Volgende topic

Beertyah

Volgende sprookje (voor volwassenen) speelt zich af in Kaetan.
Kaetan is het grootste gebied in de wereld die ik geschapen heb voor het boek dat ik aan't schrijven ben.
De sprookjes spelen zich af voor of tijdens (in dit geval tijdens) de grote oorlog die enkele eeuwen voor het begin van het boek plaatsvindt.
De bedoeling van de sprookjes is wat achtergrond te verschaffen in hoe de wereld in elkaar zit.

(Dit is trouwens de allereerste versie van het verhaal, dus ik hoop op kritiek zodat ik het nog kan verbeteren, een verhaal is bij mij pas af als ik het bijna drie keer volledig herschreven heb.)

De zeven zonden tegen het Licht
(als iemand een betere titel heeft wil ik die ook erg graag horen)

Lang geleden, wanneer de grote witte stad nog niet helemaal af was, woonde een kleine boerenfamilie in een kleine boerderij vlakbij het grote bos. Zoals veel families in die tijd hadden de boer en boerin vele kinderen die hen moesten helpen met het werk in en rond de boerderij. De familie had in die dagen goed te eten. Elke dag kwamen er mensen uit verre landen om naar de witte gebouwen te kijken of er te helpen met de opbouw van de grootse stad. Aan al deze mensen kon de boer voedsel verkopen, waardoor de familie voor het eerst in lange tijd wat welvaart kon genieten.
De meeste mensen die de verre tocht hadden voltooid waren echter vluchtelingen op de vlucht voor de oorlog in het zuiden. De magiërs van Kaetan waren aan het strijden tegen de demonen van het Duister. Hier in het noorden waren de demonen al verdreven en de grote witte stad die gebouwd werd was het bewijs dat het Licht had gewonnen van de Duisternis en de demonen van Kaetan zouden worden verdreven. De oudere magiërs vertelden de mensen ook dat wanneer de demonen van het gehele continent verdreven zouden zijn en het Licht definitief het Duister zou overwinnen, dat alle slechtheid uit de wereld zou verdwijnen. Alle mensen zouden hun duistere verlangens voelen verdwijnen, maar ook alle duistere wezens die de grote wouden onveilig maakten zouden verdwijnen.

Nu was het bos echter nog steeds een erg gevaarlijke plaats en het was de kinderen van de boer verboden het te betreden.
Zoals gewoonlijk was met dingen die verboden zijn, had het bos uiteraard een erg grote aantrekkingskracht op de kinderen. Hun nieuwsgierigheid lokte hen naar zijn rand waar enkel hun eigen angst voor de angstaanjagende verhalen die verteld werden over mensen die ten prooi waren gevallen aan de duistere wezens hen tegenhield het te betreden. De aantrekkingskracht van het woud was het grootst op de oudste dochter van de boer. Haar naam was Avita en ze was bijna oud genoeg om te trouwen. De boer wilde dat haar dochter trouwde met de zoon van een andere boer. Zo konden ze namelijk later de akkers van de twee boerderijen samensmelten tot één grote boerderij. Avita was echter niet tevreden met de puistige boerenjongen, ze droomde al haar hele leven dat ze met een rijke prins zou trouwen. Wanneer de jongen een dag op bezoek was geweest op de boerderij had Avita hem de hele dag genegeerd. Ze had die nacht namelijk weer van haar prins gedroomd.
De prins was in de nacht uit het bos opgedoken. Hij zat op een wit paard, zijn zadel was van donker leer, afgezet met zware gouden knoppen en rustte op een dik roodfluwelen deken. Zijn kleren waren afgezet met zilver en glansden in het maanlicht, over zijn schouders hing een dikke bontmantel van zeldzaam wit vossenbont. In zijn wapperende blonde haren zat een gouden kroon vol met waardevolle juwelen. Aan de rand van het bos bleef hij staan en wuifde naar haar. Dan draaide hij zich om en ging het bos weer in. Avita wilde achter hem aan, maar wanneer ze aan de rand van het bos kwam struikelde ze en viel ze met een klap uit haar bed.
De volgende dag had ze gezien hoe haar vader met de boerenjongen praatte voor deze naar huis keerde. Haar maag draaide in een knoop, ze wist zeker dat het over haar ging. Die dag besloot ze van huis weg te lopen om haar prins te vinden. Ze verzamelde al het voedsel dat ze veilig mee kon nemen en wachtte tot het nacht werd. Ze was zeker dat haar prins op haar zou wachten. Wanneer de zon onder was en ze haar vader kon horen snurken wist ze dat het veilig was om te vertrekken. Ze gooide haar mantel om haar schouders en vertrok langs de achterdeur. Ze liep de hele weg naar het bos. Maar wanneer ze daar aankwam was haar prins nergens te zien. Vastbesloten hem te vinden vluchtte ze het verboden bos in. Uren gingen voorbij en de bomen werden steeds hoger en dreigender hoe dieper ze het bos in ging. Ze begon te vrezen dat haar prins haar vergeten was, maar dan zag ze een gouden glans tussen de bomen. Ze liep er blindelings op af, ze struikelde over boomwortels en takken scheurden haar mantel, maar het kon haar niets schelen. Ze zag nu hoe haar prins zijn paard stond te borstelen, de gouden gloed kwam van de kroon op zijn hoofd. In het donkere bos leek het mooie witte paard wel een of ander monster. Het leek vuilgrijs in plaats van zwart en heel erg mager. Maar ze wist dat dit door de schaduw kwam. Wanneer ze op de open plek in het bos kwam draaide haar prins zich om en keek naar haar. Hij glimlachte en wenkte haar. Avita liep langzaam naar hem toe. Ze trok haar mantel recht en voelde of haar haren goed zaten. Ondertussen glimlachte de prins haar welkomend toe. In het maanlicht leek het of hij een puist op zijn neus had, maar door de gouden glans van zijn kroon zag ze het niet goed. Wanneer ze dichter bij hem kwam zag ze dat zijn wangen ingevallen waren alsof hij al in dagen niet gegeten had, maar dat kon haar niet schelen, hij was namelijk een rijke prins, dat kon je zien aan de dure mantel die hij droeg. Het paard draaide zijn hoofd naar haar en ze zag dat het rode ogen had en vlijmscherpe tanden, maar hij droeg een gouden bit. Ze stond vlak voor haar prins en zag dat hij rimpels had als een oude man, zijn lichaam was dun en breekbaar maar wel verborgen onder kleren vol zilver. Wanneer hij naar haar toeboog om haar te zoenen rook ze zijn adem en die rook naar de graflucht van een pas opgegraven lijk. Maar tegelijkertijd gleden haar handen over zijn mantel van wit vossenbont. Wat kon het haar schelen als haar prins wat ouder was als hij zo rijk was? Ze drukte haar lippen op de zijne en gaf zich over aan zijn omarming. De handen van haar prins rukten aan haar kleding. Dit was niet wat ze verwacht had, maar als haar prins dit wilde zou ze het hem geven. Ze zou hem alles geven om in zijn rijkdom te delen, dus ze liet de prins haar kleren van het lijf scheuren en haar tegen de grond drukken.

Beertyah

De boerin was de volgende ochtend erg overstuur dat haar oudste dochter verdwenen was. De boer was haar sporen gevolgd en had gezien hoe deze in het bos verdwenen. Hij had echter niet de tijd haar te gaan zoeken. Er zouden die dag reizigers van de stad komen om zijn voedsel te kopen. Daarom besloot hij dat zijn oudste zoon Avita moest gaan zoeken. Cedi was de oudste zoon van de familie en al bijna volwassen. De boerin gaf hem een rugzak vol eten en stuurde hem snel achter zijn zus aan. Cedi liep de eerste honderd meter door het bos en riep haar naam. Maar wanneer hij wist dat de boerin hem niet meer kon horen vertraagde hij zijn pas en ging hij op een omgevallen boom zitten. Cedi werd altijd snel moe en verveelde zich bij alle klusjes die hij moest doen. Meestal liet hij één van zijn jongere broers de klusjes opknappen zodat hij zelf in de hooischuur kon gaan slapen. Hij was daarom ook erg verveeld dat hij deze zoektocht in zijn eentje moest doen.
Omdat hij niet in het donker in het bos wilde ronddwalen besloot Cedi toch naar zijn zus te zoeken. Hij liep verder het bos in en riep af en toe haar naam. Al snel was hij weer verveeld en zette hij zich neer. Hij leunde met zijn rug tegen een boom en keek door de takken naar de hemel. Het was zomer, maar toch had de boom donkerrode bladeren, bijna de kleur van bloed. Er groeiden gele bloesems op de takken van de boom en het stuifmeel van deze bloesems maakten de lucht rond de boom zwaar en aangenaam. Wanneer Cedi ze inademde werd hij slaperig en hij besloot even zijn ogen te sluiten voor hij verder zocht.
Een waarschuwende kreet wekte hem. Hij zag een oude vrouw tussen de bomen staan, ze riep waarschuwingen naar hem. Cedi wreef de slaap uit zijn ogen en zag dat het al donker begon te worden. Hij wilde rechtstaan maar merkte dat hij dat niet kon. De wortels van de boom waren in de korte tijd dat hij sliep over zijn benen en borst heen gegroeid. De boom leek te merken dat Cedi wakker was en de wortels drukten steviger tegen zijn borst en hij kreeg het moeilijk om te ademen. Cedi probeerde in paniek zich los te rukken en merkte dan dat zijn rugzak naast hem lag. Hij opende deze snel en vond de bijl die zijn moeder hem meegegeven had. Hij sloeg naar de wortels meer deze trokken hem steeds steviger vast. Hij kreeg moeite met ademen en zijn been bloedde waar hij met de bijl slecht geslagen had. Maar met hulp van de oude vrouw kon hij zich uiteindelijk losrukken van de boom. Hij pakte zijn rugzak op en liep zo ver weg van de boom als hij kon. Terwijl hij stond te hijgen kwam de oude vrouw naast hem staan. Ze nam hem vriendelijk bij de hand alsof hem te troosten en vroeg hem wat hij deed zo diep in het bos. Cedi vertelde haar van zijn zus en vroeg of ze haar misschien niet gezien had. De vrouw vertelde hem dat ze niemand gezien had. Maar wanneer hij wilde vertrekken om haar te zoeken liet de vrouw hem niet los. 'Kom met me mee.' Zei ze. 'Ik heb een hutje in het bos, met een groot bed. Als je wat geslapen hebt en de wond in je been genezen is kan je vast beter zoeken.'
Cedi kon een stevig bed niet afslaan en besloot de vrouw te volgen. Als hij geslapen had kon hij zijn zus alsnog gaan zoeken. De vrouw zag er erg betrouwbaar uit, op de een of andere manier leek het of hij de mantel die ze droeg al eens eerder gezien had, als een aangename herinnering. Al snel kwamen ze bij een vervallen hutje te midden een grote open plek. Het hutje zag er erg oud uit en het leek alsof het elk ogenblik kon instorten. Toch ging de oude vrouw er zonder zorgen naar binnen. Cedi volgde haar. Binnen stond er langs één kant een enorm groot bed. Het bed was bedekt met ganzendonzen dekens en grote zachte kussens, het was zo groot dat het amper in het hutje paste, thuis zouden ze met de hele familie in zo'n bed kunnen slapen. Langs de andere kant van het hutje stond een klein bankje waar de vrouw in ging zitten. Ze had haar mantel uit gedaan en Cedi zag dat ze dezelfde soort jurk droeg als zijn oudere zus zo vaak droeg. Alleen zou de jurk van zijn zus nooit passen voor zo'n oud vrouwtje. 'Slaap jij maar in het bed, ik slaap wel op het bankje.' Zei de oude vrouw. Pas nu zag Cedi hoe oud ze was en hoe breekbaar het bankje was. Hij was echter te moe om zich daarover zorgen te maken en trok de dekens van het grote bed. Hij ging zitten en hoorde hoe het kraakte. Dat was vast het huis vertelde hij zichzelf. Hij pakte het kussen op om het op te schudden en een grote kakkerlak schoot eronder vandaan. Cedi was echter te moe om zich zorgen te maken over wat ongedierte en trok zijn hemd uit. Wanneer zijn blote schouders de matras raakten voelde hij dat deze nat en zompig was als een grote spons. Maar Cedi had het toch warm en was te lui om op te staan, hij legde zijn hoofd op het kussen. Het oude vrouwtje was opgestaan en had het donsdeken in haar handen. Ze trok het op tot onder zijn kin en Cedi voelde hoe het dikke deken loodzwaar aanvoelde, alsof het gevuld was met houtblokken in plaats van lichte ganzenveertjes. Maar het drukkende gevoel was aangenaam voor de vermoeide Cedi en hij sloot zijn ogen. De oude vrouwe bukte zich voorover om hem een zoen op zijn voorhoofd te geven. Cedi rook hoe haar adem rook als de graflucht van een pas opgegraven lijk, maar het kon hem allemaal niet schelen nu hij eindelijk kon slapen.

Invi was zijn broer gevolgd. Hij ergerde zich er altijd aan dat zijn grote broer alles kreeg en alles mocht en hij niet. Ook nu weer was zijn broer het verboden bos ingestuurd en hij mocht niet mee. Zodra de bezoekers zijn vader en moeder afgeleid hielden was hij dus weggeslopen en het bos ingegaan op zoek naar zijn broer en zus.
Wanneer hij zijn broer niet kon vinden dwaalde hij steeds dieper het bos in. Op een gegeven moment zag hij op een open plek in het woud een hert. Het mooie dier was zorgeloos aan het drinken van een stroompje water. Invi begluurde het dier vanuit de struiken. 'Het is niet eerlijk.' Dacht hij. 'Ik moet hele dagen werken en naar mijn ouders luisteren, maar dat domme dier kan hele dagen niets doen en in het verboden bos rondzwerven waar ik niet eens mag komen.' Hij raapte een steen op en smeet het naar het dier. Het hert schrikte op en rende weg. Invi liep naar het stroompje toe en zag tussen de bomen in de verte een huisje staan. Het was een prachtig huisje, van donker hout, met grote ramen. De deur stond open en Invi kon de heerlijke geur van eten ruiken. Hij sloop naar het huisje toe en keek door het raam. Hij zag zijn broer uitgestrekt in een reusachtig bed liggen. In een klein gezellig keukentje stond het knapste meisje dat hij ooit gezien had een heerlijke maaltijd te bereiden. Het was Invi meteen duidelijk. Dat meisje was aan het koken voor zijn broer terwijl hij lui in dat bed kon liggen slapen. Zijn broer had natuurlijk weer al het geluk van de wereld dat hij dit prachtige huisje gevonden had. En wat had hij? Hij stond hier in zijn gescheurde kleren met een rommelende maag en helemaal in zijn eentje. Het was niet eerlijk.
Zijn broer zou hem nooit wat van het eten geven of zijn mooie huis binnenlaten, zo gemeen was hij wel. Dus Invi besloot dat als hij één van al die dingen wilde hij er zelf voor zou moeten zorgen. Hij wachtte tot het knappe meisje even niet keek en gapte dan door het open raam de koek die er stond af te koelen. Hij keerde zich om en leunde met zijn rug tegen het huisje om het op te eten. Plots kwam het knappe meisje echter door de voordeur naar buiten en ging naast hem staan. Invi wilde weglopen maar het meisje keek helemaal niet boos. 'Ik ehm, ik had honger.' Zei hij.
'Dat is al goed.' Antwoordde het meisje. 'Jij verdient het toch meer dan je broer.' Invi was verbaasd. Dit was de eerste keer ooit dat iemand dat tegen hem zei. Zelf wist hij het natuurlijk al langer. 'Jij verdient alles wat je broer hier heeft. Vind je ook niet?' Vroeg het meisje hem. Invi knikte. Het meisje had volkomen gelijk, hij hoorde alles te hebben wat zijn broer ook had. 'Wacht hier.' Zei ze en ze liep weer naar binnen. Invi keek door het raam hoe het meisje zijn slapende broer begon uit te kleden. Hij voelde jaloezie opkomen omdat zijn broer weer al haar aandacht leek te krijgen, maar toen zag hij dat haar nagels bloederige groeven achterlieten in zijn huid en hij moest glimlachen. Wat later kwam het meisje weer naar buiten en gaf Invi de kleren van zijn broer. 'Hier, jij verdient deze mooie kleren ook.' Het meisje keek hem aan en wachtte tot hij zich om zou kleden. Invi bloosde even als hij dacht dat ze toe zou kijken hoe hij zich uitkleedde. Maar het zou maar eerlijk zijn, ze had ook naar zijn broer gekeken, dus hij moest haar tonen dat hij minstens even groot en gespierd als zijn broer was. De kleren van zijn broer pasten als gegoten en waren veel mooier dan zijn gescheurde kleren. Wanneer hij klaar was glimlachte het meisje en vertelde hem dat hij veel mooier was dan zijn broer. Ze ging naar binnen en wenkte hem te volgen. Ze zette het eten klaar voor hem en trok een stoel opzij. Invi ging zitten. 'Eet het maar allemaal op, dan is er niets over voor je broer.' Invi keek even om naar zijn broer die nog steeds in het bed lag en begon dan alles op te eten. Wanneer hij klaar was stond het meisje zijn schouders te masseren en fluisterde in zijn oor. 'Ik wil erg graag met je naar bed Invi, maar je broer ligt nog in mijn bed, kan jij hem naar buiten dragen?' Invi had moeite met ademen. Hij was nog nooit zo met een meisje geweest, maar snel stond hij op en pakte zijn slapende broer bij zijn schouders. Hij sleepte hem tot buiten en liet hem in de struiken liggen. Hij zag een druppeltje bloed uit zijn neus stromen, maar negeerde het. Als hij zich bezeerd had was het zijn eigen schuld door alles voor hemzelf te willen houden.
Terug in het huisje lag het meisje in het bed, de kleren die ze aan had gehad lagen op de vloer. Invi kroop bij haar en liet zijn hand over haar huid glijden. Ze voelde ijskoud aan, het was dan ook niet bepaald warm in het bos. Het bed voelde niet zo comfortabel als het er uit zag. En van dichtbij zag het meisje er niet zo mooi uit als eerst, maar dat deerde niet, wat telde was dat het eindelijk hij en niet zijn broer was die kreeg wat hij verdiende. Het meisje streelde zijn rug en haar nagels haalden zijn rug open, maar hij wist dat dit door verlangen kwam. Hij leunde op een elleboog en boog over naar haar. Zij drukte haar lippen op de zijne en hij rook haar adem, die rook naar de graflucht van een pas opgegraven lijk, maar het kon hem allemaal niet schelen nu hij eindelijk iets kreeg wat zijn broer niet zou krijgen. Wanneer hij bij haar naar binnen drong deed dat pijn maar hij dacht dat het zo hoorde de eerste keer.

Beertyah

Wanneer zijn oudste zoon niet terug kwam en ook zijn andere zoon verdwenen leek te zijn kon de boer niets anders doen dan zelf achter hen aan gaan. Hij liet zijn vrouw achter met zijn overgebleven drie kinderen en ging hen in het bos zoeken. Luxor, de boer, was in het dorp bekend als een goede spoorzoeker. Hij was een knappe man en veel vrouwen hadden zijn vrouw willen zijn toen hij nog jong was. Luxor nam zijn huwelijksgeloften niet erg serieus en er waren genoeg vrouwen in het dorp die hem een pul bier aanboden wanneer hij op bezoek kwam. De boer veel kinderen waar de boerin helemaal niets van af wist.
Omdat hij zoveel kinderen had gaf de boer eigenlijk niet zo veel om de zes die bij hem woonden. Hij vond het veel leuker ze te maken dan voor hen te zorgen. Hij was daarom ook meer aan mooie vrouwen aan het denken dan zijn kinderen aan het zoeken wanneer hij door het bos liep. Hij was zo in zijn dromen verzonken dat hij op een gegeven moment dacht dat hij een mooie dame in het bos zag lopen. Hij liep door de bomen naar waar hij haar gezien had. Als zijn vrouw iets vroeg zou hij zeggen dat hij dacht dat het hun dochter was. Hij wist echter meteen dat het zijn dochter niet kon zijn. Zijn dochter was nog maar een jonge vrouw, maar de vrouw die hij had gezien was al volwassen. Hij wist dat omdat toen hij haar gezien had ze geen kleren aan had.
Als er iets was dat de boer wist, was het dat vrouwen die zonder kleren rondliepen ook geïnteresseerd zouden zijn in zijn grootste hobby. Zijn vrouw zou nooit ontdekken wat hij hier in het bos deed. Dus in plaats van zijn kinderen te zoeken ging hij op zoek naar de vrouw die hij had gezien. Uren dwaalde hij door het bos en slechts heel af en toe ving hij een glimp van haar op. Het begon al donker te worden buiten wanneer hij haar eindelijk vond. Ze zat op een grote rots in het midden van een meer. Ze had nog steeds naakt als op de dag van haar geboorte en bovendien helemaal nat van het water. Haar natte haren hingen over haar schouders en op haar rug, een waterdruppel glinsterde op haar stijve tepels. Nat donker haar verborg haar meest intieme plekje en haar lange slanke benen hingen over de rots in het water. Ze glimlachte naar hem en wenkte hem te komen. De boer liep het meer in en het water stroomde in zijn laarzen. Hij was helemaal vergeten zijn kleren uit te doen voor hij het water in ging maar dat kon hem niet zo veel schelen. Het water was koud en het meer was erg diep, maar de vrouw was de mooiste vrouw die de boer ooit gezien had, dus hij liep verder. Het water kwam al aan zijn borst wanneer hij bijna bij de rots was, maar de vrouw knipperde verleidelijk met haar ogen, de natte wimpers deden deze extra groot en aantrekkelijk lijken. De boer zette door, hij zag achter de rots drie dingen in het water drijven. Wanneer hij vlak voor de rots stond zag hij dat het de lichamen van zijn drie kinderen waren die met het gezicht naar beneden in het water dreven. Maar al zijn aandacht was op de vrouw die voor hem op de rots lag. Het water kwam tot aan zijn lippen, maar de vrouw lag op haar buik op de rots. Haar rug kromde zodat haar kont omhoog stak en ze boog naar voren. Haar hoofd zweefde vlak boven het water wanneer ze hem een zoen kwam geven. Luxor rook haar adem, die rook naar de graflucht van een pas opgegraven lijk, maar haar lichaam was zo prachtig dat een klein geurtje hem niets kon schelen. Hij nam haar bij haar schouders en trok haar naar hem toe. De vrouw gleed van de rots af bovenop hem, haar naakte schoonheid drukte tegen hem aan en duwde hem onder.

Iria was nooit een makkelijke vrouw geweest. Iedereen in de buurt wist dat wanneer haar gezicht op onweer stond ze haar uit de weg moesten gaan. Ditmaal zou zelfs een onweer verbleken bij het noodweer dat op haar gezicht af te lezen was. Haar twee jongste dochters werden bij hun polsen meegesleept en beide stonden doodsangsten uit nu ze niet wisten wat de woede van hun moeder had gewekt. Hun geheugen werkte zo hard als het kon om te bedenken wat ze mis gedaan zouden kunnen hebben. Maar wanneer ze bij het bos aankwamen durfden ze iets te kalmeren. Het waren de verdwijningen van hun vader, oudere zus en broers die hun moeder over stuur maakte.
Iria had haar jongste zoontje in zijn kamer opgesloten en had besloten zelf op zoek te gaan naar haar dochter en de anderen. Ze nam haar twee dochters mee omdat ze hen niet alleen durfde achterlaten en drie toch altijd meer zagen dan één iemand alleen. Ze was zo verward in haar gevoelens van bezorgdheid en onmacht dat ze deze uitte op de manier die ze het best kon, in woede. Wanneer de jongste van haar twee dochters tegenstribbelde wanneer ze haar het gevaarlijke bos mee introk sprak ze niet troostend of geruststellend tegen haar, maar gaf ze haar een tik op haar billen en maande haar te volgen. Haar oudste dochter was al drie dagen weg en haar man noch haar zoons hadden haar niet gevonden. Ze had moeten weten dat ze meteen zelf had moeten gaan zoeken.
Wanneer ze dieper in het bos waren liet ze haar dochters los, ze konden nu niets anders meer dan volgen en helpen zoeken. Wat haar irriteerde was dat ze te veel lawaai maakten. Wanneer de jongste een kreet slaakte nam ze haar bij haar elleboog en liet haar hand verschillende keren op haar achterwerk neerdalen voor haar andere dochter haar stopte en wees naar wat haar jongste gevonden had. Er stond een pijltje op een boom gekrast, een teken dat haar man had achtergelaten mocht er met hem iets mislopen. Ze verontschuldigde zich niet bij haar dochter - ze had haar ontdekking ook in stilte kunnen mededelen - maar volgde het pijltje.
Ze vonden nog enkele pijltjes en volgden zo het pad dat Luxor eerder gevolgd had. Zij liep voorop, haar dochters achter haar, de jongste sloot de rij met haar handen op haar billen en tranen in haar ogen. Ze was nu ten minste wel stil. Plots hielden de pijltjes echter op. Ze waren gewoonweg verdwenen, een spoor van vernieling in het struikgewas wees aan dat haar man hier plots van richting veranderd was. Het was niets voor haar man om zo'n duidelijk volgbaar spoor achter te laten in het bos, het leek erop dat hij iets ontdekt had en het zonder opletten gevolgd had. Iria baande zich een weg door het struikgewas en ging achter hem aan zo snel ze kon.
Zo vond ze het meer dat haar man eerder gevonden had. Een houten brug leidde naar een eilandje in het midden van het meer en daar te midden van het gras lag haar man, naakt, met een vrouw. Iria had de verhalen over haar man die in de stad de ronde deden nooit geloofd. Tot nu, nu zag ze het met haar eigen ogen. Ze liep naar de rand van het meer, wat ze daar zag wekte haar toorn nog meer. Haar drie verdwenen kinderen waren aangespoeld aan de rand van het water, het gezicht naar beneden. Haar man had haar kinderen laten sterven terwijl hij met die vrouw lag. Ze zag de bijl in de hand van haar oudste zoon en gritste deze op voor ze de brug betrad. Haar man zag haar niet aankomen. Hij lag op zijn rug, zijn hoofd naar haar. De vrouw zat gespreid bovenop hem en zag haar wel komen. Ze trok een gezicht van angst en keek haar verstard aan. Iria rende over de brug, deze was minder stevig dan ze eerst had verwacht, vele planken ontbraken. Ze sprong echter over de gaten en naderde het eiland snel. Om de één of andere reden bleef de vrouw haar aanstaren in plaats van te vluchten. Haar man had niets door. Dat de vrouw veel knapper was dan zij ooit kon hopen te zijn maakte haar nog veel kwader en dat de planken onder haar voeten verrot waren kon haar niet tegen houden. De brug stopte enkele meters voor het eiland, maar in haar woede wist ze dat ze de sprong kon halen. Ze zweefde door de lucht en kwam met smak op de oever te recht, een stekende pijn schoot door haar been. Ze wilde rechtstaan, maar haar been klapte dubbel, de pijn werd schrijnend en het werd zwart voor haar ogen. In plaats van te rusten trok ze zich echter voort, ze mocht niet flauwvallen, ze moest eerst haar wraak hebben. Het laatste wat ze rook voor ze haar bewustzijn verloor was als de graflucht van een pas opgegraven lijk, dan werd alles zwart.

Beertyah

Subia zag haar moeder en zusje door de struiken verdwijnen. Geen schijn van kans dat zij daar doorheen zou lopen. Het pad was al erg genoeg geweest - de hele zoom van haar jurk hing vol met modder - ze ging nu niet ook nog kleerscheuren oplopen door zich een weg door de struiken te banen. Ze begreep niet waarom haar moeder haar zo nodig moest meenemen het bos in. Ze besloot de weg terug naar huis te zoeken. Daar kon ze propere kleren aandoen en al dat stof van haar afwassen.
Het eerste stuk was gemakkelijk, ze volgde de pijltjes van haar vader in omgekeerde richting. Maar deze verdwenen een heel eind van de rand van het bos. Haar vader had er duidelijk pas na een lange tijd zoeken aan gedacht pijltjes te krassen. Ze liep dan maar op goed geluk verder. Het pad kronkelde erg, maar ze volgde het toch, het zou haar vast de weg uit het bos leiden. Het pad verlaten was geen optie, de modder op haar jurk was erg genoeg.
Het pad leidde haar uiteindelijk niet het bos uit, maar naar een klein hutje op een open plek. Ze streek het stof van haar jurk, bekeek haar weerspiegeling in het raam en klopte aan. Als een man open deed zou deze zonder twijfel de knappe jonge verschijning voor zijn deur helpen. Er werd echter niet open gedaan. Subia probeerde dan maar de deurknop en de deur ging krakend open. Er was niemand aanwezig, maar de hut zag er niet uit alsof hij verlaten was. Nieuwsgierig ging ze naar binnen. Naast de deur stond een grote spiegel, voor het eerst zag ze hoe verfomfaaid ze er uit zag. In een keukentje vond ze een stuk zeep en een emmer water. Ze waste het stof van haar gezicht, en hoorde dan het geluid van stromend water in de verte. Ze ging op onderzoek langs de achterdeur van het hutje en het geluid werd steeds luider. Uiteindelijk vond ze de bron van het geluid, een lage brede waterval die overliep in een brede stroom water. Een brede uitstekende rots deelde de waterval in tweeën en creëerde zo twee beschutte plaatsen. Onder de linkse helft van de waterval zag ze een persoon. Ze volgde het pad dat van het hutje naar de waterval liep verder en zag dat het een vrouw was. Ze was zich aan het wassen en stond in enkel haar huid onder het water. Tot Subia's ongenoegen was ze adembenemend mooi. Langs de rand van het water vond ze de kleren van de vrouw. De jurk was korter dan netjes was, maar had daardoor wel geen modder aan de zoom. Subia besloot haarzelf te bewijzen dat zij mooier was dan deze vrouw en trok ook haar jurk uit. Ze nam die van de vrouw weg en hing de hare in de plaats. Ze verstopte de jurk van de vrouw samen met haar onderkleed en liep het water in. Van waar zij stond kon ze onder de waterval staan en naar de vrouw kijken zonder dat zij haar zag. Subia vergeleek de ronde vormen en krommingen van de vrouw met de hare en vond dat zij duidelijk de knapste van de twee was.
Plots keerde de vrouw haar om en keek haar recht in de ogen. Subia bloosde, misschien had de vrouw al die tijd geweten dat ze bekeken werd. Toch vluchtte ze niet weg wanneer ze door het water naar haar toe waadde. De vrouw was een beetje kleiner dan haar en keek naar haar op. In haar ogen scheen iets van adoratie, alsof ze naar iets prachtig moois keek. Subia voelde zichzelf groeien wanneer ze deze blik van bewondering herkende. De vrouw keek haar verlegen aan en zei dan dat ze de mooiste vrouw was die ze ooit gezien had. Subia had dit al vaker gehoord van jongens, maar als een andere vrouw dit zei betekende het zoveel meer. De vrouw trok plots een gepijnigde blik en zei: 'blijf hier, ben zo terug.' En ze klom het water uit. Subia was even bang dat ze haar jurk wilde aantrekken, maar de vrouw rende zonder er naar te kijken in de richting van de hut. Subia wachtte op haar terugkeer en genoot van het warme water van de waterval.
Wanneer de vrouw terugkwam had ze een stuk zeep in haar handen en kwam weer bij haar staan. 'Ik kan het niet aanzien dat zo'n mooie vrouw er zo vies uitziet in modder en stof. Mag ik je alsjeblieft wassen?' Subia bloosde, ze was wel gevleid, maar ze stond hier wel in haar blootje en ze kende deze vrouw amper. 'Ik was mezelf wel.' Zei ze. 'Bedankt voor het stuk zeep.' De vrouw trok het stuk zeep tegen haar borst en keek haar bang aan. 'Maar, maar, dan worden je handen helemaal rimpelig!'  Subia dacht hier even over na, de vrouw had uiteraard gelijk, rimpelige handen waren allesbehalve aantrekkelijk. Ze besloot dan maar de vrouw haar te laten wassen, rijke edelvrouwen hadden ook wasvrouwen had ze gehoord. Ze draaide zich om en de vrouw wreef het stuk zeep over haar rug. Haar handen verspreiden de zeep, deze had een aangenaam parfum maar prikte een beetje. Subia beeldde zich in hoe proper ze daardoor werd en hoe lekker ze zou ruiken. Eén van de handen van de vrouw gingen onder water en masseerden haar billen. Subia bloosde, maar de vrouw fluisterde in haar oren dat de huid zo soepel bleef en niet ging hangen, dus ze liet het toe. De vrouw zeepte vervolgens haar armen in en schoof het stuk zeep over haar buik. Ze voelde hoe dicht de vrouw achter haar stond met haar borsten tegen haar rug en ze voelde zich lichtjes ongemakkelijk. De handen van de vrouw gleden over haar buik en borsten. Het was niet het stevige gewrijf van handen die de huid inzeepten, maar een soepele glijdende beweging van handen die de huid van een geliefde verkennen. Subia wilde zich losrukken, maar de vrouw fluisterde dat haar huid zo veel meer zou glanzen. De vrouw nam voorzichtig haar tepels tussen twee vingers en masseerde ze alvorens er aan te trekken. Subia slaakte een kreetje van pijn maar de vrouw maakte troostende sussende geluidjes. 'Mannen vinden het veel aantrekkelijker als een vrouw haar tepels een beetje stijf zijn.' Subia wist dat dit waar was en liet de vrouw begaan. Haar handen gleden nu naar beneden over haar buik en verdwenen onder water. Ze gleden over haar dijen en verdwenen tussen haar benen. Wanneer de hand van de vrouw over haar meest intieme plaatsje gleed probeerde ze zich los te rukken, maar de vrouw liet haar niet los. 'Dit is net je allermooiste plekje, het moet toch ook mooi zijn. Als je daar gewassen bent ben je perfect, een godin.' Subia kalmeerde, perfect, een godin zelfs. De vrouw stond nu helemaal tegen haar rug aangedrukt en haar hoofd was vlak naast het hare. Terwijl haar vingers dwingend bij haar naar binnen drongen rook ze voor het eerst boven de geur van de zeep haar adem, een stank als de graflucht van een pas opgegraven lijk. Ze wist echter dat de brandende zeep haar de mooiste vrouw ooit zou maken en liet de verkrachtende handen van de vrouw begaan.

Gulla was haar moeder kwijtgeraakt in het struikgewas. Normaal zou ze doodsbang zijn om zonder haar moeder door het bos te lopen. Maar nu haar moeder zo boos was, was ze nog banger voor haar moeder dan voor de dieren in het bos. Met een hand wreef ze over haar billen wanneer ze de harde kletsen herinnerde die haar moeder haar gegeven had. Met de andere hand duwde ze het struikgewas opzij, een weg terug naar het pad en haar zus zoekend. Wanneer ze een bosje rode bessen vond vergat ze even de problemen waar ze zich in bevond. Snel plukte ze de besjes en stopte ze in haar mond. Ze smaakten heerlijk. Ze wreef de tranen uit haar ogen en nam haar hand van haar billen om de besjes met beide handen te plukken en in haar mond te stoppen. Al snoepend volgde ze de bessenstruik tot ze een pad vond. Het was niet het pad waarop ze eerst gelopen had. Langs weerszijden van dit pad lagen veldjes begroeid met rijen plantjes die duidelijk door mensen aangelegd waren. Aan sommige van de plantjes vond ze rijpe aardbeien die ze gulzig in haar mond stopte. Ze volgde het pad en kwam bij een klein huisje aan. Het leek alsof ze in een sprookje gestapt was. Het huisje leek wel opgebouwd uit allerlei lekkernijen. Gulla sloop dichterbij, trok wat lekkers van de muur en stopte het in haar mond. Plots kwam er een oud vrouwtje het huis uit. Ze keek boos en leek op haar moeder maar dan ouder. Gulla schrok zo dat ze het snoep liet vallen en haar handen beschermend achter haar rug over haar billen vouwde. De vrouw glimlachte plots en als ze glimlachte leek ze helemaal niet meer op haar moeder. 'Niet bang zijn liefje, ik ben niet boos. Ik dacht even dat het weer plaaggeesten waren die mijn snoep kwamen stelen.' Gulla bukte zich en raapte het snoep weer op. De vrouw nam ook een stukje van haar huis, stak het in haar mond en ging naar binnen. Gulla volgde haar nieuwsgierig. 'Kom hier liefje.' De vrouw ging op een stoel zitten en klopte op haar schoot. Naast haar stond een hele mand vol lekkers. 'Gooi dat snoep maar weg, dit hier in de mand is veel verser en lekkerder dan dat wat buiten in de regen heeft gelegen.' Gulla ging op de schoot van de vrouw zitten maar stak het snoep dat ze nog vast had snel in haar mond. De vrouw greep in de mand en gaf haar nog meer snoep. Het zag er verrukkelijk uit en Gulla at het allemaal op. Na een tijdje werden haar handen moe en liet ze de vrouw het snoep rechtstreeks in haar mond stoppen. Het snoep zag er niet meer zo goed uit, het was misvormd en bruin, maar het smaakte nog steeds heerlijk. Hoe dieper uit de mand het snoep kwam hoe afschuwelijker het er uit zag, maar de smaak bleef even verrukkelijk. Gulla haar maag deed pijn en ze was moe, maar de vrouw bleef haar snoep voeren en zij bleef het opeten. Ze wilde opstaan, maar ze voelde te zwaar, de vrouw hielp haar staan en bracht haar naar een bed. Ze ging liggen en de vrouw ging naast haar zitten. Gulla wilde slapen maar de vrouw bracht nog een snoepje naar haar mond. Het smaakte zo heerlijk dat ze niet kon weigeren. De vrouw nam er nog een terwijl ze het eerste opkauwde. Wanneer ze zich naar Gulla vooroverboog rook ze de adem van de oude vrouw, die rook als de graflucht van een pas opgegraven lijk, maar de vrouw dwong snel weer een snoepje in haar mond. Gulla stikte bijna, maar ze at gulzig alles op wat de vrouw in haar mond stopte tot ze geen adem meer kreeg en alles zwart werd voor haar ogen.

Aan de ondergaande zon zag Fides, de jongste zoon van de boer en boerin dat de nacht viel. Alles buiten zijn raam werd donker en zijn moeder was nog niet terug. De hele dag had hij niets te eten gehad. Uiteindelijk viel hij in slaap, maar wanneer de volgende dag de zon opkwam en weer onder ging zonder dat er iemand uit het bos terugkwam begon hij bang te worden.
Ook de derde dag ging voorbij zonder dat iemand bij de boerderij in de buurt kwam en Fides dronk het regenwater dat hij via zijn raam uit de dakgoot haalde.
Pas na drie weken werd de deur naar Fides kamer geopend. De tante van de jongen was op bezoek om de verjaardag van haar zus te vieren. Het enige wat ze in de boerderij echter gevonden had was haar neefje dat mager en half verhongerd op zijn kamer zat. Wanneer ze hem vroeg wat er gebeurd was brabbelde hij iets over het bos en ze begreep dat haar zus haar gezin ten prooi was gevallen aan het bos. Ze nam de jongen mee naar haar huis ten westen van de witte stad, ver van het bos. De jongen had nog jarenlang nachtmerries over rijke prinsen, blote vrouwen en bergen snoep die hem bedolven waardoor hij stikte of verhongerde...

Beertyah

Tweede versie, zelfde sprookje

-------

Lang geleden, wanneer de grote witte stad nog niet helemaal af was, woonde een kleine boerenfamilie in een kleine boerderij vlakbij het grote bos. Zoals veel families in die tijd hadden de boer en boerin vele kinderen die hen moesten helpen met het werk in en rond de boerderij. De familie had in die dagen goed te eten. Elke dag kwamen er mensen uit verre landen om naar de witte gebouwen te kijken of er te helpen met de opbouw van de grootse stad. Aan al deze mensen kon de boer voedsel verkopen waardoor de familie voor het eerst in lange tijd wat welvaart kon genieten.
De meeste mensen die de verre tocht voltooid hadden waren echter vluchtelingen, op de vlucht voor de oorlog in het zuiden. De magiërs van Kaetan waren aan het strijden tegen de demonen van het Duister. Hier in het noorden waren de demonen al verdreven en de grote witte stad die gebouwd werd was het bewijs dat het Licht had gewonnen van de Duisternis en de demonen van Kaetan zouden worden verdreven. De oudere magiërs vertelden de mensen ook dat wanneer de demonen van het gehele continent verdreven zouden zijn en het Licht definitief het Duister zou overwinnen, dat alle slechtheid uit de wereld zou verdwijnen. Alle mensen zouden hun duistere verlangens voelen verdwijnen, maar ook alle duistere wezens die de grote wouden onveilig maakten zouden verdwijnen.

Nu was het bos echter nog steeds een erg gevaarlijke plaats en was het de kinderen van de boer verboden het te betreden.
Zoals gewoonlijk was met dingen die verboden zijn, had het bos uiteraard een erg grote aantrekkingskracht op de kinderen. Hun nieuwsgierigheid lokte hen naar zijn rand waar enkel hun eigen angst voor de duistere wezens in het bos hen tegenhield het te betreden. De aantrekkingskracht van het woud was het grootst op de oudste dochter van de boer. Haar naam was Avita en ze was bijna oud genoeg om te trouwen. De boer wilde dat haar dochter trouwde met de zoon van een andere boer. Zo konden ze namelijk later de akkers van de twee boerderijen samensmelten tot één grote boerderij. Avita was echter niet tevreden met de puistige boerenjongen, ze droomde al haar hele leven dat ze met een rijke prins zou trouwen. Wanneer de jongen een dag op bezoek was geweest op de boerderij had Avita hem de hele dag genegeerd. Ze had die nacht namelijk weer van haar prins gedroomd.
De prins was in de nacht uit het bos opgedoken. Hij zat op een wit paard, zijn zadel was van donker leer, afgezet met zware gouden knoppen en rustte op een dik roodfluwelen deken. Zijn kleren waren afgezet met zilver en glansden in het maanlicht, over zijn schouders hing een dikke bontmantel van zeldzaam wit vossenbont. In zijn wapperende blonde haren zat een gouden kroon vol met waardevolle juwelen. Aan de rand van het bos bleef hij staan en wuifde naar haar. Dan draaide hij zich om en ging het bos weer in. Avita wilde achter hem aan, maar toen ze aan de rand van het bos kwam struikelde ze en viel ze met een klap uit haar bed.
De volgende dag had ze gezien hoe haar vader met de boerenjongen praatte voor deze naar huis keerde. Avita was er zeker van dat het over haar ging. Die dag besloot ze van huis weg te lopen om haar prins te vinden. Ze verzamelde al het voedsel dat ze veilig mee kon nemen en wachtte tot het nacht werd. Wanneer de zon onder was en ze haar vader kon horen snurken wist ze dat het veilig was om te vertrekken. Ze gooide haar mantel om haar schouders en vertrok langs de achterdeur. Ze rende over de lange weg tot het bos. Maar toen ze daar aankwam was haar prins nergens te zien. Vastbesloten hem te vinden vluchtte ze het verboden bos in. Uren gingen voorbij en de bomen werden steeds hoger en dreigender des te dieper ze het bos in ging. Ze begon te vrezen dat haar prins haar vergeten was tot ze plots iets gouds tussen de bomen zag glanzen. Ze liep er blindelings op af, over de boomwortels struikelend. Haar mantel scheurde aan een scherpe tak, maar dat kon haar niets schelen. Ze zag nu hoe haar prins zijn paard stond te borstelen, de gouden glans kwam van de kroon op zijn hoofd. In het donkere bos leek het mooie witte paard wel een of ander monster. Het leek vuilgrijs in plaats van wit en heel erg mager. Maar ze wist dat dit door de schaduw kwam. Wanneer ze op de open plek in het bos kwam draaide haar prins zich om en keek naar haar. Hij glimlachte en wenkte haar. Avita liep langzaam naar hem toe. Ze trok haar mantel recht en voelde of haar haren goed zaten. Ondertussen glimlachte de prins haar welkomend toe. In het maanlicht leek het of hij een puist op zijn neus had, maar door de gouden glans van zijn kroon zag ze het niet goed. Toen ze dichter bij hem kwam zag ze dat zijn wangen ingevallen waren alsof hij al in dagen niet gegeten had, maar dat kon haar niet schelen, hij was namelijk een rijke prins, dat kon je zien aan de dure mantel die hij droeg. Het paard draaide zijn hoofd naar haar en ze zag dat het rode ogen had en vlijmscherpe tanden, maar hij droeg een gouden bit. Ze stond vlak voor haar prins en zag dat hij rimpels had als een oude man, zijn lichaam was dun en breekbaar maar wel verborgen onder kleren vol zilver. Wanneer hij naar haar toeboog om haar te zoenen rook ze zijn adem en die rook naar de graflucht van een pas opgegraven lijk. Maar tegelijkertijd gleden haar handen over zijn mantel van wit vossenbont. Wat kon het haar schelen als haar prins wat ouder was als hij zo rijk was? Ze drukte haar lippen op de zijne en gaf zich over aan zijn omarming. De handen van haar prins rukten aan haar kleding. Dit was niet wat ze verwacht had, maar als haar prins dit wilde zou ze het hem geven. Ze zou hem alles geven om in zijn rijkdom te delen, dus ze liet de prins haar kleren van het lijf scheuren en haar tegen de grond drukken.

Beertyah

De boerin was de volgende ochtend erg overstuur dat haar oudste dochter verdwenen was. De boer was haar sporen gevolgd en had gezien hoe deze richting het bos verdwenen. Hij had echter niet de tijd haar te gaan zoeken. Er zouden die dag reizigers van de stad komen om zijn voedsel te kopen. Daarom besloot hij dat zijn oudste zoon Avita moest gaan zoeken. Cedi was de oudste zoon van de familie en al bijna volwassen. De boerin gaf hem een rugzak vol eten en stuurde hem snel achter zijn zus aan. Cedi liep de eerste honderd meter door het bos en riep haar naam. Maar wanneer hij wist dat de boerin hem niet meer kon horen vertraagde hij zijn pas en ging hij op een omgevallen boom zitten. Cedi werd altijd snel moe en verveelde zich bij alle klusjes die hij moest doen. Meestal liet hij één van zijn jongere broers de klusjes opknappen zodat hij zelf in de hooischuur kon gaan slapen. Hij was daarom ook erg verveeld dat hij deze zoektocht in zijn eentje moest doen.
Omdat hij niet in het donker in het bos wilde ronddwalen besloot Cedi toch naar zijn zus te zoeken. Hij liep verder het bos in en riep af en toe haar naam. Al snel was hij weer verveeld en zette hij zich neer. Hij leunde met zijn rug tegen een boom en keek door de takken naar de hemel. Het was zomer, maar toch had de boom donkerrode bladeren, bijna de kleur van bloed. Er groeiden gele bloesems op de takken van de boom en het stuifmeel van deze bloesems maakten de lucht rond de boom zwaar en aangenaam. Wanneer Cedi ze inademde werd hij slaperig en besloot hij even zijn ogen te sluiten voor hij verder zocht.
Een waarschuwende kreet wekte hem. Hij zag een oude vrouw tussen de bomen staan, ze riep waarschuwingen naar hem. Cedi wreef de slaap uit zijn ogen en zag dat het al donker begon te worden. Hij wilde rechtstaan maar merkte dat hij dat niet kon. De wortels van de boom waren in de korte tijd dat hij sliep over zijn benen en borst heen gegroeid. De boom leek te merken dat Cedi wakker was en de wortels drukten steviger tegen zijn borst en hij kreeg het moeilijk om te ademen. Cedi probeerde in paniek zich los te rukken en merkte dan dat zijn rugzak naast hem lag. Hij opende deze snel en vond de bijl die zijn moeder hem meegegeven had. Hij sloeg naar de wortels meer deze trokken hem steeds steviger vast. Hij kreeg moeite met ademen en zijn been bloedde waar hij met de bijl slecht geslagen had. Maar met hulp van de oude vrouw kon hij zich uiteindelijk losrukken van de boom. Hij pakte zijn rugzak op en liep zo ver weg van de boom als hij kon. Terwijl hij stond te hijgen kwam de oude vrouw naast hem staan. Ze nam hem vriendelijk bij de hand alsof hem te troosten en vroeg hem wat hij deed zo diep in het bos. Cedi vertelde haar over zijn weggelopen zus en vroeg of ze haar misschien niet gezien had. De vrouw vertelde hem dat ze niemand gezien had. Maar wanneer hij wilde vertrekken om haar te zoeken liet de vrouw hem niet los. 'Kom met me mee.' Zei ze. 'Ik heb een hutje in het bos, met een groot bed. Als je wat geslapen hebt en de wond in je been genezen is kan je vast beter zoeken.'
Cedi kon een stevig bed niet afslaan en besloot de vrouw te volgen. Als hij geslapen had kon hij zijn zus alsnog gaan zoeken. De vrouw zag er erg betrouwbaar uit, op de een of andere manier leek het of hij de mantel die ze droeg al eens eerder gezien had. Al snel kwamen ze bij een vervallen hutje te midden een grote open plek. Het hutje zag er erg oud uit en het leek alsof het elk ogenblik kon instorten. Toch ging de oude vrouw er zonder zorgen naar binnen. Cedi volgde haar. Binnen stond er langs één kant een enorm groot bed. Het bed was bedekt met ganzendonzen dekens en grote zachte kussens, het was zo groot dat het amper in het hutje paste. Thuis zouden ze met de hele familie in zo'n bed kunnen slapen. Langs de andere kant van het hutje stond een klein bankje waar de vrouw in ging zitten. Ze had haar mantel uit gedaan en Cedi zag dat ze dezelfde soort jurk droeg als zijn oudere zus zo vaak droeg. Alleen zou de jurk van zijn zus nooit passen voor zo'n oud vrouwtje. 'Slaap jij maar in het bed, ik slaap wel op het bankje.' Zei de oude vrouw. Pas nu zag Cedi hoe oud ze was en hoe breekbaar het bankje was. Hij was echter te moe om zich daarover zorgen te maken en trok de dekens van het grote bed. Hij ging zitten en hoorde hoe het luid kraakte. Dat was vast het huis vertelde hij zichzelf. Hij pakte het kussen op om het op te schudden en een grote kakkerlak schoot eronder vandaan. Cedi was echter te moe om zich zorgen te maken over wat ongedierte en trok zijn hemd uit. Wanneer zijn blote schouders de matras raakten voelde hij dat deze nat en zompig was als een grote spons. Maar Cedi had het toch warm en was te lui om op te staan, hij legde zijn hoofd op het kussen. Het oude vrouwtje was opgestaan en had het donsdeken in haar handen. Ze trok het op tot onder zijn kin en Cedi voelde hoe het dikke deken loodzwaar aanvoelde, alsof het gevuld was met houtblokken in plaats van lichte ganzenveertjes. Maar het drukkende gevoel was aangenaam voor de vermoeide Cedi en hij sloot zijn ogen. De oude vrouwe bukte zich voorover om hem een zoen op zijn voorhoofd te geven. Cedi rook haar adem, die stonk als de graflucht van een pas opgegraven lijk, maar het kon hem allemaal niet schelen nu hij eindelijk kon slapen.

Invi was zijn broer gevolgd. Hij ergerde zich er altijd aan dat zijn grote broer alles kreeg en alles mocht en hij niet. Ook nu weer was zijn broer het verboden bos ingestuurd en hij mocht niet mee. Zodra de bezoekers zijn vader en moeder afgeleid hielden was hij dus weggeslopen en het bos ingegaan op zoek naar zijn broer en zus.
Wanneer hij zijn broer niet kon vinden dwaalde hij steeds dieper het bos in. Op een gegeven moment zag hij op een open plek in het woud een hert. Het mooie dier was zorgeloos aan het drinken van een stroompje water. Invi begluurde het dier vanuit de struiken. 'Het is niet eerlijk.' Dacht hij. 'Ik moet hele dagen werken en naar mijn ouders luisteren, maar dat domme dier kan hele dagen niets doen en in het verboden bos rondzwerven waar ik niet eens mag komen.' Hij raapte een steen op en smeet het naar het dier. Het hert schrikte op en rende weg. Invi liep naar het stroompje toe en zag tussen de bomen in de verte een huisje staan. Het was een prachtig huisje, van donker hout, met grote ramen. De deur stond open en Invi kon de heerlijke geur van eten ruiken. Hij sloop naar het huisje toe en keek door het raam. Hij zag zijn broer uitgestrekt in een reusachtig bed liggen. In een klein gezellig keukentje stond het knapste meisje dat hij ooit gezien had een heerlijke maaltijd te bereiden. Het was Invi meteen duidelijk. Dat meisje was aan het koken voor zijn broer terwijl hij lui in dat bed kon liggen slapen. Zijn broer had natuurlijk weer al het geluk van de wereld dat hij dit prachtige huisje gevonden had. En wat had hij? Hij stond hier in zijn gescheurde kleren met een rommelende maag en helemaal in zijn eentje. Het was niet eerlijk.
Zijn broer zou hem nooit wat van het eten geven of zijn mooie huis binnenlaten, zo gemeen was hij wel. Dus Invi besloot dat als hij één van al die dingen wilde hij er zelf voor zou moeten zorgen. Hij wachtte tot het knappe meisje even niet keek en gapte dan door het open raam de koek die er stond af te koelen. Hij keerde zich om en leunde met zijn rug tegen het huisje om het op te eten. Plots kwam het knappe meisje echter door de voordeur naar buiten en ging naast hem staan. Invi wilde weglopen maar het meisje keek helemaal niet boos. 'Ik ehm, ik had honger.' Zei hij.
'Dat is al goed.' Antwoordde het meisje. 'Jij verdient het toch meer dan je broer.' Invi was verbaasd. Dit was de eerste keer ooit dat iemand dat tegen hem zei. Zelf wist hij het natuurlijk al langer. 'Jij verdient alles wat je broer hier heeft. Vind je ook niet?' Vroeg het meisje hem. Invi knikte. Het meisje had volkomen gelijk, hij hoorde alles te hebben wat zijn broer ook had. 'Wacht hier.' Zei ze en ze liep weer naar binnen. Invi keek door het raam hoe het meisje zijn slapende broer begon uit te kleden. Hij voelde jaloezie opkomen omdat zijn broer weer al haar aandacht leek te krijgen, maar toen zag hij dat haar nagels bloederige groeven achterlieten in zijn huid en hij moest glimlachen. Wat later kwam het meisje weer naar buiten en gaf Invi de kleren van zijn broer. 'Hier, jij verdient deze mooie kleren ook.' Het meisje keek hem aan en wachtte tot hij zich om zou kleden. Invi bloosde even als hij dacht dat ze toe zou kijken hoe hij zich uitkleedde. Maar het zou maar eerlijk zijn, ze had ook naar zijn broer gekeken, dus hij moest haar tonen dat hij minstens even groot en gespierd als zijn broer was. De kleren van zijn broer pasten als gegoten en waren veel mooier dan zijn gescheurde kleren. Wanneer hij klaar was glimlachte het meisje en vertelde hem dat hij veel mooier was dan zijn broer. Ze ging naar binnen en wenkte hem te volgen. Ze zette het eten klaar voor hem en trok een stoel opzij. Invi ging zitten. 'Eet het maar allemaal op, dan is er niets over voor je broer.' Invi keek even om naar zijn broer die nog steeds in het bed lag en begon dan alles op te eten. Wanneer hij klaar was stond het meisje zijn schouders te masseren en fluisterde in zijn oor. 'Ik wil erg graag met je naar bed Invi, maar je broer ligt nog in mijn bed, kan jij hem naar buiten dragen?' Invi had moeite met ademen. Hij was nog nooit zo met een meisje geweest, maar snel stond hij op en pakte zijn slapende broer bij zijn schouders. Hij sleepte hem tot buiten en liet hem in de struiken liggen. Hij zag een druppeltje bloed uit zijn neus stromen, maar negeerde het. Als hij zich bezeerd had was het zijn eigen schuld door alles voor hemzelf te willen houden.
Terug in het huisje lag het meisje in het bed, de kleren die ze aan had gehad lagen op de vloer. Invi kroop bij haar en liet zijn hand over haar huid glijden. Ze voelde ijskoud aan, het was dan ook niet bepaald warm in het bos. Het bed voelde niet zo comfortabel als het er uit zag. En van dichtbij zag het meisje er niet zo mooi uit als eerst, maar dat deerde niet, wat telde was dat het eindelijk hij en niet zijn broer was die kreeg wat hij verdiende. Het meisje streelde zijn rug en haar nagels haalden zijn rug open, maar hij wist dat dit door verlangen kwam. Hij leunde op een elleboog en boog over naar haar. Zij drukte haar lippen op de zijne en hij rook haar adem, die rook als de graflucht van een pas opgegraven lijk, maar het kon hem allemaal niet schelen nu hij eindelijk iets kreeg wat zijn broer niet zou krijgen. Ze zette haar nagels in zijn rug, en beet zijn lip tot bloedens toe en Invi wist dat het een wilde nacht zou worden.

Beertyah

Wanneer zijn oudste zoon niet terug kwam en ook zijn andere zoon verdwenen leek te zijn kon de boer niets anders doen dan zelf achter hen aan gaan. Hij liet zijn vrouw achter met zijn overgebleven drie kinderen en ging hen in het bos zoeken. Luxor, de boer, was in het dorp bekend als een goede spoorzoeker. Hij was een knappe man en veel vrouwen hadden zijn vrouw willen zijn toen hij nog jong was. Luxor nam zijn huwelijksgeloften niet erg serieus en er waren genoeg vrouwen in het dorp die hem een pul bier aanboden wanneer hij op bezoek kwam. De boer had veel kinderen waar de boerin helemaal niets van wist.
Omdat hij zoveel kinderen had gaf de boer eigenlijk niet zo veel om de zes die bij hem woonden. Hij vond het veel leuker ze te maken dan voor hen te zorgen. Hij was daarom ook meer aan mooie vrouwen aan het denken dan zijn kinderen aan het zoeken wanneer hij door het bos liep. Hij was zo in zijn dromen verzonken dat hij op een gegeven moment dacht dat hij een mooie dame in het bos zag lopen. Hij liep door de bomen naar waar hij haar gezien had. Als zijn vrouw iets vroeg zou hij zeggen dat hij dacht dat het hun dochter was. Hij wist echter meteen dat het zijn dochter niet kon zijn. Zijn dochter was nog maar een jonge vrouw, maar de vrouw die hij had gezien was al volwassen. Hij wist dat omdat toen hij haar gezien had ze geen kleren aan had.
Als er iets was dat de boer wist, was het dat vrouwen die zonder kleren rondliepen ook geïnteresseerd zouden zijn in zijn grootste hobby. Zijn vrouw zou nooit ontdekken wat hij hier in het bos deed. Dus in plaats van zijn kinderen te zoeken ging hij op zoek naar de vrouw die hij had gezien. Uren dwaalde hij door het bos en slechts heel af en toe ving hij een glimp van haar op. Het begon al donker te worden buiten wanneer hij haar eindelijk vond. Ze zat op een grote rots in het midden van een meer. Ze was nog steeds naakt als op de dag van haar geboorte en bovendien helemaal nat van het water. Haar natte haren hingen over haar schouders en op haar rug, een waterdruppel glinsterde op haar stijve tepels. Nat donker haar verborg haar meest intieme plekje en haar lange slanke benen hingen over de rots in het water. Ze glimlachte naar hem en wenkte hem te komen. De boer liep het meer in en het water stroomde in zijn laarzen. Hij was helemaal vergeten zijn kleren uit te doen voor hij het water in ging maar dat kon hem niet zo veel schelen. Het water was koud en het meer was erg diep, maar de vrouw was de mooiste vrouw die de boer ooit gezien had, dus hij liep verder. Het water kwam al aan zijn borst wanneer hij bijna bij de rots was, maar de vrouw knipperde verleidelijk met haar ogen, de natte wimpers deden deze extra groot en aantrekkelijk lijken. De boer zette door, hij zag achter de rots drie dingen in het water drijven. Wanneer hij vlak voor de rots stond zag hij dat het de lichamen van zijn drie kinderen waren die met het gezicht naar beneden in het water dreven. Maar al zijn aandacht was gericht op de vrouw die voor hem op de rots lag. Het water kwam tot aan zijn lippen en hij had moeite te ademen zonder water binnen te krijgen. De vrouw lag op haar buik op de rots. Haar rug kromde zodat haar kont omhoog stak en ze boog naar voren. Haar hoofd zweefde vlak boven het water wanneer ze hem een zoen kwam geven. Luxor rook haar adem, die stonk als de graflucht van een pas opgegraven lijk, maar haar lichaam was zo prachtig dat een klein geurtje hem niets kon schelen. Hij nam haar bij haar schouders en trok haar naar hem toe. De vrouw gleed van de rots af bovenop hem, haar naakte schoonheid drukte tegen hem aan en duwde hem onder water, het water stroomde via zijn mond zijn longen binnen.

Iria was nooit een makkelijke vrouw geweest. Iedereen in de buurt wist dat wanneer haar gezicht op onweer stond ze haar uit de weg moesten gaan. Ditmaal zou zelfs een onweer verbleken bij het noodweer dat op haar gezicht af te lezen was. Haar twee jongste dochters werden bij hun polsen meegesleept en beide stonden doodsangsten uit nu ze niet wisten wat de woede van hun moeder had gewekt. Hun geheugen werkte zo hard als het kon om te bedenken wat ze mis gedaan zouden kunnen hebben. Maar wanneer ze bij het bos aankwamen durfden ze iets te kalmeren. Het waren de verdwijningen van hun vader, oudere zus en broers die hun moeder overstuur maakten.
Iria had haar jongste zoontje in zijn kamer opgesloten en had besloten zelf op zoek te gaan naar haar dochter en de anderen. Ze nam haar twee dochters mee omdat ze hen niet alleen durfde achterlaten en drie toch altijd meer zagen dan één iemand alleen. Ze was zo verward in haar gevoelens van bezorgdheid en onmacht dat ze deze uitte op de manier die ze het best kon, in woede. Toen de jongste van haar twee dochters tegenstribbelde wanneer ze haar het gevaarlijke bos mee introk sprak ze niet troostend of geruststellend tegen haar, maar gaf ze haar een tik op haar billen en maande haar te volgen. Haar oudste dochter was al drie dagen weg en haar man noch haar zoons hadden haar niet gevonden. Ze had moeten weten dat ze meteen zelf had moeten gaan zoeken.
Wanneer ze dieper in het bos waren liet ze haar dochters los, ze konden nu niets anders meer dan volgen en helpen zoeken. Wat haar irriteerde was dat ze te veel lawaai maakten. Wanneer de jongste een kreet slaakte nam ze haar bij haar elleboog en liet haar hand verschillende keren op haar achterwerk neerdalen voor haar andere dochter haar stopte en wees naar wat haar jongste gevonden had. Er stond een pijltje op een boom gekrast, een teken dat haar man had achtergelaten mocht er met hem iets mislopen. Ze verontschuldigde zich niet bij haar dochter - ze had haar ontdekking ook in stilte kunnen mededelen - maar volgde het pijltje.
Ze vonden nog enkele pijltjes en volgden zo het pad dat Luxor eerder gevolgd had. Zij liep voorop, haar dochters achter haar, de jongste sloot de rij met haar handen op haar billen en tranen in haar ogen. Ze was nu ten minste wel stil. Plots hielden de pijltjes echter op. Ze waren gewoonweg verdwenen, een spoor van vernieling in het struikgewas wees aan dat haar man hier plots van richting veranderd was. Het was niets voor haar man om zo'n duidelijk volgbaar spoor achter te laten in het bos, het leek erop dat hij iets ontdekt had en het zonder opletten gevolgd had. Iria baande zich een weg door het struikgewas en ging achter hem aan zo snel ze kon.
Zo vond ze het meer dat haar man eerder gevonden had. Een houten brug leidde naar een eilandje in het midden van het meer en daar te midden van het gras lag haar man, naakt, met een vrouw. Iria had de verhalen over haar man die in de stad de ronde deden nooit geloofd. Tot nu, nu zag ze het met haar eigen ogen. Ze liep naar de rand van het meer, wat ze daar zag wekte haar toorn nog meer. Haar drie verdwenen kinderen waren aangespoeld aan de rand van het water, het gezicht naar beneden. Haar man had haar kinderen laten sterven terwijl hij met die vrouw lag. Ze zag de bijl in de hand van haar oudste zoon en gritste deze op voor ze de brug betrad. Haar man zag haar niet aankomen. Hij lag op zijn rug, zijn hoofd naar haar. De vrouw zat gespreid bovenop hem en zag haar wel komen. Ze trok een gezicht van angst en keek haar verstard aan. Iria rende over de brug, deze was minder stevig dan ze eerst had verwacht, vele planken ontbraken. Ze sprong echter over de gaten en naderde het eiland snel. Om de één of andere reden bleef de vrouw haar aanstaren in plaats van te vluchten. Haar man had niets door. Dat de vrouw veel knapper was dan zij ooit kon hopen te zijn maakte haar nog veel kwader en dat de planken onder haar voeten verrot waren kon haar niet tegen houden. De brug stopte enkele meters voor het eiland, maar in haar woede wist ze dat ze de sprong kon halen. Ze zweefde door de lucht en kwam met smak op de oever terecht, een stekende pijn schoot door haar been. Ze wilde rechtstaan, maar haar been klapte dubbel, de pijn werd schrijnend en het werd zwart voor haar ogen. In plaats van te rusten trok ze zich echter voort, ze mocht niet flauwvallen, ze moest eerst haar wraak hebben. Het laatste wat ze rook voor ze haar bewustzijn verloor was als de graflucht van een pas opgegraven lijk, dan werd alles zwart.

Beertyah

Subia zag haar moeder en zusje door de struiken verdwijnen. Geen schijn van kans dat zij daar doorheen zou lopen. Het pad was al erg genoeg geweest - de hele zoom van haar jurk hing vol met modder - ze ging nu niet ook nog kleerscheuren oplopen door zich een weg door de struiken te banen. Ze begreep niet waarom haar moeder haar zo nodig moest meenemen het bos in. Ze besloot de weg terug naar huis te zoeken. Daar kon ze propere kleren aandoen en al dat stof van haar afwassen.
Het eerste stuk was gemakkelijk, ze volgde de pijltjes van haar vader in omgekeerde richting. Maar deze verdwenen een heel eind van de rand van het bos. Haar vader had er duidelijk pas na een lange tijd zoeken aan gedacht pijltjes te krassen. Ze liep dan maar op goed geluk verder. Het pad kronkelde erg, maar ze volgde het toch, het zou haar vast de weg uit het bos leiden. Het pad verlaten was geen optie, de modder op haar jurk was erg genoeg.
Het pad leidde haar uiteindelijk niet het bos uit, maar naar een klein hutje op een open plek. Ze streek het stof van haar jurk, bekeek haar weerspiegeling in het raam en klopte aan. Als een man open deed zou deze zonder twijfel de knappe jonge verschijning voor zijn deur helpen. Er werd echter niet open gedaan. Subia probeerde dan maar de deurknop en de deur ging krakend open. Er was niemand aanwezig, maar de hut zag er niet uit alsof hij verlaten was. Nieuwsgierig ging ze naar binnen. Het hutje had één groot vertrek met in elke hoek een grote staande spiegel. In het midden van de ruimte stond een lage kast met een kom warm water. Subia opende de deurtjes van de kast en vond aan een kant allemaal poeders en verf. Ze herkende deze als de producten die rijke dames gebruikten om hun gezicht op te maken. Aan de andere zijde vond ze een reeks lekker geurende zepen en parfums. De dichtstbijzijnde spiegel toonde haar dat ze modder op haar gezicht had, dus nam Subia wat van de zeep en schrobde haar gezicht met het warme water in de kom, met een borsteltje haalde ze de modder van onder haar nagels. De zeep brandde erg pijnlijk, maar wanneer ze in de spiegel keek zag ze dat haar gezicht properder en mooier was dan ooit te voren. Nieuwsgierig waarom iemand vier spiegels zou hebben liep ze naar de andere spiegel. Daar zag ze dat ze wel erg proper gewassen was, maar dat haar jurk vol modder en scheuren zat. Naast de spiegel stond een grote kast en daar binnen in vond ze een prachtige jurk. Wanneer ze de knoopjes van haar eigen jurk losdeed kreeg ze het gevoel dat iemand door het raam stond toe te kijken. Ze schreef dit gevoel echter af als haar eigen preutsheid en ze verkleedde zich in het vreemde hutje. De nieuwe jurk had een korset dat ze niet helemaal dicht kreeg dus dat hield ze losjes aan. De spiegel vertelde haar dat ze er prachtig uit zag. Nieuwsgierig naar hoe ze haar uiterlijk nog kon verbeteren liep ze naar de derde spiegel. Pas nu zag ze de wallen onder haar ogen en de fletse kleur op haar wangen. Ze haalde wat van de poedertjes in het kastje en smeerde wat van het poeder op haar wangen. Het rook verschrikkelijk, dus ze spoot wat parfum op haar hals. Het parfum brandde nog erger dan de zeep maar rook verrukkelijk. Dan nam ze wat van de donkere verf die ze rond haar ogen moest wrijven. Het voelde alsof ze hete olie op haar huid smeerde, maar door haar tranen zag ze in de spiegel dat ze er verrukkelijk uit zag.
Ze kon niet geloven dat de vierde spiegel haar nog mooier kon maken, maar toch ging ze er voor staan. Haar spiegelbeeld in de vierde spiegel was verbluffend. Er ontbrak niets meer. Maar plots zag ze in de hoek van de spiegel een tweede gedaante in de ruimte. Een oudere dame stond naar haar te staren. 'Je ziet er prachtig uit schat.' Zei ze.
Subia bloosde en wilde zich verontschuldigen dat ze de vrouw haar jurk en schoonheidsproducten gebruikt had.
'Dat is wel in orde schat, ik ben te oud voor zulke productjes en ik pas al jaren niet meer in die jurk. Maar oh!' De vrouw keek verbaasd. 'Je hebt het korset niet aangespannen. Laat me toe dat voor je te doen.
Subia ging weer voor de vierde spiegel staan en de vrouw trok aan de veters van het korset. Ze voelde de druk van het korset vergroten en zag in de spiegel hoe haar lichaam in een mooie zandloperfiguur gedwongen werd. 'Zo is het wel goed, ik kan bijna niet meer ademen.'
De vrouw trok echter nog harder. 'Nog een beetje schat, houd je adem maar in.' Subia haalde diep adem - haar laatste ademteug stonk plots als de graflucht van een pas opgegraven lijk – en de vrouw spande met een ruk de veters van het korset tot ze niet langer kon ademen.

Gulla was haar moeder kwijtgeraakt in het struikgewas. Normaal zou ze doodsbang zijn om zonder haar moeder door het bos te lopen. Maar nu haar moeder zo boos was, was ze nog banger voor haar moeder dan voor de dieren in het bos. Met een hand wreef ze over haar billen wanneer ze de harde kletsen herinnerde die haar moeder haar gegeven had. Met de andere hand duwde ze het struikgewas opzij, een weg terug naar het pad en haar zus zoekend. Wanneer ze een bosje rode bessen vond vergat ze even de problemen waar ze zich in bevond. Snel plukte ze de besjes en stopte ze in haar mond. Ze smaakten heerlijk. Ze wreef de tranen uit haar ogen en nam haar hand van haar billen om de besjes met beide handen te plukken en in haar mond te stoppen. Al snoepend volgde ze de bessenstruik tot ze een pad vond. Het was niet het pad waarop ze eerst gelopen had. Langs weerszijden van dit pad lagen veldjes begroeid met rijen plantjes die duidelijk door mensen aangelegd waren. Aan sommige van de plantjes vond ze rijpe aardbeien die ze gulzig in haar mond stopte. Ze volgde het pad en kwam bij een klein huisje aan. Het leek alsof ze in een sprookje gestapt was. Het huisje leek wel opgebouwd uit allerlei lekkernijen. Gulla sloop dichterbij, trok wat lekkers van de muur en stopte het in haar mond. Plots kwam er een oud vrouwtje het huis uit. Ze keek boos en leek op haar moeder maar dan ouder. Gulla schrok zo dat ze het snoep liet vallen en haar handen beschermend achter haar rug over haar billen vouwde. De vrouw glimlachte plots en als ze glimlachte leek ze helemaal niet meer op haar moeder. 'Niet bang zijn liefje, ik ben niet boos. Ik dacht even dat het weer plaaggeesten waren die mijn snoep kwamen stelen.' Gulla bukte zich en raapte het snoep weer op. De vrouw nam ook een stukje van haar huis, stak het in haar mond en ging naar binnen. Gulla volgde haar nieuwsgierig. 'Kom hier liefje.' De vrouw ging op een stoel zitten en klopte op haar schoot. Naast haar stond een hele mand vol lekkers. 'Gooi dat snoep maar weg, dit hier in de mand is veel verser en lekkerder dan dat wat buiten in de regen heeft gelegen.' Gulla ging op de schoot van de vrouw zitten maar stak het snoep dat ze nog vast had snel in haar mond. De vrouw greep in de mand en gaf haar nog meer snoep. Het zag er verrukkelijk uit en Gulla at het allemaal op. Na een tijdje werden haar handen moe en liet ze de vrouw het snoep rechtstreeks in haar mond stoppen. Het snoep zag er niet meer zo goed uit, het was misvormd en bruin, maar het smaakte nog steeds heerlijk. Hoe dieper uit de mand het snoep kwam hoe afschuwelijker het er uit zag, maar de smaak bleef even verrukkelijk. Gulla haar maag deed pijn en ze was moe, maar de vrouw bleef haar snoep voeren en zij bleef het opeten. Ze wilde opstaan, maar ze voelde te zwaar, de vrouw hielp haar staan en bracht haar naar een bed. Ze ging liggen en de vrouw ging naast haar zitten. Gulla wilde slapen maar de vrouw bracht nog een snoepje naar haar mond. Het smaakte zo heerlijk dat ze niet kon weigeren. De vrouw nam er nog een terwijl ze het eerste opkauwde. Wanneer ze zich naar Gulla vooroverboog rook ze de adem van de oude vrouw, die rook als de graflucht van een pas opgegraven lijk, maar de vrouw dwong snel weer een snoepje in haar mond. Gulla stikte bijna, maar ze at gulzig alles op wat de vrouw in haar mond stopte tot ze geen adem meer kreeg en ze alleen nog maar kon blijven kauwen en slikken.

Aan de ondergaande zon zag Fides, de jongste zoon van de boer en boerin dat de nacht viel. Alles buiten zijn raam werd donker en zijn moeder was nog niet terug. De hele dag had hij niets te eten gehad. Uiteindelijk viel hij in slaap, maar wanneer de volgende dag de zon opkwam en weer onder ging zonder dat er iemand uit het bos terugkwam begon hij bang te worden.
Hij kon natuurlijk in zijn bed blijven liggen tot iemand hem kwam redden/ Maar hij wist dat hij iets moest doen omdat hij anders zou verhongeren. Hij opende zijn raam en klom via de dakgoot naar buiten. Hij liep naar het bos maar zijn ouders, broers, noch zussen waren teruggekeerd uit het donkere bos.
Van waar hij stond kon hij een gouden kroon aan een tak zien hangen. Hij wilde zo'n gouden kroon wel hebben, maar hij hing in het bos en het was verboden om het bos in te gaan, dus bleef hij waar hij was. Hij liep langs de rand van het bos en riep om zijn moeder. Het bos rook naar de natuur, naar schors en bladeren. Maar ook naar bessen. Fides had al een hele dag niets gegeten, maar alle bessen die hij zag groeiden dieper in het bos, dus ging hij ze niet halen. Plots zag hij zijn broer van de bessen eten. Hij riep zijn broer zijn naam, maar hij kwam niet naar Fides toe. Hij riep dat de bessen heerlijk waren en dat Fides moest komen. Fides wilde ook wel bessen, maar hij mocht niet in het bos. Hij vond het gemeen dat zijn broer er hem geen kwam brengen, hij wilde hem wel een mep verkopen, maar bedacht dat dat gemeen zou zijn. Zijn broer riep dat hij een bangerik was, maar Fides was wel moedig, hij wist alleen dat het gevaarlijk was in het bos. 'Ik ga het je vriendinnetje vertellen.' Riep zijn broer. Maar Fides was nog niet zo erg geïnteresseerd in vriendinnetjes, zeker niet als ze hem niet aardig vonden om domme dingen als moed.
'Nee!' Riep Fides. 'Ik kom niet het bos in!'
Zijn broer draaide zich plots om en toen zag Fides dat het niet zijn broer was. Het was een monster uit het bos, een schaduw in de vorm van een man. Fides wilde bang weglopen, maar zijn moeder had hem geleerd dat deze monsters niet achter je aan konden jagen. Ze konden alleen wachten tot jij in hun val liep. Fides bleef dus stilstaan, want wanneer je stilstond kon je niet in een val lopen beredeneerde hij. Minutenlang bleef het monster naar hem kijken en dan verdween het weer het bos in. Fides liep zo snel hij kon weer naar de boerderij.

Pas na drie weken kwam er weer iemand naar de boerderij. Fides zat alleen beneden, hij had al het eten uit de kelder opgegeten, geen van zijn familieleden was uit het bos naar huis gekeerd. Fides kende de man niet die aan de deur stond. Hij droeg dure kleren en stonk naar paarden. Buiten stond een tweede paard met een jonge vrouw er bij. Wanneer ze zagen dat hij alleen was vroegen ze hem waar zijn ouders waren. Fides vertelde hen het hele verhaal. De vrouw troostte hem wanneer hij huilde en gaf haar zelfs haar zijden zakdoek om zijn tranen te drogen. Toen zijn verhaal afgelopen was zette de man hem op zijn grote paard en namen hem mee. Fides zou de boerderij nooit meer zien, maar op weg naar de witte stad vertelde de vrouw hem over het grote witte paleis dat ze er liet bouwen, met de grote tuin waar Fides zou mogen spelen. Hij leefde er nog lang en gelukkig.