Nieuws:

Je vindt onze discordserver hier!

Hoofdmenu

Lewis

Gestart door Erwipro, 15 januari 2009, 16:40:02

Vorige topic - Volgende topic

Erwipro

NB: Niets, maar dan ook niets van deze stukken over Lewis verraadt iets over de rol van spelers die nog leven in spel 39.

Stelletje verraders.

Lewis schold ze allemaal uit. Zijn ziel doolde over het grote schip, 'de Halve Maen', terwijl hij toekeek hoe de wolven zich tegoed deden aan de overblijfselen van zijn lichaam. En dat terwijl... hij voelde enige sympathie voor de beesten. Ze waren angstaanjagend, maar hun blik was uitnodigend, hun gesmikkel maakte hem hongerig. Maar hij zou nooit meer iets eten.
Hij keek omhoog. De maan was nog vol, maar de wolven onder zich maakten al aanstalten om terug naar hun kamers te gaan. Hij keek nog eens omhoog. En ja hoor. Hij zag dat de maan niet helemaal rond meer was. Een stukje schaduw van de aarde hield de weerspiegeling van het zonlicht tegen.
Een huilend geluid deed hem naar beneden kijken. Terwijl de terugmetamorfose al in gang was, liepen de wezens terug naar waar ze vandaan kwamen. Niemand zou hen hebben gemerkt. Zelfs hij kon niet uitmaken wie het waren. Terwijl hij toch echt dacht dat hij de mensen op het schip stuk voor stuk redelijk - sommigen zelfs erg goed - kende.
Chase, waarom had hij hem niet beschermd? Wat was dat hier met de bewaking? Kon de kapitein wel afstemmen? Of zou Chase een wolf zijn?..
Yousna, het meisje dat hij graag nog beter had willen leren kennen, wat moest ze zonder hem? Kon ze wel werken met een sextant? Zou ze wel om kunnen gaan met een kompas? Hij zag al allemaal scheve landkaarten voor zich. Nee, zo mocht hij niet denken. Hij hoopte dat de kapitein niet boos op haar zou worden. Ze kon er niks aan doen.
Era, zou zij een belangrijke rol gaan spelen op het schip? Hij had die dag aan haar gezien dat ze met tegenzin het dek, dat toch al schoon was, zwabberde. Hij gunde haar een behouden vaart. Het zou niks zijn voor wie dan ook om alleen maar een beetje de rotklusjes op te knappen op zo'n belangrijke tocht, in zo'n situatie.
Hij liet zich door de deur van zijn werkkamer heen vliegen en keek rond. De glazen kastjes verborgen niets van de door anderen verworven rijkdommen, maar ook niet zijn eigen drankvoorraad, die in een kastje ergens in een hoek was geplaatst, zodat deze toch niet al te veel zou opvallen. Hij vond het jammer dat hij niet meer kon drinken. Binnen afzienbare tijd, voorspelde hij, zou er iemand achter komen dat hij dit mee had gesmokkeld. Hij was benieuwd naar de vinder. Hij gunde Chase wel wat alcohol, ook al lustte hij geen bier. Chase zou niks vertellen. Hij zou van niks weten als kapitein Hudson hem zou vragen waar alle flessen bleven. Misschien zou Hudson dan wel wat genomen hebben.
Hij keek verder door de ruime, altijd rustige kamer. Hij had medelijden met de simpele zielen op het schip, die zich de hele dag, de komende maanden zelfs, in kleine hutjes en op het dek moesten vermaken. Nee, zo'n taak als die van hem was slechts voor weinigen weggelegd. Hij had een tweede kapitein willen kiezen die nog geen belangrijke taak had. Maar het was Wieselien geworden. Maar zij zou het niet druk krijgen met de 'kleine taakjes', zoals Hudson zeg genoemd had. Wat hielden ooit kleine taakjes in? Trouwens, ze kon Milika en Aranel ervoor inzetten.
Denkend aan Milika richtte hij zijn blik op het briefje dat Wies hem had gestuurd. Hij las het nog eens. Was het echt een onschuldig briefje geweest? Of was het een waarschuwing van haar kant? Hij hoorde Wies' stem in zijn hoofd. "Pas maar op jongen, je weet dat je leven afhankelijk is van de rijke lui, van de gunst van de kapitein, de belangrijke mensen en van mij..." Hij zag haar gezicht vertrekken. "Jouw lot is zo onzeker als de zee. Het ligt in onze handen..." Een heksachtige lach ontsnapte uit haar keel.
Nee! Dit droom ik! Wies was altijd een aardige vrouw, die gewoon geen kwaad in de zin kón hebben! Hij dacht aan Milika, die het briefje zeker graag had willen lezen. Hij had haar veel te snel de deur gewezen, denkend dat het een belangrijke brief was. Hij had echter een manier nodig gehad om Erandor weg te sturen. Hij had medelijden met het meisje. Zo'n klein meisje op zo'n enorm schip - en dan zulke situaties! Geulkkig had ze Wies nog. Nu maar hopen dat die echt zo warm van hart was als ze zich voordeed...
De nacht duurde lang voor Lewis. Iedereen sliep en zijn gedachten waren tot een eind gekomen. Hij keek nog even naar zijn verminkte lichaam en verdrietig ging hij op de rand van de reling zitten. Niemand zou hem ooit meer zien...

Erwipro

#1
NB: Niets, maar dan ook niets van deze stukken over Lewis verraadt iets over de rol van spelers die nog leven in spel 39.

De tijd leek niet snel te gaan, totdat het moment waarop Lewis opeens een koude golf door zijn lichaam heen voelde gaan. Hij sprong van schrik een meter of vijf de lucht in. Er was iemand opgestaan en diegene stond nu te peinzen op de plek waar hij dat aan het doen was. Die leek niks van hem gemerkt te hebben.
Lewis besloot even bij zijn lichaam te gaan kijken. Allerlei personen liepen af en aan, sommigen kokhalzend, sommigen hard werkend om het weg te krijgen. Hij had niet meegekregen wat er zou gaan gebeuren met hem, dus hij was benieuwd. Een laken en een ton werden aangevoerd. Kransen werden om hem heen gelegd. Hij werd telkens Lewis de navigator genoemd. Konden ze niks beters verzinnen? Het klonk zo onpersoonlijk, er was toch maar één Lewis op het schip? Waarom zijn functie erachter? Kenden ze hem niet goed genoeg?
Hij vond het wel supercol dat er een hele ceremonie om zijn dood heen werd gehouden. Dat was niet normaal voor een zeemansgraf. Ook niet iedereen was erbij. Hij kon het zich wel een beetje voorstellen. Het was nogal een aanblik om misselijk van te worden. De ton met zijn lichaam erin werd de wijde zee in gegooid, en bleef rechtop staan. Een klein stukje rood geworden laken stak er nog bovenuit. De krans wapperde in de wind. Langzaam verdween het vat achter de golven. De brandende zon maakte de mensen op het schip lui. Men wilde niet werken, maar rusten en peinzen over zijn dood. Hij had toch wel indruk achtergelaten. Een glimlach vormde zich op zijn onzichtbare gezicht. Niemand wist dat hij hier was. Kon hij maar contact met iemand maken...
Hij keek naar zijn kamer. Deze werd nu voortdurend bewaakt. Alsof het uitmaakte. Wat zou iemand in zijn kamer zoeken? Oja, misschien alcohol. Maar dat wisten er niet veel. En hijzelf kon er toch wel in. Ze zouden er misschien beter aan doen de mensen te bewaken en niet zijn deur. Maar dat kon hij ze niet duidelijk maken.
Hij volgde enkele mensen die bij de ceremonie weg waren gelopen. Hij zweefde naar Yousna toe, die hij met een slaperig hoofd erbij had zien staan. Had zij niet hetzelfde voor hem gevoeld als hij voor haar? Met gebogen hoofd zag hij haar lopen. Doelloos, als een schaap zonder herder of kudde. Werkloos. Contactloos. Hij moest haar zien te bereiken.
Yousna..., probeerde hij te zeggen op een beetje spookachtige manier. Er kwam geen geluid. Yousna keek niet op.
Yousna..., dacht hij heel hard, terwijl hij voor haar ging zweven.

Erwipro

#2
NB: Niets, maar dan ook niets van deze stukken over Lewis verraadt iets over de rol van spelers die nog leven in spel 39.

Het had gewerkt! Yousna was doorgelopen, maar schudde haar hoofd. Dat was voor Lewis het teken dat hij op haar in had gewerkt. Maar ze wilde het niet horen. Nu hij erover nadacht, het was ook best onmogelijk. Maar ze moest het gehoord hebben.
Terwijl hij voor haar in de lucht dreef en heel hard aan het zeggen van haar naam dacht, slaakte ze een gil. Hij zag haar ogen focussen op iets vlak voor haar in de lucht, in plaats van ver vooruit. Ze kon hem zien! "Sst!", zei hij stil en hij legde een vinger op haar mond. Ai, koud. Niet aanraken. Ze gingen weer terug, richting zijn kamer. Onderweg kwamen ze nog langs de lijken van Jaap en Talwin. Hij had ze allang gezien, maar Yousna schrok er wel van, evenals de omstanders die er geschokt omheen stonden.
Op dat moment hoorde hij een stem in zijn hoofd. Yousna keek hem aan. "Weet jij wie dit gedaan hebben?" Lewis keek onzeker en draaide wat met zijn hoofd. Hij wist het niet, maar hij had wel de wolven gezien. Volgende keer zou hij beter opletten. Maar wie het ook waren, hij mocht het niet doorvertellen. Dat zou haar dood worden. En hoewel dat voor hem niet helemaal negatief zou zijn, had hij toch liever niet iemands dood op zijn geweten.
Yousna liep door tot aan de reling ter hoogte van zijn werkkamer. Terwijl zij afwachtte, ging hij boven de bewakers zweven en riep hun namen. Die keken omhoog en Yousna kon snel naar binnen rennen. Lewis ergerde zich nog aan de slechte bewaking die niks merkte, maar dit keer kwam het hem wel goed uit.
Hij keek hoe Yousna de dure voorwerpen bekeek en betastte. Even wilde hij haar tegenhouden, maar hij vond dat het maar zo moest. Hij kon het de kapitein ook niet aandoen om zoveel werk op zijn schouders te nemen. Hij zou alles geduldig gaan uitleggen. Zoveel nieuwe wiskundige theorieën zou ze er niet bij hoeven leren: hij wist dat ze van hoge komaf was.
"Wat doen we nu?", klonk Yousna's stem in zijn hoofd.
"Ik ga je alles uitleggen. Ik zie aan je dat het wilt leren." Hij knipoogde en Yousna glimlachte. Maar zijn gezicht betrok weer toen hij zei: "maar laat het niet opvallen dat je met mij van doen hebt."

Erwipro

Lewis merkte gaandeweg dat Yousna redelijk wiskundig aangelegd was. Hij versnelde het tempo van zijn uitleg, iets wat tegenintuïtief was omdat hij dacht niet goed te kunnen uitleggen. Langzaamaan werd het avond en de mantel van een blauw-zwart gevlekte hemel bedekte het schip. Het enige dat ze nodig hadden, waren sterren. Die waren er in overvloed. Ze waren veel beter te zien vanaf de Halve Maen dan vanaf aarde, merkte Lewis. Dat had hij ook wel kunnen verwachten, want in Wakkerdam scheen altijd licht en als menselijke ogen daaraan gewend zijn, zien ze het zwakke schijnsel van de sterren niet meer.
Yousna pakte een sterrenkaart - in één keer de goede - en fluisterde: "zal ik het dan maar eens in de praktijk proberen?" Lewis knikte. Hij kon haar toch niet tegenhouden. Ze stapte naar buiten, de heldere, koude lucht in en keek omhoog naar het oneindigtal sterren dat daar blonk. Ze legde een dun papier over de sterrenkaart heen en begon lijnen te trekken. Haar conclusie was dat ze op een paar graden na naar het noorden voeren. Lewis lachte en knipoogde. Ze had het goed gedaan. "Dan varen we vannacht waarschijnlijk over Noorwegen heen," vertelde hij haar. Dat wist ze al; de correctie op de locatie (de sterrenkaarten gingen uit van Amsterdam) had ze al doorgevoerd. Ze pakte haar kaart van Noord-Europa erbij en trok een paar lijnen vanuit vaste posities. Ze tekende een vette stip die de exacte positie van het schip aangaf.
Lewis zweefde met haar mee toen ze de kaart aan de kapitein liet zien.