Nieuws:

Heb je problemen met het forum? Contacteer Shaddow, redeast of yasu.

Hoofdmenu

Typisch

Gestart door Erwipro, 24 juni 2008, 11:53:34

Vorige topic - Volgende topic

Erwipro

Ja, ik schrijf ook =) alleen dan korte verhalen, want lange verhalen houd ik niet vol ofzo. Ik heb dit verhaal 'typisch' genoemd omdat het typisch een verhaal voor mij is, niet alleen om het verhaal, maar ook om de hoofdpersonen en de schrijfstijl (die ik dit keer een kléin beetje overdreven heb :P).
Ok, komt'ie.



Hij zette zijn zonnebril op en meteen straalde zijn gezicht veel meer zekerheid uit. Begeleid door het tempo van de muziek in zijn oren zoefde hij op zijn stalen ros de luxe buitenwijken in. Even nog voelde hij de verfrissende ambiance van het schaduwrijke bos dat zojuist achter hem was verdwenen, maar algauw sloeg de zomerhitte hem in het gezicht en wist hij waarom hij het chloorargyriet voor zijn ogen had gehangen.
De weelderige onderkomens waren niet het enige waar hij oog voor had; des te meer richtte hij zijn blik op de eveneens langszoevende mensen die hij tegenkwam - vooral diegenen die wel zijn leeftijd maar niet zijn geslacht hadden.
Vele malen had hij alleen hierom al in deze buurt zijn wekelijkse ronde gemaakt, en hoewel deze kortstondige genotjes hem niet gaven wat hij wilde, kon hij het toch niet weerstaan. Maar deze keer was hij hier met een doel. Hij spande zijn benen andermaal aan, wetend dat elke pedaalslag hem dichterbij zou brengen.

Met een hoogfrequent pulserend hart had ze haar gsm'etje ter hand genomen. Zo snel haar vingers doorgaans over de kleine toetsen gleden, zo snel namen haar gedachten haar ditmaal mee. Als haar gedachten al betekenis hadden, dan waren er geen woorden voor. Ze ontwaarde een regelmaat in haar acties. Eerst was er de zin, gevolgd door een gevoel van falen. Dan keek ze naar buiten terwijl ze de 'wissen'-toets inhield. Het naar buiten kijken had geen nut - integendeel, ze was zich geen moment bewust van haar omgeving - maar het leidde haar tenminste af van het leeg worden van het schermpje. Op eenmaal na had ze telkens hetzelfde gezien. Die ene keer dat haar buurman voor het raam langs slenterde, maar in feite was daar ook niks opmerkelijks aan: zoals altijd keek hij naar binnen; ze wist dat hij naar haar tuurde. Als hij haar zag, vertoonde hij een zwartgallige glimlach, die haar deed huiveren. Als hij haar niet zag, sloeg hij meteen zijn ogen weer naar het oppervlak waar zijn voeten overheen sloften. Ditmaal zag ze de mysterieuze grijns en concentreerde zich weer volop op het elektrische object in haar hand. Nog enkele keren had zij de hoekige letters gedeletet, maar onverwachts was er toch een vlaag van optimisme, waarin ze het zendcommando gaf.
Even verderop maakte een klein motortje een soortgelijk apparaat tot trillen. Even was het bewegingsloos, toen trilde het weer, herhaalde dit patroon tweemaal, en werd weer zo stil als tevoren. Niemand had het opgemerkt.

De weg naar zijn doel lag recht voor hem. Door zijn spoed versmalde zijn gezichtsveld. Zijn aandacht voor zijn omgeving werd almaar minder, en die voor zijn doel groter. Maar geclaxonneer naast hem deed hem opschrikken. Over het jazzy geluid in zijn oordopjes heen klonk een rem. Knarsend ijzer. Meer getoeter. Zijn ogen deden hem pijn en stribbelden tegen terwijl hij ze naar behoren wilde laten functioneren. Hij tastte naar zijn oren, trok aan de dunne draden die ernaartoe liepen en probeerde zoveel mogelijk mee te krijgen. Een hand op zijn schouder verhinderde dat echter. Hij zakte weg, zonder iets gezien te hebben.

Al snel las ze terug wat ze had verstuurd. Eigenlijk was dit even slecht als alle andere verwoordingen. Het bericht was duidelijk en geschreven in haar efficiënte taalgebruik, maar de toon beviel haar niet. Ze concludeerde dat het bericht niet makkelijk beter had gekund en dat haar actie onomkeerbaar was. Ze richtte nog eenmaal haar blik op het lichtje dat na bepaalde tijd uitviel, en sloot zich daarna onzichtbaar af van haar omgeving.

    Hij dwaalde door een groot huis, waarin niemand was. Ter linkerzijde drie binnenhuisdeuren van donker hout, rechts een verchroomde rastering die hem voor vallen moest behoeden. Hij wist dat dat overbodig was, omdat hij niet zich hier niet echt bevond. Toch liep hij richting de trap waarvan de treden hem naar beneden zouden voeren.
    Zij liep in gedachten naar buiten, op weg naar de winkel. Een aanleiding had ze er niet voor, maar ze verplichtte zichzelf om door te stappen. Onbewust interpreteerde ze de koude buitenlucht, die in werkelijkheid langs haar stoel woei, als de wind in haar oren terwijl ze liep. Rechtdoor op de rotonde dadelijk, zei ze tegen zichzelf.
    Aan de voet van de lichtelijk gecurveerde trap gekomen bevond hij zich in een gang. Overal waren dezelfde donkere houten deuren. De eerste uitweg die hij probeerde zat op slot: een deel van zijn droomwandeling was afgesloten. De tweede set scharnieren werkte meteen mee en hij kwam in een weidse woonkamer. Eerst viel hem de rugleuning een jeneverrode fauteuil op, daarna een set tekengerei dat ernaast lag. De stoel was echter onbezet en hij giste naar de koers van de zitter.
    Ze versnelde haar pas. Voor haar zag ze een mensenmassa samendrommen. De verholen gebeurtenis in het midden trok ook haar aandacht. Ze zag een knappe jongeman liggen. Ze overpeinsde geen moment en met een gemaakte overslag in haar stem schreeuwde ze de eerste willekeurige jongensnaam die in haar opkwam. Ze drong zich door de meegevende menigte.
    Hij zag de deur naar buiten dichtvallen. Deze openen zou ofwel niets uitrichten, ofwel niet lukken. Het raam dat openstond bood meer uitzicht. Hij klauterde door het venster heen en examineerde zijn omgeving. Een been, dat aan een gehaast lichaam moest zitten, verdween achter een hoek van een immens bedrijfspand. Ook hij vermeerderde het aantal passen per tijdseenheid. Even leek het alsof een grijnzende man met zwart, achterovergekamd haar en een gouden tand, die hem bekend voorkwam, hem wilde tegenhouden, maar deze werd met een simpele schijnbeweging afgeschud. Om de hoek gekomen zag hij een bekende omgeving. Tegenover de route die hem langs zijn wekelijkse pad plachtte te leiden, was ditmaal zijn plaats van herkomst. Maar aan achterom kijken kwam hij niet toe. Het been dat hij gezien had, zat inderdaad aan een rennend lichaam vast, dat zich nu tussen enkele mensen probeerde door te dringen.
    Ze knielde en schreide bittere tranen. Hem aanraken durfde ze niet, hem aanschouwen was al bijna te moeilijk. Een hand op haar schouder deed haar opkijken.
    De vrouw naast hem deed precies wat hij wilde. Hij hupte langs de andere kant van de hand van de vrouw en ging voor de knieën van de jongedame liggen, precies daar waar zij een schijnvertoning van hem zou zien liggen. Hij zag haar nog terwijl ze met een aai-achtige beweging dwong dat de hand van haar schouder afgehaald werd en verzegelde zijn oogleden voordat ze haar lichaam naar hem toe had gewend. Voor haar leek er niets veranderd te zijn, voor hem was er niets dan verandering. Wat nu nog zou gebeuren, moest nog blijken. Door auditieve ruis konden zijn oren hem niet vertellen wat er gaande was; zijn ogen waren gesloten.
    Ze vatte moed door de hand op haar schouder, hoewel ze dat niet liet blijken. Voorzichtig legde ze haar eigen hand op die van de jongen voor hem. De rilling in haar hand werd voelbaar in haar schouder. Loslaten was geen optie meer.
    Een derde zintuig kwam hem in het spel: tastzin. Pijn maakte zich van hem meester toen hij haar gebaar wilde beantwoorden. Zij merkte dat en trok haar hand terug.


Opeens was alles terug. Vanuit een vreemde hoek zag hij zijn rijwiel, die meedogenloos door een bestelbus was geraakt, over zijn been heen liggen. De pijn was een fractie later voelbaar. Het hele dorp zal de slip en de botsing wel gehoord hebben, dacht hij. Nochtans glimlachte hij, getuigend van een levensonbedreigende situatie, naar de attente mensen die hem omgaven.

Een niet thuis te brengen klank deed haar opschrikken. Er was voor het eerst onheil over het dorp gekomen. Ze griste de telefoon van de tafel en keek eenmaal hoopvol omhoog, waar ze echter niks zag. Buiten hing een zwarte lucht, en daardoor een grimmige sfeer. Ze vluchtte buitenlangs het berghokje in, nam het eerste object ter hand dat haar snel kon voortbewegen en vond al snel de plek waar het onheilspellende lawaai vandaan was gekomen.

Scherp kon hij niet zien, maar hij onderscheidde een knie die vlak naast hem op de grond werd gelegd...