Mmh.
*is weer gaan schrijven*
*heeft proloog en eerste hoofdstuk en gaat nu maar posten*
:D
Proloog
De lucht was bijna volledig donker, op een haast buitenaards schijnsel van de maan na dat een gat in de wolken brandde.
Op de oever stond een meisje. Ze kon niet ouder zijn dan een jaar of zeventien, en ze droeg een witte jurk tot vlak boven haar knieën. Dunne mistflarden kolkten om haar enkels, ze kon net zo goed in het water staan als ernaast.
Haar linkerhand hield ze voor zich uitgestrekt, met de palm naar voren, alsof ze iets tegenhield.
Haar andere hand hing langs haar lichaam naar beneden, maar niet slap. Haar vuist was gebald, alsof ze iets vasthield.
Ze had lang, dik, donker haar, dat los langs haar rug naar beneden hing. Het glansde in het licht van de maan. Hoewel het zachtjes waaide bewoog haar haar niet mee, evenals haar jurk.
Alsof wereldse dingen haar niet konden raken.
Haar ogen hadden dezelfde kleur als de lucht boven haar hoofd. Net zwart, maar als je goed keek zag je dat ze eigenlijk heel donkerblauw waren. Er stonden sterren in.
Ze leek niet te kijken. Haar ogen stonden gericht op een eindeloze verte waarin niets te zien was, behalve voor haar.
Langzaam draaide ze haar gezicht naar het maanlicht. Over haar ogen flakkerde een zilveren waas, als de waas die over de ogen van een blinde licht. Toen het licht van de maan op de rechterkant van haar gezicht viel glinsterde er iets op haar jukbeen, vlak onder haar rechteroog. Iets zilverachtig, glinsterend. Alsof er kleine diamantjes in haar huid zaten en met fijne lijntjes een patroon op haar wang tekenden.
Zonder enige waarschuwing gingen plotseling haar ogen, die net nog het licht van de maan hadden weerspiegeld, dicht. Haar gezicht bleef onbewogen.
De toppen van de vingers van haar uitgestoken hand begonnen licht te trillen, hoewel de rest van haar lichaam even onbeweeglijk bleef als daarvoor.
Plotseling was het licht van de maan niet meer de enige lichtbron. De uitgestoken hand van het meisje begon nog heftiger te trillen, en lichtte blauw op. Een fractie van een seconde later was het blauw geen gloed meer, maar dansten er kleine vlammetjes over haar vingertoppen.
Kleine, blauwe vlammetjes die aan haar vingers likten en over haar handpalm en pols dansten. Ze leken haar geen pijn te doen, ze leek niet eens te merken dat ze er waren.
Haar ogen bleven gesloten en haar gezicht bleef net zo onbeweeglijk als voorheen. Alleen haar haar en haar jurk begonnen te bewegen, maar niet op het lichte briesje dat zo even nog had gewaaid. Het was volledig windstil geworden.
Alleen om het meisje heen leek het alsof er een storm woedde, die aan haar haren en haar kleren trok en haar bijna omver blies. Maar ze bleef staan, rotsvast.
Tijd ging voorbij.
Tijd ging niet voorbij.
Tijd verdween.
Er was geen tijd meer. Er was alleen nog maar het staan. Het blauwe vuur. Het meisje. Haar donkere haren die tegen haar gezicht en haar blote schouders sloegen. De korte jurk die om haar benen wapperde. De mist die om haar enkels kolkte en haar leek op te willen tillen.
De maan beschreef zijn baan door de hemel en eindigde in het water van het meer. Aan de andere kant van de horizon begon te hemel te verkleuren, het donkerblauw maakte plaats voor een zacht lichtroze.
Het vuur op de hand van het meisje werd zwakker naarmate de hemel lichter werd, en zodra het eerste randje van de opkomende zon zichtbaar werd doofde het laatste vlammetje uit.
De ogen van het meisje gingen weer open.
Ze waren lichtroze. Als je goed keek kon je de oranje wolkenflarden erin zien drijven.
Het meisje ontspande de arm die ze voor zich uit had gestoken en waar zo even nog de blauwe vlammen op gedanst hadden. Ze knipte met haar vingers en haar haar daalde weer glad en roerloos neer op haar rug.
Zonder blikken of blozen tilde ze haar voet uit boven de mistflarden die vlak boven de grond hingen en stapte in het water van het meer. Ze veroorzaakte kleine kringen in het eerder nog roerloze water, die begonnen bij haar enkels en zich door het water verspreidden tot ze tegen de wal aan botsten of uit zichzelf vervaagden.
Ze maakte geen enkel geluid terwijl ze behoedzaam maar trefzeker door het water liep. Het water dat de lucht weerspiegelde. De lucht, het water en haar ogen.
Terwijl de zon steeds hoger kwam te staan veranderde de lucht. Het lichtroze werd steeds donkerder, naar rood, oranje, geel en tenslotte lichtblauw.
Terwijl de zon steeds hoger kwam te staan veranderde de ogen van het meisje. Van lichtroze, naar rood, oranje, geel en tenslotte blauw.
De lucht was wolkeloos, haar ogen helder en egaal.
Stap, stap, door het water.
Ze bleef lopen, haar onwerkelijk lichtblauwe ogen gericht op de horizon die ze weerspiegelden.
Onvermoeibaar, onstopbaar.
Het water leek nooit hoger dan haar enkels te komen, zelfs toen om haar heen niets dan open water was. Het meer was veel groter dan het op het eerste gezicht had geleken. Waar het meisje eerst had gestaan was het een soort moeras, met een nauwe opening waar puur water stroomde. Maar toen het meisje was begonnen te lopen werd de echte omvang van het water duidelijk.
Stap, stap, alsmaar verder.
Na uren, minuten, dagen, seconden, was er land. Groen land, planten. Moerasland.
Het leek sprekend op de plek van waar ze vertrokken was, maar de zelfverzekerde blik in haar ogen waarmee ze zich een weg door de lage begroeiing begon te banen maakte duidelijk dat ze haar bestemming bereikt had.
Een paar meter van de oever schemerde bruin door tussen het groen.
Als je niet wist dat het huisje er was, had je het ook niet gezien. Het meisje echter duwde voorzichtig wat struiken opzij, en stond voor een kleine, houten deur. De klink was, net als het sleutelgat, donker van het roest, maar ze duwde hem zonder enige moeite omlaag en deed de deur zachtjes open.
Binnen was het donker. Door de deuropening viel een straal zonlicht naar binnen, die een smalle baan licht op de aarden vloer.
Het meisje glipte door de kier van de deuropening naar binnen en deed de deur snel maar zacht achter zich dicht.
Ze sloot al het licht buiten.
Zelf leek ze geen last te hebben van het donker. Zodra alle andere lichtbronnen verdwenen waren begonnen haar ogen te stralen, een vreemde, blauwe gloed door de kamer waardoor alles genoeg verlicht werd om zichtbaar te zijn. Alleen in de hoeken bleven schaduwen over, buiten het bereik van haar ogen.
Schaduwen waarin genoeg verborgen bleef.
'Kom maar.'
Het was de eerste keer dat het meisje wat zei. Haar stem was hoog en zacht, een beetje zangerig. Ze klonk onschuldig en geruststellend.
'Het is veilig. Het licht zal jullie geen kwaad doen.''
Even veranderde er niets, toen kwam er iets vanuit de schaduwen iets naar het meisje toe gekropen. Het was geen mens, en ook geen dier, maar het leefde wel. Het bewoog.
Zodra het binnen het bereik van het licht uit de ogen van het meisje kwam werden de details duidelijker. Het was een meisje, eerder een mens dan een dier, al kon je het onmogelijk een echt mens noemen.
Ze kwam ongeveer tot de knie van het meisje, en ze liep op handen en voeten, de rug hoog in de lucht als een kat die zich aangevallen voelt.
Ze had wel een enigszins menselijke gestalte, maar ze was onnatuurlijk mager en haar armen en benen waren te lang, als een soort aapje. Ze droeg kleren, lompen die aan elkaar genaaid waren en een soort zak vormden die haar lichaam grotendeels bedekte. De delen van haar huid die zichtbaar waren waren doodsbleek, ziekelijk wit.
Haar gezicht was nog het afschrikwekkendste om naar te kijken. De huid was even wit als de rest van haar lichaam en stond strak over haar botten gespannen. Ze had een hoog, uitstekend voorhoofd, haar ogen, als twee gloeiende kooltjes, lagen diep in de kassen en haar wangen waren ingevallen. Het had nog het meeste weg van een doodskop. Over haar schedel lag dun, vet, donker haar dat voor haar ogen hing en in haar gezicht sliertte.
Zodra het meisje uit de schaduwen tevoorschijn was gekomen begon ze sneller te lopen, op een manier die ook erg aan die van een aap deed denken, op handen en voeten. Zodra ze bij het meisje was pakte ze één van haar benen vast en drukte haar gezicht ertegenaan.
Het meisje bewoog niet toen ze zich naar de andere kant van de kamer richtte en met haar tong klikte. Vanuit de andere hoek kwam eenzelfde wezen gekropen als het meisje dat al aan haar been hing, maar dit was een jongetje.
Hij drukte zich tegen het andere been van het meisje aan. Ze bukte zich en gaf de twee een aai over hun schedel.
'Ira.' Haar stem klonk teder, en het meisjeswezen drukte haar kop tegen haar hand aan.
'Fortitudo.' Er ging een rilling door het kleine lichaam van het jongenswezen heen en ook hij drukte zich dichter tegen het meisje aan.
Het meisje richtte zich weer op en gaf Ira en Fortitudo allebei een schop in hun buik. Ze maakten een piepend geluid en wisten niet hoe snel ze weer terug in de schaduwen moesten kruipen. Met hun armpjes om elkaar heen geslagen bleven ze in elkaar gedoken zitten en keken met grote ogen naar het meisje. Ze stond nog in het midden van de kamer, haar vuisten gebald en haar armen strak langs haar lichaam dat van top tot teen hevig trilde.
Haar ogen vlamden.
Hoofdstuk 1
De baby werd geboren met geopende ogen. Dat was ook het eerste wat de oude Naomh tegen de ouders van de pasgeborene zei.
'Het is een meisje en ze heeft ogen met de kleur van de hemel.'
Met geoefende bewegingen knipte ze de navelstreng door, wikkelde de baby in doeken en legde het bundeltje in de armen van de moeder. Die keek teder naar het kind in haar armen en gaf het een kus. 'Wat is ze mooi.' Fluisterde ze. 'Naomh, ga Conn eens halen, wil je. Zeg maar dat zijn dochter ernaar verlangt om hem te ontmoeten.'
Naomh verdween uit de kamer, en kwam even later terug met een imposante man vlak achter zich. Hij had woeste, donkere haren en baard en was zeker twee keer zo groot als de kleine vroedvrouw.
Hij boog zich over zijn vrouw die in bed lag en bekeek het kind.
'Hier.' Zei de moeder zacht, en ze tilde het kind op zodat haar man het kon vasthouden. Het bundeltje was niet veel groter dan zijn hand. Als hij even te hard zou knijpen zou hij zo alle botjes van zijn dochtertje breken.
'Ze heeft mijn haar.' Zei Conn liefdevol.
'Arm kind.' Lachte de vrouw. 'Ik had toch zo voor haar gehoopt dat ze mijn haren zou erven. Maar nee. Het is geen geluksvogel, nu al niet.'
Conn keek naar het helderrode haar van zijn vrouw. 'Vuurtorentje van me. Denk je dat ze daar echt zo veel gelukkiger mee was geweest?'
Hij kreeg geen antwoord. In plaats daarvan nam de vrouw het kind weer van Conn over en drukte het tegen haar borst. 'Er staat jou nog een zware toekomst te wachten, kleintje.' Zei ze met een serieuze, droevige klank in haar stem.
Ze kon niet weten hoeveel waarheid haar woorden bevatten.
Naomh haastte zich door het donker. De schaduwen van de nacht waren bij uitstek geschikt om zo'n klein, onopvallend persoon te verbergen.
Niemand zou haar zien.
Tegen haar borst, gewikkeld in een zwarte doek, hield ze het kind gedrukt.
'Je moet hier weg.' Fluisterde ze toen ze zeker wist dat ze buiten gehoorafstand was. 'Het spijt me zo, kind.'
Ze zweeg even terwijl ze haastig verder liep.
'Ik weet niet hoeveel je ouders weten.' Zei ze, en ze aarzelde even. 'Maar het is teveel. Je bent niet meer veilig daar.'
Ze sloeg een punt van de doek weg zodat ze het gezichtje van de baby kon zien. Het kind staarde met grote, zwarte ogen naar de hemel. Het was een maanloze nacht, maar de sterren waren des te talrijker.
'Je ogen stralen.' Fluisterde Naomh. 'Als de sterren.'
Zonder de doek terug te slaan liep ze verder. Ze had alle huizen allang achter zich gelaten, voor zich bevond zich enkel nog de verlatenheid van het bos, en ver daarachter het moeras.
'Je gaat de eenzaamheid tegemoet, nu. Ik hoop dat ik de juiste keuze maak. Dat ik jouw leven de wending geef die het zou moeten krijgen.'
Pas toen de lucht in het oosten al lichter begon te kleuren, en de ogen van de baby ook begonnen te verbleken, stond Naomh stil. Ze legde de bundel met het kind erin op de zachte bosgrond en knielde ernaast neer.
'Luister.' Zei ze op dringende toon. Ze was er blijkbaar van overtuigd dat het kind alles kon horen wat ze zei, haar begreep. Naar haar kon luisteren.
'Ik kan dit niet. Je bent te veel voor mij. Je bent te veel voor iedereen. Ik vraag me af of er iemand is voor wie je niet te veel bent. Als je zo iemand vindt, kleine, zorg er dan voor dat je diegene goed bij je houdt. Dat je hem, of haar, niet kwijtraakt. Zo iemand is belangrijk voor je.
Maar ik vraag me af of zo iemand wel bestaat.
Zoek. En misschien zal je vinden.
Ik moet je loslaten. Maar ik zal je niet zomaar, zonder iets, wegsturen. De wereld is wreed, kind. Ongenadig wreed, en ze zal geen rekening houden met jou. Jij bestaat niet. Jij bent niemand.
Maar ik zal je wat meegeven, om je te leiden.'
Naomh liet een korte stilte vallen, alsof ze haar woorden extra goed tot het kleine meisje wilde laten doordringen.
'Ik wil je je eigenschappen meegeven. Je bent nog jong, ongevormd. Laat mij je één van de zeven deugden en één van de zeven hoofdzonden meegeven, als basis.
De eerste, de deugd die ik aan je ga meegeven, is makkelijk. Als je de keuze kan maken tenminste, want alle deugden zijn positief en zou ik graag in jou terugzien. Maar de deugd die ik jou geef is Fortitudo.'
Naomh stopte een klein bolletje tussen de doeken waar de baby in gewikkeld was.
'Wees dapper, kleintje, dat zul je nodig hebben. Maar als je standvastig en moedig blijft, wat er ook gebeurd, dan komt het goed. Dat komt het altijd.'
Naomh pakte een ander bolletje en stopte dat ook bij de baby. 'Als hoofdzonde geef ik jou Ira mee. De beste van alle zeven hoofdzonden, degene waar jij het meeste aan gaat hebben. Ik wil dat je deze eigenschap bij je blijft dragen, dat je er altijd aan zult denken en je erdoor zult laten leiden.
Ira. Woede. Wraak. Voel dit tegenover je ouders, zij die ervoor hebben gezorgd dat je leven zal zijn zoals het gaat worden. Voel dit tegenover hen die je de toekomst hebben onthouden waar je recht op hebt.
En op een dag, zal je je wraak ook echt krijgen. Leef naar die dag toe.'
Naomh tilde het kind op en drukte een kus op het kleine voorhoofdje.
'En tot slot, geef ik je een identiteit. Je moet goed onthouden dat je niemand bent, niemand hebt. Je komt nergens vandaan en je gaat nergens naartoe. Maar iedereen heeft een naam.
Hier.' Naomh stopte een laatste ding bij de baby, een dunne, zilveren ketting met een medaillon eraan. 'Ik geef je je naam. Zodat je het nooit vergeet. Jij bent een vechter, kleintje.'
'Hoe heet jij?'
De man boog zich voorover, naar het kleine meisje dat zo plotseling op zijn pad was verschenen. Het kind was niet ouder dan een jaar of vijf en broodmager. Ze droeg een kort jurkje dat waarschijnlijk ooit wit was geweest, maar dat verschrikkelijk vuil was en vol zat met scheuren en gaten. In haar lange, donkere haren zaten takjes en blaadjes verweven met de ontelbare klitten.
Toen het meisje geen antwoord gaf stak de man een hand uit en raakte haar schouder aan, die, net als de rest van haar lichaam, onder de krassen zat.
Het meisje reageerde meteen op zijn aanraking. Als een wild dier, een klein katje, krom ze in een op de bosgrond. Ze sloeg haar armen om haar knieën en bleef in elkaar gedoken zitten terwijl ze met een wilde, angstige blik onafgebroken naar de man bleef staren. De man zelf leek ook te schrikken van haar reactie, want hij deinsde een klein beetje achteruit. Even aarzelde hij, of hij het nog een keer zou proberen of dat hij het vreemde meisje alleen zou laten. Hij koos voor het eerste, want hij zette een voorzichtig stapje vooruit.
'Wat doe je hier? Waarom ben je alleen?'
Het meisje kromp nog wat verder in elkaar.
'Ik zal je heus niets doen.' De man maakte even een beweging alsof hij haar nog een keer wilde aanraken, maar leek zich toen te bedenken en liet zijn armen slap langs zijn lichaam hangen.
'Wil je met me praten?'
Het meisje schudde heftig haar hoofd.
'Kan je wel praten?'
De uitdrukking op het gezicht van het meisje veranderde nu, ze leek niet bang meer, maar eerder beledigd.
'Ja.' Zei ze. Haar stem was hoog en zangerig, heel anders dan je zou verwachten bij zo'n verwilderd meisje.
De man leek ook verbaasd dat het kind iets tegen hem zei, maar hij liet niets merken en lachte vriendelijk naar haar. 'Kind toch. Wat doe je hier?'
Alsof ze nu opeens wel antwoord zou geven.
Het meisje schudde haar hoofd alleen maar en beet op haar onderlip.
'Je kan toch praten? Zeg dan wat.' Er klonk nu haast een boze ondertoon door in de stem van de man.
'Ga weg.' Zei het meisje zacht, maar zo intens dat de man er zichtbaar van schrok. 'Ik ben alleen.' Alsof ze het waar kon maken, alleen maar door de woorden te zeggen.
'Ik laat je hier niet zomaar achter. Waar zijn je ouders? Waarom ben je alleen?'
'Ik heb geen ouders. Laat me met rust.'
'Geen ouders? Hoezo niet? Wat is er met ze gebeurd dan?'
'Niets. Ze bestaan niet. Ik ben alleen. Ik heb alleen eenzaamheid.'
Het waren zware woorden voor een kind, dat was terug te zien in de ogen van de man. Hij schrok. Wat voor een vreemd wezen had hij hier voor zich? Op dat moment keek hij het meisje recht in de ogen, voor de eerste keer sinds ze was verschenen. Ze waren grijs, zo grijs als de hemel boven zijn hoofd. De voortjakkerende wolken raasden erdoorheen.
'Wie ben jij?' Vroeg hij ademloos.
'Ik ben niemand. Ik besta niet.'
De ogen van het meisje lichtten even helder op in de donkere beschutting van de bomen, toen draaide zich om en rende weg van de man. Ze was ogenblikkelijk verdwenen in het struikgewas.
De man bleef roerloos staan, alsof nog niet helemaal tot hem was doorgedrongen wat er was gebeurd.
Nog geen tien meter bij hem vandaan, maar zonder dat hij haar kon zien, stond het meisje, doodstil. Ze staarde onafgebroken met grote, glanzende ogen naar de plek in het struikgewas waar de man achter stond.
'Kaie.' Fluisterde ze, onhoorbaar. 'Ik heet Kaie.'
Het meisje stak haar hoofd boven de heg uit en keek vlug om zich heen. Een halve seconde later dook ze het groen weer in.
'Het is veilig.' Fluisterde ze tegen een jongetje dat naast haar in de bosjes zat. Hij was een jaar of negen, iets jonger dan zijzelf. Hij keek met grote ogen terug en leek het oordeel van het meisje niet helemaal te vertrouwen.
'Kaie...' Zei hij aarzelend. 'Ga jij maar.'
De lichtblauwe ogen van het meisje begonnen boos te schitteren. 'Nee.' Zei ze stellig. 'Jij gaat mee. Niet zo laf, Cailan.'
Het was wel duidelijk wie er de baas was, want het jongetje beet op zijn lip en knikte. 'Ja, Kaie. Nu?'
Het meisje knikte en wenkte met haar hoofd naar boven. 'Opstaan.'
Het jongetje stond op.
'Naar voren lopen.'
Het jongetje liep naar voren.
Hij draaide zich om en kijk twijfelend achterom naar het meisje, dat nog tussen het groen verborgen zat. 'Kaie, kom nou! Je had het beloofd!'
Het meisje knikte en stond ook op. Ze was niet veel groter dan het jongetje, maar ze straalde veel meer zelfverzekerdheid uit.
'Lopen.' Commandeerde ze kortaf.
Ze liepen, het jongetje voorop, uit het struikgewas in de richting van een huis. Een lage boerderij was het, met een rieten dak en een paar bijgebouwen. Zo op het eerste gezicht leek het verlaten.
'Je weet toch wel zeker dat er niemand is, hè?' Vroeg het jongetje angstig. Het meisje rolde met haar ogen, zonder dat hij het kon zien, voor ze hem op geïrriteerde toon antwoord gaf. 'Natuurlijk weet ik dat zeker. Ik ben niet achterlijk.'
Ze liepen een stukje verder, zwijgend. Toen ze op een steenworp afstand van het huis waren hield het meisje het jongetje tegen. 'Vanaf hier ga ik voorop. Zachtjes blijven!' Ze fluisterde, maar kreeg het toch nog voor elkaar haar stem bazig en dwingend te laten klinken.
'Ja, Kaie.'
'Sst!'
Het jongetje was stil.
Ze liepen verder. Ze slopen verder.
Plotseling, zonder enige waarschuwing, liet het meisje zich plat op haar buik op de grond vallen. Het jongetje deed exact hetzelfde zodra hij haar naar beneden zag gaan.
'Wat is er?' Vroeg hij zacht. Niet zacht genoeg blijkbaar, want het meisje trapte haar blote voet naar achteren, recht in zijn buik.
'Mond dicht, gek!' Siste ze tussen opeengeklemde kaken door, niet zachter dan hij net had gepraat. 'Als ze ons pakken dan zijn we de klos, en dan is het jouw schuld!'
Het jongetje knikte berouwvol, maar zei niets meer, bang dat hij nog iets verkeerd zou doen.
Het meisje wenkte dat hij mee moest komen, en op haar buik begon ze dichter naar het huis toe te schuiven. Niet naar de voordeur, maar naar een raam in één van de zijmuren.
Het zat dicht, maar het meisje leek niet verbaasd toen ze dat ontdekte.
'Maak open.'
Het jongetje stond op en duwde tegen het glas en tegen het kozijn, zonder enig resultaat. Hij keek vertwijfeld naar het meisje. 'Het lukt niet.'
'God, wat ben jij dom zeg.' Snauwde het meisje. 'Serieus, af en toe vraag ik me af waarom ik dit alles voor je doe, Cailan.'
Ze stond soepel op en liep naar het raam toe. Ze sloot haar ogen en legde de palm van haar linkerhand heel lichtjes tegen het glas. Even gebeurde er niets, toen brak het raam en vlogen de glassplinters in het rond. Het jongetje sprong verschrikt achteruit, maar het meisje bleef staan.
'Niet zo bang! Kom, ga naar binnen. Ik blijf buiten op de uitkijk staan. En je moet zorgen dat je snel terug bent!'
Het jongetje knikte, keek even achterom, alsof iemand hem opeens vanuit het niets te hulp zou komen, en klom door het kapotte raam het huis binnen.
In één soepele beweging ging het meisje in kleermakerszit op de grond zitten, leunde met haar rug tegen de muur van het huis en sloot haar ogen. Van de wacht houden was geen sprake.
Ze bleef onwerkelijk roerloos zitten terwijl ze wachtte tot het jongetje terugkwam.
Nog voordat zijn been door de opening van het gebroken raam zichtbaar werd was ze al opgestaan en ze keek met samengeknepen ogen toe hoe hij voorzichtig naar buiten klom.
'Hier.' Het jongetje legde een bundel doeken op de grond voor de voeten van het meisje en deed een stapje achteruit.
Het meisje gaf hem een kort, afgemeten knikje en knielde neer zonder hem verder nog één blik waardig te keuren. Ze sloeg de stof van de bundel terug en inspecteerde de inhoud. 'Kleren...' Mompelde ze zachtjes in zichzelf. 'Zeep, een schaar.' Geen eten?' Ze keek omhoog naar het jongetje. Hij staarde naar zijn voeten en schudde zijn hoofd. Het meisje bleef een seconde lang roerloos naar hem kijken, toen sprong ze lenig op en pakte zijn pols vast.
'Leugenaar.' Siste ze, en boorde haar nagels in de rug van zijn hand zodat zijn vingers zich openden. In het zand viel een stuk brood, nauwelijks groter dan de vuist van het jongetje.
'Verrader.'
De ogen van het jongetje sperden zich wijs open en de angst voor het meisje stond er duidelijk in te lezen. Toen, zonder enige waarschuwing, verdween de angst in de ogen van het jongetje en maakte plaats voor intense afkeur, en zelfs een beetje medelijden. Voor het eerst leek hij even haast ouder dan het meisje.
'Jij bent onuitstaanbaar, Kaie.' Zei hij zacht en langzaam. 'Ik begrijp niet hoe jij met jezelf kunt leven.' Hij bleef haar nog even roerloos aankijken, toen draaide hij zich om en rende weg zonder nog één keer om te kijken.
Het meisje bleef achter.
Alleen.
Het hele bos was donker. De bomen vormden een zwarte, ondoordringbare muur die alles wat zich tussen de stammen bevond aan het zicht onttrok.
Het meer, diep in het bos gelegen, was alleen te zien als je er vlak naast stond. De maan scheen door de opening in het gebladerte op het inktzwarte water. Er trokken grote kringen doorheen. Het water was niet leeg.
Het magere lichaam van het meisje lichtte bleek op in het donker. Ze was een jaar of dertien, ze was langzaam aan het veranderen van een meisje in een vrouw.
Ze was alleen, het bos om haar heen lag er verlaten en roerloos bij.
Het meisje zwom met langzame, geoefende slagen, haar lichaam gleed haast geruisloos door het water van het meer.
Het water moest ontzettend koud zijn, maar ze liet er niets van merken.
Ze zwom naar de oever en kom op het droge. Zelfs toen ze naakt en druipend op de bosgrond stond leek de koude nachtlucht haar niets te doen. Ze pakte een klein, glimmend voorwerp van de grond en liet zich weer in het water glijden.
Ze pakte één van de lange haarstrengen op die als een donkere waaier op het water om haar heen dreven en bracht de schaar naar haar hoofd. Het metaal sneed door het donkere haar en de lange lokken vielen in het water. Het meisje ging net zolang door met knippen tot het water om haar heen niet meer te zien was.
Ze klom de oever weer op en bleef, terwijl haar lichaam langzaam opdroogde, staan kijken hoe het donkere haar in het water langzaam naar beneden begon te zinken.
Het meisje trok de deur van het kleine huisje zachtjes achter zich dicht. Als je niet wist dat het er was zou je het niet opmerken, zo goed was het verborgen tussen de begroeiing.
Zonder enige aarzeling over welke kant ze op moest begon ze tussen de dicht op elkaar staande bomen door te lopen. Haar haar bleef voortdurend haken in de laaghangende takken die zich als lange, begerige vingers naar haar hoofd uitstrekten, maar ze leek het niet te voelen.
Hoewel het donker was en ze nauwelijks kon zien waar ze haar voeten neerzette keek ze niet naar de donkere bosgrond maar bleef ze strak voor zich uit kijken. Haar diep donkerblauwe ogen waren niet gefixeerd op het bos, zelfs niet op deze wereld. Toch bleef ze in een moordend tempo doorlopen.
Ze stopte pas bij de rand van een meer, de tenen van haar blote voeten krulden over de oeverrand en raakten net niet het water. Haar ogen werden weer helder, ze keerde weer terug naar het hier en nu.
Het hier en nu.
Hier, aan de rand van de oever van een meertje, diep weggestopt in een vergeten, verlaten bos.
Nu, zeventien jaar na de dag dat ze in datzelfde bos was achtergelaten, alleen, met niets anders dan haar naam en haar karakter.
En haar talenten.
Ze sterkte haar linkerhand naar voren.
Hoofdstuk 2
'Kaie!'
Ze keek op en draaide haar hoofd in de richting waar het geluid vandaan was gekomen. Ze streek een haarlok achter haar or en zette de mand die ze vasthield op de grond.
'Ja?'
Tussen de dichte bomenrij die de open plek omlijstte kwam een jongen tevoorschijn. Hij was een jaar of achttien en had al wel de lengte van een volwassen man, maar nog niet de breedte, wat hem een slungelig en onbeholpen uiterlijk gaf.
'Kaie!' Riep hij nog een keer naar het meisje en hij rende naar haar toe. Zodra hij bij haar was sloeg hij zijn lange armen om haar heen.
'Cayden!' Riep Kaie verontwaardigd en met een lach in haar stem. De blijheid om hem te zien droop van haar gezicht.
'Af, gek! Laat me los!' Ze haalde naar hem uit en hij deed vlug een stap naar achteren zodat ze hem niet zou raken.
'Niet zo wild, kat!' Zei Cayden plagerig. 'Ik heb goed nieuws voor je!'
Kaie's heldere, lichtblauwe ogen lichtte op, alsof de zon ging schijnen in haar gezicht. 'Wat dan?' Ze ging op een grote steen zitten. Cayden plofte naast haar neer en Kaie legde haar hoofd op zijn schouder. Ze sloot haar ogen en genoot van de zon, die voor het eerst sinds weken weer volop scheen.
'Ik ben ook blij dat het weer mooi weer is.' Zei Cayden. 'Je ogen zijn een stuk mooier als de zon schijnt.'
Zonder haar ogen te openen, zelfs zonder dat de gelukzalige uitdrukking op haar gezicht veranderde gaf Kaie hem een por in zijn ribben.
'Sorry hoor.' Lachte Cayden, en hij sloeg een arm om haar heen. 'Ik hou mijn mond al.'
'Nee.' Zei Kaie dromerig. 'Vertel nou.'
'Wat?'
'Het goede nieuws.'
'O ja. Ja. Nou, ik heb geregeld dat je in het dorp kan komen wonen.'
Kaie's ogen vlogen open en ze schoot overeind. 'Wat?!'
'Dat wilde je toch? Ik heb gezegd dat mijn nichtje uit het noorden komt, voor onbepaalde tijd, omdat haar ouders zijn overleden. Niemand die dat gaat controleren.'
'En je vader?' Vroeg Kaie stuurs.
Cayden keek haar cynisch aan. 'Mijn vader zou het nog niet doorhebben als ik een stel koeien in de woonkamer zou houden. Denk je nou echt dat hij jou ook maar zou opmerken?'
'Ja.' Knikte Kaie. 'Ja.'
Cayden nam haar onderzoekend in zich op. Hij pakte haar kin vast en draaide haar gezicht, dat ze van hem afgewend had, naar zich toe. 'Je wilt niet.' Het was geen vraag, maar een conclusie.
Kaie trok haar gezicht los en staarde strak naar haar blote voeten in het gras. 'Nee.' Zei ze zacht, haast onhoorbaar.
Cayden zuchtte en keek haar lichtelijk gefrustreerd aan. 'Waarom nou, Kaie?' Vroeg hij wanhopig. 'Ik probeer alles, ik doe alles voor je wat ik kan. En jij slaat alle hulp af. Wil je überhaupt wel geholpen worden?'
Kaie keek hem nu ook aan, ze was meteen in de aanval geschoten. Haar ogen schoten vuur – haast letterlijk. 'Heb ik ooit om hulp gevraagd? Heb ik ooit ook maar enig teken van hulpbehoevendheid, van zwakte, getoond?'
Ze slingerde de woorden naar Cayden toe. Ze troffen hem stuk voor stuk, als kogels.
'Nee!' Ze gaf het antwoord op haar eigen vraag voor hij ook maar de tijd had om alles tot zich door te laten dringen.
'Ik heb nooit ergens om gevraagd. Ik heb niet eens om jou gevraagd! Je bent gewoon zomaar mijn leven binnen gekomen, en je dacht dat je je zomaar overal mee kon gaan bemoeien!'
Kaie stond op zodat ze recht voor Cayden stond en boven hem uit torende. 'Dat ik je toelaat – dat ik je niet allang heb weggeschopt – wil nog niet zeggen dat je het recht hebt om mijn hele leven te bepalen!'
Kaie beëindigde haar tirade door demonstratief haar handen op haar heupen te zetten, maar ze liet de energie die ze uitstraalde niet verslappen. De meeste mensen zouden nu zo vlug ze konden de benen hebben genomen. Cayden echter keek Kaie een halve seconde roerloos aan, toen stond hij ook op en keek bijna even boos terug.
'Jij.' Hij prikte met zijn vinger in Kaie's borst. 'Jij bent het koppigste, meest eigenwijze, driftigste meisje dat ik ooit heb ontmoet!'
Zonder waarschuwing sloeg hij zijn armen om Kaie heen en gaf haar een knuffel. Heel even aarzelde ze, toen bracht ook Kaie haar armen omhoog en beantwoorde zijn omhelzing.
'En nu niet meer doen hè?' Zei ze toen ze hem weer losliet. Cayden schudde zijn hoofd. 'Maar Kaie, je kan toch niet altijd hier blijven? Zeg nou zelf, wat heb je hier te zoeken? Wat heb je hier voor toekomst?'
Kaie aarzelde even. 'Meer toekomst dan in het dorp.'
Cayden trok één wenkbrauw op.
'Geloof me nou maar.' Zuchtte Kaie, plotseling vermoeid. 'Ik kan hier echt niet weg. Ik kan in ieder geval niet naar het dorp.'
'Maar waarom dan niet?' Het was duidelijk dat ze deze discussie niet voor het eerst voerden.
'Ik kan niet met mensen omgaan, Cayden. Ik kan nooit lang tussen de mensen leven.'
'En wat ben ik dan? Een monster?' Onder de lach in Caydens stem zat ook nog een serieuzer toon verborgen.
'Nee.' Zei Kaie eveneens lachend. 'Nee, jij bent een uitzondering.'
'En daar ben ik blij om!'
'Slijmbal!' Kaie gooide een aardbei uit haar zak naar hem toe.
'Nou ja. Dan zeg ik wel dat mijn nichtje ook besmet is. Ik zie je nog wel!'
'Ja. Doe de groeten aan Meagan.'
Cayden rolde met zijn ogen. 'Het is wel goed, Kaie, je hoeft echt niet te doen alsof je haar aardig vindt. Ik weet toch wel dat je haar niet kan uitstaan.'
Kaie legde haar vinger tegen haar lippen. 'Stiekem ben ik gewoon stikjaloers op haar, weet je.'
'Ja, natuurlijk. Wie wil mij nou niet?' Cayden gaf haar een overdreven knipoog en ontlaadde zo het gespannen gesprek.
Hij kreeg een tweede aardbei als antwoord. 'En nou opzouten jij!'
Toen Cayden van de open plek was verdwenen liet Kaie zich op het rotsblok zakken en legde haar hoofd in haar handen.
'Je moest eens weten hoe waar dat laatste is.' Zei ze tegen een mier die in het gras naast haar voeten liep. 'Van één moord zou ik nooit spijt krijgen als ik die zou begaan...'
Kaie zette haar mandje, dat ongeveer voor de helft gevuld was met kleine, helderrode aardbeitjes, neer en legde er een doek overheen.
'Waag het eens om er ook maar een halve aardbei uit te halen.' Zei ze streng tegen de lege kamer. 'Ik merk het toch meteen.'
Uit de achterste hoek van de kamer kwamen heel voorzichtig twee wezentjes gekropen. Op onbeholpen wijze bewogen ze op lange, stakerige armen en benen naar Kaie toe en drukten zich tegen haar benen. Het meisje leek helemaal geen afkeer voor de wezens te voelen, want ze pakte het meisje op en hield haar als een baby in haar armen. 'Ira!' Kirde ze op hoge toon en gaf haar een kus op haar hoofd.
'Hebben jullie me zo gemist?' Vroeg ze op een toon waarmee je een baby of een geestelijk gehandicapt kind aanspreekt. 'Agos. Zullen we dan even wat te eten voor jullie gaan maken?'
Ira knikte en keek met begerig glinsterende, kleine, zwarte oogjes naar het mandje met aardbeien.
'Nee.' Zei Kaie streng, en ze gaf Ira een behoorlijk harde tik. Het wezentjes kromp ineen tegen Kaie's borst.
'Ssh.' Suste Kaie, nu weer één en al zachte vriendelijkheid. 'Hé, het spijt me. Kom.' Ze zette Ira op de grond terug en pakte één van haar handjes vast.
Het jongetje strompelde achter de twee aan toen ze naar een andere hoek van de kamer liepen.
'Hier.' Kaie zette twee legen, stenen bakjes op de grond. De twee wezentjes schoten allebei op het meest linkse af. Het jongetje was er eerder, sloeg zijn magere armpjes eromheen en hapte naar Ira.
'Fortitudo!' Riep Kaie boos. 'Af!'
Onder de strenge woorden van Kaie kromp het jongetje ook ineen.
'En nu rustig blijven, hè?' Waarschuwde Kaie, en ze gaf Ira en Fortitudo beide een aai over hun kop. Ze liet ze achter bij hun bakken en liep het huisje uit, erop lettend dat ze de deur goed achter zich dicht deed.
Ze liep naar de achterkant van het huisje en van daar af dieper het bos in. Ze had nog geen dertig meter gelopen toen alle geluiden plotseling verstomden. De vogels en de dieren, zelfs de wind was gaan liggen. De stilte die zo plotseling over het bos neerdaalde was onwerkelijk, beangstigend.
Kaie liep nog een stukje verder, even stil als het bos om haar heen. Haar blote voeten op de bosgrond maakten geen enkel geluid. Met het neerzetten van haar voeten verschoof ze geen enkel blaadje.
Het was alsof ze in een zeepbel liep waarin niets van de buitenwereld doordrong.
Kaie zakte plotseling, zonder enige waarschuwing, op haar knieën. Haar hoofd viel voorover op haar borst en haar ogen staarden nietsziend naar beneden.
De bomen begonnen weer te bewegen. Alleen de bomen in de kring om haar heen begonnen mee te wiegen met een onvoelbare wind. Hun bladeren ruisten, hun takken zwiepten wild tegen elkaar en door de lucht.
Kaie bleef echter roerloos zitten. Toen de wind in de boomkruinen aanzwol, liet die het meisje echter ook niet onaangeroerd. Haar lange haar waaide wild om haar gezicht en ook haar jurk trok aan haar lichaam, alsof die haar vooruit wilde krijgen. Zelfs vertrok Kaie nog steeds geen spier.
De wind werd alsmaar harder en harder. De bomen bogen steeds verder door en kraakten onheilspellend. Bladeren vlogen door de lucht, takken braken af.
Een enorm stuk hout vloog door de lucht en belandde met een zware dreun op de grond. Kaie hief haar hoofd op.
'Genoeg.'
haar stem kwam nauwelijks boven het gebulder van de wind uit, maar zodra de woorden over haar lippen waren werd het weer stil. Doodstil, alsof er niets gebeurd was.
'Dat was leuk, hoor.' Kaie's spottende stem klonk ijl en vreemd in het stille bos.
'Laat je zien.' Beval Kaie.
Even gebeurde er niets, toen begon de lucht op een bepaalde plek te trillen. Zoals de lucht boven de weg trilt op een hele warme dag. De blaadjes op de grond onder de trillende lucht bewogen zachtjes heen en weer. Kaie keek toe met een ongeduldige uitdrukking op haar gezicht, maar ze zei niets.
De lucht, die eerst alleen nog maar had getrild, begon te veranderen. Het leek haast vloeibaar te worden, ondoorzichtig en stroperig.
De lucht begon vorm te krijgen.
Maar net toen bijna zichtbaar was wàt het nou precies was, hield het op. De lucht trilde en bewoog niet meer, de blaadjes lagen weer stil.
In de lucht, zo'n anderhalve meter boven de grond, hing nu... ìets.
Het was moeilijk, haast onmogelijk, om te zeggen wat het nou precies was. Het had geen vorm.
Het was ook niet helemaal aanwezig, je kon de bomen erachter er doorheen zien.
Het was iets, maar het was er niet.
'Niet je mooiste verschijningsvorm.' Merkte Kaie op. 'Maar het kan ermee door.'
Ze wachtte even en nam het ding in de lucht zorgvuldig in zich op.
'Waarvoor ben je gekomen?' De stem die door het bos klonk was ijl, haast vergelijkbaar met de wind. Een geritsel door de boombladeren.
'Wat denk je? Ik wil met je praten.' Kaie zette haar handen op haar heupen, leunde op één been en hield haar hoofd scheef terwijl ze het ding aan bleef kijken. Ze focuste ook niet op de bomen erachter, maar echt op de ijle verschijning zelf.
'Je hebt vragen.' Klonk het door het bos. 'Maar Kaie, weet je dan niet dat je niet zo veel vragen moet stellen? Niemand zou te veel moeten weten.'
'Kan me niet schelen.' Zei Kaie geïrriteerd, alsof dit al heel vaak tegen haar was gezegd.
'Ik weet toch al te veel.'
'Je bent niet veilig meer, Kaie.'
'Kan me niet schelen. Ik zorg wel voor mezelf.'
'Je kan niet altijd voor jezelf zorgen. Ooit zal je mensen nodig hebben, Kaie, of je dat nou wilt of niet. En je zal zien dat degenen die je nodig hebt er dan niet zijn.'
'Dan nog kan het me niet schelen.' Riep Kaie boos. 'Bemoei je niet met mij, ik bepaal mijn eigen leven en daar kan ik niemand anders bij gebruiken.'
'En Cayden dan?'
'Cayden is anders. Cayden doet er niet toe. Laat hem erbuiten.'
'Je spreekt jezelf tegen, Kaie, maar ik zal me er niet langer in mengen. Als jij problemen wilt creëren door mijn adviezen in de wind te slaan, moet je dat zelf weten.'
'Dank je.' Ze meende het niet. 'Kunnen we dan nu eindelijk verder gaan?'
'Natuurlijk. Vraag maar.'
'Wanneer is het tijd?'
'Tijd voor wat?'
'Om te gaan.'
'Je wilt weg.'
'Ja.'
'Je bent te ongeduldig, Kaie.' Er ruiste een zucht door de bladeren. 'Je moet leren wachten. Je moet dit soort dingen niet zelf willen bepalen, want jij bent niet degene die de touwtjes in handen heeft. Je kan hier nog niet weg.'
'Ik ben hier klaar.'
'Maar hier is nog niet klaar met jou. En daar is nog niet klaar voor jou. Luister goed, Kaie. Je taak hier is nog niet over, al denk jij misschien van wel. Maar jij bent niet degene die dat bepaalt. Wacht af, en je zal vanzelf zien wat er op je pad komt.'
'Ik volg geen pad.'
'Dat zou je wel moeten doen. Jij bent niet in staat je eigen pad door de wildernis te hakken. Je verdwaalt, Kaie, het is al bijna te laat. Keer terug naar het pad dat voor jou is aangelegd. Je moet niet tegen je lot ingaan.'
'Ik heb geen lot.'
'Iedereen heeft een lot.'
'Ik niet. Ik heb alleen mezelf.'
'Dan los je het zelf ook maar op.' Het ruisen werd harder en harder en slokte de stem volledig op.
Storm.
Een halve minuut maar, toen hield het natuurgeweld weer op en werd het bos weer rustig.
Het was stil, maar niet het onnatuurlijke stil van eerder. Het zachte zingen van de vogels klonk tussen de bomen, een nauwelijks voelbaar briesje liet bladeren zachtjes ritselen.
Alleen Kaie verstoorde de vrede die het bos uitstraalde. Ze stond midden op de open plek, doodstil, met kaarsrechte rug en haar vuisten gebald. Ze had haar ogen gesloten en haar gezicht was verkrampt in een uitdrukking van ingehouden woede.
Vanuit haar vuisten begon ze te trillen, eerst alleen haar handen en vandaar uit ook haar armen en schouders en de rest van haar lichaam.
Om haar linkerhand vormde zich een blauwe gloed.
Kaie opende haar hand en een gloeiende, blauwe bol, ongeveer zo groot als een flinke kastanje, viel naar beneden.
'Stop.' Zei Kaie, vlak voordat de bal de grond raakte. Hij bleef een centimeter of twintig boven de grond zweven.
Kaie balde haar gespreide vingers weer samen en het licht verdween.
Ze ontspande, en het trillen stopte.
'Niemand bepaalt over welk pad ik loop. Niemand bepaalt of ik überhaupt wel over een pad loop.' Zei ze zacht. 'Daar heb ik geen zin in.'
Kaie liet zich op haar knieën zakken, boog voorover en drukte haar lippen tegen de grond. 'Je bent verschrikkelijk, maar dank je.' Mompelde ze met haar lippen tegen de aarde.
Ze stond op, bleef nog even staan en begon toen in hoog tempo terug te lopen.
Zodra ze het huisje binnen kwam kwamen Ira en Fortitudo naar haar toe en drukten zich tegen haar aan, maar Kaie reageerde niet. In plaats daarvan verstijfde ze.
'Ik moet weg.' Zei ze met lichte paniek in haar stem. 'Ik moet het goedmaken met Cayden. God, waarom ben ik af en toe toch zo ongelooflijk naïef?'
Ira en Fortitudo keken haar vragend aan en begonnen langzaam van haar af te bewegen. Kaie schudde haar hoofd en stormde de deur uit.
Hoewel Kaie's huisje de indruk wekte dat het midden in het bos lag, mijlenver van alle vormen van alle vormen van bewoning of beschaving, bleek niets minder waar te zijn. Vijf minuten lopen van het bouwsel liep een klein paadje, dat na nog tien minuten lopen overging in een bredere weg. Daar was alle magie van het bos allang verdwenen. De bomen die in rechte, ingeperkte rijen parallel langs de weg stonden maakte eerder een droevige indruk. Kaie's gezicht was vertrokken in een grimas toen ze erlangs liep.
De weg was verlaten, wat vreemd was voor dit tijdstip in dit seizoen.
Kaie had een minuut of tien de weg gevolgd toen ze de eerste huizen van het dorpje bereikte. Het was geen stad met een echte poort of zelfs maar een toegang. De weg liep zonder enige verandering het dorpje in, alsof hij niet doorhad dat er huizen stonden, dat er een dorp was.
Zo liep je tussen de bomen, zo liep je tussen de mensen.
Het was druk op straat. Kaie mengde zich onopvallend tussen de mensen, alsof ze een vreemde was. Niemand besteedde aandacht aan haar, en als er al een vluchtige blik in haar richting werd geworpen was die wantrouwend en afkeurend.
Ze hoorde hier niet.
Het was wel duidelijk dat het niet de eerste keer was dat Kaie in het dorp was, want ze liep vlug en doelgericht door de straten. Straten die eerst licht en open waren, maar naarmate ze verder liep gingen de huizen dichter op elkaar staan en werden de straatjes smaller en donkerder.
Het was duidelijk niet de beste buurt waar ze moest zijn.
Het gebouw waar Kaie voor bleef staan onderscheidde zich in niets van de andere gebouwen in de straat. Het was gemaakt van dezelfde ruwe, donkergrijze steensoort, de hoge, kleine ramen werden afgesloten door dezelfde houten luiken en het zag er net zo onbewoond uit.
Kaie liet zich echter niet tegenhouden door het onuitnodigende uiterlijk, en zonder verdere omhaal gaf ze een paar stevige kloppen op de zware deur.
Het duurde even voor die open ging en de eerlijke, grijze ogen van Cayden door de kier keken.
'Kaie?' Zei hij verbaasd toen hij het bezoek herkende. 'Wat doe jij hier?'
Kaie schudde ongeduldig haar hoofd. 'Kan ik binnenkomen?'
Cayden keek even over zijn schouder naar achteren en deed de deur verder open. 'Kom maar. Let niet op de rommel.'
Kaie stapte over de drempel. In plaats van een hal kwam ze meteen in een ruimte die waarschijnlijk de woonkamer moest voorstellen.
Het was niet verlicht en de halfgesloten gordijnen hielden het meeste licht tegen, zodat het schemerdonker was. Het meubilair was beperkt tot enkel het hoognodige, en ook dat verkeerde in erbarmelijke staat.
'Ga zitten.' Cayden bood Kaie de enige echte stoel in de kamer aan en kwam zelf op een kruk naast haar zitten. 'Goed. En vertel nu eens wat er precies is?'
Kaie negeerde zijn vraag. 'Waar is je vader?'
'Hij slaapt.' Antwoordde Cayden stroef.
Kaie knikte.
'Het spijt me zo, Cayden!' Zei ze plots, iets te snel en te hard en met lichte paniek in haar stem. Cayden keek haar verbaasd aan.
'Waarom? Wat is er dan?'
'Het spijt me gewoon... voor alles. Voor mij. Ik ben niet goed voor je, Cayden. Jij doet zoveel voor me, alles wat je maar kan, terwijl je het zelf zo moeilijk hebt. En ik ben zo egoïstisch en denk alleen maar aan mezelf en ik zou eigenlijk jou moeten helpen en... en...' Ze snikte en verborg haar gezicht in haar handen.
Cayden bleef even bewegingsloos naar haar schokkende schouders kijken, toen sloeg hij een arm om haar heen en aaide haar zachtjes over haar rug.
'Hé.' Zei hij voorzichtig. 'Hé, niet doen. Je moet niet zo hard zijn voor jezelf. Je bent geen slecht persoon, Kaie, en je bent aan mij helemaal niets verplicht. Ik wil je helpen omdat ik van je hou, dat weet je toch?'
'Je kan niet van mij houden.' Zei Kaie gesmoord vanachter haar handen. 'Je kent me niet eens. Ik lieg tegen je. Je weet niet eens wie ik echt ben, wat ik echt ben.'
'Je bent nog een kind, Kaie. En kinderen hebben hulp nodig.'
Kaie liet haar handen zakken en hief haar betraande gezicht naar hem op.
'En jij denkt dat jij me die hulp kan geven?" Ze was niet sarcastisch, alleen maar verdrietig en doodserieus.
'Ik wil voor je doen wat ik kan.'
'Maar je kan niets doen.'
'Natuurlijk wel.' Cayden trok Kaie nog wat dichter tegen zich aan. 'Laat me er gewoon voor je zijn. Laat me je troosten, je blij maken. Laat je me weer zien lachen, vrolijk zijn. Je moet jezelf niet straffen als daar geen reden toe is, daar word je echt niet beter van.'
Kaie zuchtte, maar zei niets.
'Laat me nou gewoon toe, Kaie, doe niet zo koppig en blijf me niet afstoten. Als je altijd iedereen buiten blijft sluiten, hou je uiteindelijk niemand meer over.'
'Ik heb ook niemand nodig.' De tranen waren uit Kaie's stem, die nu kil en afstandelijk klonk, verdwenen. Caydens reactie was al even emotieloos.
'Mij ook niet?'
Kaie zuchtte nog een keer en legde haar hoofd tegen Caydens schouder. 'Het is moeilijk, Cayden. Ik ben niet normaal.'
'Weet ik.'
Kaie veerde overeind en keek hem verbaasd, haast een beetje angstig aan.
'Wat weet je?'
'Kaie, het is toch wel duidelijk dat jij geen gewoon meisje bent? Je bent zeventien. Althans, dat zeg je. Je woont alleen in een afgelegen bouwsel ergens midden in het bos. Niemand weet wanneer je daar precies bent gekomen of wanneer je weer gaat. Of wat je daar precies uitvoert. Je praat haast nooit met iemand, en als je dat al doet vertel je ze niets.
Het zal allemaal wel, Kaie.' Zuchtte Cayden vermoeid. 'Misschien kan je maar beter gaan, ik geloof dat ik nu even niet meer voor mezelf in kan staan.'
'Ja.' Zei Kaie met een diep ongelukkig gezicht. 'Het spijt me Cayden, echt heel erg.'
'Dat hoeft niet.'
'Jawel.'
Kaie stond op en zonder nog om te kijken liep ze het huis uit. Toen ze de deur achter zich dicht had gedaan draaide ze zich om en bleef naar het hout staan kijken. Ze deed haar mond open, alsof ze op het punt stond om iets te zeggen, maar ze kreeg de woorden niet over haar lippen. Ze schudde haar hoofd en liep weg.
'Waar denkt hij wel niet dat hij mee bezig is?'
Kaie zat ineengezakt op de zanderige vloer met haar hoofd in haar handen.
'Waarom moet hij zich toch overal zo mee bemoeien?'
Ira en Fortitudo cirkelden zenuwachtig om haar heen en duwden hun hoofden in een troostend gebaar tegen haar lichaam.
Kaie trok Ira naar zich toe en drukte het kleine lichaampje tegen zich aan. Ze legde de magere armpjes om haar nek, en Ira gaf haar een knuffel. Waarschijnlijk meer uit gewoonte dan uit liefde.
Zonder enige waarschuwing begon Ira zachtjes te piepen, een hoog, ijl geluidje, maar Kaie reageerde er niet op. Ze spande de spieren in haar bovenarmen aan en hield het kleine lichaampje nog steviger tegen zich aan.
Het piepen hield op, Ira perste haar dunne, bloedeloze lippen stijf op elkaar. De uitdrukking op haar gezicht vertrok en haar bleke wangen kregen een rode weerschijn.
Kaie stopte niet met het aanspannen van haar spieren.
Ira's gezicht, dat eerst rood was, werd achtereenvolgens heel donkerpaars en blauw. Ze was langzaam aan het stikken.
Kaie's spieren verslapten.
Zodra Ira voelde dat ze haar bewegingsvrijheid weer terug had begon ze wild te spartelen en wrong zich los uit Kaie's armen. Ze kon nauwelijks meer recht lopen toen ze, zo snel als ze kon, maakte dat ze bij Kaie uit de buurt kwam, onmiddellijk gevolgd door Fortitudo.
Kaie trok, zonder nog naar Ira te kijken, haar benen op tegen haar borst, sloeg haar armen eromheen en legde haar voorhoofd op haar knieën.
Ze bleef onbeweeglijk ziten.
'Ik snap het niet.' Mokte ze, hoewel zelfs Ira en Fortitudo er nu niet meer waren om tegen te praten.
'Ik wil hier helemaal niet meer blijven. Ik ben hier klaar. Rotstad, rotbos, rotmensen. Zelfs de krachten hier zijn waardeloos. Wat had ik nou aan die stomme windgeest van daarstraks? Waarom zou ik hier in vredesnaam blijven, als ik hier niets meer te zoeken heb?'
Ze zweeg even, alsof ze op een antwoord wachtte.
'Cayden, dat zou de enige reden kunnen zijn, maar hij kan me niets meer schelen. Niet zoveel dat ik voor hem blijf.'
Weer een stilte.
'Ik ga.' Zei Kaie tenslotte. Ze klonk heel beslist, ze wist het zeker.
'Ira! Fortitudo!'
De twee kwamen langzaam weer uit hun hoek tevoorschijn, toen ze voelden dat Kaie's woede weer verdwenen was.
'We gaan.'
Kaie's helderblauwe ogen begonnen te twinkelen.
Ze trok de deur achter zich dicht, haalde de sleutel uit het slot zonder het eerst dicht te doen en slingerde het kleine voorwerp de struiken in.
Op haar rug droeg Kaie een kleine rugzak, haar kleren hadden onopvallende, donkere kleuren en haar schoenen waren van stevig leer.
Ira en Fortitudo, beiden geblinddoekt, drukten zich tegen haar benen.
'Rustig maar.' Kaie knielde en legde haar handen op hun hoofden. 'Het spijt me, maar we moeten nu vertrekken, ook al is het nog licht. We hebben geen tijd om te wachten tot de zon onder is. Jullie kunnen het wel, het is zo donker en dan mag jullie blinddoek af.'
Ze kwam weer overeind en haalde haar duimen onder de soepele, leren schouderbanden van haar rugzak door.
'Vaarwel.' Zei ze opgewekt, en begon met grote, snelle passen te lopen. Alsof ze, nu ze eenmaal besloten had weg te gaan, ook niet kon wachten tot ze daadwerkelijk het bos achter zich had gelaten. Ira en Fortitudo kwamen een stukje achter haar aan, hoewel ze geblinddoekt waren kwamen ze toch snel en zelfverzekerd vooruit.
Geen van drieën maakten ze geluid bij het lopen. De dorre blaadjes op de grond bleven onbewogen liggen. De enige geluiden die klonken waren die van het bos, zacht en kalmerend.
Het leek allemaal volledig langs Kaie heen te gaan. Ze bleef in hoog tempo doorlopen haar ogen gericht op een eindeloze verte. Haar lippen bewogen, maar ze maakte geen enkel geluid. Ze bleef enkel voor zichzelf praten.
Plotseling bleef ze, onaangekondigd, stokstijf staan. Haar ogen waren gesloten, en alle spieren in haar lichaam waren zo strak aangespannen dat ze trilden.
'Nee.' Zei ze zacht, angstig. 'Nee, nee, dat kan niet.'
Haar ogen bewogen wild in hun kassen, hoewel ze gesloten bleven.
'Ga weg. Laat me met rust.'
Haar lichaam maakte een beweging alsof ze weg wilde rennen, maar ze kwam niet van haar plaats.
'Ik doe wat ik wil.' Ze klemde haar kaken op elkaar. 'Je kan me niet tegenhouden.'
Ze begon nog heviger te trillen, ze balde haar vuisten en boog haar hoofd. De blauwe vlammen kropen over haar vingers en pols. Eerst waren ze klein, maar ze werden groter en groter naarmate ze langer bleef staan.
Ze voerde een strijd met het onzichtbare.
Een verloren strijd.
Het was uren later toen Kaie tenslotte ontspande, haar hoofd ophief en haar ogen weer opende. De blauwe vlammen verdwenen.
'Zie je wel.' Zei Kaie, met lichte triomf in haar stem. Ze wenkte Ira en Fortitudo, die al die tijd op een paar meter afstand naar haar hadden zitten kijken.
'Kom.' Zei Kaie. 'De zon is verdwenen.'
Hoewel het nog lang niet donker was was het laatste randje van de zon net achter de horizon verdwenen. De lucht, en daarmee ook Kaie's ogen, vertoonde een scala aan tinten oranje, rood en roze. Ira en Fortitudo kwamen naar haar toe zodat ze hun blinddoeken los kon maken, en wreven met hun kleine vuistjes in hun ogen.
'We kunnen gaan.' Zei Kaie. 'Nu eindelijk, nu zal niemand ons meer tegenhouden.'
Ze keek nog even met vurig vlammende ogen achterom en sloot ze een kort ogenblik eerbiedig voor ze zich omdraaide en tussen de volgende rij bomen door stapte.