Poll
Vraag:
Hoe vond je het?
Optie 1: Super goed
Optie 2: Goed
Optie 3: Slecht
Optie 4: Super slecht
Optie 5: Ik heb het niet gelezen xD
Dit verhaal heb ik niet zelf geschreven, maar ik vind het gewoon zo mooi dat ik denk dat jullie dit ook wel willen lezen.
Dit is zeker iets voor de Harry Potter fans xD
Maar zeker ook voor mensen die niet geïnteresseerd zijn in Harry Potter!
Hoofdstuk 1: Het Tijdsveld
De wereld redden. Ik moet de wereld redden. Dat is alles waar ik momenteel aan kan denken. Mijn toekomst, mijn vrienden, mijn alles. Het moet. Het moet lukken! Ik moet slagen! Anders zijn we voor eeuwig gedoemd in duistere tijden te leven en dat kan ik de mensheid niet aandoen. Ik ben de enige die terug kan gaan in de dimensie van de tijd en proberen te redden wat er te redden valt. Alleen op mij valt die zware last en ik zal alles moeten doen om mijn opdracht te volbrengen. Letterlijk en figuurlijk alles, alleen weet ik op dit moment helemaal niet hoe ik zoiets moet aanpakken. Ik ben een amper zestienjarige slimme heks die het tegen de machtigste der duistere heren moet opnemen. Hoe in hemelsnaam kan ik daarin slagen? Ik moet toegeven dat ik zelf met dit absurde idee op de proppen kwam, maar je moet me begrijpen. Het is de enige manier, onze enige hoop. Natuurlijk wilde niemand met mijn plan instemmen omdat het levensgevaarlijk kan zijn. Tijdreizen zijn verboden, en met een goede reden; ze zijn levensgevaarlijk en lopen zo ongeveer nooit goed af. Maar ik heb geen keus. Moet ik dan machteloos toezien hoe Voldemort zich meester maakt van onze wereld? Hij zal ze verderven en vernietigen, al het mooie veranderen in chaos. Dat kan ik niet toelaten. En daarom ga ik, of ik als minderjarige heks nu mag of niet. Vreemd, nu ik alles even terug op een rijtje zet ben ik kalm en rustig. Ik heb geluk, helder denken in moeilijke situaties is altijd al mijn sterkste punt geweest. Maar helemaal achteraan in mijn hoofd blijft er een zwak stemmetje zeggen dat niemand me verplicht dit te doen. Buiten ikzelf dan. Ik weet dat ik het mezelf nooit zal vergeven als ik mijn plan niet voortzet, met of zonder goedkeuring. Maar ik weet ook dat er ontzettend veel kans is dat ik faal, en uiteindelijk sterf en mijn vrienden en mijn wereld ten onder laat gaan. Maar daar wil ik niet aan denken. Ik ben hier nu aan begonnen en ik zal verder gaan tot ik sterf.
Hèhè, die vastberadenheid pept op. Ik weet waar ik heen moet. Mijn voeten brengen mij bijna automatisch naar het tijdsveld. Nog enkele minuten doorstappen en ik ben er. Ik heb voor ik thuis vertrok nog snel enkele afscheidsbrieven achtergelaten voor mijn ouders, Ron en Harry en professor Perkamentus. Daarin heb ik uitgelegd dat ik hun bevelen jammer genoeg in de wind moet slaan en dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Ze weten wat ik van plan ben. Als ik slaag red ik iedereen, als ik faal Neen, daar mag ik niet aan denken. Ik moet positief blijven denken, positief. Ik heb het tijdsveld bereikt en mijn hart slaat sneller. Ik herinner me precies wat er in het oude boek over geschreven stond, over tijdsvelden. Je kunt ze openen met een magische spreuk, en alleen voor goede doelen. Er bestaan er maar bitter weinig op de wereld en ik denk hier in Engeland maar een stuk of twee, maar ik heb het geluk dat er eentje vlak bij me in de buurt ligt. Het natte gras verspreidt een zoete geur en ik moet steeds onwillekeurig terugdenken aan vroeger, toen de dagen nog vrolijk waren en iedereen zonder angst kon rondlopen waar hij wou. Maar ik mag nu niet treuzelen. Ik moet de verborgen poort vinden van het tijdsveld. Daar moet ik dan voor gaan staan om de spreuk te zeggen, en specificeren hoever ik terug wil in de tijd. Plots struikel ik en val ik voluit op mijn gezicht. Nijdig draai ik me om om te zien wat mijn val veroorzaakt als mijn blik valt op de hoge boomwortel die uit de aarde steekt. De wortel leidt naar een oude eikenboom die in zijn stam kleine inkervingen vertoont. Opgewonden loop ik ernaartoe, mijn pas versnellend. Dit kan wel eens zijn wat ik zoek; de verborgen poort. Ik bestudeer de inkervingen grondiger en hier en daar herken ik enkele runen zodat ik het geheel begrijp. Ik heb het inderdaad bij het rechte eind, deze oude eikenboom is de poort. Even twijfel ik, als ik nu verderga is er geen weg terug, er is ongeveer geen enkele kans dat deze missie slaagt en misschien kom ik in de prehistorie terecht als er iets mis gaat. Maar dan haal ik diep adem en gooi ik al mijn twijfels overboord. Dit is de enige manier. Plotseling voel ik een rare vibratie in mijn broekzak. Ik steek mijn hand in mijn zak er haal er een klein zendertje uit. Op het zendertje staat in drukletters geschreven: Perkamentus. Wel, denk ik, Perkamentus is er sneller achtergekomen dan ik dacht. Ik druk op een koperen knopje aan het zendertje en krijg rechtstreekse verbinding met de hoofdmeester van Zweinstein.
“Hermelien, wat ben je aan het doen?” klinkt Perkamentus’ stem luid uit het zendertje.
“Ik doe wat ik moet doen, professor,” antwoord ik resoluut.
Ik hoor Perkamentus zichten en weet dat ik hem voor me heb gewonnen.
“Goed,” zegt hij vermoeid. “Ik zal je bijstaan gedurende je hele missie. Het is belangrijk dat je dit zendertje bewaart, goed?”
“Ja, professor. En bedankt.”
“Ik ben nog niet uitgesproken, Hermelien. Ken je de spreuk?”
“Ja, professor.”
“Ken je de manier om terug te komen naar het heden?”
“Ja, professor.”
“Goed, vertel me nu langzaam en duidelijk je plan. En haast je, want je hebt niet veel tijd. Je kunt elk moment door anderen gemist worden en niemand mag weten wat er aan de hand is.”
Geërgerd haal ik mijn schouders op; ik heb inderdaad weinig tijd en daarom is het zinloos die nu te verspillen aan uitleg. Maar het zou goed zijn als Perkamentus mijn bedoelingen kent. Hij heeft veel meer kennis dan ik en kan me misschien helpen waar mijn kennis tekort schiet.
“Oké, maar het wordt beknopt want ik heb geen tijd te verliezen, zeg ik snel. De bedoeling is dus dat ik terug ga naar Voldemorts tienertijd. Ik ga proberen ervoor te zorgen dat hij niet de kwade kant opgaat en niet de duistere tovenaar wordt die hij nu is. Ik weet dat het bijzonder riskant is de geschiedenis te veranderen, maar het kan niet anders, het is de enige goede manier om hem te stoppen.”
Ik hoor Perkamentus zacht ademen en tenslotte zeggen: “En hoe was je van plan Voldemort op het goede pad te brengen? Dat gaat je zeker niet lukken als Hermelien Griffel, dreuzelkindje.”
Hé! Daar heb ik nog niet over nagedacht. Hij heeft gelijk, ik kan niet doorgaan als modderbloedje. En hoe geraak ik zomaar in het Zweinstein van toen? Ik besef ineens dat mijn waterdichte plan toch niet zo goed geregeld is. Als Perkamentus me hier niet op had gewezen, zat ik nu moedeloos in het verleden. Mijn plan reikt niet verder dan deze stap.
“Hermelien?” klinkt het opeens terug luid door het zendertje.
“Ja, ik weet het. Ik zal me voor iemand anders moeten voordoen, iemand van Zwadderich ofzo. Alleen, professor, hoe geraak ik in Zweinstein? De leraren zullen me toch niet zomaar binnenlaten als ik zeg dat ik met een missie uit de toekomst ben gekomen…”
“Je hebt inderdaad gelijk, Hermelien. Je kunt het best voor iemand uit Zwadderich doorgaan. En wat betreft het oude Zweinstein, zeg in de spreuk dat je daar naartoe wilt. En nog iets, vergeet niet dat ik ook daar ben, hoewel in een jongere versie. Ik zal de andere leraren wel overtuigen je op de school te houden.”
“Mooi zo, dan denk ik dat ik klaar ben.”
“Wacht nog even, Hermelien, je hebt me nog niet verteld hoe je Voldemort, of Marten, zult overtuigen goed te blijven. Al bij al zit het kwaad hem in het bloed. Je zult hem werkelijk moeten benaderen en een van zijn vrienden worden om ook maar enige invloed op hem te hebben, als zijn vrienden al invloed op hem kunnen hebben.”
Ik zucht ongeduldig en zeg haastig: “Dat zie ik dan wel. Ik zal ervoor zorgen dat ik hem kan beïnvloeden, hoe moeilijk dat ook mag zijn.”
“Heb je daar werkelijk alles voor over?”
“Alles.”
“Goed, dan denk ik dat je nu klaar bent.”
“Eindelijk.”
“Tot gauw, Hermelien. Ik zal je zo veel als ik kan helpen. Doe wat je kunt, maar denk vooral aan een veilige thuiskomst.”
“Zal ik doen, tot gauw.”
Ik verbreek de verbinding voor we nog meer tijd kunnen verliezen en steek de zender terug in mijn broekzak. Ik kijk snel op mijn polshorloge, het is acht uur ’s avonds. Mijn verdwijning kan nu elk moment opgemerkt worden door een van mijn ouders. Ik ga snel voor de oude eik staan en haal enkele keren diep adem. Dan zeg ik langzaam de spreuk op die bestaat uit meerdere zinnen, en ik hoop dat ik geen enkel onderdeel vergeet op te zeggen want dat wordt catastrofaal. Tijdens het zeggen van de spreuk hield ik mijn ogen gesloten, maar nu ik ze heb geopend zie ik dat de eikenboom lichtjes begint te gloeien. De kleine inkervingen vervagen en krakend zie ik hoe er een grote opening in de stam van de boom ontstaat. Het is me gelukt. Zonder aarzeling ga ik door de opening en kom ik terecht in de holle boom. Ik voel hoe ik naar beneden gezogen word en ik word me van een fel, wit licht gewaar. Ik draai steeds sneller en sneller in rondjes rond mijn as en de aarde onder mijn voeten zakt weg. Daarna herinner ik me niets meer.
Hoofdstuk 2: Marten Vilijn
Als ik wakker word bevind ik mij in de Grote Zaal van Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus. Schichtig kijk ik rond of iemand mijn plotselinge komst heeft opgemerkt maar niemand kijkt me vreemd aan. Tot mijn grote verbazing zie ik dat ik aan de tafel van Zwadderich zit. Links van mij zit een groot meisje met lang blond haar en rechts van mij een knappe jongen met halflang zwart haar en een serieuze maar zachte blik. Zijn ogen en die van de andere mensen in de zaal zijn allemaal gericht op een al wat oudere man die aan het hoofd van de Oppertafel zit. Hij gaat langzaam rechtstaan en de stemmen in de zaal verstommen helemaal. Als het kaarslicht rondom hem op hem schijnt herken ik hem als professor Wafelaar, voormalige hoofdmeester van Zweinstein. Het is me dus gelukt, ik ben teruggegaan in de tijd precies waar en wanneer ik wou. Nu is het dus uitkijken naar ene Marten Vilijn of Voldemort. Zo onopvallend mogelijk ga ik de gezichten langs de tafel van Zwadderich af tot ik besef dat ik geen flauw idee heb van hoe Marten eruit kan zien. Ik besluit net om hulp te vragen aan de jongen naast mij wanneer professor Wafelaar zijn toespraak begint.
“Welkom allemaal beste leerlingen!” galmt zijn warme, lage stem door de zaal. “Ik zal jullie niet te lang met jullie honger laten zitten dus… smakelijk allemaal!”
De leerlingen ontspannen zich weer en vallen aan op het eten terwijl ik bedachtzaam rondkijk. De Grote Zaal van Zweinstein is tijdens de vele jaren een weinig veranderd. Boven de Afdelingstafels hangen lange banieren met het embleem van elke afdeling en de Oppertafel is nog exact dezelfde.
Alleen de leerlingen en de leerkrachten lijken wel veranderd. Naast professor Wafelaar zit een jonge versie van professor Perkamentus. Aan zijn andere kant zit een jonge professor Banning. Tussen twee leraren die ik niet ken zit professor Stronk, en naast haar professor Slakhoorn, maar voor de rest herken ik niemand meer. Het gevoel om terug te zitten in de Grote Zaal van Zweinstein doet me bijna geloven dat er helemaal niets aan de hand is en dat ik een gewone leerlinge ben op de school. Iedereen hier lijkt veel minder bedrukt dan in het heden, waar Voldemort naar de macht grijpt. Abrupt verwijder ik die gedachte uit mijn hoofd en focus ik me weer op mijn missie. Ik wend me snel tot de jongen naast mij voor ik van gedachten kan veranderen en zeg: “Weet jij misschien waar ik Marten Vilijn kan vinden?”
De jongen trekt zijn neus arrogant op en kijkt me vies aan. Tja, het blijft een Zwadderaar, denk ik erbij.
“Waarom moet je hem hebben?” zegt de jongen, zijn oogspleten vernauwend. Dan pas zie ik dat er iets raar is met zijn ogen, ze lijken op de ene of andere manier niet helemaal menselijk.
“Ik…” stamel ik. Daar had ik dus nog niet over nagedacht, wat ben ik toch veel te impulsief de laatste tijd…
De jongen grijnst even als hij mijn verwarde blik ziet en kijkt me dan diep in mijn ogen aan. Ik begin me ongemakkelijk te voelen en krijg een lichte hoofdpijn maar ik laat hem toch begaan en wend mijn ogen niet af.
“Ik ben Marten Vilijn,” zegt hij plots fel. Ik kan wel door de grond zakken van schaamte, ik zit vlak naast Heer Voldemort! Ik voel hoe het schaamrood mijn wangen kleurt en richt mijn blik op mijn nog lege bord.
“En wie ben jij?” voegt hij er aan toe alsof hij mijn blik niet wil loslaten.
“Mijn naam is …”
Slim hoor, nog iets waarover ik niet heb nagedacht.
“Mijn naam is Rosaline Danes,” zeg ik mompelend in een opwelling. Ik heb die naam ooit gelezen in een oud boek en vind hem wel mooi.
“Rosaline,” herhaalt Marten. .
“Ja,” zeg ik, slecht op mijn gemak.
“In welk jaar zit je Rosaline?”
“In het zesde, en jij?”
“Laatste.”
Er valt even een korte stilte waarin ik de kans zie om wat eten op mijn bord te scheppen tot Voldemort weer spreekt.
“Het is misschien het beste als ik niet vraag vanwaar je mijn naam kent, maar ik heb liever dat je me Voldemort noemt. Al mijn vrienden noemen me zo.”
Hij legt de nadruk op vrienden en kijkt me dan weer aan, met een lieve glimlach. Ik vind het bijna moeilijk te geloven dat hij de jongen is die zich later ontpopt tot een vreselijk monster, maar ik herstel me snel en raap mijn moed bij elkaar.
“Ik noem je liever Marten,” zeg ik. “Voldemort klinkt zo… duister,” voeg ik er zacht rillend aan toe.
“Zoals je wilt Rose. Je vindt het toch oké als ik je Rose noem? Rosaline is nogal lang.”
Zijn glimlach toont een rij hagelwitte tanden en zijn ogen lijken plots terug menselijker dan voorheen. Ze zijn warm bruin en kijken me intens aan.
“Ja, is goed,” zeg ik haastig.
Tijdens de rest van de maaltijd zorg ik ervoor dat ik mijn blik gericht houd op mijn bord of op de andere leerlingen, en we spreken de hele avond niet meer. Terwijl ik eet ga ik na wat ik tot nu toe heb bereikt en ben ik vrij tevreden. Het was door een goed toeval dat ik terechtkwam naast Voldemort himself en dat we al met elkaar hebben gesproken. Dat is een begin. Een goed begin waarop ik kan bouwen.
Na het eten loop ik de Grote Zaal uit samen met de andere leerlingen en merk dan dat ik niet weet waar de leerlingenkamer van de Zwadderaars zich bevindt, en nog minder waar ik moet slapen. Plots voel ik een hand op mijn schouder die me verhindert verder te lopen. Ik draai me snel om en zie een breed glimlachende jonge professor Slakhoorn die me vriendelijk aankijkt. “Wel juffrouw, aangezien je nieuw bent en in mijn afdeling zit heb ik gevraagd aan onze klassenoudste of hij je een rondleiding wil geven. Dat is toch geen probleem?”
“Oh nee, helemaal niet,” zeg ik snel.
“Mooi zo.”
Hij draait zich om en roept: “Marten! Kom jongen, hier is ze.”
Ik hoor mijn hart in mijn borst als een wilde tekeergaan als ik zie dat Voldemort met grote passen naar me toe komt. Zijn glimlach heeft iets ontwapenends en ik voel dat ik smelt voor zijn gratie en charme als hij mijn hand vastpakt.
“Kom, ik help je wel verder Rose,” zegt hij warm, mij meesleurend in de richting van de kelders.
Ik verbaas me erover hoe snel hij mensen kan inpakken, op zo’n jonge leeftijd al. Zelfs ik, die weet hoe hij werkelijk is, zwicht voor hem. Maar ik mag me niet zomaar laten inpakken door hem, dat zal al mijn plannen dwarsbomen.
“Is er iets?” vraagt hij bezorgd als hij ziet dat ik onzeker ben.
“Neen,” zeg ik snel. “Helemaal niet.”
Ik glimlach liefjes naar hem en volg hem gedwee.
Hoofdstuk 3: Kennismakingen
Na de korte rondleiding van het kasteel leidt hij me naar de grote leerlingenkamer van Zwadderich. Het is er schemerdonker en kil, maar ik probeer zo optimistisch mogelijk tegen mijn nieuwe afdeling op te kijken. Wanneer we naar de meisjesslaapzaal stappen, passeren we enkele van Voldemorts vrienden die enthousiast en provocerend beginnen te fluiten en roepen als ze ons samen zien. Mijn hoofd wordt zo rood als een pioen en ik loop sneller achter hem aan.
“Trek je maar niets van hen aan,” zegt Marten zacht. “Het blijven tenslotte jongens.”
Hij rolt even met zijn ogen en ik lach met hem. Het beeld dat ik dan van hem krijg vergeet ik nooit; zijn ogen stralend warmbruin, zijn prachtige haardos achterover gegooid en een rij prachtige hagelwitte tanden in een welgevormde mond. Ik heb plots het heerlijke gevoel dat deze opdracht helemaal niet zo moeilijk zou zijn zoals ik gedacht had. Ik dacht dat ik zou walgen van het idee om in zijn buurt te zijn alleen al, maar nu blijkt dat ik het helemaal niet onaangenaam vind, integendeel…
“Ik ga je laten Rose,” zegt Marten zacht, me ruw uit mijn gedachten halend. We zijn intussen aan een smalle houten trap gekomen die naar een deur leidt.
“Oh, okidoki!,” zeg ik stom. Oh man… Hermelien please! Wie zegt er nu zoiets? Okidoki…
Maar hij schenkt me alleen maar een lieve glimlach en vertrekt. Ik wacht tot hij uit mijn zicht verdwenen is en loop dan de trappen op. Zachtjes kloppend open ik de deur en ga ik mijn nieuwe slaapkamer binnen. De kamer is groot en breed en biedt plaats voor drie grote hemelbedden en zes lange kasten. In tegenstelling tot de eerder kille leerlingenkamer ziet dit vertrek er gezellig en warm uit en tevreden neem ik het enige bed dat nog niet vol ligt met meisjesspullen en kleren.
Ik pak snel mijn valies uit en laat mij dan vermoeid vallen in mijn bed. Ik zit naar het plafond te staren en denk aan wat er al achter de rug is en wat er nog zal komen. Mijn hoofdkussen ruikt heerlijk naar verse kruiden en ik laat me wegzakken in de zoete geur wanneer de kamerdeur langzaam opengaat. Twee meisjeshoofden steken voorzichtig uit de deuropening en kijken me vragend aan.
“Kom maar binnen,” zeg ik snel, me rechtzettend. Het eerste meisje dat naar binnen komt heeft vlasblond lang haar dat in golven los over haar schouders hangt en draagt hoofdzakelijk roze kleren. Haar glimlach komt een beetje geforceerd over en haar kaken en lippen glinsteren van de make-up. Wanneer ze langskomt, dringt er een overvloedige geur van parfum door mijn neusgaten. Het tweede meisje is kleiner en donkerder. Ze heeft een mooie gebruinde huid en lang donkerbruin haar. Ze ziet er veel natuurlijker uit dan het blonde meisje en ze schenkt me meteen een aarzelende maar oprechte glimlach.
“Hey,” zeg ik als ze naast elkaar staan en mij nieuwsgierig aankijken. “Ik heet Rosaline Danes.”
“Ik ben Diane Simons,” zegt het blonde meisje voordat ze zich omdraait en naar de badkamer loopt. “Make-up eraf halen,” kan ik nog net opvangen voor ze verdwijnt achter de badkamerdeur. Het donkere meisje schijnt zich wat beter op haar gemak te voelen nu Diane weg is en gaat op haar bed zitten.
“Ik ben Helena Mezelas.”
“Grieks?” vraag ik.
“Ja, mijn ouders komen uit Griekenland maar we wonen hier al sinds mijn vierde.”
Niet goed wetend wat we nu moeten zeggen kijken we elkaar onzeker aan en glimlachen we beleefd. Onze stilte wordt plots verbroken door de badkamergeluidjes van Diane en uiteindelijk neemt Helena het woord.
“Hoe komt het dat je nu pas naar Zweinstein bent gekomen? Rosaline, was het toch?”
“Ja, maar je mag gerust Rose zeggen. Ik heb mijn vijf eerste jaren op Beauxbatons gedaan maar deze zomervakantie zijn mijn ouders gestorven en nu woon ik in bij mijn Engelse oom. Vandaar dat het nu veel gemakkelijker is dat ik naar Zweinstein ga. Veel dichter bij huis.”
Die leugen had ik uitgevonden toen Marten me de rondleiding door het kasteel gaf, ik vond hem best realistisch en bruikbaar.
Helena kijkt me met oprechte spijt aan en zegt: “Sorry, dat wist ik niet.”
“Oh, het geeft niks.”
“Wil je dat ik je eens een rondleiding geef door het kasteel? Zodat je weet waar je moet zijn voor de lessen enzo.”
Oh nee, mooi niet. Niet weer.
“Dat is heel vriendelijk maar dat is niet nodig. Marten Vilijn heeft me al een rondleiding gegeven.”
“Voldemort?”
Ik schrik van de manier waarop ze de naam uitsprak; liefdevol en aanbiddend. Ik heb nog nooit in mijn hele leven iemand de naam “Voldemort” liefdevol horen uitspreken.
“Ja, Marten,” zeg ik dan nadrukkelijk.
“Vind je hem niet ongelofelijk knap?”
Helena komt nu op mijn bed zitten in kleermakerszit en kijkt me met grote verlangende ogen aan.
“Hij heeft wel iets,” zeg ik weinig overtuigend.
“Komaan joh! Alle meisjes aanbidden hem gewoon! Hij heeft ontzettend veel succes. Momenteel gaat hij zelfs uit met Diane.”
Hoewel ze het laatste woord fluistert komt Diane toch de badkamer uit en kijkt ze Helena vernietigend aan.
“Wat?” zegt ze ruw, Helena boos aankijkend.
“Oh niets speciaals,” zegt Helena zacht. “Ik legde Rose hier gewoon uit dat je samen bent met Voldemort.”
“Ja en? Probleem mee?”
“Neen.”
“Oké dan, mag ik dan nu verder doen ja?”
“Niemand houdt je tegen.”
“Whatever.”
Diane verdwijnt weer in de badkamer en ik kijk haar nog steeds verbaasd na wanneer Helena de draad weer oppakt.
“Diane is soms nogal agressief,” verontschuldigt ze.
“Maar dat is maar met momenten zo. Meestal valt ze best wel mee, maar het is door die hele affaire met Voldemort dat ze zo kregelig is.”
“Hoezo?” vraag ik. “Welke affaire?”
“Tja…” zegt Helena op fluistertoon. “Naar het schijnt heeft Voldemort haar bedrogen met een ander tijdens de zomervakantie. Er zijn roddels, maar niemand kan iets met zekerheid bevestigen dus is ze kregelig.”
“En wat zegt Marten dan op die roddels?”
“Hij ontkent die. Maar toch vindt Diane dat hij anders doet dan gewoonlijk dus gelooft ze hem niet. Voldemort is tenslotte ontzettend populair. Hij kan elk meisje krijgen dat hij wil.”
“Waarom noemen jullie hem eigenlijk allemaal Voldemort in plaats van Marten?”
Helena heft zuchtend haar schouders op en loopt naar haar bed. Ze begint haar kleren uit te trekken en trekt een lichtblauw, lang nachtkleedje aan.
“Ik weet het niet, het is gewoon zijn bijnaam en iedereen gebruikt die. Voldemort klinkt ook wel stoerder dan Marten, vind je niet?”
“Nee, Marten is mooier vind ik,” zeg ik nogal fel en ik trek ook mijn pyjama aan. Diane komt eindelijk de badkamer uit en we zwijgen.
Als ik goed en wel in bed lig zie ik de bijna volle maan door het raam schijnen en overloop ik rustig wat er die dag allemaal is gebeurd. Ik heb succesvol door de tijd gereisd en ben geland waar ik wil. Ik heb Voldemort al ontmoet, dat zal mijn missie in de toekomst makkelijker maken. Ik heb al minstens een vriendin gemaakt en ik kijk vol goede moed op tegen de dag van morgen. Allemaal positief dus. Tevreden knip ik het nachtlampje uit op mijn nachtkastje en nestel ik mij behaaglijker in mijn bed. Ik sluit mijn ogen en het laatste beeld dat in me opkomt, is dat van het volmaakte gezicht van Marten Vilijn, en dan val ik in slaap.
Hoofdstuk 4: Sean
De koele septemberochtend breekt aan met het getsjirp en gezang van ontelbare kleine vogeltjes. Langzaam rek ik mijn ledematen uit en heb even de tijd nodig om te beseffen waar ik ben. Een snelle blik op de donkergroene muren van de kamer, boven de deur het embleem van Zwadderich en de twee bedden waarin mijn nieuwe kamergenoten nog liggen te slapen halen mij terug naar gisteren, en het avontuur waarin ik verzeild ben geraakt. Ik duw de deken van me weg en kijk op de klok. Zes uur ’s ochtends. Grrrr…
Ik ben geen ochtendmens, mijn vrienden weten dat van mij. Ik heb mijn slaap goed nodig om me elke dag opnieuw weer te kunnen concentreren op mijn taken, en het gebeurt niet vaak dat ik zo vroeg wakker word. Maar eens ik dan wakker ben val ik niet terug in slaap dus besluit ik om op te staan en me aan te kleden. Terwijl het zonnelicht steeds sterker in de kamer binnenvalt, grijp ik mijn lesrooster in de hand en vertrek ik naar beneden. De leerlingenkamer is verlaten en de assen in de haard zijn nog stille getuigen van het warme vuur van gisterenavond. Ik plof me neer in een zwartleren zetel en bekijk mijn lessenrooster. Vandaag; Toverdranken, Kruidenkunde, Gedaanteverwisseling en Leer der Oude Runen.
Hèhè, valt nog mee, denk ik tevreden en laat mijn hoofd zachtjes rusten op de sofa. Plots voel ik hoe twee sterke handen zich zachtjes op mijn ogen plaatsen waarbij een vinger even langs mijn wang strijkt. Achter me klinkt een warme stem: “Goede ochtend, Rose.”
Er gaat een lichte trilling door mijn lichaam wanneer hij mijn naam uitspreekt en hij trekt zijn handen weg. Ik sta snel op en voor me staat Voldemort, jong, knap en ongelofelijk hot.
“Dag Marten,” zeg ik, trots op mezelf dat mijn stem niet bibbert. Zijn hoofd is slechts enkele centimeters van het mijne verwijderd en ik voel hoe zijn ogen elk detail aan mij opnemen. Ik merk dat ik hetzelfde doe en begin te blozen als hij het ziet.
“Ik moet door,” zegt Marten met een oprechte uitdrukking van spijt op zijn gezicht.
“Oh.”
“Ik heb nog wat zaakjes te regelen voor de lessen beginnen.”
Ik kijk hem alleen maar aan en hij kijkt terug, recht in mijn ogen, als om mijn reactie te peilen. Een voorzichtig lachje komt over mijn lippen en hij heft even zijn hand op, richting mijn wang. Maar achter ons kunnen we gestommel van opstaande leerlingen horen, en hij bedenkt zich en trekt zijn hand terug. Hij geeft me snel een knikje en verdwijnt. Het magische moment is verbroken en ik sta weer alleen in de koude leerlingenkamer naast de sofa, met mijn lesrooster nog steeds in mijn hand geklemd.
Bij het ontbijt komt Helena naast me zitten. Diane zit verderop, met een norse trek op haar mooie gezicht.
“Wat is er met haar?” vraag ik.
“Voldemort,” antwoord Helena simpel. Als ze mijn niet-begrijpende blik ziet zucht ze even en zegt: “Hij heeft vandaag nauwelijks een woord tegen haar gesproken.”
Diane ziet er, als ik haar beter bekijk, niet alleen nors uit, maar ook alsof ze elk moment in tranen kan uitbarsten.
“Wat naar voor haar.”
Helena haalt even haar wenkbrauwen op.
“Jij vindt dat toch niet zo erg? Naar het schijnt kan je goed met hem overweg.”
Ze zegt het op zo’n toon dat ik een beetje begin te blozen en stug naar mijn bord kijk.
“Hij heeft me een rondleiding gegeven op Zweinstein, meer niet.”
Helena laat het erbij maar ik zie dat ze me taxeert en ik blijf naar mijn bord kijken.
“Zo, ik zie dat jij dezelfde vakken hebt als ik,” zegt ze even later terwijl ze een blik werpt op mijn lesrooster.
“Leuk, dan kunnen we samen gaan,” zeg ik, blij dat ik niet volledig alleen ben.
De rest van de dag blijft Helena in mijn buurt en is ze bijna niet van me weg te slaan. Als ik ’s middags even alleen wil zijn moet ik zelfs een smoes gebruiken om van haar weg te kunnen.
“Nee echt, ik moet nodig naar de bib om iets op te zoeken.”
“Oké dan, ik ga niet zo graag naar de bib. Zie ik bij Leer der Oude Runen?”
“Goed, tot dan."
In de grote bibliotheek kan ik eindelijk tot rust komen en helder denken zonder een onophoudelijk kwetterende Helena. Er is niets mis met Helena hoor, en tot nu toe is ze ook mijn enige vriendin hier op het nieuwe oude Zweinstein, maar ze leidt me te veel af van mijn missie en zorgt ervoor dat ik niet kan nadenken. Ik ga de vertrouwde rij met boeken af en voel me net terug als vroeger. Ik heb iets met boeken, zoals sommige mensen terecht aan mij opmerken. Boeken zijn de poorten naar kennis, en kennis is mijn passie. Ik smacht er altijd naar om over van alles meer te weten. Ik interesseer mij nu eenmaal in veel, ontzettend veel en ik leer graag bij. En boeken zijn geduldig en ze kunnen eeuwen meegaan. Nuja, ik heb gewoon iets met boeken. Ik bekijk de boeken met onderwerp “de tijd” van iets dichter en als ik een ongewoon dik boek wegschuif zie ik door de opening het gezicht van een jongen. Hij zit aan de tafel achter het boekenrek waar ik sta, en kan me niet zien. Hij heeft lang blond haar dat in een staartje achter zijn schouders samengehouden wordt met een elastiekje. Hij heeft een mooie lichtgebruinde huid en zijn diepblauwe ogen zijn strak gericht op een boek dat op de tafel ligt. Er passeert iemand langs hem en hij kijkt even op. Blijkbaar kent hij de persoon en hij lacht even, een mooie lach die meer op een lieve grijns lijkt. En dan richt hij zich terug op zijn boek. Hij heeft iets grappigs en liefs tegelijk over hem. De rest van de week zoeken mijn ogen telkens de massa af tot ze hem zien, de onbekende blonde jongen. Ik zit schuin achter hem tijdens Leer der Oude Runen en bestudeer zijn gezicht. Ik bestudeer zijn kledij, die varieert van losse jeans tot ruitjeshemd. Ik ontdek dat hij in Griffoendor zit en heb hem nog liever. Zijn naam is Sean.
Met Marten spreek ik de rest van de week niet meer, alleen hier en daar een kleine glimlach, een beleefde vraag. Ik vraag me eerst wanhopig af hoe het nu moet met mijn missie, ik sta nog nergens. Maar ik besef dat ik tijd nodig heb. Het neemt tijd vooraleer je iemand kunt vertrouwen, en dat is precies wat ik van Marten nodig heb. Vertrouwen. En om zijn vertrouwen te winnen, moet ik eerst dat van zijn vrienden winnen. En Helena zal mij daar bij helpen. Helena ziet in mij een nieuwe vriendin en ik in haar. Ze is een leuk en grappig meisje, en heeft altijd interessante dingen te vertellen. Alleen vind ik het nog steeds moeilijk te accepteren dat zij, net zoals de meeste zwadderaars, Voldemort bijna goddelijk vindt. Diane praat niet meer tegen me. Blijkbaar heeft een van de leerlingen mij en Marten gezien op de eerste schooldag, en nu gaan de ergste geruchten de ronde. Misschien daarom ook dat Marten zo afstandelijk doet. En één van de ergste veranderingen in mijn leven nu, is dat ik Harry en Ron niet heb. Ze waren altijd een enorme steun voor mij op Zweinstein. Helena is leuk, maar ze kan hen onmogelijk vervangen.
Het is de tweede schoolweek en ik zit in de klas Leer der Oude Runen. Het is mijn lievelingsles geworden. Ik kan dan ongestoord naar Sean kijken, zolang ik wil.
“Rosaline?”
“Uh?”
Professor Trelbot kijkt me verwijtend aan en ik merk dat heel de klas zijn blik op mij gericht heeft. Damned Hermelien…
“Ik herhaal; wat is de betekenis van Uruz en Gebo als je ze naast elkaar vindt?”
Ok, denk Hermelien, denk.
Ik voel hoe Sean naar me kijkt en ik word nog roder.
“Juffrouw Danes?”
Haar stem klinkt nu boos en gepikeerd.
Denk Hermelien, kijk niet naar Sean, denk in godsnaam!
“Het stelt een krachtige liefdesformule voor…”
“Ja…?” zegt professor Trelbot met een glimlachje.
“Eén die word gebruikt als twee tovenaars hun kracht samenvoegen en willen versterken.”
“Mooi Rosaline.”
Ik haal onhoorbaar opgelucht adem en Sean schenkt me een medelevende grijns.
Goed zo Hermelien, goed zo.
Dat was het absoluut waard.
Na de les ga ik zo traag mogelijk naar de volgende les in de hoop dat ik Sean nog kan zien maar hij blijkt verdwenen te zijn. Ik loop door naar de volgende les en merk dan pas dat hij naast me loopt.
“Rosaline was het toch?”
Hij heeft een lichte zangerige stem. Mijn hart maakt een salto als zijn eeuwige grijns weer zichtbaar wordt.
“Ja.”
“Mooie naam.”
Ik huiver even als ik terugdenk aan Marten, die de eerste dag hetzelfde zei. Maar Sean is het tegengestelde van Marten.
“Bedankt,” zeg ik warm.
“Ehm,” hij schraapt even zijn keel en zegt dan: “Is het waar van jou en Marten?”
Ow nee toch…
“Welke Marten?” slaag ik erin te zeggen.
“Marten Vilijn, laatstejaars.”
Zijn stem heeft iets hards en grimmigs als hij de naam uitspreekt.
“Oh die, wat is er daarmee?”
“Er wordt gezegd… er wordt gezegd dat jullie een koppel vormen.”
Ik uit een korte zenuwachtige lach.
“Nee hoor. Ik ben hier nog maar pas en ik ken hem helemaal niet goed.”
Sean grijnst weer zijn mooie tanden bloot en zegt: “Mooi zo, dat komt goed uit.”
En met een laatste lach verdwijnt hij.
Hoofdstuk 5: Het Ritueel
“Oké kijk, daar heb je zijn vriendengroepje. Die lange slungel is Liam Ronaldson, daarnaast zit Philip Moris. En ja, hij is even dom als hij eruitziet,” lacht Helena.
We delen een zetel in de leerlingenkamer en bekijken aandachtig het groepje jongens dat rond Marten zit.
“En wie is die knappe blonde, naast Marten?” vraag ik geïnteresseerd. Hij komt me bekend voor en ik vraag me af waar ik hem al eerder gezien heb.
“Ja, die is inderdaad wel lekker heet!” schatert Helena.
Mijn gezicht loopt rood aan en ik hoop vurig dat niemand ons gesprek hoort.
“Wie is hij nu?” vraag ik zo zacht mogelijk.
“Hij heet Lucius Malfidus.”
Ik voel mijn mond openvallen van verbazing en haal het beeld van de aan mij meer bekende, oudere Lucius naar boven. Op de ene of andere manier schijnt het beeld helemaal niet te kloppen met de jongen die ik nu zie. Deze Lucius is speels, vrolijk en onbezorgd.
“Bijna even heet als Voldemort, vind je niet?” gaat Helena verder zonder mijn verwarring op te merken.
“Uh-huh.”
Ik kan mijn ogen nog steeds niet geloven. Dus Lucius was al bevriend met Voldemort op school…
“En dan naast Lucius zit Thomas Christiansen, verlegen en raar type. Hij is uitzonderlijk goed in Verweer tegen de Zwarte Kunsten.”
Ja, dat zal Marten wel leuk vinden.
Het is alsof hij mijn gedachten gehoord heeft, want plots merkt hij dat we hen bespieden en staat hij recht en komt op ons af. Voor ik het weet zit hij naast me in de zetel, dichter dan goed voor me is. Ik kan zien hoe zijn borst zachtjes op en neer gaat als hij ademt en hoe zijn adamsappel op en neer gaat als hij spreekt.
“Ik denk dat het tijd is geworden,” zegt Marten, mij aankijkend alsof er niemand anders op de wereld bestaat dan ik.
Ik slik heftig door en zeg aarzelend: “Tijd voor wat?”
“Om het te hebben over je inwijdingsritueel,” zegt Lucius. Hij gaat naast Marten zitten en bekijkt me onderzoekend.
“Tenminste, als je het lef hebt,” voegt hij er nog aan toe op een snijdende toon.
Ik schenk Helena een vragende blik en ze beantwoord die met een verontschuldiging.
“Oh sorry Rose, dat was ik je helemaal vergeten te zeggen. Sommige Zwadderaars…”
“Alleen de besten,” onderbreekt Marten, mij weer intens aankijkend.
“Ja, degene die tot ons groepje behoren, en dat zijn er redelijk veel,” gaat Helena verder, “moeten een inwijdingsritueel doen. De meesten hebben dat al lang gedaan, maar omdat jij nieuw bent doe jij het nu. Als je wilt tenminste?”
“De inwijding is een privilege,” zegt Lucius ruw. “Velen smeken ons om hen op te nemen omdat het betekent dat je dan bij ons hoort. En niet iedereen heeft dat voorrecht.”
“En waaruit zou mijn inwijding dan wel mogen bestaan?” vraag ik.
“Dat is bij iedereen anders,” zegt Marten. “Meestal bestaat het uit een opdracht, om jezelf te bewijzen. Het zal gebeuren op Halloween. Je hebt nog anderhalve maand om te beslissen.”
Halloween, voorspelbaar…
Daarmee lijkt het gesprek te zijn beëindigd want na een laatste blik op mij vertrekt Lucius samen met de rest van het groepje. Marten blijft echter naast me zitten en haalt zijn hand door zijn donker haar.
Dan gaat het plots allemaal heel snel. Marten geeft Helena een knipoog, Helena laat weten dat ze me wel zal zien op onze kamer en verlaat ons meteen, en voor ik het weet zit ik alleen met hem. Ik begrijp dat deze inwijding belangrijk is, een teken van vertrouwen, van verbondenheid. Het geeft me een uitstekende gelegenheid om dieper tot Martens lagen binnen te dringen en om zijn vertrouwen te winnen. Als ik de inwijding doe, zit ik erin. Nu valt er alleen nog af te wachten wat ik zal moeten doen…
Hij houdt mijn blik nog steeds vast, het is alsof hij me niet wil loslaten.
“Welke opdracht zal ik krijgen voor mijn inwijding, als ik het doe?”
Met een snel gebaar legt hij zijn hand op mijn been en lacht hij zijn mooie tanden bloot.
Ademen Hermelien, gewoon blijven ademen.
“Aangezien ik de oprichter ben van dit ritueel mag ik dat beslissen,” zegt hij met een plagende klank in zijn stem.
“Hmm,” glimlach ik. “En wat wil jij dan dat ik doe?”
Marten haalt zijn hand weg van mijn been en legt die op mijn wang. Ik merk dat ik het helemaal niet erg vind dat hij me aanraakt en ik haat mezelf erom.
“Wel,” zegt hij met een ondeugend lachje, “ik dacht aan… een lichaamsverenigingsritueel?”
Als ik nu aan het drinken was zou ik me hebben verslikt, als ik nu iets vasthad zou ik het hebben laten vallen. Maar dat is niet het geval. Ik zit alleen, naast Marten die veel te dicht tegen me aan zit, met zijn hand mijn wang zachtjes streelt en ik kan geen richting uit om te ontsnappen. Ik ben als een vlieg in Voldemorts web. Als ik weiger verlies ik de kans om dicht bij zijn ziel te komen, en als ik accepteer verraad ik mezelf. Met een enorme beheersing slaag ik erin mijn gezicht uitdrukkingsloos te maken, zodat hij mijn gedachten niet ziet. Daar draaide het dus om voor hem, sinds het begin.
Hij wil me testen, hij stelt me op de proef. En als ik een stap mis zet is het game over voor mij. Hij heeft de touwtjes in handen, ik zit vast aan hem. Voorzichtig, pak het voorzichtig aan. Stap voor stap. Niet te veel in een keer.
Ergens vind ik de moed om mijn hand op de zijne te leggen en hem zachtjes weg te duwen.
“Ik ben moe,” zeg ik hees.
Marten knikt meteen begrijpend en helpt me overeind te komen. Als hij al iets heeft gezien van mijn verwarring laat hij dat niet merken. Hij loopt met me mee tot aan de trap, en daar neemt hij mijn hand vast. Tot mijn ontzetting zie ik dat die trilt, en ik probeer het te maskeren met een glimlach. Ik wil me omdraaien en weggaan maar hij houdt me tegen en drukt me dicht tegen zich aan.
Ademen, blijf rustig ademen.
“Het ritueel is geheim,” zegt hij dicht bij mijn oor. “Zeg er niets over tegen de anderen, het is iets tussen jou en mij.”
En dan wordt het mij te veel. Voor hij nog iets kan doen of zeggen fluister ik: “Slaapwel, Marten,” en ren ik naar boven.
Hoofdstuk 6: Vragenspel
De volgende dagen ontwijk ik Marten zoveel mogelijk. Ik heb met niemand, zelfs niet met Helena, een woord gerept over Martens idee van het ritueel. Ik betrap mezelf erop dat ik uren zit te staren in het niets en doelloos zit rond te dwalen in loze gedachten die me dreigen te verstikken.
Waarom doet Marten mij dit aan? Heeft hij me door? Neen, dat kan onmogelijk. Waarom kiest hij voor mij dan net zo een ritueel uit? Zo een zware test…
Heel soms, laat ik het mezelf toe te hopen dat hij van me houd, en me daarom begeert. Maar ik zet het snel genoeg uit mijn gedachten.
Hermelien, dit is Voldemort. Hij kent het begrip “houden van” helemaal niet. En je hebt het zelf gehoord; hij kan elk meisje krijgen dat hij wil. Momenteel wil hij jou. Je bent een speelbal in zijn wrede handen. Hoe heb je ooit kunnen denken dat je hem kunt veranderen, hem bekeren tot het goede?
En zo razen de gedachten door me heen als een onstopbare vloedgolf die mijn hoofd overspoelt. Ik voel me goedkoop en slecht, telkens ik aan hem word herinnerd. Het ergste is nog dat ik me er iets van aantrek. Als ik werkelijk niets om hem zou geven, zou het me dan kunnen schelen? Zou ik het dan erg vinden dat hij in mij alleen een makkelijke prooi ziet, een voorwerp om te nemen omdat het hem bevalt? Want dat ben ik voor hem. Niet meer dan iets dat hij wil. En Voldemort is het gewend te nemen wat hij wil.
Ik zit nog steeds met hem in mijn gedachten op zaterdag als ik tegen Sean aanloop.
“Het spijt me,” hoor ik mezelf zeggen.
“Geeft niets,” zegt Sean snel.
Ik wil doorlopen, alleen gelaten worden met mijn sombere gedachten maar Sean vervolgt: “Ehm Rose, het is mooi weer buiten vind je niet?”
Ik knik afwezig maar zijn blik maakt me alert. Het is niet de blik van ik-ga-even-beleefd-een-praatje-met-je-maken, maar het is een andere blik. Een diepere. Hij probeert me iets te zeggen met zijn ogen, maar ik snap het niet. Uiteindelijk laat hij een zucht ontsnappen.
“Geen zin om mee buiten te gaan?”
Ik laat mijn blik glijden over zijn blonde haren die vandaag loshangen, over zijn zachte grijns en zijn mooie lippen. Hij doet me helemaal niet denken aan Marten. Als Marten, donker en serieus, de duisternis is… is Sean, blond en grappig, het licht. Bij hem kan ik mijn zware problemen even vergeten en terug van het leven genieten, zonder het gevoel te hebben dat ik een spel moet spelen de hele dag door. Bij hem moet ik geen masker dragen, ik kan gewoon mezelf zijn. Even voor ik antwoord weet hij het en grijnst hij nog breder.
“Ja, ik kom graag mee.”
Sean vleit niet. Hij maakt geen “toevallige” aanrakingen, of complimentjes. Hij is natuurlijk en ik respecteer hem erom. Hij kan me laten zien dat hij in mij geïnteresseerd is, zonder meer. We zitten samen op het gras naast het meer en genieten van de laatste warmte van het jaar. Het meer straalt iets rustgevends uit en ik ontspan me helemaal. Ik laat bewust alle stress uit mijn lichaam vloeien en vertraag mijn ademhaling.
“Je ziet er moe uit.”
Sean zit zeker een meter van me af en staart met zijn mooie blauwe ogen naar een punt achter de horizon. “Scheelt er iets?”
Ik herken de bezorgdheid in zijn stem en vraag me af waaraan ik die te danken heb.
“Nee hoor, alles is prima.”
Ik vind het zelf niet overtuigend klinken maar we laten het erbij. Het blijft lange tijd stil, alsof we ons elk op onze eigen gedachten concentreren. Maar toch ben ik me ervan bewust hoe Sean bezorgde blikken op me toewerpt als hij denkt dat ik het niet zie.
“Zin in een vragenspel?” verbreek ik de stilte.
“Goed, begin jij maar,” antwoord Sean onmiddellijk.
“Waar woon je?” Ik denk dat het het beste is om met een simpele vraag te beginnen.
“Birmingham, mijn beurt.”
Hij denkt na, alsof hij met zichzelf eerst overlegt en spreekt dan.
“Wat vind je van Marten Vilijn?”
Grrr… wat is dat nu weer voor vraag?Wat wil hij horen?Ongetwijfeld dat ik hem niet afkan, de arrogante snob. Maar dat is ook zo. Ik kan het naar waarheid zeggen.
Tutut, zegt een stemmetje in mij, waarom heb je dan toegestaan hem jou te laten kwetsen? Waarom heb je dan hoop gekoesterd ooit je lippen op de zijne te drukken?
Dat heb ik nooit gehoopt! Je liegt!
Kom nu Hermelien, je weet diep in je hart dat ik gelijk heb. Waarom je ertegen verzetten? Je wilt het ritueel volbrengen, je wil het.
Neen, dat wil ik niet! Ik wil liefde, geen lust…
Dus je hoopt toch op liefde…?
Ik luister niet naar jou.
“Rose?”
Sean zit dichter bij me dan ik me kan herinneren. Hij lijkt me te pijlen, om te zien wat er zich werkelijk in me afspeelt. Maar ik geef hem geen kans. Ik schenk hem een lief glimlachje en zeg zacht: “Ik weet niet wat ik van hem moet vinden. Ik ken hem amper. Bovendien ben ik het meer dan beu dat iedereen mij constant vraagt hoe het tussen ons zit.”
Ik heb mijn stem niet verheft, maar ik weet dat hij een harde bijklank gekregen heeft zodat Sean de boodschap snapt.
“Oh, dan is het nu dus terug mijn beurt…Wat vind jij van Marten Vilijn?”
Zijn kaaklijn verstrakt en zijn ogen krijgen een holle uitdrukking. Waarom kan ik op de ene of andere manier het antwoord al raden?
“Hij is gevaarlijk Rose,” zegt hij serieus. Zijn ogen spreken boekdelen en tonen mij verdriet, leed en woede. Er is een verleden tussen die twee jongens, weet ik met zekerheid. En ik moet er het fijne van weten.
“Jij kent hem misschien niet zo goed, maar ik wel. En je kunt het van mij aannemen dat het waar is wat ik zeg. Marten is iemand die geen rekening houdt met anderen. Hij handelt gewetenloos met een enorme eigendunk en hooghartigheid. Hij is onverschillig tegenover gevoelens en gaat tot het uiterste om zijn wil te bereiken. Je moet voor hem oppassen Rose, beter nog, het zou beter zijn als je helemaal geen contact met hem zou hebben.”
Een deel in mij weet dat hij het bij het rechte eind heeft en dat ik zijn raad ter harte zou moeten nemen. Maar een ander deel in mij weet dat dat niet mogelijk is. Ik kan geen afstand van hem nemen, ik moet mijn missie doorzetten. En daarbij, welk recht heeft hij om me als een klein kind te behandelen? Hij moet mijn vrienden toch niet voor mij kiezen?
“Juist ja,” zeg ik ferm. “Ik geloof dat ik oud genoeg ben om mijn eigen keuzes te maken.”
“Rose…” zegt hij bijna smekend. Ik word nog bozer door die lieve klank in zijn stem en sta op.
“Waar bemoei jij je eigenlijk mee, Sean? Wat kan het jou schelen of ik gevaar loop of niet?”
Sean durft me niet aan te kijken en staart naar zijn voeten.
“Het is waar dat ik niet veel op heb met Zwadderaars,” zegt hij, zorgvuldig oogcontact vermijdend. “Maar jij bent anders Rose.” Nu kijkt hij me wel aan en ben ik het die wegkijkt.
“Jij hoort niet bij hen. Dat zie ik, dat ziet iedereen. En ik heb het beste met je voor.”
Hij pauzeert even om adem te halen en gaat weer door.
“Marten heeft me in het verleden veel onrecht aangedaan. Door zijn toedoen heb ik veel moeten lijden. Dat leed wil ik jou besparen Rose.”
Ik voel dat ik lichtjes bloos en hij komt nog dichter. Eerst Marten, nu hij… het wordt allemaal een beetje te verwarrend.
“En waarom dan wel?”
Nu is het zijn beurt om te blozen.
“Omdat ik…”
Hij houdt in het midden van zijn zin en ik zie dat er zich voor me op het gras een schaduw bevind die niet van mij of Sean is.
“Hallo Rose,” klinkt de stem van Voldemort.
Ik zucht. Hij heeft me dus gevonden.
Als ik opkijk zie ik dat er zich een stilzwijgend gevecht plaatsvindt tussen Sean en Marten. Ze spreken geen van beiden maar hun ogen strijden met elkaar. De haat straalt van hen af en ik heb maar een gedachte: Maak verdorie dat je hier wegkomt!
Ik slaag erin mijn stem te vinden.
“Ik… ik heb nog werk te doen.”
En zonder me nog om te draaien loop ik weg, richting het kasteel. Ik heb hem niet horen aankomen maar plots wandelt Marten naast me, met een grimmige trek op zijn gezicht. Hij loopt zwijgend mee tot aan de leerlingenkamer van Zwadderich en neemt dan mijn hand vast.
Zijn warmbruine ogen boren zich in die van mij. Hij strijkt met een hand langs mijn wang en zegt dan wrang: “Niemand neemt af wat van mij is.”
De ware betekenis van die woorden dringen pas tot me door als hij weg is en ik lig in mijn bed, kijkend naar de afnemende maan. Ik ril en trek de deken dichter tegen me aan. Die nacht val ik maar niet in slaap…
Hoofdstuk 7 : Op verleidingstoer
Oktober breekt aan en neemt de laatste warmtestralen weg. De tijd gaat snel voorbij en ik slaag erin mijn gedachten aan het inwijdingsritueel opzij te zetten en me te concentreren op mijn schoolwerk of op mijn missie. Het is dus de bedoeling dat ik binnendring in Martens vriendenkring. De verlegen Thomas is niet moeilijk om mijn vinger te winden. Ik heb gemerkt dat hij vaak genoeg steelse blikken in mijn richting werpt en ik schenk hem quasi-verlegen glimlachjes zodat hij smelt. Liam en Philip houden zich afzijdig en glimlachen beleefd. Ze hebben geen hautaine trek op hun gezicht en zijn aardig. Af en toe maakt een van de twee een babbeltje met me over koetjes en kalfjes. Over het ritueel wordt er niet meer gesproken. Alleen Lucius vormt een probleem. Hij heeft de gewoonte niet te spreken maar te luisteren. Het is alsof hij alles wat ik zeg opslaagt om later tegen me te gebruiken. Hij vertrouwt me niet en doet ook geen enkele moeite om dat te verbergen. Maar Lucius staat jammer genoeg ook het dichtst bij Marten. Wat dus betekent dat ik op de ene of andere manier hem voor mij moet winnen. Lucius houdt van uitdaging. En dat is exact wat ik hem zal geven. Het is buiten tien graden en in het kasteel draagt iedereen een dikke trui met een warme sjaal. Helena zit op haar bed een boek te lezen over genezende toverdranken en ik sta voor de spiegel in de badkamer naar mijn spiegelbeeld te kijken. Ik draag een zwart minirokje met een uitdagende split en daarop een rood bloesje met een héél diepe insnijding. Mijn haar ligt over mijn schouders verspreid en ik heb wat lipgloss en mascara opgedaan. Ik ril, en niet alleen van de koude. Ik zie er enorm goedkoop uit en als ik ooit zo op het huidige Zweinstein zou rondlopen zou ik zelfmoord plegen. Maar hier kent niemand me, en hier heb ik een missie. Vaag klinkt de conversatie die ik ooit met professor Perkamentus heb gevoerd in mijn hoofd: “Ik zal ervoor zorgen dat ik hem kan beïnvloeden, hoe moeilijk dat ook mag zijn”
“Heb je daar werkelijk alles voor over?”
“Alles.”
Ik slik. Ik heb aan professor Perkamentus mijn woord gegeven, ook al wist ik toen nog niet precies wat dat zou inhouden. Met Voldemort naar bed gaan, Lucius’ vertrouwen winnen door hem te verleiden…
Ik weet dat dit de enige manier is. Lucius is iemand die kijkt naar schoonheid. Ik heb vaak genoeg gezien hoe zijn ogen de mooie vormen van meisjes volgen. Met mijn gewoonlijk saaie kledij trek ik niet genoeg aandacht voor hem. Wel, hij houdt van lef, hij zal ze ook krijgen. Met een laatste blik op mijn spiegelbeeld stap ik naar buiten waar Helena mij met opgetrokken wenkbrauwen bekijkt.
“Rose? Voel je je wel goed?”
“Ik voel me prima.” Ik ga gewoon eventjes Lucius verleiden.
“Wie wil jij gaan verleiden?” grijnst Helena.
“Valt het dan zo hard op?”
Ik kan wel janken.
“Hmm… wacht ik heb nog iets dat het compleet maakt,” zegt Helena met een nog bredere grijns. Ze verdwijnt even in haar juwelenkistje en haalt dan een kleine zwarte ketting naar boven.
“Hier,” zegt ze terwijl ze hem rond mijn hals vastbindt.
Ik ga nog even in de spiegel kijken en schiet in de lach. Op de ketting staat in drukletters: HOTTIE.
“Bedankt,” zeg ik glimlachend.
Ze knijpt even in mijn arm en gaat dan terug in haar bed liggen. Ik wil de deur uitlopen maar ze vraagt nog snel: “Wie is de gelukkige?”
Ik lach even.
“Lucius Malfidus.”
Helena knipoogt en zegt nog: “Veel geluk!” en dan loop ik weg.
Als ik beneden de leerlingenkamer bereik loop ik meteen naar het groepje van Marten. Onmiddellijk als ik daar aankom verstommen de stemmen.
Moed Hermelien, moed. Speel je rol!
“Dag jongens.” Mijn stem klinkt een beetje hees en de jongens kijken me allen aan. Thomas, Liam en Philip hebben hun mond open. Marten kijkt mij raar, inschattend aan. Hij peilt me weer, alsof hij wil snappen waar in godsnaam ik nu weer mee bezig ben. En Lucius grijnst alleen maar. Hij doet geen moeite zijn lust te verbergen maar verslind mijn borsten en benen met zijn ogen. Ergens binnen in mij triomfeer ik. Ik heb bereikt wat ik wil, Lucius is binnen. Ik heb hem voor me gewonnen. Maar ik voel me ook slecht, heel slecht. Ik voel me ergens een slet en die begerige blikken maken dat ik mij ongemakkelijk voel. En Martens blik brengt me al helemaal van de kaart. Die is niet begerig, het is een blik die ik niet kan thuisbrengen tot mijn grootste spijt. Ik bedenk ook dat als Sean mij nu zo zou zien, hij een teleurgestelde uitdrukking op zijn gezicht zou hebben. Maar ik moet Sean achter me laten, voor zijn eigen veiligheid. Als Marten me nog een keer met hem zal zien, kan hij misschien op het idee komen hem iets aan te doen. En dat kan ik niet laten gebeuren.
“Hallo Rose,” zegt Lucius. Zijn ogen schitteren van verlangen en ik bloos. Ja, hij is binnen.
Het is midden oktober. Ik loop tussen Helena en Diane Zweinsveld binnen. Diane is de afgelopen dagen veel veranderd. Haar haar straalt niet meer, haar make-up heeft ze achterwege gelaten en meestal is haar mooie gezichtje rood van het huilen. Marten heeft haar hart gebroken.
“Het is nu definitief uit,” snikte ze gisteren op onze kamer.
Helena gaf haar medelevend enkele zakdoeken aan en Diane snoot haar neus.
“Ik weet niet wat er scheelt met hem,” ging ze verder. “Voor de vakantie ging alles nog prima! Hij vond me het mooiste op aarde, dat heeft hij me zelf gezegd!”
Diane graaide weer naar een zakdoek.
“Shhht…” probeerde Helena haar zonder resultaat wat te sussen.
“Hij heeft waarschijnlijk al een andere gevonden!” krijste Diane met bloeddoorlopen ogen.
Helena en ik gingen naast haar zitten, elk langs een andere kant, en legden onze armen op haar schouder. Zo bleven we een hele poos zitten tot Diane helemaal gekalmeerd was. Sindsdien doet Diane veel aardiger tegen ons en de rest van de wereld.
Vandaag komt de zon af en toe achter een wolk piepen, maar het blijft koud. Met z’n drieën slenteren we door de straten van Zweinsveld en houden we halt bij elke bezienswaardigheid. Als we de drie bezemstelen binnenwandelen, verwacht ik half en half Rosmerta te zien, zo gewoon en vertrouwd lijkt dit uitstapje onder vrienden wel dat ik bijna vergeet waar ik ben. Maar het is een andere vrouw die ons bedient en daarmee beland ik weer terug in de werkelijkheid. Zo zitten we dan achter ons boterbiertje, vrolijk elkaar aan het vermaken met roddels en grappen. Diane krijgt iets meer kleur op haar wangen en het gaat beter met haar. Plots komt Marten het café binnenwandelen met achter hem aanslenterend; Lucius, Thomas, Philip en Liam. Diane verstijft, grijpt mijn arm vast en knijpt die bijna dood.
“Wat heeft die hier te zoeken?” fluistert ze ontzet. De kleur op haar wangen verdwijnt meteen en ze ziet lijkbleek. Blijkbaar heeft ze hem toch nog niet helemaal achter zich gelaten…
“Ik denk dat hij hier iets komt drinken met zijn vrienden,” merkt Helena droogjes op.
Maar Diane reageert niet op Helena’s opmerking en staart alleen maar recht voor zich uit.
“Ik ben er nog niet aan toe, om hem hier zo al te zien,” zegt ze jankend.
“Wil je dat we gaan?” vraag ik snel, blij met een excuus om naar buiten te gaan. Ook ik kreeg het ietwat benauwd met Marten zo dicht in de buurt.
“Nee, wij blijven hier. Er is helemaal geen reden om te gaan. Trouwens, wij waren hier eerst en we zitten hier goed,” zegt Helena bars.
Lucius kijkt rond en ziet ons zitten. Een brede grijns verschijnt op zijn gezicht en hij port Marten, zijn vinger aanwijzend in onze richting. Marten glimlacht ook en knipoogt naar me.
Diane wordt nog bleker en knijpt nog harder in mijn arm.
“Rose, kun jij ze niet afleiden en wegleiden?” fluistert ze met een schorre stem.
Ik heb er absoluut geen zin in weer met hen geconfronteerd te worden, maar ik zie Dianes blik en kan onmogelijk weigeren. En bovendien is het altijd nuttig om dichter bij hen te komen, gezien mijn missie.
“Goed dan,” zeg ik grommend en stap op hen af.
“Blijf niet te lang weg!” roept Helena me nog na.
Goed, hoe krijg ik ze hier weg?
“Dag jongens,” zeg ik zo opgewekt mogelijk.
“Heey Rose,” neemt Marten het woord.
De anderen knikken of glimlachen, maar Lucius kijkt alleen maar geboeid. En er is nog een vreemde schittering in zijn ogen, een die ik niet echt herken.
“Ik heb zo veel zin om eens naar Zacharinus’ Zoetwarenhuis te gaan maar Helena en Diane willen niet mee, dieetprobleem ofzo, en ik dacht… misschien willen jullie met me mee gaan?”
God, ik ben trots op mezelf voor zo’n mooie leugen.
Marten kijkt de anderen even aan en ze lijken allemaal in te stemmen.
Enkele minuten later zijn we bij Zacharinus en bewonderen we de grote hoeveelheid snoep.
“Kijk hier Rosaline,” wenkt Lucius me.
Hij houdt me een zwart, kleverig snoepje voor in de vorm van een hartje. Onzeker steek ik het ding in mijn mond terwijl Lucius me aandachtig gade slaat. Het snoepje proeft lekker zoet en geeft me een goed, opwindend gevoel.
“Lekker. Hoe heet het?” vraag ik.
“Lustbonbon.”
Ik sta Lucius dom aan te gapen en hij lacht scherp en onnatuurlijk. Dan verdwijnt hij achter één van de hoge snoeprekken en verlies ik hem uit het oog. Ik wil niet denken aan wat dit te betekenen heeft, maar ik heb het gevoel dat ik die vreemde schittering in zijn ogen nu wel kan thuisbrengen.
Nadat ik de hele winkel ben afgegaan zoek ik Marten. Ik zie hem staan bij de peperbollen en loop op hem af.
“Ik ga terug naar Helena en Diane. Ik heb hun beloofd niet te lang weg te blijven.”
Marten schenkt me een glimlach en zegt: “Oké dan. Ik zie je nog wel.”
Meteen als ik buitenkom krijg ik een naar gevoel. Er is iets in mij dat me bijna dwingt om naar de achterkant van de winkel te lopen. Ik word ernaartoe getrokken door een of andere onzichtbare macht. Ik ga er voorzichtig heen en voel me niet op mijn gemak. De achterkant van de winkel bestaat uit een dikke, donkere muur en enkele vuilnisbakken. Langs de straatkant zie je er niets van. Ik voel me onveilig en wil net weer weggaan wanneer twee handen me ruw naar achteren trekken en me tegen de muur drukken. Op nog geen centimeter af van mijn gezicht bevindt zich dat van Lucius. Zijn hijgende ademhaling en zijn verlangende blik maken me misselijk en ik besef maar half wat er aan het gebeuren is. Paniek overstemt mijn verstand, ik kan niet meer helder denken.
“Hallo, Rose,” zegt hij hijgend.
Nee, oh nee! Alsjeblieft nee!
Hoofdstuk 8: Gered door een engel
Nee!
Lucius’ gehijg wordt luider. Zijn sterke armen houden me rotsvast op mijn plaats, tegen de koude muur aangedrukt. Hij heeft me in de val gelokt met een spreuk, naar een plaats waar niemand me kan vinden. Niemand zal me helpen. Ik ben alleen.
Heeeeeeeelp!
Zijn handen glijden over mijn borsten, onder mijn jurk en zijn tong gaat verwoed tekeer over heel mijn lichaam. Ik weet dat ik iets moet doen, maar ik weet niet wat. Ik wacht tot een goede spreuk me te binnen schiet, maar er is niets. Niets dan leegte die mijn hoofd vult. Lucius' handen strelen, grijpen, trekken, duwen…
Een stille traan loopt over mijn bleke wang. Ik wil schreeuwen om hulp, maar mijn stem is verdwenen. Ik probeer iets te zeggen, maar mijn stembanden werken niet. Lucius was op alles voorbereid. Ik kan niets doen, ik ben verloren… Ik zie hoe hij de rits van zijn broek opentrekt, het knoopje openmaakt en zijn broek uitdoet.
“Hier, voel maar hoe hard ik naar je verlang. Dat wil je toch hé? Je was wel duidelijk genoeg die keer in de leerlingenkamer.”
Hij grijpt mijn hand en legt hem tegen de bult in zijn slip. Ik walg ervan en word misselijk. Ik stribbel tegen zo hard ik kan, maar ik maak geen enkele kans. Hij is sterk, veel te sterk…
Hij trekt mijn jurk nog meer naar boven. Hij hijgt nog luider en drukt me hard tegen zich aan. Ik heb zin om bewusteloos te worden, als ik dit maar niet moet meemaken. De tranen komen nu snel na elkaar naar beneden gevallen en ik blijf machteloos. En dan komt de pijn, een snijdende, door merg en been gaande pijn. Ik sluit mijn ogen. Zo hoef ik hem tenminste niet te zien, maar ik voel en hoor nog alles. En de pijn wordt sterker en sterker. Als ik had kunnen schreeuwen op dat moment, denk ik dat ze me nog gehoord zouden hebben op Zweinstein zelf. Maar mijn stem is weg en ik ben hulpeloos. Ik hoor hoe Lucius’ gehijg nog harder wordt. Hij kreunt van genot. En ik huil, ik snik… Ik heb zelfs de kracht niet meer om tegen te stribbelen. Ik geef me gewonnen. Ik laat hem doen en probeer de pijn te negeren.
“Wat gebeurt er hier?”
Ik open mijn ogen meteen. Door de tranen heen zie ik Marten, die op enkele meters afstand van ons staat. Zijn stem heeft een harde, snijdende klank. Zijn oogspleten zijn onheilspellend vernauwd en zijn gezicht straalt een hevige maar beheerste woede uit. Hij is werkelijk angstaanjagend. Maar voor mij is hij een reddende engel. Lucius laat me snel los en houdt zijn handen boven zijn hoofd. Zijn gehijg is afgenomen en in plaats van verlangen is nu angst van zijn gezicht af te lezen. Ik blijf ineengekrompen tegen de muur staan, en probeer mijn kleren bij elkaar te houden. Marten loopt naar Lucius toe in grote, dreigende stappen. De hele tijd houdt Lucius Martens toverstaf in de gaten, die gericht is op zijn hart. Hij wacht vol spanning af tot Marten een spreuk afvuurt, maar die komt er niet. In de plaats daarvan geeft Marten hem een harde kopstoot, zijn rechtervuist in zijn gezicht en zijn linkervuist in zijn maag. Lucius valt op de grond, kermend van de pijn en Marten blijft hem schoppen tot hij niet meer beweegt. Dan komt hij naar mij en reikt hij mij zijn hand. Ik ril en beef over mijn hele lichaam en ben niet in staat me te verzetten. Uiteindelijk legt hij mijn armen rond zijn schouders en pakt hij me op. Hij draagt me de hele tijd tot we bij het meer komen. Daar legt hij mij langzaam neer op het gras. Hij neemt mijn hand vast en komt naast me zitten met uiterste voorzichtigheid. Ik ben niet in staat te spreken. Ik voel dat mijn stem terug is, maar ik kan niet spreken. Nog niet. Het verdriet is nog te vers. Maar voor Marten zijn er geen woorden nodig. Hij begrijpt me. Hij helpt me te zitten en legt dan zijn armen om mij heen. Ik laat mijn hoofd op zijn warme borst rusten en sluit mijn ogen. We blijven daar lange tijd zo zitten, tot ik helemaal ben uitgesnikt. Tot mijn tranen allemaal op zijn. Hij streelt zachtjes mijn haar en mijn wang en ik ontspan. Bij hem ben ik veilig. Als ik volledig gekalmeerd ben merk ik pas hoe vuil ik me voel. Ik voel Lucius’ handen nog overal op mijn huid. Ik sta langzaam op en vind houvast op mijn benen. Marten loopt achter me aan, mijn hand nog steeds in de zijne houdend. En zo gaan we samen terug naar het kasteel. Hij blijft bij me tot we bij de meisjesslaapzaal komen. Daar geeft hij me een zachte kus op mijn voorhoofd en gaat hij weg. Ik loop meteen naar de douche en trek mijn jurk in een ruk uit. De harde waterstralen ketsen op mijn huid en ik voel me al beter. Op alle plaatsen waar Lucius me heeft aangeraakt schrob ik extra lang en ik voel me zuiverder. Nadat ik uitgebreid gedoucht heb, neem ik de jurk die ik aanhad en smijt ik het in de haard. Het vliegt meteen in brand en ik blijf toekijken tot er alleen maar as van overblijft. Enkele minuten later komen Helena en Diane de kamer binnen.
“Oh Rose,” komt Helena meteen op me toegestormd. Ik word tegen haar schouder gedrukt en dreig te verstikken.
“Marten heeft het ons verteld. Hij dacht dat jij het nog niet aankon,” zegt Diane met verstikte stem.
“Het – is – oké,” slaag ik erin te zeggen.
Helena merkt dat ik naar adem moet snakken en laat me los.
“Wat een smeerlap! Dat had ik nooit van hem gedacht, hoe kon hij!” zegt ze wrang.
Ik laat me uitgeput op mijn bed zakken en haal zachtjes mijn schouders op.
“Het is mijn eigen schuld,” zeg ik.
“Wat? Nee Rose, denk dat niet! Dat is niet waar,” zegt Diane snel. Ze komt naast me op het bed zitten en Helena doet hetzelfde.
“Ja, Rose wat is dat nu voor onzin! Hoe kom je erbij?” valt Helena in.
“Ik… ik heb hem verleid.”
Ik trek mijn benen op onder mijn kin en maak me zo klein mogelijk.
“Weet je nog die keer? Toen ik naar de jongens liep in minirokje en décolleté?”
“Heb je toen aan hem gevraagd om je te verkrachten?”
“Nee maar…”
“Shttt,” sust Diane met haar rustige stem. “Er is geen maar, Rose.”
De tranen komen weer naar boven en ik verberg mijn gezicht tussen mijn benen.
“Rustig maar,” zegt Helena zachtjes. “Slaap maar, shht… zachtjes aan. Ja, zo. Ga maar liggen meid. Rustig aan…”
Met behulp van Diane en Helena kruip ik in bed en val ik meteen in slaap.
Als ik wakker word is het al donker aan het worden buiten. Diane zit op haar bed, gebogen over een tijdschrift. Helena is nergens te bespeuren. Ik sta op en kleed me om. Even later komt Helena aangelopen met een klein glazen flesje in haar hand geklemd.
“Wat…?” begin ik.
“Dat is voor later,” zegt Helena voor ik de kans heb om mijn zin af te maken.
“En haast je nu, we komen te laat voor het avondmaal.”
Samen met mijn twee vriendinnen lukt het me om aan tafel te zitten en iets te eten. Ik kan het niet laten mijn ogen over de tafel te laten glijden, op zoek naar Lucius, maar die is nergens te bespeuren. Marten is er wel, en zijn mooie, warmbruine ogen kijken me bezorgd aan. Ik schenk hem een voorzichtig lachje om te tonen dat alles goed gaat en zijn gezicht klaart helemaal op. Ik heb me vergist. Hij geeft wel om me, dat heeft hij vandaag genoeg aangetoond. Na het eten komt hij naar me toe.
“Gaat het wel?” zegt hij meteen.
“Ja hoor, dankzij jou.”
Hij lacht en neemt me terug in zijn armen. Met mijn hoofd tegen zijn brede borst voel ik me al veel beter. Ik slaag er zelfs even in alles te vergeten.
“Ik moet je laten Rose, ik heb nog iets af te handelen,” zegt Marten na een tijdje.
“Goed,” zeg ik. Ik heb er moeite mee de warmte van zijn lichaam te verlaten maar slaag erin hem los te laten.
’s Avonds in bed ben ik rusteloos. De beelden van een hijgende en grijpende Lucius spelen als een eindeloze film af in mijn hoofd. Helena komt bij me liggen en haalt het kleine flesje naar boven.
“Hiervan ga je niet dromen. Ik dacht wel dat je het kon gebruiken na vandaag…”
Ik omhels haar en ze haalt een glas.
“Wel helemaal leegdrinken hoor,” zegt ze op een quasi-strenge toon. Ik produceer een glimlach en ze geeft me een knipoog. Het drankje smaakt vies zoals wel te verwachten was maar ik slik alles door. Enkele minuten later val ik in een droomloze slaap…
Hoofdstuk 9: De wegen der Onsterfelijkheid
Met de goede zorgen van mijn vrienden slaag ik erin het hele voorval gemakkelijker te verwerken. Ik durf het aan om terug met Sean te spreken. Hij ziet dat er iets scheelt, maar is vriendelijk en stelt geen lastige vragen. Soms zitten we gewoon naast elkaar, bij het meer, kijkend naar de rimpelingen in het water, luisterend naar het geroep van vogels. Diane is Marten vergeten en gaat na een tijdje uit met Thomas Christiansen.
“Hij ziet er misschien verlegen uit maar hij is zalig in bed!” zegt ze Helena en mij op een avond. We wisselen een blik van verstandhouding met elkaar terwijl we proberen het niet uit te proesten. Marten hangt vaak bij me rond, alsof hij me constant wil beschermen. Als hij Sean naast me ziet, trekt hij een norse blik, maar hij zegt er niets over. Lucius zit nog maar zelden in het groepje van Marten. Ik zie hem vaak in het kasteel rondlopen met een boze blik in zijn ogen. Je ruikt het bijna aan hem dat hij zint op wraak. Als ik in de bibliotheek ben of gewoon in de leerlingenkamer zit, zit hij vaak naar me te kijken op een manier die mijn bloed doet stollen. Ik vraag me angstig af of hij iets van plan is, maar zwijg erover tegen Marten. Ik denk dat het het beste is als ik hem negeer.
Het is eind oktober. Marten en ik zitten in de bibliotheek. Ik werk aan een opstel voor Toverdranken en Marten zit geconcentreerd te lezen in een zwaar, oud en dik boek. De bladen ervan zijn al vergeeld en telkens hij een bladzijde omslaat, doet hij dat met uiterste zorg. Ik strijk met mijn hand over die van hem en hij kijkt glimlachend op.
“Welk boek lees je?” vraag ik zachtjes.
Hij toont me de voorkant van het boek waar in sierlijke, gouden letters “De wegen der Onsterfelijkheid” opstaat. Zijn lippen krullen in een geheimzinnige glimlach wanneer hij mijn verstomde blik ziet en hij kijkt me samenzweerderig aan.
“Wat…? Hoe…?”
Plots herinner ik mij me dat ik naast de toekomstige Heer Voldemort zit. Ik gebruik al mijn beheersing om mijn stoel niet zo ver mogelijk van hem weg te schuiven en blijf op mijn plaats zitten. In zijn ogen schittert nu iets vreemds, iets onmenselijk dat altijd bij hem schijnt aanwezig te zijn, maar dan meestal verborgen.
“Je moet geen angst hebben Rose,” begrijpt hij mijn blik.
“Je wilt… onsterfelijk worden?”
“Dat liefste, is mijn ultieme droom. Macht en onsterfelijkheid, dat is waar ik naar streef en altijd naar zal blijven streven. Want weet je Rose, hoe raar het ook klinkt, het ligt allemaal in mijn bereik…”
Zijn blik is gericht op oneindig en ik vermoed dat hij denkt aan de dingen die hem te wachten staan en de dingen die hij al heeft gedaan. Ik ril.
“Waarom?”
“Waarom wat?”
Ik haal diep zuchtend adem. Ik verwacht absoluut niet dat hij het ooit zal snappen, maar ik ben hier met een doel. En dat doel kan ik maar beter waarmaken, want de tijd dringt.
“Waarom kun je niet tevreden zijn met wat je hebt en wil je meer? Waarom voor onsterfelijkheid gaan? Wat heb je dan nog aan de tijd…?”
Zijn ogen schitteren zowel op een gevaarlijke als briljante manier. Vreselijke combinatie.
“Dat is het net, Rose, ik ga de tijd te slim af zijn.”
“Waarom zou iemand dat willen doen?”
“Ik neem aan dat jij dat niet kan snappen. Ik neem aan dat jij niet weet hoe het voelt om sterker te zijn dan de ander, iemand volledig in je macht hebben…Ik heb niets of niemand om voor te sterven. Mijn familie is dood, en mijn vrienden… Tja, mijn vrienden. Die trekken met mij op omdat ze weten dat ze samen met mij kunnen bereiken wat ik wil bereiken: macht.”
“En onsterfelijkheid dan, willen ze dat niet?” zeg ik, nogal luid. Ik ga helemaal op in wat hij zegt dat ik vergeet dat we in de bib zijn.
“Shhtt! Zachtjes aan wil je?” berispt Marten me zacht.
“Ik heb mijn vrienden niets verteld over mijn onsterfelijkheidplannen. Zij zijn te min om die gunst te verwerven. Ik heb het hierover nog maar met één persoon gehad, en dat is de enige persoon waarvan ik ooit gehouden heb.”
Zijn hoofd komt met een duizelingwekkende snelheid dichterbij en ik sluit mijn ogen
“En ik zal voor altijd van haar blijven houden…” fluistert hij in mijn oor.
Dan voel ik dat zijn lippen zachtjes op de mijne drukken en ik laat me gaan. We raken al snel verstrengeld in een hevige kus en ik vergeet op slag alles wat hij heeft gezegd over onsterfelijkheid of macht.
“Hum-hum.”
Madame Rommella staat voor ons, met hoog opgetrokken wenkbrauwen en een norse blik. Het schaamrood kleurt mijn wangen, maar Marten zit er kalmpjes bij. Hij mompelt even iets terwijl hij Madame Rommella aankijkt en het volgende moment gaat ze vrolijk neuriënd weg, alsof er niets gebeurd is.
“Waar waren we?” zegt Marten grijnzend. Maar ik kijk hem lichtjes afkeurend aan en buig me weer over mijn opstel.
“Oh komaan Rose, het is gewoon voor de lol.”
“Net daarom. Je doet zoiets niet voor de lol, Marten. Zeker niet bij een leerkracht.”
“Ze is geen leerkracht.”
“Maakt niet uit!”
Ik kan er niet tegen als hij zo doet, zijn macht misbruikend. Ik haat het zelfs. Het doet mij denken aan Voldemort in het heden en die haat ik nog meer.
“Rose…?” zegt hij hees.
“Wat?” zeg ik schril en ik schrik van mijn eigen stem.
“Het spijt me. Hoe kan ik het terug goed maken?”
“Hmm… Dat is niet genoeg, Marten. Je moet ook echt beseffen dat dat niet kan, zo je magie misbruiken.”
Man ik klink stom. Tegen Heer Voldemort uitleggen dat machtsmisbruik niet kan…
“Ik besef dat je het niet graag hebt. Maar ik vind het niet erg, het is trouwens voor bestwil.”
Nu krijgt hij me echt boos…“Neen Marten! Het is niet zomaar voor bestwil, het is voor jouw bestwil!”
Ik neem kwaad mijn spullen bij elkaar en loop de bibliotheek uit voor hij me kan tegenhouden. Ik drop alles op mijn kamer en maak me klaar voor het avondeten. Het besef dat Marten nu al door en door slecht is en vreselijke dingen heeft uitgehaald, beangstigd me. Niet dat ik schrik heb van hem. Ik heb schrik dat mijn missie gedoemd is, dat het allemaal niets uitmaakt. Hoe in godsnaam moet ik hem nu nog op het goede pad brengen?
Marten komt niet opdagen tijdens het avondmaal. Ook als ik hem daarna ga zoeken in de leerlingenkamer is hij onvindbaar. Ik heb geen spijt van de harde woorden die ik tegen hem heb gesproken, maar ik hoop alleen dat ik het niet voorgoed bij hem heb verbrod. Als ik nog later in mijn bed lig, kijkend naar de bijna volle maan, gaan mijn gedachten onwillekeurig uit naar mijn ouders en mijn vrienden in het heden. Ik onderdruk een snik en slik fel door.
Moed, Hermelien. Moed, meisje…
Door het open raam dringen allerlei nachtelijke geluiden tot mij door. Het geritsel van de bladeren, het huilen van de wind, het getsirp van nachtkrekels, het geroep van uilen, het gesnik van… Gesnik?
Ik open mijn raam iets verder zodat ik zicht heb op het terrein van Zweinstein onder mij. Op een kleine houten bank zit een gebogen gedaante te snikken. Zijn schouders schokken op de maat van zijn gehuil. De wind blaast zijn ravenzwarte haren naar achter en de maan verlicht zijn beeldschone gezicht. Het is Marten. Ik neem geen tijd om te denken en handel meteen. Ik grijp een pulletje uit mijn kast, trek snel slippers aan en loop dan geruisloos naar buiten zo snel mijn voeten mij dragen kunnen. Ik verbijt de koude die in mijn ledematen binnendringt en probeer te vergeten dat ik in niets anders dan mijn nachthemd en mijn pulletje rondloop. Als ik de gebogen gestalte genaderd ben, heb ik een beter zicht op zijn betraande gezicht. De schoonheid ervan beneemt me letterlijk de adem.
“Marten?”
Hoofdstuk 10: Monster
“Marten?”
Ik zeg het deze keer iets luider maar hij hoort me niet. Ik ga naast hem zitten op het bankje en zie dat hij bibbert en beeft, maar hij ziet me niet. Hij heeft me niet opgemerkt. Hij rilt onophoudelijk en blijft doorsnikken. Langzaam en voorzichtig, om hem niet te laten schrikken, leg ik mijn arm rond zijn schouders. Maar hij voelt het niet. Hij is niet zichzelf. Hij ziet er verschrikkelijk uit en hij huilt alsof hij nooit meer zal ophouden. Hem zo te zien doet me meer pijn dan wat dan ook, besef ik. Ik leg zijn hoofd tegen mijn borst en probeer hem te bedaren.
“Shht… Marten, ik ben hier. Het is goed. Het komt allemaal wel goed.”
Martens lichaam schokt tegen het mijne aan. De tranen druipen nog steeds over zijn bleke wangen naar beneden. Plots klinkt er een ijl geluid uit zijn keel.
“Ik… Ik zie hen. Ze komen…”
“Shhht…”
“Ze komen om mij te halen!”
Hij probeert zich paniekerig uit mijn greep te bevrijden, maar ik zet mijn tanden op elkaar en hou hem met alle kracht die ik heb tegen me aan.
“Ik ben hier,” zeg ik. “Ik zal voor je zorgen, je hoeft je geen zorgen te maken, Marten.”
“Ze willen me doden…” Zijn stem klinkt benauwd. “Ze willen wraak nemen… Wraak…”
Ik begin zelf ook bang te worden door zijn woorden, maar blijf me inspannen.
Je moet sterk zijn Hermelien, ook voor hem.
Ik besef dat het zo niet opgelost kan worden. Ik moet weten wat hij ziet.
“Wie wilt er wraak nemen, Marten?”
Mijn lieve Marten beeft nog steeds en een geluidloze traan valt op mijn wang. Ik doe langzaam mijn pulletje uit en leg hem op zijn op en neer schokkende lichaam.
“Zeg het me, liefste,” zeg ik met trillende stem. Ik probeer mijn stem zo zacht mogelijk te laten klinken, maar het lukt niet.
“Zij…” ijlt Marten.
“Wie zijn zij?”
“Mijn…”
“Ja?”
“Mijn…”
“Jaah?”
Ik bevries bijna op het koude bankje. De lucht is ijzig koud en mijn nachtkleedje beschermt me niet tegen de bijtende wind.
“Mijn slachtoffers,” zegt Marten met verstikte stem.
“Ze komen tevoorschijn, ’s nachts… Ze kwellen me…”
“Shhht, rustig maar. Ik ben nu hier, liefste.”
Martens gebibber wordt minder en ik druk hem nog harder tegen me aan.
“Ik ben bij je, je moet geen angst hebben. Ik zal je beschermen.”
Uiteindelijk stopt Marten met beven en ligt hij gewoon slapjes tegen me aan. Ik krijg kramp in mijn rug en mijn nek door de pijnlijke en weinig comfortabele positie waarin ik me bevind, maar ik durf niet op te staan. Het laatste wat ik wil, is Marten laten schrikken. Zijn ogen zijn gesloten en ik heb de indruk dat hij slaapt. Zijn ademhaling is traag en zijn borst gaat langzaam op en neer. Plots besef ik hoe dicht hij tegen me aan is. Zijn hele lichaam is tegen me aangedrukt en ik profiteer van de warmte ervan. Ik probeer een makkelijkere slaappositie te zoeken door Martens hoofd als kussen te gebruiken, wanneer Marten plots spreekt.
“Ik heb vreselijke dingen gedaan, Rose.”
Dat weet ik gvd…
“Welke dingen, Marten? Vertel.”
“Je zou me nooit meer willen zien moest ik ze je vertellen…”
“Dat zal ik dan wel zien.”
“Jij bent zo… helemaal anders dan mijn vrienden en ik. Jij bent goed. Jij bent blij met wat je al hebt, maar voor mij is dat niet genoeg. Nooit genoeg geweest. Ik geniet van mijn macht, Rose. Ik vind het leuk mensen te intimideren, te kwellen tot ze me geven wat ik wil. Ik ben niet wie je denkt dat ik ben. Ik ben…”
Zijn stem trilt en ik trek hem harder naar me toe.
“Ik ben een monster,”zegt hij, zijn gezicht bedekkend met zijn handen. Ik streel zachtjes zijn haar en kus zijn voorhoofd, terwijl ik langzaam zijn handen van zijn gezicht wegneem.
“Als je slechte dingen hebt gedaan, Marten, dan is dat het verleden. Waarom laat je dat verleden niet rusten en concentreer je je op een schone toekomst, een nieuwe, goede start?
“Het is niet zo dat ik die dingen zomaar kan achterlaten. Het zit in mijn bloed… ik ben en zal altijd een monster blijven.”
“Dat is niet waar! Mensen kunnen veranderen! Jij kunt veranderen!”
Marten glimlachte even en keek me in de ogen aan.
“Het is ongelofelijk mooi hoe jij zo in mensen kunt geloven, Rose.”
Ik bloos maar blijf hem vragend aankijken.
“Maar ik weet het niet… Ik denk dat het al te laat voor me is. De vreselijke dingen die ik heb gedaan kan ik niet ongedaan maken. Het ergste is nog dat ik er geen spijt van heb.”
Dat laatste zegt hij op zo’n kalme toon dat ik er schrik van krijg.
“Leer er dan maar spijt van te krijgen. Je hoeft niet slecht te zijn, Marten,” zeg ik boos.
“Ik heb geen keus!”
“IEDEREEN HEEFT EEN KEUS!”
Hij schrikt van de woede, die in mijn stem duidelijk hoorbaar is. Ik schud hem boos van me af en sta op. Verdorie toch!
Met mijn rug naar hem gekeerd, kijk ik uit over het meer dat zwart glinstert in het donker. Ik vertraag langzaam mijn ademhaling en dwing mezelf te ontspannen.
Met boosheid kom je nergens.
Het uitzicht van het kalme bos en het mooie meer brengen mij tot rust. Ik wil me net omdraaien en het met Marten goedmaken als twee sterke armen mij langs achter aan mijn heupen vastnemen. Marten legt zijn hoofd op mijn schouder en houdt me zo vast. Mijn ademhaling versnelt weer maar ik blijf rustig staan op mijn plaats.
“Je hebt gelijk,” fluistert hij. “Ik zal mijn best doen.”
Ik lach en draai me om. Zijn tranen waren weggeveegd en het maanlicht verlicht zijn donkere haar, zodat hij er mysterieus en beeldschoon uitziet. Voor ik het weet raken mijn lippen de zijne. We kussen een lange, tedere kus, wanneer plots boven ons de hemel openbarst. Harde regendruppels spetteren overal rondom ons en de donder overstemt ons gelach. Een bliksemflits verlicht onze gezichten. Als Marten ziet hoe een regendruppel op mijn voorhoofd valt, kust hij hem teder weg en staart hij me met een grijns aan. Ik ben doornat en voel hoe mijn nachtkleed tegen mijn huid plakt.
“Wat een interessant kledingstuk,” zegt Marten in mijn oor en ik bloos. Wedden dat mijn nachtkleed heel doorzichtig is op dit moment…
“Ik bevries,” zeg ik, suggestief bibberend.
“Ik wil je wel verwarmen,” zegt Marten grijnzend.
“Blijf maar dromen,” zeg ik plagend.
“Ik droom graag…” lacht hij zijn mooie tanden bloot, “over jou.”
Ik druk een klein kusje op zijn wang, neem dan zijn hand vast en sleur hem mee naar binnen. Eens we zijn aangekomen in de leerlingenkamer laat ik zijn hand los en loop ik speels naar de trap die naar de meisjesslaapzaal leidt.
“Hé,” zegt Marten verbouwereerd, “krijg ik geen afscheidskusje?”
Hij komt naar me toe en legt een hand op mijn wang.
“Ik ben zo blij dat ik jou heb leren kennen…” fluistert hij zacht. Ik glimlach en omhels hem.
“Ik jou ook hoor.”
Hij maakt zich los uit de omhelzing en kijkt me aan.
“Morgenavond is het Halloween.”
Ik herinner me het ritueel en ik verstijf.
“Nee, zo bedoel ik het niet,” zegt hij snel als hij mijn reactie begrijpt.
“Ik ga je zeker niet onder druk zetten en ik wil dat jij het ook wilt. Laat me weten wanneer je er klaar voor bent en tot dat stellen we het uit.”
Ik kijk hem dankbaar aan en kan een grijns niet onderdrukken.
“Maar ik wou het over iets anders hebben. Morgenavond is er in Zweinsveld een Halloweenparty. Ik ben van plan met enkele vrienden te gaan en ik vroeg me af of je meewilt… Ik weet dat het misschien moeilijk zal zijn door het hele voorval met Lucius, maar je weet, niet alle jongens zijn zo.”
Ik haal even diep adem en zeg op een vaste toon: “Ik wil wel mee. Komen Diane en Helena ook?”
“Ja, vraag ze maar mee,” zegt Marten met fonkelende ogen.
Als ik eindelijk in mijn bed lig, zit ik nog lang te denken. Ik wist niet dat Marten bang kon zijn… Hij weet van zichzelf dat hij graag zijn macht gebruikt, maar hij heeft gezegd dat hij zijn best zal doen. Tevreden leg ik me in een knusse positie en val even later in slaap.
Hoofdstuk 11: Halloweenparty
“Dus toen heeft hij mijn hand vastgepakt en het was zó romantisch…”
We zitten met z’n drieën op onze kamer, elk op ons eigen bed. Diane vertelt ons tot in de kleinste details hoe haar afspraakje met Thomas is verlopen. Ik staar dromend uit het raam, me vergapend aan het mooie landschap voor mij, zover de horizon reikt. Helena zucht ostentatief en rolt met haar ogen.
“Maar het wás ook romantisch! Je had het moeten zien…” zegt Diane met een iets bozere ondertoon in haar stem.
“Oh, God nee, dat kun je me niet aandoen… het zien!” zegt Helena quasi-bang
Ik lach en Diane kijkt ons allebei kwaad aan.
“Hoe gaat het trouwens tussen jou en Voldemort?” zegt Diane plots plagend.
“Oh dat doet me aan iets denken,” zeg ik snel. “Marten heeft ons uitgenodigd voor een Halloweenparty, vanavond.”
“Wat? Vanavond al? En dat zeg je nu pas? Slet!”
Diane stormt de badkamer in en we horen haar rommelen met allerlei make-up spullen.
“Wat krijgt die opeens?” zeg ik stomverbaasd.
“Eh… Rose, liefje,” zegt Helena zachtjes, “het is al vijf uur door.”
“Nou en?”
“Dat betekent dat Diane hooguit nog vier uurtjes heeft om zich klaar te maken. Iets wat voor haar absoluut ontoereikend is, aangezien ze meestal zo’n hele dag voorbereiding nodig heeft voor een party.”
“Oké…”
“Maar zeg nu eens eerlijk, Rose. Hoe zit het nu tussen jullie?” vraagt Helena.
Ik haal mijn schouders op en denk na. Hoe zit het nu eigenlijk tussen Marten en mij?
“Ik weet het niet goed, misschien krijg ik daar vandaag een goed antwoord op,” grijns ik.
Marten staat op ons te wachten om negen uur stipt. Diane heeft me nog een paar keer vervloekt maar ziet er wel prachtig uit. Ze draagt een heel laag uitgesneden bloesje en een jeansminirokje. Helena draagt een spannende jeans en een topje met spaghettibandjes en ik draag gewoon een ribfluwelen broek, met daarop een lang geruit hemd dat doet denken aan een cowboyhemd. Ik kan het niet over mijn hart krijgen iets gewaagder aan te doen, want ik heb schrik dat nog meer jongens hetzelfde in hun hoofd zullen halen als Lucius. Marten kijkt me glimlachend aan als ik onzeker naar hem toe stap. Ik ben blij dat hij erbij is, anders had ik zo een avondje uit nooit aangedurfd. En niet alleen omdat ik nog nooit naar een echte fuif geweest ben.
“Mogen we zomaar uit het kasteel?” vraag ik met een klein stemmetje. Ik voel me niet helemaal op mijn gemak.
“Och, niemand moet weten dat we niet gewoon in ons bed liggen,” zegt Helena grijnzend.
Blijkbaar hebben zij en Diane dit vaker gedaan.
“Maar, het is toch niet toegestaan?” Mijn protest wordt alleen maar zwakker en ik verman me. De regels overtreden… Ik heb het al vaak genoeg gedaan.
“Maakt niet uit, ik ken de geheime gangen van het kasteel,” zegt Marten fel.
“Niemand zal ons betrappen.”
Ik aarzel nog heel even en loop dan achter mijn vrienden aan. Ze lopen vastberaden naar de derde verdieping tot ze komen bij een standbeeld van een eenogige heks. Marten kijkt even rond zich heen en tikt op de stenen heks, terwijl hij fluistert: “Dissendium!”
De bochel van het standbeeld gaat meteen open en één voor één klimmen we erin. Ik weet het niet met zekerheid, maar ik geloof dat dit dezelfde geheime gang is die Harry gebruikte en die leidt naar Zacharinus. Ik krijg nog gelijk ook.
Als we op onze tenen de winkel uitstappen, word ik door een enorme angst bevangen. Onwillekeurig gaan mijn gedachten uit naar mijn laatste keer in Zweinsveld, hoe Lucius me naar de achterkant van de winkel heeft gelokt… Marten voelt me verstijven en legt zijn arm rond mijn schouder. Ik kijk hem dankbaar aan en we stappen verder, tot we komen bij de drie bezemstelen. Het café is vanbinnen helemaal veranderd. De tafels en stoelen zijn aan de kant geschoven, de muren en de toog zijn versierd met allerlei Halloweenversieringen en aan de vloer hangt een grote, schitterende discobal. Helena en Diane vliegen meteen op de dansvloer en ik blijf onzeker naast Marten staan, niet goed wetend hoe me te gedragen. Ik ben nog nooit naar een echte party geweest, en ik heb geen flauw idee hoe het er daar aan toe gaat. Wat ik nu zie is geruststellend tegenover mijn wilde ideeën over dronken mensen die met bierflessen naar elkaar smijten. Tovenaars die verkleed of niet verkleed zijn staan te dansen en te shaken en het plezier is van hun gezichten te lezen. Ik ontspan en er verschijnt een kleine grijns op mijn gezicht als ik zie hoe Diane Thomas meesleurt naar de dansvloer. In het hele café spat de magie eraf en ik merk dat het geen gewone magie is. Dit is veel diepere magie… Liefdesmagie. De energie ervan beneemt mij bijna de adem als ik zie hoe verscheidene stelletjes dichter naar elkaar toekruipen.
“Ik ga even iets te drinken halen,” klinkt Martens stem schreeuwend in mijn oor, om boven de luide discomuziek uit te komen. Ik knik dat ik het begrepen heb en volg hem met mijn ogen tot hij uit het zicht verdwenen is. Het café zit overvol en ik heb bijna geen plaats om me te bewegen zonder dat ik andere mensen aanraak. Ik laat mijn blik glijden over de dansvloer en herken nog meer mensen van Zweinstein. Sean staat aan de andere kant van het café te praten met een knap, blond meisje. Ik voel een steek van jaloezie opkomen, maar onderdruk hem. Op het midden van de dansvloer staat Helena te dansen met een jongen van Ravenklauw die ik ken als Lucas. Ik zwaai even naar haar, maar ze ziet me niet. Ze gaat helemaal op in Lucas’ ogen. Plots krijg ik een naar gevoel, het gevoel dat iemand me aan staat te staren. Alsof ik ogen kan voelen in mijn rug, draai ik me om en kijk ik recht in het gezicht van Lucius Malfidus. Hij grijnst op zijn misselijkmakende manier en ik voel de paniek in mij oplaaien.
Rustig blijven, Hermelien. Hier kan hij niets doen, je bent veilig hier. Ontspan…
Wat in godsnaam moet ik doen? Zijn blik doorboort me, maakt dat ik elk moment op de grond kan neerstorten…
Kalmeer Hermelien! Beheers je! Je gaat nu gewoon op zoek naar Marten, daar ben je helemaal veilig. Hij zal je beschermen…
Ik snel weg uit Lucius’ buurt en ga verwoed op zoek naar Marten. Mensen duwen en trekken, staan in mijn weg en ik voel dat de paniek als een constante tumor in mijn lijf aanwezig is. Marten… Waar is Marten?
Rustig… Kalm…
Waar is Marten nou!
Beheers je, blijf kalm!
Ik bereik de toog maar kan Marten nergens zien. Ik waag het een blik naar achteren te werpen en zie dat Lucius nog steeds naar me staart, met die eeuwige grijns op zijn gezicht. Mijn nekhaartjes gaan overeind staan en ik kijk snel terug voor me. Ik móet Marten vinden, en snel. Ik ga in een hoek staan waar ik zicht heb op het hele café.
Oké, goed. Kalm aan.
Ik sta alleen en verlaten tegen een muur. Overal rondom mij zitten mensen zich te amuseren en plezier te maken terwijl ik verstijfd ben van angst. Hier komen was géén goed idee… Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe Lucius lenig opstaat en mijn richting uitkomt. Ik voel mijn hart keihard in mijn keel bonken en besterf het van de angst. Marten is nog steeds onvindbaar en in een poging me zoveel mogelijk aan Lucius’ zicht te onttrekken, blijf ik zo klein mogelijk tegen de muur staan. Tevergeefs. Ik zie hem met grote angstogen naderen en er is niets dat ik kan doen, niemand die me kan helpen…
“Hallo, Rose.” Zijn stem… Ik voel hoe mijn maag zich omdraait en ik kijk alle richtingen uit, op zoek naar een ontsnappingsweg.
“Waar is Voldemort toch heen?” zegt hij gemaakt ongerust.
Dit keer voel ik niet alleen angst maar ook een diepe woede in me heersen.
“Marten komt zometeen hierheen,” zeg ik met vaste stem.
“Oh, wel dan zal hij er toch niets op tegen hebben dat ik zijn mooie date ten dans vraag?”
Hij steekt zijn hand naar me uit en ik deins geschrokken weg, maar achter mij bevind er zich alleen maar een harde muur. Net zoals toen…
“Blijf van me af!”
Hij haalt zijn toverstok naar boven en ik kijk verstijfd toe. Mijn hand graait naar mijn broekzak, maar die is leeg.
Oh verdorie…
Hoofdstuk 12: Wraak en Liefde
Lucius grijnst weer en plaatst zijn toverstok tegen de plek waaronder mijn hart ligt. Ik slik en kijk hem met grote ogen aan. Marten is nergens te bespeuren.
“Wil je nu met mij dansen, schat?”
Plots krijg ik een idee. Mijn woede voor hem neemt de overhand en ik wil alleen maar wraak. Ditmaal zal ik hem geen kans geven, oh nee…
Ik laat me door hem naar de dansvloer leiden, tot we in het midden ervan staan. Als bij toverslag stopt de ritmische discomuziek en maakt die plaats voor een slow. Ik zucht.
Lucius legt zijn handen op mijn heupen en even ril ik, maar ik verman me en kijk hem zoetjes aan. Hij wil met me dansen? Hij zal een dans krijgen.
Ik leg mijn armen rond zijn schouders, zoals het hoort, en zo dansen we, onder de grote discobal. Plots krijg ik Marten in het oog, die naar ons staat te kijken vanaf de toog. Zijn ogen zijn vernauwd tot smalle spleetjes en zijn borst gaat jachtig op en neer van woede. Niemand neemt af wat van mij is. Martens woorden spoken door mijn hoofd maar ik schenk er geen aandacht aan. Het is zelfs goed dat hij staat te kijken. Ik concentreer me weer op Lucius. Ik haal langzaam mijn handen van zijn schouders en stop met dansen. Ik sta stil in het midden van de vloer en Lucius komt dichterbij, om te zien wat er scheelt. Ik glimlach liefjes naar hem en hij grijnst weer zijn brede, misselijkmakende, grijns. Maar inwendig grijns ik nog harder.
Als zijn gezicht nog maar enkele centimeters van het mijne verwijderd is, hef ik vliegensvlug mijn hand op en laat ik die neerkomen op zijn wang, zo hard ik kan. Een rode plek, mijn handafdruk, ontsiert nu zijn witte gezicht. Hij is verward en zoekt naar zijn toverstok. Maar ik gun hem geen kans. Ik ga dichter naar hem toe, zorg ervoor dat mijn been tussen zijn benen is, en hef dan hard mijn knie op. Hij valt op de vloer, grijpend naar zijn pijnlijk lichaamsdeel en ik geniet. Alle andere dansende koppels hebben nu plaats gemaakt voor ons en staan het hele schouwspel te bekijken. Lucius komt kermend overeind en waggelt meteen naar buiten. Pas als hij de deur van het café achter zich dichtslaat, sta ik mezelf toe openbaar te lachen en begeef ik me naar Marten. Hij lacht me toe en houdt me vast.
“Oh Rose… Ik was zó woedend! Maar ik ben ongelofelijk trots op jou!”
Ik nestel me nog behaaglijker in zijn armen en glimlach gelukzalig. Ik zal nooit vergeten wat Lucius me heeft aangedaan, maar ik kan tenminste verder leven met de gedachte dat ik wraak heb kunnen terugnemen. Even later komen Helena en Diane op me afgestormd en omhelzen ze me grijnzend.
“Goed gedaan, meid,” zegt Helena.
“Iedereen heeft gezien hoe Lucius is afgegaan, zijn verdiende loon!” zegt Diane instemmend.
Als ze terug gaan dansen heb ik Marten weer voor mij alleen. Ik ben de drukte een beetje beu en Marten stelt voor om buiten te gaan zitten, waar het rustiger is.
Achter het café ligt een kleine tuin met enkele stoelen en bankjes. Naast ons zijn er maar drie andere personen aanwezig. Marten en ik gaan zitten en we kijken elkaar lang aan.
“Hij zal nog meer boeten,” zegt Marten opeens.
Hij spreekt op een zachte toon maar in zijn ogen spatten de vonken van woede eraf.
“Hoe durft hij… Hoe durft hij je nog eens te… Dat hij alleen al het lef heeft gehad om je aan te spreken…”
Hij schudt vermoeid zijn hoofd en ik schenk hem een kusje op zijn wang. Hij kijkt op en glimlacht. Hij buigt zich dichter naar me toe wanneer we plots gepiep horen. Ik voel iets trillen in mijn broekzak en sta op. Ik haal het zendertje eruit en staar verdwaasd naar het schermpje. Er staat in grote letters: HARRY, op. Van de verbazing laat ik het trillende en piepende zendertje vallen, maar als ik het wil oprapen is Marten me voor. Zijn gezicht vertoont een grimmige trek als hij het zendertje voor zich houdt.
“Wat is dit?” vraagt hij nors.
“Een zendertje,” zeg ik even nors. “Geef terug alsjeblieft.”
“Wie is Harry?” De klank in zijn stem is gevaarlijk.
“Een vriend, en geef het nu terug!”
“EEN vriend? Zomaar iemand? Of DE vriend?”
“Wat in godsnaam ben je aan het zeggen? Ik versta je niet. Geef terug.”
Maar Marten wijkt achteruit en bestudeert het zendertje zorgvuldig.
Oh nee, dit gaat mis…
“Wat voor vriend is hij? Vanwaar ken je hem?”
“Dat maakt toch allemaal niets uit! Wat kan jou dat schelen?”
“Dat kan mij veel schelen. Luister Rosaline, als je iemand anders hebt mag je het gerust zeggen.”
Zijn stem heeft niets liefdevols meer. Hij noemt me zelfs; Rosaline… Ik kan me niet herinneren wanneer hij voor het laatst mijn naam volledig heeft gezegd, maar het is geen goed teken.
Niemand neemt af wat van mij is…
“Ik heb niemand anders!” zeg ik boos. “Harry is een gewone vriend!”
“Huh…” zei Marten schampend. “Zoals Sean zeker?”
Hij krijgt me nu echt boos.
“Ja, precies, zoals Sean.”
Ik ruk mijn zendertje uit zijn handen en loop de tuin uit. Hij kan me soms zó boos maken…
Maar door het zendertje moet ik terug denken aan Perkamentus en mijn missie. De laatste tijd heb ik hem zo verwaarloosd. Ik ben meer met mezelf en met Marten bezig, dan met Heer Voldemort… Eén vraag spookt door mijn hoofd; waarom riep Harry me op? Is er iets ergs gebeurd?
Ik weet nu gelukkig dat Harry nog in leven is, maar misschien nog maar net. Misschien heeft hij mijn hulp nodig…? Maar het maakt niets uit… Van hier kan ik toch niets voor hem doen!
Oh ik haat die onzekerheid!
Marten is me gevolgd en komt nu met een gezicht vol spijt voor me staan. Ik negeer hem en steek het zendertje terug in mijn zak. Ik kijk met opzet een andere richting uit, mijn armen gekruist voor mijn borsten.
“Het spijt me echt, Rose.”
Hij kijkt me aan met lieve puppyoogjes. Hoe kan ik aan zoiets weerstaan?
“Je bent veel te jaloers,” zeg ik fars.
“Ik weet het en het spijt me! Ik kan er echt niets aan doen… Het is omdat… omdat…”
Hij zwijgt en staart boos naar zijn schoenen. Dan haalt hij diep adem en kijkt hij me aan.
“Ik ben nooit in staat geweest van iemand te houden, Rose.”
Een enkele traan loopt van zijn wang en hij vervolgt:
“Mijn ouders hebben nooit van mij gehouden. Ze hebben me allebei in de steek gelaten. Liefde… Ik haatte de liefde. Ik dacht dat ik nooit, NOOIT, de liefde zou kunnen proeven. Ik wou het ook niet… Haat en liefde liggen dicht bij elkaar, maar ik was altijd meer geneigd om te gaan naar de Haat- kant.”
Hij haalt weer diep adem. Een tweede traan ontspringt aan zijn oog en druipt langs zijn bleke wang naar beneden. Ik zwijg en luister.
“Ik was niet van plan de liefde een kans te geven bij mij. Ik wist dat, eens ik in haar val was getrapt, het te laat zou zijn. Daarom heb ik altijd mijn hart gesloten gehouden. Ik heb nooit van iemand gehouden en ik dacht dat ik het nooit zou doen.”
Er valt weer een stilte.
“Tot nu.”
Ik hoor hoe hij moeizaam slikt en zie hoe een derde traan zijn weg naar beneden vindt.
“Liefde kan een man breken, Rose.”
Zijn stem breekt en de tranen lopen nu vrijelijk van zijn gezicht.
“Ik HAAT de liefde! Maar ik hou van jou. Ik had nooit gedacht dat ik dat ooit oprecht aan iemand zou kunnen zeggen, zonder leugens…Maar het is waar. Ik hou van jou.”
De laatste vier woorden fluistert hij en ik zit als verlamd naar zijn betraande gezicht te kijken.
Dit was die tweede kant van Marten. Mijn favoriete kant. De kant die hij heeft opgeofferd om Heer Voldemort te worden.
“Ik wil je niet kwijt, Rose. Ik heb je nog maar pas gevonden, maar ik wil je nooit meer kwijt.”
Hij is zo dicht dat zijn tranen mijn kleren nat maken.
“Ik ben zo bang Rose… Ik ben bang van de liefde…”
Ik pak hem vast en kus hem, eerst op zijn voorhoofd, dan op zijn wang en tenslotte op zijn bloedrode lippen. Ze voelen zacht aan en proeven naar het zout van zijn tranen.
“Het is waar dat liefde vernietigend kan zijn… Maar liefde kan ook prachtig zijn. Dat mag je nooit vergeten,” zeg ik met een ijle stem.
“Samen kunnen we van de liefde genieten, Marten. Samen.”
“Maar ik heb vreselijke dingen gedaan, ik heb daarom altijd bewust de liefde en andere gevoelens opzij gezet. Ik heb altijd gewetenloos gehandeld.”
“Die tijd is voorbij, lieve schat.”
“Ja,” zegt hij door zijn tranen heen. “Die tijd is voorbij. Ik wil niet langer naar meer streven, jij bent genoeg voor mij.”
Ik veeg met mijn mouw zijn tranen weg en kus hem weer. Het is een zachte, tedere kus.
Ja, die tijd is voorbij. Alles komt goed…
Hoofdstuk 13: Zwempartij
Mijn ogen verslinden de pagina’s van een in leer gebonden boek in de bibliotheek. Het is hier aangenaam warm en stil. De weinige leerlingen die deze plek, net als ik, ook als toevluchtsoord gebruiken, zitten met eenzelfde toewijding over hun boeken gebogen als ik. Ik heb altijd de indruk dat, als ik hier in de bib zit te lezen, de tijd stilstaat. Dat gevoel heb ik nu ook. Ik ben blij dat ik even niet ingesloten ben tussen Helena en Diane, en dat ik Marten niet moet zien. Mijn gevoelens voor hem maken deze verdoemde missie nog moeilijker. Ik kan maar aan een ding denken; als mijn missie slaagt, ALS… Zal ik mezelf dan nog los kunnen maken van de lieve Marten Vilijn en terugkeren naar het heden? Zal ik de moed hebben mijn hart in tweeën te breken en de helft hier genadeloos achterlaten? Soms, heel soms, vermaan ik mezelf. Verdorie, Hermelien… Deze missie is gedoemd tot mislukking, het enige waar jij aan moet denken is een ontsnappingsweg als het te heet wordt. Maar die stem leg ik snel genoeg het zwijgen op. Ik ben het moe om negatief te denken. Als ik positief moet denken voor Marten, kan ik dat ook voor mezelf. Met een zucht leg ik mijn boek neer en staar recht in het gezicht van Sean.
Ik besteed te weinig aandacht aan hem de laatste tijd…
“Hoi Rosaline,” zegt hij met zijn warme stem.
“Dag Sean, alles goed?”
“Prima, met jou? De laatste weken waren nogal stressy voor je, niet?”
“Oh het valt mee, ik ben nu helemaal relaxed,” glimlach ik breed.
Ze hebben geen idee… niemand heeft een idee van het masker dat ik draag, dag in, dag uit!
“Dat is goed om te horen. Heb je zin om deze middag samen iets te doen? Het is gewoon zo lang geleden en ik…”
“Dat is goed,” zeg ik meteen. Ik heb zin om eens iets te doen met iemand waarbij ik me volledig normaal voel. Bij Sean hoef ik niet te denken aan de ingewikkelde wending die mijn leven heeft genomen. Bij hem kan ik gewoon mezelf zijn.
“Oké dan, wat zullen we doen?” zegt Sean, ietwat verbaasd door mijn snelle reactie.
“Wat dacht je van een duikje in het meer?” zeg ik met een blik naar buiten.
“Rose, het is buiten aan het vriezen…”
“Neen, het heeft gevroren, ik wed dat het nu al zeker vijf graden is. Het water zal al niet meer bevroren zijn,” zeg ik met een speelse lach op mijn gezicht.
Sean lacht hartelijk.
“Jij bent geschift, lieve Rose.”
“Dat weet ik, zijn we weg?”
Sean kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan.
“Je meent het dus?”
“Natuurlijk, tenzij je het niet aandurft!”
Ik geef hem een plagende por in zijn zij en zie hoe zijn ogen oplichten.
“Uitdaging aangenomen,” lacht hij.
Ik weet dat ik iemand ben die altijd redelijk is en logisch nadenkt. Maar daar heb ik eens een keertje geen zin in. Ik wil een nieuwe uitdaging voor mezelf zoeken, zodat ik eens met iets anders bezig ben dan Marten Vilijn.
Een half uurtje later sta ik naast Sean aan de rand van het meer. Ik kijk naar het glinsterende ijskoude water en ril in mijn dun pulletje.
“Krabbelen we terug?” vraagt Sean plagend.
“Nee, ik was me even mentaal aan het voorbereiden op de zwempartij,” lach ik zenuwachtig.
Ik steek langzaam de top van mijn blote voet in het water en haal hem er meteen terug uit. Verdorie, dat is koud!
“Maar Rose, je hebt je kleren nog aan. Zo gaat dat niet hoor,” zegt Sean lachend.
“Oh, dus we gaan naakt zwemmen ofzo?”
“Natuurlijk! Tenzij je dat niet aandurft!”
Sean grijnst om de gestolen woordenschat en trekt dan zijn T-shirt over zijn hoofd. Zijn brede, gespierde torso komt tevoorschijn en ik slik. Waar ben ik toch mee bezig? In een ijskoud meer naakt zwemmen met een jongen, echt iets voor jou Hermelien…
“Vooruit bange luis, komt er nog wat van?”
Sean laat zijn broek zakken en kijkt me met vragende ogen aan.
“Je weet toch dat je mij kunt vertrouwen hé?” zegt hij nu stiller en geruststellender.
“Ja, dat weet ik.”
Sean zal me nooit kwaad doen of misbruik van me maken. Aan hem heb ik een echte vriend.
Maar om me echt honderd procent op mijn gemak te voelen zal ik me helemaal moeten laten gaan, alle regels uitbannen en gewoon mijn verstand op nul zetten. En dat is precies wat ik nu ook doe. Zonder er te lang over na te denken open ik de rits van mijn ribfluwelen broek en laat ik hem zakken. Ik doe mijn pulletje en T-shirt uit, knoop mijn bh los en stap uit mijn broek en slipje. Sean werpt geen begerige of piepende blik op mijn lichaam, hij glimlacht gewoon en doet hetzelfde. Ik weet zeker dat als ik later op dit moment zal terugkijken, ik niet zal snappen hoe ik heb gedurfd om zo ver te gaan.
“Oké, snel nu voor we echt bevriezen,” zegt Sean. Poedelnaakt haalt hij zijn toverstaf uit de zak van zijn jeansbroek en richt hij die op mij.
“Chalerio,” mompelt hij.
Meteen voel ik hoe een warme vloed mij verwarmt en door heel mijn lichaam stroomt. Hij gebruikt dezelfde spreuk op zichzelf en neemt dan mijn hand vast. Ik bibber en ril niet meer van de koude, het lijkt alsof ik binnen zit voor een warm haardvuur. Samen rennen we het meer in en lachen we uitgelaten. Ik deins maar heel even terug voor de ijskoude aanraking van het water, maar onmiddellijk wordt dat gecompenseerd door Seans spreuk en voelt het aangenaam.
“Sean!” schreeuw ik.
Sean is al verscheidene meters verder gezwommen en straalt.
“Sean, WIJ ZIJN GESTOORD!”
“JA, LEUK TOCH!”
Ik zwem naar hem toe en hij stuurt een golf van water op me af. Ik lach en duw met mijn hand wat water in zijn gezicht. Ik denk niet aan Marten, ik denk niet aan Perkamentus, ik denk niet aan Harry of Ron of aan mijn ouders. Ik denk alleen aan Sean en ik, die ons amuseren. Ik weet dat dit een zeldzaam moment van mooi geluk is, dat ik moet koesteren en voor eeuwig in gedachten bewaren. En dat ga ik ook doen, denk ik met een vastberaden trek om mijn mond. Lachend duw ik Sean kopje onder en hij verdwijnt met veel show onder water. Even later komt hij enkele meters verder tevoorschijn. Hij lacht niet meer een kijkt ernstig.
“Sean, alles oké?”
“Dat was niet grappig…”
“Het spijt me, ik deed het maar om te dollen..."
"Er is iets dat je moet weten, Rose. Een reden, en een verdomd goede reden, om niet meer met jouw Voldemort om te gaan."
Ik zit hem doodstil aan te kijken en hou mijn adem in.
Waar heeft hij het over?
Plots gaat er een belletje rinkelen in mijn hoofd:
“Hij is gevaarlijk, Rose. Jij kent hem misschien niet zo goed, maar ik wel. En je kunt het van mij aannemen dat het waar is wat ik zeg. Marten is iemand die geen rekening houdt met anderen. Hij handelt gewetenloos met een enorme eigendunk en hooghartigheid. Hij is onverschillig tegenover gevoelens en gaat tot het uiterste om zijn wil te bereiken. Je moet voor hem oppassen Rose, beter nog, het zou beter zijn als je helemaal geen contact met hem zou hebben.”
Ga ik nu te weten komen waarom?
Sean haalt diep adem voor hij spreekt.
"Mijn broer en ik waren eens aan het dollen in het zwembadje naast het weeshuis waar Voldemort ook verblijft. En ja... Ik ben wees, maar dat heeft er nu niets mee te maken. Mijn broer en ik waren dus bezig, toen Voldemort opeens eraan kwam. Hij wou iets van mijn broer, ik weet niet zo goed meer wat... Een of ander voorwerp waar hij jaloers op was. Nou, mijn broer was dus niet van plan het af te geven. Dus ging Voldemort hem straffen. Hij heeft een of andere onzichtbare spreuk gebruikt op mijn broer, zodat die kopje onder ging in het zwembad. Ik stond naast hem in het water, maar ik kon niets doen..."
Seans ogen beginnen te tranen.
"Ik kon mijn eigen broer niet eens helpen, Voldemort was te sterk... Uiteindelijk werd Marten toevallig geroepen door een van de opzichters, zodat hij wel moest stoppen met zijn spreuk. Toen ik mijn broer boven water haalde, kon ik nog maar met heel veel moeite zijn zwakke ademhaling horen. Enkele seconden langer en hij was dood."
Een warme traan druipt van Seans wang het meer in, maar hij veegt hem onmiddellijk met zijn arm weg.
"Het spijt me zo..." zeg ik alleen maar, ik weet niet wat ik anders kan zeggen.
"Het is oké, ik wil maar dat je het weet. Jij ziet maar wat je ermee doet."
Daarmee is het gesprek afgelopen. We dollen nog een beetje verder en proberen de opgehaalde herinnering van Sean te vergeten.
Na een kwartier hebben we genoeg van het water en voelen we dat de spreuk om ons warm te houden, uitgewerkt raakt. We gaan het meer uit en rillen van kop tot teen. Sean reikt me snel een grote handdoek aan en ik droog me zo snel mogelijk af.
“Geen zin om nog wat te liggen bruinen?” grapt Sean.
“Nee-ee,” klappertand ik, want ik heb het nu echt koud.
Op een recordtempo kleden we ons aan en snellen we naar de eetzaal, hongerig uitkijkend naar het warme middagmaal. Na het eten snel ik me naar de leerlingenkamer van Zwadderich om aan mijn berg huiswerk te beginnen. Als ik de deur van de kamer binnenga word ik meteen geconfronteerd met Marten. Zijn armen zijn gekruist voor zijn borst, die jachtig op en neer gaat alsof hij zich ontzettend hard moet inhouden. Zijn gezicht staat op onweer en zijn ogen kijken me doorborend aan, alsof hij mijn ziel probeert aan te vallen.
“Dag Marten…” begin ik voorzichtig.
“Wat is dat tussen Sean en jou?” vraagt hij dreigend. Zijn stem is koel en afstandelijk. Hij is terug Voldemort. Ik heb een fout gemaakt...
Hoofdstuk 14: Wanhoop
“Wat is dat tussen Sean en jou?” herhaalt Voldemort zijn vraag. Zijn ogen spuwen vuur. Ik vervloek mezelf omdat ik zo beverig ademhaal en niet weet wat te antwoorden. Ik ben stom geweest… Ik heb Sean in gevaar gebracht door Marten jaloers te maken. Plots moet ik denken aan Seans verhaal over zijn broer. Ik herinner me de traan die hij haastig wegveegde, maar die niettemin op zijn wang had gebrand. Mijn angst gaat over in woede.
“Waar haal jij het recht vandaan zo tegen mij te spreken?” kras ik, mijn stem rauw van emotie.
“Ik doe wat ik wil en ik ga om met de mensen die ik kies!” Het kwam er allemaal harder uit dan ik wou, maar het was precies zo dat ik me voelde.
Marten had kennelijk geen tegenstand verwacht en haalde kwaad zijn wenkbrauwen op.
“Dus ik moet zomaar toekijken hoe MIJN liefje gaat NAAKT ZWEMMEN met een of andere idiote Griffoendor?”
“Oh je kent hem wel, noem hem maar bij zijn naam Marten… En zijn broer ken je ook wel zeker!”
Ik bal mijn vuisten en voel de woede in mijn lijf stromen als nooit tevoren. Ik heb zin om ter plaatse het meteen uit te schreeuwen voor alle dingen die hij gedaan heeft en hij nog zal doen. Ik weet weer wie ik voor me heb; Voldemort, De Duistere Heer. En ik heb zin om eens goed mijn gedacht te zeggen, even niet denkend aan de grote gevolgen.
“Zijn broer?” zegt Marten zacht.
“Ja! Degene die je bijna vermóórd hebt!”
Ik ben nu letterlijk aan het brullen en iedereen in de leerlingenkamer kijkt naar ons, het boeiende, vechtende koppel. Ik vervloek ze allemaal. Stomme Zwadderaars met hun vooroordelen, met hun stomme grootheidswaanzin, met hun stomme leider die nu voor me stond.
Mijn laatste zin dringt nu pas tot Voldemort door en het is doodstil geworden in de kamer. Dan grijpt Marten mijn arm vast en sleurt hij me de kamer uit. Op de gang duwt hij me klem tegen de brede muur en kijkt hij me vast aan.
“Rose… Rose, kijk me aan.”
Ik wil hem niet aankijken, niet nu ik voor mijn geestesoog kan zien hoe Voldemort Seans broer langzaam laat verdrinken…
“Rose…” Zijn stem klinkt teder, niet meer woest. Hoe speelt hij het toch voor elkaar om zo snel van stemming te veranderen?
Het is fake, Hermelien. Hij doet dit gewoon om me te manipuleren, de smeerlap!
“Rosaline,” smeekt hij.
Ik hou het niet meer uit en staar hem aan. Zijn ogen zijn niet meer rood en vurig, maar donker en bruin. Toch kan ik niet vergeten wat hij allemaal gedaan heeft. Ik kijk weer van hem weg.
Martens geduld raakt op en hij knijpt hard in mijn arm.
“Wat?” schreeuw ik tenslotte.
“Waarom heb je dit **** gedaan?”
“Waarom heb ik wat gedaan?”
Zijn oogspleten vernauwen zich terug. Grrr… die twee gezichten van hem toch…
“Waarom heb je me BEDROGEN!”
Plots krijg ik een felle steek in mijn hoofd, die mij dreigt neer te duwen. Ik probeer tegen de pijn te vechten, maar merk dat die alleen maar verergert. Marten grijnst, hij doet me dit aan, ****! Ik zak op mijn knieën in elkaar, niet eens in staat het uit te schreeuwen. En dan, even plots als het begonnen is, eindigt de pijnsteek. Ik zit nog steeds op mijn knieën, zodat Marten nog hoger dan gewoonlijk boven me uittorent.
Ik kijk naar hem en hij grijnst zijn volmaakte, witte tanden bloot.
“Ik wil dat je naar me opkijkt, Rose, en naar me blijft opkijken. Vergeet niet hoe sterk ik ben, nooit. Ik heb hier de meeste macht en binnen enkele jaren heb ik meer macht dan iedereen op aarde. Weet dan aan welke kant je moet staan, Rose. Ik kan je pijn doen, meer dan je waarschijnlijk beseft…”
Oh nee, ik besef het maar al te goed, bedankt.
Daarna laat hij me gaan en ik spurt meteen naar de meisjesslaapzaal. Ik kruip mijn bed in en begin te huilen. De tranen blijven maar stromen, tranen voor Harry, Ron, mijn ouders, mijn vrienden, Perkamentus, Sean, Seans broer…
Alles wordt me gewoon te veel. Ik heb hier geen zin meer in, ik kan het niet meer. Marten is sterker dan ik, altijd al geweest. Deze missie is een grote illusie, ik kan het duidelijk niet. Niet alleen dat ik het niet kan, ik wil het ook helemaal niet meer. Ik ben het beu! Ik ben hem beu! Ik ben alles beu! Verdorie, wat zit ik hier mijn tijd te verdoen? Ik zou beter nu aan Harry’s zijde staan en hem daar zo veel mogelijk steunen. Ik geef het op, ik ga terug. Ik moet terug.
Ik veeg met mijn mouw mijn tranen weg en verman me. Ik weet wat me te doen staat. Ik vertrek, op staande voet, en daarmee basta! Ik sta zo snel op uit mijn bed, dat ik er duizelig van word. Dan wordt de deur opengesmeten en verschijnt Helena in het portiergat.
Nee toch…
Ik probeer de zwarte vlekken voor mijn ogen weg te krijgen als twee sterke armen me plots tegen een warm lichaam aandrukken. Helena houdt me vast in een van haar wurgomhelzingen en legt mijn hoofd op haar schouder. Dat herinnert me eraan dat als ik nu wegga, ik Helena waarschijnlijk nooit meer zal zien…
“Gaat het een beetje?” fluistert ze zachtjes door mijn haar heen.
Mijn ogen beginnen te tranen door de warmte van haar woorden. Zij is een echte vriendin, zo iemand heb ik nog nooit gehad. Harry en Ron blijven jongens, daartegen kun je niet alles zeggen. En Parvati of Belinda… ik kan ze onmogelijk echte vriendinnen noemen, ook al deelden we op Zweinstein een kamer.
Helena laat me een beetje los en houdt me voor haar uit, zodat ze mijn gezicht kan zien.
“Je hebt gehuild,” constateert ze.
Boos veeg ik de restanten van mijn tranen weg en probeer ik Helena zo vast mogelijk aan te kijken.
“Het gaat wel,” zeg ik, met weinig overtuiging.
Helena haalt diep zuchtend haar schouders op en taxeert me met een strenge-moedersblik.
“Ik moet gewoon even weg,” hoor ik mezelf naar waarheid zeggen.
“Hmm.”
“Heeft hij je pijn gedaan?”
“Wie?”
“Marten.”
“Neeh,” zeg ik zacht.
We weten allebei dat ik lieg, maar Helena besluit er niet verder op in te gaan. Ze zegt me met haar ogen dat ze het weet en het begrijpt.
“Ga niet weg joh,” zegt ze moeizaam. “Ik zou je missen.”
Ik slik. Hoe kan zij weten wat ik bedoel met weggaan? Zou het mogelijk kunnen zijn dat ze het weet…?
“Ik moet, Helena.”
“Hmm,” zegt ze alleen maar.
Voor ik nog meer tijd krijg om mij te bedenken maar ik me los van Helena en ga ik de kamer uit. Mijn voeten dragen me naar buiten, de tuin in. Ik controleer of niemand me gevolgd is of me kan zien en haal dan mijn zendertje uit mijn broekzak.
Blindelings druk ik op het koperen knopje en toets ik Perkamentus’ code in. Het zendertje werkt met runen, je moet de juiste runencombinatie indrukken om de juiste persoon te kunnen contacteren. Voor professor Perkamentus is dat: Eoh- Uruz- Gebo- Wunjo
Ik wacht even tot Perkamentus’ stem schalt door het zendertje.
“Hermelien?”
“Ik kom terug, professor.”
Perkamentus zucht en wacht even voor hij zegt:
“Harry heeft geprobeerd je te contacteren. Je nam niet op dus nam hij aan dat het niet het goede moment was…”
“Dat was ook zo, Marten flipte helemaal toen hij Harry’s naam op het schermpje zag.”
“Ben je al ver geraakt met Marten?”
“Als je bedoelt qua vertrouwen, ja. Maar…”
Ik ben niet van plan het te zeggen maar het floept er gewoon uit.
“Hij is zo sterk, professor! Ik zal hem nooit naar de goede kant kunnen leiden…”
“Hermelien, je bent een prachtige, slimme, jonge heks. Als jij het niet kan, kan niemand het.”
“Dat is dan pech,” zeg ik koppig.
Perkamentus zwijgt weer even.
“Voldemort heeft gisteren drie dreuzelgezinnen uitgemoord.”
Ik schrik en laat het zendertje haast vallen. Elke keer dat ik zo een bericht hoorde werd ik witheet van woede en onmacht, maar deze keer hoeft die onmacht niet. Ik kan er wel iets aan doen, en dat probeert Perkamentus me duidelijk te maken.
“Ik – kan – het – niet,” stotter ik haast.
“Hermelien, je kunt het wel. Je bent al zover!”
“Maar…”
“Vergeet niet dat je soms een kleine opoffering moet maken om een groot doel te bereiken. Denk aan al die arme tovenaars en dreuzels… Hun lot ligt in jouw handen.”
“Ik weet het, professor.”
Ik zie plots al mijn vrienden voor me, Ron, Harry, mijn ouders. Ik slik. Mijn ouders konden ook een van die dreuzelgezinnen zijn.
“Ik ga mijn best doen.”
“Goed, dan moet je nu alles op alles zetten. Zorg dat je zijn gevoelige snaar kent en raak die dan. Doe wat hij wil, gehoorzaam hem, dat heeft hij graag.”
“Oké.”
“Maar wees voorzichtig, breng jezelf niet in gevaar.”
En Sean ook niet.
“Oké, professor.”
“Goed, Hermelien, ik ga je moeten laten. Aarzel niet om me weer te bereiken als het nodig is.”
Als ik even later ophang heb ik een goed gevoel van tevredenheid. Ik heb weer moed, ik kan er weer tegenaan. Alleen met het deel; gehoorzaam hem, zal ik moeite hebben, weet ik.
Maar ik zal mijn best doen. Voor mijn vrienden en mijn ouders, en voor de rest van de wereld.
Hoofdstuk 15: Opoffering en Twijfel
Vermorzelende onrust doorboort mijn hart
Met messcherpe steken laat ze het doodbloeden
Tot er niets meer van overblijft
Het voor eeuwig verloren is,
En ten prooi valt aan Hem
Die woorden vullen mijn blad op, als ik de volgende ochtend mijn huiswerk probeer te maken. Ik kan me niet concentreren op Bezweringen, Toverdranken of welke les dan ook. Mijn hoofd is nog half verdoofd van de pijn en emoties van gisteren. Ik was ervan overtuigd dat ik van Marten hou, echt waar. Het is zo grappig ironisch, maar niemand in het heden kan zich de lieve, schattige Marten inbeelden denk ik. En toch bestaat die. En ik ben de uitverkorene om die naar boven te halen, dag in dag uit. Het probleem is alleen dat hij de touwtjes in handen heeft, dat hij alles controleert en niet ik. Ik zucht en verwerk het blad papier tot een propje. Maar… Misschien als ik hem de indruk geeft dat hij alles controleert… Dan zal hij niets vermoeden en kan ik mijn plan voortzetten. Ik glimlach en heb moed. Met een precieze worp smijt ik het propje in de prullenbak en sta ik op.
“Wat zeg je?”
Sean staart me met ongelovige ogen aan en probeert in mijn ogen te kijken. Maar dat kan ik niet toelaten, dan zal hij zien dat ik het niet meen.
“Inderdaad,” zeg ik met gebogen hoofd. “Ik wil niet meer met je omgaan.”
“Wát? Wanneer?”
“Nu niet, nooit niet.” Mijn stem beeft.
Sean laat zijn schouders verslagen hangen.
“Hij wil het niet, hè?”
Ik krijg een grote brok in mijn keel en heb het gevoel dat ik moet gaan overgeven. Sean is juist, maar dit is het enige dat ik kan doen. Ik moet Marten laten denken dat hij de controle heeft, dus moet ik hem laten tonen dat zijn wil wet is.
“Vergeet niet dat je soms een kleine opoffering moet maken om een groot doel te bereiken.”
Dat zei professor Perkamentus tegen me. Sean is een opoffering. Ik moet hem zien als een voorwerp waarover je je heen moet zetten om het Voldemort-obstakel te overwinnen. Verdorie!
Als ik blijf zwijgen legt hij even zijn hand tegen mijn wang.
“Ik begrijp het, Rose.”
“Nee, dat doe je niet,” zeg ik vermoeid.
“Ik doe mijn best. Nog veel succes.”
Daarop loopt hij weg, op hetzelfde moment dat ik een traantje wegpink. Dit is een van de vreselijkste momenten uit mijn leven. En dat heb ik allemaal te danken aan Voldemort. Ik haat hem. Maar ik hou van Marten. Ingewikkeld.
Ik zit in de leerlingenkamer van Zwadderich, opgekruld tegen het warme lichaam van Marten. Zijn sterke arm zit losjes om me heen en hij kijkt me liefjes aan. Het is alsof gisteren gewoon nooit heeft plaatsgevonden, alsof het vergeten is. Ik laat hem maar in de waan. Ik geloof dat ik mijn missie in de steek heb gelaten door gevoelens voor Marten toe te laten, misschien dacht ik dat het zo gemakkelijker zou gaan. Nu weet ik dat dat compleet fout was. Ik moet bij hem liefhebbend en naïef overkomen, maar in werkelijkheid goed met mijn voeten op de grond staan. Gevoelens zijn niet meer toegestaan, hard tegen hard, zo ga ik het doen. Hij wil een spelletje spelen? Hij zal een spel krijgen. En ik zal zorgen dat ik er als winnaar uit kom, koste wat het kost. Rondom ons zit het gebruikelijke groepje; Thomas, Helena, Diane, Liam en Philip. De meesten zijn bezig met hun huiswerk, maar Helena zit afstandelijk naar buiten te kijken, helemaal in zichzelf gekeerd. De laatste tijden stelt ze mij veel vragen over mijn leven buiten Zweinstein, waarover ik dus moeilijk kan vertellen zonder door de mand te vallen. Het is alsof ze het weet of het begrijpt.
Ooit zal je het haar moeten vertellen, Hermelien.
Mijn gedachten worden opgeschrikt door Liam, die demonstratief zijn keel schraapt.
“Zeg Marten, hoe zit dat eigenlijk met Rosalines ritueel?”
“Ja,” voegt Thomas toe, “het is al bijna Kerstmis.”
Vervloekt die twee…
Marten lacht ontspannen en kijkt ondeugend naar mij. Ik probeer terug te glimlachen, maar het komt waarschijnlijk geforceerd over.
“Ik denk dat dat voor zeer binnenkort gaat zijn, nietwaar Rose?”
Hij geeft me een steelse por en zet een haarlok die voor mijn ogen ligt, op zijn plaats. Mijn hart begint jachtig tekeer te gaan en ik krijg een raar gevoel in mijn buik. Ik weet wel wat hij wil… Het spel dat Marten en ik spelen, is geen kinderspelletje meer, dit is zware ernst.
Liam en Philip beginnen dom te grinniken, Diane trekt haar wenkbrauwen op en zwijgt, maar Helena blijft verder staren naar buiten. Zo ken ik haar niet, ik weet bijna zeker dat er haar iets dwars zit.
Marten merkt dat ik even aandacht aan iets anders besteed en duwt me dichter tegen zich aan. Hij legt zijn neus in mijn haar en ruikt eraan.
“Hmmm…” zegt hij, zachtjes mijn wang strelend.
Ik sta mezelf even toe ervan te genieten, alvorens ik opsta. Met een klein kusje op Martens mond en een “ben zo terug” neem ik afscheid en ga ik naar Helena toe.
“Zin in een ommetje?”
Helena knikt onverschillig en wandelt met mij de leerlingenkamer uit. Buiten is het ijskoud, dus wandelen we maar een beetje rond in het kasteel. We zeggen beiden geen woord tot we bij de Grote Zaal aankomen. Ik maak aanstalten om verder te lopen als Helena plotseling stil blijft staan. Ik draai me om, klaar om te vragen wat er nu eigenlijk scheelt, maar ze is me voor.
“Wie ben je eigenlijk?”
De woorden klinken raar uit haar mond, alsof ze zelf niet overtuigd is van haar vraag.
“Eh… Hallo? Aarde aan Helena? Ik ben Rosaline, je vriendin…”
“Je weet wat ik bedoel, Rose… of misschien niet Rose…”
Helena houdt haar mond en ik zie haar twijfelen. Dit heeft haar al de hele tijd bezig gehouden.
“Helena…”
Ik zet een stap dichterbij, maar ze wijkt achteruit met een afstandelijke blik in haar ogen, alsof ik een totale vreemde ben en niet haar beste vriendin.
“Hoe ben je erachter gekomen?” vraag ik dan maar kleintjes, het heeft toch geen zin om nog rond te pot te draaien of te doen alsof er niets is.
“Het klopte gewoon niet, van in het begin niet, maar ik dacht dat er iets mis was met mij… dat ik het me allemaal inbeeldde.”
“Het spijt me…”
“Dat is niet wat ik wil horen en je weet het.”
Ik kijk schuldbewust naar mijn voeten.
“Ik zal je alles uitleggen, laten we alleen een rustigere en veiligere plek uitzoeken.”
Ik voel me schuldig, het gevoel verteert me zelfs. Ik heb mijn beste vriendin eigenlijk gewoon zitten voorliegen, ook al is het voor een goed doel. Hoe zou ik daarop reageren als het andersom was? We gaan op zoek naar een leeg klaslokaal en ik vergrendel de deur magisch. Helena voelt zich nog steeds helemaal niet op haar gemak en gaat zitten op een stoel. Ik doe hetzelfde en begin dan te praten. Ik zeg alles.
Ik begin met Voldemorts opgang, die binnen enkele jaren zal plaatsvinden, ik vertel over zijn plannen, verdere daden, over Harry Potter; de jongen die bleef leven, over Voldemorts dood, Voldemorts terugkeer, professor Perkamentus…
Tenslotte komt mijn missie aan bod. Helena zegt geen woord en blijft de hele tijd gespannen luisteren. Soms schuift ze ongemakkelijk heen en weer op haar stoel maar ze kijkt me niet hoe langer hoe vreemder aan, zoals ik gevreesd had. Ik heb de indruk dat ze het geheel gelooft. Bij sommige stukjes kijkt ze ongelovig of schudt ze misprijzend haar hoofd, maar als ik eindelijk uitgepraat ben, zwijgt ze en uit ze een diepe zucht.
Ze opent voorzichtig haar mond en ik lach haar bemoedigend toe.
“Hermelien?”
“Jah.”
Helena zucht weer lang en kijkt me dan onzeker aan.
“Het spijt me, Helena, maar je snapt hopelijk wel dat ik dit aan niemand kon zeggen…”
“Ik snap het. Maar er is nog een ding dat me dwars zit. Voldemort ziet en weet veel, bijna alles. Als hij al iets vermoed zal hij toch proberen je te stoppen…”
“Ja… daarom denk ik dat hij nog niets vermoed, anders zou hij toch niet met me om gaan?”
“Nee, daarvan mag je niet uitgaan. Als ik een vermoeden heb, heeft hij dat zeker. Hij zal proberen subtiel je in de val te lokken.”
Helena kijkt ernstig en meent wat ze zegt. Ik ben zo blij dat ik haar in vertrouwen heb kunnen nemen…
“Heb je enig idee hoe dan?”
Helena denkt na en sluit haar ogen om zich extra te kunnen concentreren. Plots knipt ze met haar vingers en kijkt ze me aan.
“Het ritueel.”
Het ritueel?
“Je opdracht is geheim…”
“Ja, maar ik kan hem best aan jou vertellen hoor.”
“Ik denk dat ik het al weet. Hij wil je aan hem verbinden… En niet symbolisch maar in levenden lijve, letterlijk. Is het dat?”
Ik ben verbaasd van Helena’s denkvermogen, ze heeft het absoluut bij het rechte eind en zo heb ik het zelf nog niet eens bekeken. Dat ritueel dient natuurlijk niet alleen maar om officieel bij het “Voldemort-clubje” te behoren. Het gaat veel verder. Hij kan macht over me krijgen zo…
Die laatste gedachte beangstigt me zo hard, dat het waarschijnlijk op mijn gezicht te lezen is. Helena komt dichter bij me zitten en legt haar armen om me heen.
“Je draagt een zware last, Ro… Hermelien.”
“Zeg maar Rose, dat is veel eenvoudiger voor iedereen,” glimlach ik. Ik wil er niet aan denken wat er gebeurt als Helena in Martens bijzijn mijn echte naam uitspreekt. Het is een gevaarlijke stap die ik gezet heb, iemand in vertrouwen nemen. Maar Helena zal me nooit verraden en beter nog, omdat ze Marten al zo lang kent kan ze me helpen. En ik zal alle hulp kunnen gebruiken als Helena het inderdaad bij het rechte eind heeft. Marten zal mij na gisteren zo snel mogelijk aan hem willen binden, eventueel magisch. Ik ril bij de gedachte van magie tijdens een lichaamsverbondenheid. Die moet echt krachtig zijn dan. En hoe langer ik erover nadenk, hoe logischer het lijkt. Marten wil niet gewoon met me naar bed, wat zo vele jongens met hun liefje willen doen. Marten wil macht over me, op zijn eigen manier, zodat hij zekerheid heeft. Hij haat het om afhankelijk te zijn van iemand, ook al is het maar een klein beetje. Dat ik dit nog niet eerder bedacht heb verdorie…
Ik zucht vermoeid en kijk naar mijn beste vriendin. Van haar zal ik voortaan mijn steun en moed moeten putten. Wat een geluk dat ik haar nog heb…
Hoofdstuk 16: Visioen
Helena en ik zitten in de bibliotheek van Zweinstein Hogeschool voor Hekserij en Hocus-pocus. Mijn hoofd rust op een stapel zware boeken vol informatie over bindingsrituelen. Ik ben moe en uitgeput van het lange zoekwerk, maar Helena zit aandachtig te lezen in een van de vele boeken die op haar schoot liggen. Haar oogspleten zijn vernauwd voor een maximale concentratie en dat verbaast me enorm. Helena is iemand die nooit graag naar de bibliotheek gaat. Boeken vind ze in het algemeen saai, tenzij ze er iets uit nodig heeft. Dan kan ze uren aan een stuk doorwerken, wat ze nu dus doet.
Ik schrik als Helena een sprongetje maakt op haar stoel.
“Ik denk dat ik iets gevonden heb.”
Ik wrijf vermoeid met mijn hand in mijn ogen en buig me over het boek dat ze vasthoudt. Ik lees de passage die ze met haar vinger aanduid en glimlach goedkeurend. Ze heeft inderdaad iets gevonden.
“Dus, even ter herhaling,” begint Helena, “Marten wil jou aan zich binden, zodat hij macht over je heeft en je aan hem verbonden bent. Waaróm moeten we nog uitzoeken, maar dit weten we al. Waarschijnlijk gaat hij je letterlijk aan zich binden met een bindingsspreuk en die werkt het sterkst als je ook lichamelijk met elkaar verbonden bent.”
Ik luister aandachtig en knik.
“Daarvoor gebruikt hij het ritueel, want tja dan zijn jullie…”
“Lichamelijk innig met elkaar verbonden ja…” vul ik nors aan.
“Inderdaad.”
“Deze spreuk komt denk ik het dichts overeen bij wat we denken dat hij gaat doen, niet?”
“Ja, ik geloof van wel,” antwoord ik.
“Dan is het toch maar even handig dat hier een beschermingsspreuk tegen bestaat,” grijnst Helena.
“En hij is niet te ingewikkeld precies,” zeg ik terwijl ik de spreuk bestudeer. Hij bestaat uit twee delen; een toverdrank innemen en een spreuk opzeggen.
“De toverdrank maken zal ongeveer een week in beslag nemen, geloof ik,” zegt Helena.
“Dus moet je ervoor zorgen dat dat ritueel hoogstens pas volgende week wordt voltrokken.”
Ik leg mijn hand op Helena's arm.
“Bedankt voor alle hulp, Helena. Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik Marten een stap voor ben. Dat is een enorme opluchting. Nu voel ik me er helemaal klaar voor.”
“Graag gedaan, meid,” lacht Helena en ze omhelst me.
Ja, ik ben er klaar voor. Laat hem maar komen…
De rest van de tijd gedraag ik mij voorbeeldig, zoals het volgens Marten past. Hij kan echt niets op me aan te merken hebben. Ik heb mijn contact met Sean volledig verbroken, ik sta altijd tot Martens beschikking als hij me nodig heeft en ik zie dat hij me goedkeurend toeknikt. Binnenin grijns ik, laat hem maar denken dat ik voor hem kruip. Uiteindelijk win ik toch. Helena is een enorme steun voor mij. Samen werken we aan de beschermingsdrank (ze is trouwens uitzonderlijk goed in toverdranken) en Marten kan niets achterdochtigs zoeken achter “met mijn vriendin optrekken”. Alleen ’s avonds staat hij erop dat ik naast hem kom zitten in de leerlingenkamer, legt hij zijn arm bezittelijk rond mijn schouder en moet ik de schijn hoog houden door hem aanmoedigend toe te lachen.
Als hij zijn lippen op die van mij drukt en mij kust heb ik een reflex om weg te duiken, maar ik leg dat stemmetje in mijn hoofd het zwijgen op en zet mijn verstand op nul. Ik zal nooit vergeten dat ik met Marten ook liefdevolle, gelukzalige momenten heb meegemaakt, ook al waren het eigenlijk allemaal leugens. Maar nog steeds voel ik me op een perverse manier tot hem aangetrokken. Martens macht, zijn knappe uitstraling en zijn charmes houden precies het evenwicht met Voldemorts macht, zijn verschrikkelijke plannen en zijn daden.
Ik moet mezelf er vaak genoeg aan herinneren wat er is gebeurd op de gang enkele dagen geleden, toen Marten me met zijn geest aanviel. En het vooruitzicht aan het ritueel geeft me de kriebels. Ik weet dat Marten het zo snel mogelijk wil voltrekken. Elke avond als ik bij hem zit fluistert hij in mijn oor hoe graag hij het wil.
“Eind deze week,” beloof ik.
“Zaterdag,” fluistert hij. “Dan is het volle maan.”
Ik slik.
Denk aan je beschermingsspreuk, Hermelien. Je bent hem deze keer een stap voor. Jij zult winnen. Houd moed.
Marten grijnst en brengt zijn hand naar mijn wang. Wanneer zijn hand me aanraakt gebeurt er iets. Er ontstaat een soort knetter, vergelijkbaar met als je iemand elektriciteit overdraagt. Dat gevoel heb ik nu ook, alleen is het resultaat anders. Plotseling vervaagt alles voor me en wordt het donker. Dan krijg ik een visioen. Ik voel dat ik nog steeds naast Marten zit in de leerlingenkamer, maar mentaal zit ik ergens totaal anders. Ik bevind me in een grote, witte kamer met een groot, wit hemelbed. Het zonnelicht schijnt fel door de grote ramen. Op het hemelbed zit een meisje met haar armen rond haar knieën en ze is helemaal naakt. Ze schokt van het snikken en haar tranen druipen op het bed. Haar lange bruine haardos ligt op haar naakte schouders en beweegt op het ritme van haar gehuil. Ik krijg al een naar voorgevoel… Ik probeer te zien wie het is maar haar hoofd is helemaal gebogen. Enkele passen van haar af staat een knappe jongeman, eveneens naakt, die ik herken als Marten. Ik kan mijn ogen met moeite van zijn volmaakte lichtbruin gespierde lichaam afwenden. Maar zijn blik is hard en zijn ogen zijn gevaarlijk rood. Mijn gevoel van onrust wordt alsmaar groter en ik voel me helemaal niet op mijn gemak. Wat is dit hier toch allemaal?
Hij kijkt triomfantelijk naar het snikkende meisje. Zijn blik schijnt te zeggen: “Zie je wel, ik win altijd…”
Ik krijg kippenvel en kijk naar het naakte meisje op het bed. Plots kijkt ze op naar haar overwinnaar. Ik val bijna flauw als ik merk dat IK dat meisje ben. Haar ogen kijken recht in die van Marten en stralen pure haat uit. Ik word van afgrijzen vervuld en bekijk het schouwspel met half toegeknepen oogspleten. Dit is foute boel…
Waarom toont Marten me dit? Weet hij iets? Vermoedt hij alleen maar iets? Is het per ongeluk? Is het echt? En wat in godsnaam heeft hij bereikt dat hij zo triomfantelijk op me neer mag kijken?
Ik wil alles verder onderzoeken maar dan voel ik dat mijn geest zich uit het visioen trekt.
Ik zie weer een glimlachende, niet-naakte Marten naast me, die zachtjes mijn wang streelt.
“Is er iets, lieveling?” zegt hij bezorgd als hij mijn angstige blik ziet. De schok om van de ene, triomferende Marten naar de andere, tedere te gaan is hard. Ik dwing mezelf onmiddellijk mijn hartslag te kalmeren en slaag erin een poging tot glimlachen te ondernemen. Mislukte poging dus.
“Ik… Ik voel me niet lekker,” zeg ik dan maar, wat niet eens gelogen is.
“Kruip misschien eens vroeg in bed, je het kunt gebruiken.”
“Ja, misschien doe ik dat,” zeg ik.
Ik maak me van Marten los en sta op. Hij staat mee op en loopt met me tot aan de trappen die leiden naar de meisjesslaapzaal. Daar houden we halt en geeft hij me een zachte zoen op mijn voorhoofd.
“Ik hou van je,” zegt hij teder.
De komediant…
“En ik kijk enorm uit naar zaterdag,” voegt hij er lief grijnzend aan toe.
Inderdaad, daar draait het allemaal om, vuile smeerlap!
“Ik ook,” breng ik er met moeite uit.
Ik wil gewoon zo snel mogelijk alleen zijn, in mijn bed liggen, mijn ogen sluiten en denken aan niets.
“Slaapwel Marten.”
“Slaapwel Rose.”
Als ik eindelijk in mijn bed lig krijg ik het visioen niet uit mijn hoofd. Het blijft maar door mijn hoofd spoken. Ik weet niet waar ik het moet plaatsen… Ik weet niet wat ik ervan moet denken… Ik weet alleen dat het nooit mag uitkomen. Het enige wat ik nu nog kan doen is hopen en bidden dat dit geen stukje uit de toekomst was…
Hoofdstuk 17: Laatste voorbereiding
“Beschrijf het einde nog is, heel kort en duidelijk,” zegt Helena de volgende ochtend aan de ontbijttafel. Ik heb haar meteen ingelicht over mijn visioen, dat lijkt me het veiligst. Ik hoopte dat ze er een logische verklaring voor had, maar haar gezicht staat donker en de wallen onder haar ogen ontsieren haar gezicht. Ze heeft deze hele week bitter hard gewerkt aan de toverdrank en dat eist zijn tol. Ikzelf ben de hele week al bezig met de spreuk te oefenen die lekker ingewikkeld in elkaar zit, maar ik heb het er voor over. Ik moet me kunnen verdedigen tegen Voldemort, anders ben ik verloren.
“Rose?” schrikt Helena me op uit mijn gedachten.
“Oh ja, het einde… Ik kijk hem vol haat aan en Marten kijkt triomfantelijk op me neer.”
“Zegt of doet hij nog iets speciaals?”
“Oh Helena… ik weet het niet meer precies… ik geloof van niet…”
“Het is oké Rose, het lukt wel. Ik denk niet dat het iets is waar je je zorgen over hoeft te maken.”
Ik kijk mijn vriendin bedenkelijk aan maar zwijg, het is beter dat ik haar gewoon geloof in plaats van me zorgen te maken. Zorgen heb ik immers al meer dan genoeg. Alleen krijg ik dat verdomde visioen maar niet uit mijn hoofd. Het is dan ook niet bepaald een goede motivatie om aan het ritueel te beginnen.
Moed, meid! Oh god, hoe vaak heb ik dit de laatste tijden tegen mezelf moeten zeggen…
De rest van de week lijkt veel te snel te gaan. Op donderdagochtend word ik wakker door een verschrikkelijke nachtmerrie waarin Marten de hoofdrol speelt. Op vrijdagochtend voel ik me lichtjes misselijk en krijg ik af en toe onverwachte rillingen. Maar zaterdagochtend moet ik echt kotsen en als Helena mij de wc-pot ziet induiken, klopt ze medelevend op mijn schouder.
“Adem Rose, het is heus niet zo… Oké jawel, het is wel belangrijk maar het zal wel lukken… Het zal wel lukken.”
Tussen twee kotsbuien door mompel ik dat ik haar natuurlijk geloof, maar we weten allebei dat er te veel op het spel staat om hier luchtig over te doen. Ik weet dat de hele periode die ik hier, in het verleden bij Marten, heb doorgebracht, draait om vandaag. Vandaag is het vallen of staan, alles of niets. Nadat ik tien keer mijn tanden heb gepoetst, durf ik eindelijk trillerig naar Marten toe te gaan. Hij zit helemaal op zijn gemak doodleuk een lekker ontbijt naar binnen te werken. Ik krijg alweer bijna kotsneigingen als ik zijn toast met boter zie, maar zet moedig door, geef hem een ochtendkusje en ga naast hem zitten. Binnenin beef en ril ik, maar vanbuiten ben ik sterk en vrolijk. En dat is ook nodig als ik de schijn hoog wil houden, ik mag nu niet uit mijn rol vallen en Marten laten merken dat ik iets doorheb. Ik ben het naïeve meisje, ik ben het zwakke kind dat Marten gehoorzaamt en vereert. Ik ben fake, van top tot teen, fake, en doodsbang dat hij erachter komt.
“Goed geslapen liefste?”
Marten ziet eruit als een god, de kille novemberzon schijnt op zijn bleke gezicht en zijn ogen staan donker en warm. Hij strijkt met zijn vingertoppen over mijn wang en kijkt me liefjes aan. Ik begin tegen mijn zin te smelten.
Hermelien verdorie, hoe kan het toch dat je zo snel kunt vergeten wie je voor je hebt!
“Natuurlijk, schat.”
“Mooi zo,” lacht Marten zijn hagelwitte tanden bloot.
“En een beetje klaar voor vanavond?” knipoogt hij.
Helena hoort het en verstrakt, maar gelukkig ziet Marten het niet en heeft hij alleen maar oog voor mij.
“Ja hoor, ik heb er zin in,” speel ik mijn rol perfect.
“Daar ben ik blij om, Rose,” grijnst hij. Er verschijnen pretlichtjes in zijn ogen en ik weet waar hij aan denkt. Ik onderdruk een rilling. Het is ook zo moeilijk. Ik weet dat Marten Voldemort is, mij met een spreuk aan zich wil binden, mij pijn kan doen zoveel hij wil zonder enig schuldgevoel. Maar ik weet ook dat Marten de lieve, gevoelige jongen is waar ik verliefd op ben geworden. En het lastige is dat al bij al die gevoelens niet echt zijn weggegaan. Haat en liefde liggen dicht bij elkaar zeggen ze, ik kan ze alleen maar gelijk geven. Hoe groot mijn afkeer van Voldemort ook is, mijn liefde voor Marten bestaat nog. Als hij me liefjes aankijkt zoals nu, willen mijn hersenen gewoonweg niet accepteren dat hij me ooit kwaad zou doen, of dat zijn liefde ook maar enigszins gespeeld zou zijn.
Zucht.
Het begint tegen de avond te lopen. Diane, Helena en ik zitten op onze kamer, maar elk bezig met verschillende dingen. Helena zit de laatste ingrediënten in de toverdrank te mengen met uiterste concentratie. Ik ben zo dankbaar dat zij dat voor me doet, ikzelf zou mij met deze moed der wanhoop allerminst kunnen concentreren. Diane zit haar kleerkast te herordenen, af en toe verveeld haar neus ophalend bij de sterke geur van Helena’s brouwsel. Ikzelf zit op mijn bed en probeer me volledig te richten op de spreuk die ik in mijn handen heb, zonder succes. Ik moet steeds denken aan deze avond, wanneer ik met Marten het ritueel zal uitvoeren en ik worstel met mezelf. Hoe kan het toch zijn dat ik ergens verlang naar zijn strelende handen op mijn huid, naar zijn prachtige lichaam dicht tegen dat van mij, naar zijn zachte stem die me lieve woordjes toefluistert…? En aan de andere kant ben ik dan doodsbenauwd voor wat de werkelijke bedoeling van dat rotritueel is…
Aaargh!
“Rose?”
Helena klinkt uitgeput maar tevreden. Dat kan maar een ding betekenen.
“De toverdrank is klaar.”
Ik zie dat Helena de drank al handig in een bekertje heeft gegoten en loop naar haar toe. Ze houdt me de beker voor en kijkt me zwijgend aan. De drank heeft een heldere, donkerrode kleur, bijna de kleur van bloed. Ik slik. De vraag stellen: “Moet ik dit echt opdrinken?” heeft niet veel zin, ik weet evengoed als Helena dat dit mijn enige kans is. Hieraan moet ik me vastklampen of ik ben helemaal verloren. Hiermee maak ik nog een kans. Waarom drink ik die verdomde beker dan niet gewoon leeg?
Vanuit haar kleerkast werpt Diane vreemde blikken op Helena en mij, maar ze heeft waarschijnlijk door dat het belangrijk is dus houdt ze wijselijk haar mond. Ik ga de spreuk nog eens na in mijn hoofd, om er zeker van te zijn dat ik hem feilloos ken. Ik besef dat ik tijd aan het rekken ben om die bloedige toverdrank maar niet te hoeven drinken en ik weet waarom. Als ik begin met drinken is het definitief. Het is alsof ik mijn lot dan aanvaard en niet meer terug kan. Helena ziet hoe in mij de twijfels zich opstapelen en ze legt haar zachte hand op mijn wang.
“Je kunt dit Rose. Je bent slim, je bent sterk… Als iemand Voldemort sneller af kan zijn dan ben jij het. Ik sta helemaal achter je, Rose. Je kunt het.”
Ik kijk Helena dankbaar knikkend aan, dit was het duwtje in de rug dat ik nodig had om mijn twijfels op nul te zetten. Ik breng de beker naar mijn lippen en drink hem in een teug leeg. De smaak is zo sterk dat ik bijna moet kokhalzen, maar ik hou me sterk. Met een nare nasmaak in mijn mond zeg ik de spreuk op, terwijl Helena hem voor de zekerheid in het boek nakijkt. Aan haar goedkeurende glimlach weet ik dat ik hem juist hem opgezegd. Dan sluit ik mijn ogen en wacht. Als er na een minuut nog niets gebeurt open ik mijn ogen.
“Eh Helena, is het de bedoeling dat ik nu iets voel van de drank en de spreuk ofzo? Want in dat geval…”
“Nee hoor, er zijn geen neveneffecten of uitwerkingen vermeld. Tenminste, geen zintuiglijk waarneembare.”
“Oké dan, des te beter.”
“En, voel je je er klaar voor?” vraagt Helena met een bezorgde glimlach.
“Zal ik me er ooit klaar voor voelen?”
“Kom op meid! Je hoeft je nergens zorgen om te maken, met deze beschermingsspreuk lukt het allemaal wel.”
“Wat als het misgaat? Ik heb niet eens een Plan B…”
“Rose, je moet kalmeren en logisch redeneren, goed?”
“Ik… Ik zal proberen.”
“Zo hoor ik het graag,” grijnst Helena.
“Dus,” zeg ik iets luider en zekerder, “laten we het nog eens overlopen.”
“Goed, jij gaat zo meteen naar Voldemort toe.”
“Jep.”
“Jullie gaan euhm… hum…”
“Wij gaan “het” doen ja…” zeg ik gespannen.
“Inderdaad, en hij gaat ondertussen proberen een verbindingsspreuk op je uit te voeren. Máár… dat gaat hem niet lukken, omdat je toverdrank en je spreuk een soort van schild hebben opgezet daartegen, dus je bent beschermd.”
“Zal Marten het dan niet opmerken dat zijn verbindingsspreuk niet werkt?”
“Normaal gezien niet, hij zal denken dat je de zijne bent terwijl in werkelijkheid jij de touwtjes in handen zult hebben.”
“Het is zo raar,” zeg ik opeens, “vroeger was mijn doel; Marten laten inzien dat de goede kant zoveel beter is, maar nu is mijn doel; mezelf redden.”
Ik lach gespannen en Helena kijkt me vol medelijden aan.
“Wel, je huidige doel zal wel bereikt worden,” knipoogt ze.
“Ik hoop het, Helena. Ik hoop het uit de grond van mijn hart.”
“Tuurlijk wel,” glimlacht ze aanmoedigend.
“Bedankt voor alles. Wat je voor mij hebt gedaan is te groot om in woorden uit te drukken,” grijns ik, “maar ik zal het je ooit wel eens terugbetalen, hoe dat weet ik nog niet…”
Helena lacht en slaat haar armen om me heen. Ze houdt me stevig vast en legt haar hoofd op mijn schouder.
God, dit lijkt wel een afscheid…
“Het is tijd,” zeg ik, een blik op de klok werpend.
Helena maakt zich los en kijkt me glimlachend aan. Verbeeld ik het me nu of blinken er tranen in haar ogen?
“Doe het nog goed, meid. Ik geloof in je!”
En met die woorden loop ik de meisjesslaapzaal uit.
Marten staat beneden in de leerlingenkamer al glimlachend op mij te wachten. Ik schenk hem mijn grootste glimlach en loop de trappen af. Als ik beneden kom neemt hij me in zijn armen en geeft hij me een kusje in mijn hals.
“Ben je er klaar voor, liefste?” zegt hij warm, zijn stem hees van de opwinding.
“Jah,” zeg ik, “ik ben er klaar voor.”
En terwijl ik de woorden uitspreek besef ik dat ik ze meen. Laat hem maar beginnen, ik ben er klaar voor.
Hoofdstuk 18: Het Inwijdingsritueel
Marten neemt me bij de hand en leidt me de leerlingenkamer uit. We wandelen zwijgend door het kasteel en af en toe kan ik door een raam de mooie, volle maan zien. Ik heb geen flauw benul waar Marten het ritueel wil volbrengen. In het hele kasteel lijkt me geen enkele plek geschikt om zo een soort ritueel uit te voeren, maar ik volg hem zonder vragen. Uiteindelijk belanden we op de achtste verdieping en ik begin een vermoeden te krijgen.
Natuurlijk, de kamer van Hoge Nood…
Tegenover het tapijt van Barnabas de Onbenullige blijft Marten staan. Hij loopt drie keer voor de muur met uiterste concentratie, tot er een deur verschijnt. Ik wil de deur openduwen maar Marten houdt me tegen.
“Nog even geduld, liefste. Ik heb nog een kleinigheid voor je.”
Ik trek nieuwsgierig mijn wenkbrauwen op als ik zie dat zijn hand zijn broekzak ingaat. Hij haalt een witte doek naar boven en grijnst.
“Oogjes toe,” fluistert hij.
Hij blinddoekt me en neemt dan mijn hand vast. Ik voel dat hij de deur openmaakt en me naar binnen leidt. Plots neemt hij me langs achteren vast en drukt hij me een kusje in mijn hals, op mijn wang, op mijn neus en tenslotte een teder kusje op mijn mond. Mijn borst gaat jachtiger op en neer, ik verlang naar hem. Na een volgende serie van kusjes neemt hij mijn blinddoek af en kan ik zien waar ik me bevind. Ik sta in een grote, witte kamer met grote ramen en een hoog plafond. In het midden van de kamer staat een groot, wit hemelbed. Ik slik. Ik ken deze kamer uit mijn visioen, en dat voorspelt niets goeds. Marten merkt mijn gespannenheid en neemt me meteen in zijn armen, als om mij gerust te stellen. Het werkt nog ook, want ik laat me helemaal gaan en vergeet het verdomde visioen. Het maakt nu toch niets meer uit, ik ben beschermd, laat hem maar afkomen met zijn bindingspreuk.
Ik verdrink in zijn kussen en geniet van zijn zachte handen die me liefjes strelen. Ik weet dat er toch geen weg meer terug is, ik moet hierdoor, dan kan ik er evengoed van genieten, toch? Gewillig laat ik me door hem naar het bed dragen. Marten legt me voorzichtig op de witte sprei van het hemelbed neer en komt dan naast me liggen. Hij ziet er fantastisch uit. Zijn lippen zijn rood van het zoenen, zijn bleke gezicht heeft een etherische schoonheid en zijn ravenzwarte haren hangen wild rond zijn gezicht. Zijn felle, diepbruine ogen kijken me intens aan en zijn lippen zijn gekruld in een grijns.
“Ik wil je, Rose,” zegt hij hees.
Ik glimlach en druk mijn lippen tegen die van hem. Ik wil hem ook, meer dan ik ooit heb beseft. Meer bevestiging heeft Marten niet nodig, en zijn handen glijden over mijn lichaam heen. Op dat moment vergeet ik mijn missie, vergeet ik mijn visioen, vergeet ik Voldemort, vergeet ik alles en iedereen. Het enige dat telt is Marten, Martens handen, Martens lippen, Martens warme lichaam… Ik laat me volledig gaan, verstand op nul, en ik geniet.
Als ik wakker word zijn mijn zintuigen nog half verdoofd. Ik lig tegen Martens warme lichaam aan en snuif zijn zoete geur op. Beetje bij beetje komt de herinnering aan ons ritueel naar boven. Ik glimlach als ik eraan terugdenk. Langzaam open ik mijn ogen en zie ik dat Marten nog slaapt. Zijn brede, gespierde borst gaat traag op en neer en er ligt een vredige uitdrukking op zijn gezicht. Ik bewonder zijn zuivere schoonheid en slaag elk detail van gezicht op. Hoe de afloop hiervan ook zal zijn, afgelopen nacht vergeet ik nooit. Stilaan komt de gedachte aan de bindingspreuk bij me naar boven, maar ik kan me niet herinneren dat Marten die heeft uitgevoerd, als hij die al heeft uitgevoerd.
“Goed geslapen, liefste?”
Ik schrik als ik Martens vaste stem hoor.
“Ja hoor, ik dacht dat je nog sliep,” zeg ik zachtjes.
“Mooi zo,” glimlacht Marten. Hij staat lenig op en met tegenzin verlaat ik de warmte van zijn lichaam. Het zonnelicht schijnt fel door de grote ramen heen en ik knijp mijn ogen tot spleetjes om Marten goed te kunnen zien.
“Rose?” spreekt hij opeens.
“Hm ja?” zeg ik slaperig.
“Ik hou van je.”
Ik grijns en rek me uit. Zijn ogen glijden over mijn naakte lichaam heen en ik voel het schaamrood naar mijn wangen stijgen. Ach wat…
“Ik ook van jou,” zeg ik eerlijk glimlachend.
“Ik hou van je, en daarom heb ik dit gedaan,” gaat hij verder, alsof ik niets heb gezegd.
Mijn glimlach verstart en ik kijk hem met grote ogen aan.
Oh god, wat heeft hij gedaan…
“Daarom heb je wat gedaan?” vraag ik kleintjes.
“Dit ritueel liefste.”
Zijn ogen hebben een rode schijn en hij heeft een hautaine, haast triomfantelijke blik.
“Was de toverdrank lekker?” vraagt hij opeens, fel grijnzend.
Verdorie, dit loopt fout…
“W…Welke toverdrank?” breng ik zwak uit.
“Oh je weet wel, liefste,” zegt hij luchtig, “die beschermingsdrank?”
Oh nee, wat moet ik doen? Wat moet ik doen!
Verdorie… Nee! Alles loopt fout…
Ik voel de eerste tranen opkomen maar bedwing ze. Dit is absoluut niet het moment om te huilen, ook al loopt alles fout, ook al is alle hoop vervlogen, ook al…
“Ik weet niet waar je het over hebt,” zeg ik zo luid en vast mogelijk.
Marten uit een hoge, kille lach. Ik herken hem niet meer, de lieve, tedere jongen van vannacht is verdwenen. Een eerste traan loopt naar beneden over mijn wang.
Hermelien, niet huilen! Vooruit meid, sterk zijn!
“Vooruit Rose, nu geen komedie spelen, we weten allebei dat ik gelijk heb.”
Oh nee, de drank heeft niet gewerkt… Ben ik aan hem verbonden?
“Maar ik moet zeggen, je had je de moeite eigenlijk kunnen besparen. Een bindingsspreuk, denk je nu echt dat ik zo doorzichtig te werk ga? Veel te voor de hand liggend, liefste.”
Een tweede traan vindt zijn weg naar beneden. Ik ben nog steeds naakt en krijg overal kippenvel. En elke keer dat Marten het woord “liefste” uitspreekt gaat er een rilling over mijn rug naar boven en is het alsof ik met een mes getroffen word.
“Oh nee toch, geen gehuil, liefste. Dat is zo zwak, en typisch vrouwelijk…”
Naast pijn, verdriet en vernedering komt er nu ook een woede in me te boven.
“Mag ik je eraan herinneren dat jij ook hebt gehuild Marten?” zeg ik met een harde klank in mijn stem. Ik schrik als ik mezelf hoor, zo klink ik toch helemaal niet…
Sterk zijn, meid.
Ik zie Martens kaak verstrakken en hij kijkt me woest aan.
“Hoe denk je dat dat kwam? Ik zal het je zeggen, Rose. Dat is allemaal jouw schuld. Door jouw toedoen heb ik gehuild. Dat jij zulke gevoelens bij mij kunt bovenbrengen vervulde me met angst en woede tegelijk. Dat kon ik toch niet toestaan? Mijn liefde voor jouw staat in mijn weg, maar ik kan hem niet van me afzetten. Ik hou van jou en dat zal voor altijd zo blijven, dus zat er maar een ding op.”
“Mij aan jou binden?” zeg ik trillerig.
“Inderdaad, maar niet met een simpele bindingsspreuk. Ik weet dat je een slim hoofdje hebt, liefste. Het zou niet zo lang duren vooraleer je me doorhad. Daarom heb ik iets veel beter uitgekozen.”
Zijn grijns wordt groter en ik krimp steeds meer ineen.
Een derde traan loopt naar beneden, gevolgd door een vierde en vijfde. Ik trek mijn knieën op tot onder mijn kin om me zo klein mogelijk te maken.
“Mijn lieve Rose toch, het doet me bijna pijn je zo ontredderd te zien.”
“Oh Marten, maak jezelf niets wijs, niets kan jou pijn doen…” zeg ik schril.
“Ik vrees dat je daar een punt hebt, liefste. Maar wil je niet weten hoe je aan mij verbonden bent? Hoe het komt dat je helemaal de mijne bent, voor eeuwig en altijd?”
Ik kan niets uitbrengen, mijn tranen blijven maar vallen, ik kan ze niet tegenhouden.
Blijf ademen Hermelien, rustig. Je kunt dit, het lukt je wel, rustig.
“Goed, dan zeg ik het zo wel,” vervolgt Marten, triomferend op me neerkijkend.
“Je weet dat onze lichamen heerlijk met elkaar verbonden waren, niet?”
Hij kijkt vragend naar me, maar ik zwijg en kijk van hem weg. Het wordt teveel…
“Antwoord me, liefste,” zegt hij met een bozere ondertoon.
Ik hef mijn hoofd op en kijk hem recht in zijn rode ogen. Hij zet een dreigende stap dichterbij en richt zijn toverstok op mijn naakte linkerborst, op mijn hart.
“Antwoord Rose!” schreeuwt hij.
Zijn gezicht is enkele centimeters van het mijne verwijderd, ik open mijn mond als om iets te zeggen, en spuug dan recht in zijn oog. Ik had verwacht dat Marten boos zou zijn of zou uitbarsten van woede, maar hij kijkt me alleen maar grijnzend aan en haalt met zijn hand het speeksel van zijn oog af.
“Dat temperament van jou vind ik geweldig, Rose. Maar het is nog geweldiger om te beseffen dat het aan mij toebehoort, je bent helemaal van mij.”
Zijn vingertoppen strelen mijn wang en vegen enkele tranen weg. Ik ril onder zijn aanrakingen.
“Nuja, waar waren we gebleven. Ohja… onze lichamen…”
Marten stapt weer achteruit en kijkt grijnzend op me neer.
“Ik geloof dat je wel weet wat er gebeurt tijdens zo een vereniging… Om het kort te maken, je draagt mijn zaad, liefste.”
Oh god, zijn zaad… Waarom heb je daar niet aan gedacht, verdorie Hermelien!
“En met mijn zaad draag je ook mijn zoon,” vervolgt Marten luider.
“Zo zie je maar, Rose, ik ben je toch sneller af. Niemand kan zich meten met mij, liefste.”
“W…Wat zei je? Z…Zoon?”
“Dat klopt ja, mijn zaad, onze zoon.”
De grond zakt weg onder mijn voeten, mijn wereld stort in. In een reflex ga ik met mijn hand over mijn buik. Zwanger? Van Heer Voldemort?
Oh god, zeg dat het niet waar is, zeg alsjeblieft dat dit niet waar is…
“Is er iets, liefste?” grijnst Marten.
Hoofdstuk 19: Strijd met de dood
“Is er iets, liefste?” grijnst Marten.
Adem Hermelien, blijf gewoon ademen. Het komt wel goed, het komt wel goed, je vindt wel een oplossing. Blijf gewoon ademen.
Ik moet iets vinden, ik moet hieruit komen. Er moet iets zijn, een gaatje… iets dat hij over het hoofd heeft gezien… En dan schiet er mij iets te binnen. Hoe kan Voldemort met zekerheid weten dat ik zwanger ben en zijn zoon draag? Een straaltje hoop bereikt mijn hart en ik voel dat ik hiermee zal vallen of staan.
Komaan Hermelien, raap al je moed bijeen en daag hem nog een keer uit. Alles is nog niet verloren.
“Je vergeet iets Marten…hoe weet je zeker dat ik zwanger ben?”
Ik vrees dat de helft van mijn woorden door de emotie onverstaanbaar is, maar dat maakt niet uit. Ik hunker naar Martens reactie, een aarzeling, een woede uitbarsting, iets dat aantoont dat hij een fout heeft gemaakt… Mijn enige hoop…
Ik word diep teleurgesteld. Zijn kille lach schalt door de ruimte en boort mijn hoop naar de bodem.
“Ach Rose, je denkt toch niet echt dat ik risico’s neem? Mijn zaad is behekst, lieve. Maak je maar geen zorgen.”
En dat is het moment, dat ene moment, waarop een mens breekt. Wanneer zijn laatste hoop verdwijnt en hij geen enkele reden meer kent om voort te gaan, om nog te leven. Zo voel ik me nu. Ik voel me alsof ik gewoon in dit bed wil neerliggen om nooit meer op te staan, of om mijn polsen door te snijden en het weinige leven dat ik nog bezit langzaam uit me te zien vloeien. Het stemmetje in mij dat me sterk houdt, me doet doorzetten, me niet laat opgeven, is uitgedoofd. Ik ben alleen, helemaal alleen in een vijandig gebied. Ik geef me over. Ik vecht niet langer terug. Marten heeft gewonnen, ik ben verloren. Ik ben uitgeteld. Hij kan met me doen wat hij wil, ik heb niet langer de macht om hem te stoppen. Ik laat alles over me heen gaan, onverschillig. Het is gedaan. Het is over en uit. En dan wordt het zwart voor mijn ogen en val ik in de duisternis.
Als ik weer bijkom lig ik terug in het witte hemelbed, nog steeds naakt en met de deken over mij heen. Ik vraag me net af waar Marten gebleven is als ik besef dat ik in zijn armen lig. Zijn armen houden mij dicht tegen zich aan en hij streelt met zijn vingers zachtjes mijn kruin. Ik ben te moe om mij uit die houding te bevrijden. Al mijn energie is op. Langzaam begint de gedachte bij mij te dagen of iemand op Zweinstein mij niet mist. Per slot van rekening zitten Marten en ik hier al sinds gisterenavond. Maar het is zondag, niemand zal op zoek zijn en Helena weet niet eens waar ik zit, dus laat ik de gedachte varen. Marten streelt nog steeds mijn bruine haren en zijn lippen raken zachtjes mijn voorhoofd. Ik onderga het als verlamd, niet in staat te reageren.
“Ik hou van je,” fluistert hij zachtjes in mijn oor. Ik weet dat hij het meent en ergens schrikt het mij een beetje af. Dat heer Voldemort al die moeite doet om mij aan hem te binden, omdat hij van me houdt en me nooit meer kwijt wil… En hij denkt natuurlijk dat ik ook van hem hou en altijd heb gehouden, heel die tijd. In één ding ben ik dan ten minste toch geslaagd, besef ik. Marten heeft nog steeds niet door dat ik undercover ben. Rosaline Danes…
Die gedachte geeft mij terug moed. De mist in mijn hoofd trekt op en ik kan al helderder nadenken. Ik moet een ontsnappingsweg vinden en blijven vechten. Anders zie ik nooit meer Harry’s ravenzwarte haren, Rons lachende gezicht, mijn ouders’ bezorgde trekken… Wat zit ik hier verdorie nog tijd te verspillen in Voldemorts armen? Ik moet vechten! Vechten voor al degene die ik liefheb, vechten voor mezelf. Want ik en ik alleen ben de enige die mij hieruit kan krijgen. Ik moet hem in verwarring brengen, hem onwaakzaam maken en dan proberen te ontsnappen. Stilaan voel ik mijn vechtlust weer naar boven komen. Maar hoe krijg ik hem verward? Hoe krijg ik hem zover dat hij wankelt?
“Je bent van mij Rosaline,” fluistert Marten, met zijn hete adem mijn oor bedekkend.
Rosaline…
Natuurlijk!
Hij weet niet dat ik alles heb gefaket…
Vliegensvlug begin ik een plan te bedenken, mijn ontsnappingsweg. Ik moet naar het heden geraken.
“Marten?”
“Ben je eindelijk wakker liefste?”
Zijn stem klinkt zacht en teder. Hij heeft gekregen wat hij wou, dus is hij niet meer Voldemort maar Marten. Ik zucht.
“Ja, ik moet je iets vertellen.”
Waarom klinkt mijn stem zo ijl en zwak, ik moet sterk zijn!
“Moet dat nu Rose? Ik was net van plan aan ons ontbijt te beginnen…”
“Ik ben niet Rose.”
“Oh,” glimlacht Marten verontschuldigend, “sorry liefste, hoe wil je dan dat ik je noem?”
Nu Hermelien, alles op alles!
“Bij mijn naam Marten, en dat is Hermelien.”
“Ha, Rose toch, jij met je fantasie…”
“Ik zei; Ik heet Hermelien. Ik ben niet wie je denkt dat ik ben Marten.”
Nu pas dringt het tot Marten door dat er misschien toch iets niet klopt. Zijn gezichtsuitdrukking verandert zo plotseling, dat ik zijn mondhoeken echt kan zien zakken.
“Ga door,” zegt hij met opeengeklemde kaken.
“Mijn naam is Hermelien Griffel, mijn ouders zijn dreuzels en ik hoor niet thuis in deze tijd.”
Ik zie hoe Marten gespannen zijn adem inhoud en de informatie verwerkt, maar hij laat me uitspreken dus ga ik door.
“Ik hoor thuis 50 jaar verder in de toekomst en ben naar hier gekomen om jou in de val te lokken en van mij te doen houden, zodat je onze wereld niet zou vernietigen.”
Marten ademt diep in en zijn ogen zijn wijd opengesperd van ongeloof en verbazing.
“En dat plan is gelukt Marten. Ik ben gewonnen.”
Net als ik die woorden zeg besef ik dat ik ook werkelijk gewonnen ben, zij het op een andere manier dan ik gehoopt had.
“Snap je het nu Marten? Ik moest FAKEN, alsof doen dat ik van je hield, om jou van mij te doen houden. Want denk je werkelijk dat iemand ooit echt van jou kan houden?”
Ik zie hoe Martens ogen zich vullen met tranen en zijn bovenlip dreigend begint te trillen.
Goed zo, Hermelien, je hebt hem.
“Je kunt een meisje alleen maar aan je binden door een spreuk te gebruiken, niemand houd van je, ze vrezen je alleen maar. Niemand zal ooit van je houden, kijk wat je mensen aandoet… Je bent een MONSTER!”
Een eerste traan rolt langs Marten gezicht naar beneden. Ik herinner me die nacht, toen Marten huilde en besef dat dat echt was. Zijn zwakke plek. En daarmee steek ik hem nu neer en kan ik de weg naar de vrijheid vinden. Zonder nog eens naar hem te kijken grijp ik mijn kleren bij elkaar, stap de kamer uit en zet ik het op een lopen. Terwijl ik ren kleed ik me onhandig aan, blij dat ik tot dusver niemand ben tegengekomen in de gang.
Een geluk dat het zondag is…
Ik ben al helemaal aangekleed als ik de eerste mensen tegenkom beneden in de grote zaal. Het is dus al middag. Hoe lang zal het duren voordat Marten beseft wat er gebeurd is en me achterna komt? Resoluut begin ik nog sneller te lopen, tot Helena me plots de weg versperd.
“Rosaline, wacht!”
Buiten adem kom ik voor haar tot stilstand, de steken in mijn zij negerend.
“Helena, ik moet weg, vluchten…”
“Wacht, vertel me eerst hoe het is ge…”
“Ik heb geen tijd Helena,” onderbreek ik haar meteen. “Ik moet nu terug, naar het heden, zo snel mogelijk.”
Helena slikt moeizaam door, maar ik herken in haar gezichtuitdrukking begrip. De tranen staan in haar ogen als ze met een klein stemmetje vraagt:
“Zie ik je ooit weer?”
Hoe graag ik haar op dat moment wil geruststellen, wil zeggen dat we elkaar nog zullen zien, nog samen zullen kunnen lachen en plezier maken… Ik krijg het niet over mijn hart te liegen tegen mijn beste vriendin.
“Ik vrees van niet…” zeg ik zacht. En het dringt nu pas tot me door. Ik zal ze missen. Haar en Diane en Sean…
Plots slaat Helena haar armen om me heen en legt ze haar hoofd op mijn schouder.
“Vaarwel dan, Rosa- Hermelien,” fluistert ze in mijn oor.
“Vaarwel Helena, ik wens je het beste toe. Ik zal je missen.”
Bij het laatste woord slaat mijn stem over van emotie en besef ik hoeveel tijd ik aan het verliezen ben. Marten kan nu elk moment achter me aan komen lopen, ik moet echt maken dat ik weg ben.
Zacht maar beslist sla ik Helena’s armen van me af en ren verder, het kasteel uit, het veld in. Mijn hand gaat in mijn broekzak en vind daar mijn zendertje. Blindelings toets ik de runencombinatie van professor Perkamentus in terwijl ik het hek van het terrein van Zweinstein passeer.
“Hermelien?” klinkt het luid door de zender.
“Ik kom terug professor, waar moet ik heen?”
Waarschijnlijk hoort Perkamentus hoe gespannen mijn stem klinkt en stelt hij daarom geen vragen, ik ben hem er alleen maar dankbaar voor. Ik heb geen idee van hoeveel tijd er mij nog rest om ongemerkt te ontsnappen.
“Oké Hermelien, waar ben je nu?”
“Ik ben net het terrein van Zweinstein uitgerend.”
“Goed, loop verder richting Zweinsveld en zorg dat je bij het Krijsende Krot geraakt.”
Mijn benen voelen zwaarder aan dan pilaren en ik loop de longen uit mijn lijf, maar ik ga steevast door met steeds de gedachte aan wat zal gebeuren als Marten me inhaalt.
“Ik ben er professor, en nu?”
“Daar moet ergens een oude eik staan, die fel lijkt op de eik in het tijdsveld dat je eerder gebruikt hebt.”
Mijn hart klopt in mijn keel en ik voel mijn bloed jachtig door mijn lichaam stromen.
“Ik zie geen oude eik…”
“Dan kijk je niet goed, liefste.”
Ik ril bij het horen van die stem. Vliegensvlug draai ik me om en zie ik hoe Marten doodleuk aanleunt tegen een grote, oude eik. Mijn knieën knikken en ik voel dat ik elk moment in elkaar kan zakken.
Marten trekt zijn toverstaf en roept: “Accio!” en de zender vliegt uit mijn handen. Marten vangt hem handig op, smijt hem op de grond en laat hem vlam vatten. Ik uit een klein kreetje van ontsteltenis en laat mijn instincten het overnemen. Ik wil mijn toverstok trekken tot ik besef dat ik hem niet bij me heb.
Verdorie, Hermelien… Je bent hem vergeten op de kamer van Hoge Nood!
“Zoek je deze?” zegt Marten scherp terwijl hij mijn toverstaf hoog in zijn rechterhand houdt.
Zijn wangen tonen nog de sporen van eerdere tranen, maar dat maakt hem niet minder knap.
“Geef hier!” schreeuw ik zo luid en vast ik kan, om mijn eigen angst te overwinnen.
Tot mijn verbazing werpt Marten de toverstaf tot bij mijn voeten. Ik raap hem meteen op en richt hem op Marten met een verbeten trek om mijn mond. Ik ben nu zover gekomen, ik ga niet meer terug.
“Wat nu Rosaline? Gaan we vechten?”
“Het is Hermelien, en ja, we gaan vechten.”
“Och Rose, denk je nu echt dat ik die zever van je geloof? Wat ben je van plan? Naar je “toekomst” terug te keren? Flauw verhaal hoor…”
Wat? Gelooft hij me niet?
“Ik moet toegeven dat je me in het diepst van mijn hart raakte met je toespraak, Rose, maar ik heb mezelf herpakt. Dat zal ik niet nog eens laten gebeuren. Je bent nu de mijne.”
De grijns op zijn gezicht is mij zo bekend, dat ik een flauwe glimlach produceer bij het zien ervan. Marten stapt op me af en verspert me zo niet langer de weg naar de eik. Ik loop ernaartoe en zoek de runen, zonder notie te nemen van Marten die me verbaasd aankijkt.
“Geloof je dan zelf ook in die onzin, liefste?”
Ik word met ontzetting geslagen bij het horen van de tederheid in zijn stem. Na alles wat er gebeurd is houdt hij nog steeds van me…
En het vreemdste is dat hij denkt dat ik dat verhaal van de toekomst heb verzonnen, om gewoon te kunnen ontsnappen…
Hij onderschat me, zijn eigen liefde maakt hem blind…
“Ja Marten, ik geloof daarin.”
Ik heb de runen op de eik gevonden en weet dat het tijd is. Marten gaat niet beseffen wat er gebeurd is tot ik weg ben, vervuld van ongeloof.
Zijn warme lach schalt door de ruimte en ik maak ervan gebruik om snel de spreuk op te zeggen. Marten slaat me kalm gade maar verrekt geen vin.
Hij gelooft nog steeds niet dat ik zal ontsnappen…
De eik begint lichtjes te gloeien, een wit licht ontstaat en een grote opening wordt zichtbaar. Ik kijk achterom en zie dat Marten plat op de grond ligt, zijn ogen afwendend van een licht dat hem verblindt. Op de ene of andere manier versta ik dat dat het licht van de eik is, maar ik snap niet hoe dat kan als ikzelf er geen problemen mee ondervind.
“Vaarwel Marten,” zeg ik luid, om er zeker van te zijn dat hij me hoort.
Ik stap zonder aarzeling in de opening van de stam en zie hoe Marten langzaam overeind krabbelt. Zijn hoofd wordt witheet van woede als hij merkt wat er aan de hand is, maar hij is te laat. De opening sluit zich en het wordt donker voor mijn ogen. Of dat komt door de tijdspoort of door mijn eigen vermoeidheid weet ik niet, maar ik val buiten bewustzijn en zak in elkaar.
Hoofdstuk 20: Het eindgevecht
Als ik mijn ogen langzaam opendoe, zie ik naast me wazige gestalten die zich over me heen buigen. Vaag zie ik een bril met halfronde glazen en een lange, witte baard links van me en rechts een bos ravenzwarte haren en een rood, bliksemvormig litteken. Mijn hoofd doet pijn en ik sluit mijn ogen weer. Ik voel hoe professor Perkamentus en Harry me optillen en vooruitdragen. Het volgende ogenblik lig ik in een klein eenpersoonsbed in een blauwe kamer, met Harry, Ron, professor Perkamentus, Mevrouw en Meneer Wemel en Ginny rondom mij. Ergens vind ik de kracht om een kleine glimlach te produceren, en meteen zie ik hun gezichten opklaren. Ik besef plots hoeveel ik van hen houd en hoeveel ik hun heb gemist.
“Hier kindje,” zegt Mevrouw Wemel zacht, terwijl ze een stuk chocolade in mijn mond propt.
Ik zet me recht en eet het dankbaar op. Ik voel hoe de chocolade mij sterker maakt en hervind mijn stem.
“Dank u.”
Ron kijkt naar me met een diepe bezorgdheid in zijn ogen, alsof ik elk moment kan sterven. Harry glimlacht alleen maar, net zoals Perkamentus.
“Welkom terug, Hermelien,” zegt de hoofdmeester van Zweinstein.
“Waar ben ik?” vraag ik nadat ik met mijn ogen de kamer ben afgegaan. Ik kan me niet herinneren dat ik hier eerder geweest ben.
“Je bevindt je nu in mijn huis. Toen je me opriep met je zender zijn Harry en ik meteen naar het tijdsveld vertrokken. Ik vreesde al dat je niet meer ging komen toen ik Martens stem herkende. Het moment daarop was de verbinding verbroken en wist ik niet meer wat er gebeurd was, maar ik kon er wel naar raden. Harry wou meteen naar je toekomen, maar ik hield hem tegen, wetende dat het nog veel te vroeg voor Voldemort was om zijn toekomstige rivaal te zien. Toen ik wist dat je de tijdspoort uiteindelijk toch had geopend zorgde ik ervoor dat Marten hem niet zou kunnen gebruiken…”
“Was u dat?” onderbreek ik hem meteen, me het licht dat Marten verblindde herinnerend.
“Ja, Hermelien, dat was ik. Het volgende ogenblik verscheen de opening van de oude eik in ons tijdsveld en zagen we je neerkomen. Je kunt niet geloven welke opluchting er door ons heen ging toen we wisten dat je nog leefde.”
Perkamentus' stem lijkt vermoeid, en nu ik hem goed bekijk, zie ik dat hij in die drie maanden ontzettend verouderd is.
Natuurlijk, de tijd heeft hier niet stilgestaan…
“Wat heb ik allemaal gemist?”
Ik heb het gevoel dat iedereen zucht en elkaar aankijkt met de gedachte; is het wel een goed idee om het haar te vertellen?
“Er zijn goede en slechte dingen gebeurd, Hermelien,” zegt professor Perkamentus tenslotte.
“We hebben alle Gruzielementen gevonden en vernietigd, zonder dat Voldemort het weet. We hebben veel moeten strijden, en hebben verliezen geleden.”
Bij het woord verliezen blinken er bij iedereen tranen in de ogen en ik begin te beseffen dat er iets ernstig gebeurd is.
“Wat is er gebeurd? Wie hebben we verloren?” vraag ik kleintjes.
“Voldemort heeft het Ministerie van Toverkunst geregeld aangevallen en vele tovenaarsgezinnen en dreuzelgezinnen zijn uitgemoord. Ook enkele leden van de orde hebben hun einde gevonden…”
Mevrouw Wemel uit een luide snik, maar grijpt meteen haar zakdoek om het geluid te smoren. Meneer Wemel legt meteen zijn arm steunend om haar heen, maar kijkt bewust naar de grond.
Wat heb ik gemist?
Ik kijk wanhopig naar Ron, maar ook hij kijkt van me weg.
Harry kijkt me medelevend aan en zegt uiteindelijk: “Charlie en Lupos zijn vermoord tijdens een gevecht.”
Oh nee, zeg dat het niet waar is…
“Ze hebben zich dapper geweerd en zijn eervol gestorven,” zegt Perkamentus troostend.
Maar voor mij is dat geen enkele troost, noch voor Mevrouw Wemel, Ron, Harry, Meneer Wemel of eender wie hen gekend heeft. De tranen wellen op in mijn ogen als ik denk aan de vrolijke Charlie die enthousiast over zijn draken in Roemenië vertelde, of aan Lupos, de beste leraar Verweer tegen de Zwarte Kunsten die we ooit hebben gehad. Waarom moest het noodlot hen juist treffen?
En dan bedenk ik plots dat hetzelfde had kunnen gebeuren bij Harry, Ron of anderen. Zij hebben al die tijd in uiterste gevaren moeten leven, met onmogelijke gevechten en verliezen, terwijl ik met Helena zat te lachen, me met Sean amuseerde of met Marten kuste…
Een diep schuldgevoel doorboort mijn hart en slaat me neer, alsof ik een kleine vlieg ben en niet kan ontsnappen.
Ik heb niets bereikt… Ik ben op missie gegaan, maar heb al die drie maanden niets bereikt… Niets nuttigs… Niets dat kan helpen… Voldemort heeft ongestoord zijn werk kunnen doen en mijn vrienden vallen aan hem ten prooi, evenals andere onschuldigen. Ik heb dus toch gefaald en alleen maar aan mezelf gedacht, mijn eigen hachje redden, me van Voldemort losmaken…
Mijn hand glijdt in een reflex over mijn buik. Ik ben misschien aan Marten kunnen ontsnappen, maar ik ben nog steeds zwanger. Ik draag de zoon van Voldemort, de zoon van degene die verantwoordelijk is voor ontelbare moorden, voor de dood van Harry’s ouders, Charlie en Lupos en zoveel anderen.
“Vertel ons eens Hermelien, vertel ons over wat je daar gedaan hebt,” zegt Harry dan.
En plots wordt alles me teveel en voel ik dat ik het niet meer aankan. Het ritueel, mijn zwangerschap, de spanning om te ontsnappen, het verlies van mijn vrienden zowel in het heden als in het verleden… Ik barst uit in een luid snikken en heb het gevoel dat ik nooit zal kunnen ophouden met huilen, nooit!
Door mijn tranen heen zie ik hoe Mevrouw Wemel me in haar armen neemt.
“Maar kindje toch… Shhttt… Huil maar, het is goed.”
En de tranen blijven maar komen, tot ik tenslotte te moe ben om te huilen en in slaap val.
Als ik wakker word, bevind ik me nog steeds op de kamer in Perkamentus’ huis, maar staat er niemand naast mijn bed. Ik ben al wat sterker en voel de nieuwsgierigheid in mij ontwaken. Ik ben nog nooit in Perkamentus’ huis geweest en had er eigenlijk nog nooit over nagedacht waar hij zou wonen. Zo stil ik kan sluip ik de kamer uit en sluit ik de deur achter me. Ik kom uit op een brede, lange gang waarvan de vloer bedekt is met zacht tapijt. Terwijl ik de gang doorloop passeer ik een tiental kamers en uiteindelijk kom ik uit op een brede, houten trap. Zonder te aarzelen ga ik de trap naar beneden en zie ik voor mij een groot salon met donkerrode en donkergroene divans. Aan de muren hangen kandelaars met lange witte kaarsen en grote magische schilderijen. Een oude man in een schilderij vertrekt meteen als hij me ziet en ik volg hem met mijn ogen, tot hij in het volgende vertrek is. In een grote open haard knispert het hout zachtjes en ik voel hoe het vuurtje mijn hart verwarmd.
“Hierheen Hermelien.”
Ik schrik me rot als Perkamentus’ stem vanuit de andere kamer klinkt. Meteen loop ik door en tref ik hem in een grote, ouderwetse keuken met magische snufjes. Achter het fornuis staat een opgewekte professor Perkamentus is een donkergroene badjas.
“Goede morgen, Hermelien. Goed geslapen?”
“Dag professor, ja tuurlijk,” zeg ik meteen, niet wetend wat nu te doen. Zou ik gewoon mogen gaan zitten?
“Ga gerust zitten, hoor,” beantwoordt Perkamentus mijn vraag.
“Lust je spek met eieren?”
“Ja, bedankt.”
Terwijl Perkamentus met de grote pan schudt, zet ik me aan een lange, houten tafel die al gedekt is.
Even later sloft hij op dikke, roze pantoffels naar de tafel toe en gaat hij zitten. Hij schept wat spek en eieren op mijn bord en neemt zelf ook een sneetje brood. Ik besef plots hoeveel honger ik heb en eet smakelijk van het lekkere eten. Het voelt wat raar aan om met de hoofdmeester van Zweinstein te ontbijten, maar de sfeer is gezellig en we spreken over koetjes en kalfjes. Na de maaltijd schenkt Perkamentus ons beide een kopje thee in en weet ik dat het tijd is om mijn verhaal te vertellen.
Perkamentus zegt niets, maar ik schraap voorzichtig mijn keel en begin. Ik wil het zo snel mogelijk achter de rug hebben en er is maar een persoon bij wie ik terecht kan. Dus vertel ik hem alles. Sinds de eerste dag van mijn aankomst op Zweinstein, de eerste kennismaking met Marten, Helena, Diane en Sean. Ik vertel hem over Lucius en over hoe Marten me heeft gered, over de Halloweenparty en tenslotte over het ritueel. De hele tijd zegt professor Perkamentus geen woord, ook als mijn tranen geluidloos naar beneden glijden bij de herinnering aan mijn leed en geluk, onderbreekt hij me niet en spreek ik gewoon verder.
En dan komt het moment dat alles is gezegd. De woorden zijn eruit en ik besef dat het avontuur definitief over is. Het is echt gedaan. Mijn taak zit erop, ook al heb ik die niet volledig volbracht, ik mag trots zijn op wat ik bereikt heb en ik ben tenminste heelhuids teruggekomen.
“Wat ga je doen met het kind?”
Perkamentus heeft de hele tijd met geconcentreerde blik zitten nadenken en spreekt nu op een uiterst rustige toon.
Zijn vraag formuleert de zorgen die de laatste twee dagen door mijn hoofd spoken. Wat doe ik met mijn zoon, de zoon van Marten Vilijn, de zoon van Voldemort? Mijn gedachten dwalen onwillekeurig af naar het ritueel, toen het kind werd verwekt. Marten droeg me het bed in en ik was gelukkig. Ik hield van hem en weet nu, op dit moment, dat ik nog steeds van hem houd, en voor eeuwig van hem zal blijven houden. Hoe ver en onbereikbaar hij ook is. Ook al verafschuw ik Voldemort, van Marten zal ik blijven houden, mijn hele leven lang. Alle mooie momenten die we samen hebben meegemaakt vergeet ik niet, nooit niet. Het kind dat ik draag is uit liefde gemaakt, zowel langs Martens kant als langs mijn kant. En ik ga het houden, als herinnering aan mijn liefde aan Marten Vilijn.
Perkamentus heeft de beslissing in mijn ogen gelezen en glimlacht. Hij respecteert mijn beslissing en zal me helpen.
De volgende dagen breng ik door bij mijn ouders. Ze waren door Perkamentus ingelicht en hebben de afgelopen drie maanden in de grootst mogelijke onrust doorgebracht, maar ze zijn zo blij dat ik terug ben dat ze het me vergeven. Ik vertel aan niemand het verhaal over wat er gebeurd is in het verleden. Alleen Perkamentus weet het over mijn zoon. Harry, Ron en de anderen stellen geen vragen (waarschijnlijk in opdracht van Perkamentus) en ik kan ze er alleen maar dankbaar om zijn. Stilaan slaag ik erin om de draad van mijn oude leven terug op te nemen. Het leven gaat verder en het heden wordt steeds meer terug de werkelijkheid voor mij. En wat voor een werkelijkheid…
Elke dag komen er berichten binnen over Voldemorts gruweldaden die ik met gepijnigd hart en gesloten ogen ontvang. Telkens dat er zo een bericht binnenkomt sla ik mijn armen beschermend over mijn buik en denk ik aan Marten, die zei dat hij zijn best ging doen om minder egoïstisch te zijn.
Na een maand ben ik het leven in het heden al gewoon geworden. Dagelijkse strijd tegen Voldemort, lachen met Harry, Ron en Ginny, Voldemorts plannen bespreken met de orde… Ook al ben ik nu in het heden, nog steeds draait mijn hele leven en het leven van alle andere mensen om Voldemort. Hij heeft werkelijk de macht en neemt alle plaats in, in onze gedachten en in onze wereld.
Ik zit in de keuken van Sirius’ oude huis samen met Mevrouw Wemel aardappelen te schillen als Bill komt binnenstormen. Hij is helemaal buiten adem en een straaltje bloed loopt langs zijn slaap naar beneden.
“Gevecht- oud pakhuis- niet ver van hier- moeten leden oproepen- …”
Mevrouw Wemel veert meteen op en loopt naar haar zoon toe.
“Oh Bill, je bent gewond, gaat het wel? Wil je niet even zit-”
“Geen tijd,” zegt Bill. Hij is al terug een beetje op krachten gekomen en grijpt zijn moeders armen vast.
“Moeder, verwittig NU zo veel mogelijk parate leden, anders is er niet veel hoop meer over…”
Mevrouw Wemel schijnt plots de ernst van de situatie te beseffen en begint zich paniekerig aan Bill vast te klampen.
“Ron… en Harry… Zijn ze…?”
Een vreselijke gedachte ontwikkelt zich in mijn hoofd. Vol spanning kijk ik Bill aan, samen met Mevrouw Wemel.
Bill zucht en zegt: “Ze vechten mee. Ik heb geen goede kijk kunnen nemen op het gevecht voor ik weggezonden werd, maar ik denk dat ze nog niet gewond zijn.”
Bij het woordje “nog” krimpen Mevrouw Wemel en ik in elkaar. Meteen daarop vertrekt Bill weer en haalt zijn moeder diep adem. Ze weet wat haar te doen staat. Op het volgende ogenblik is ze verdwijnseld en zit ik alleen in de keuken, met het aardappelmesje nog in mijn hand. Ik gun mezelf niet de tijd om na te denken. Uit Bills woorden en stem heb ik opgemaakt hoe zwaar het gevecht is en dat ze elke man kunnen gebruiken voor het te laat is. Als ik eraan denk dat Harry en Ron nu misschien al gedood zijn door een smerige Dooddoener, weet ik dat ik geen seconde mag twijfelen. Ik ga staan op de plek waar Bill is verschenen en Verdwijnsel naar het pakhuis.
Ik duik weg voor een spreuk die met een razende snelheid op me afkomt, als ik Verschijnsel in het strijdgewoel. Meteen trek ik mijn toverstok en zie ik een Dooddoener op me afkomen.
“Sectumsempra!”
Hij ligt neer op de grond nog voordat zijn mond een toverspreuk kon vormen. De grond ligt al bezaaid met dode en gewonde tovenaars, maar het gevecht gaat verder. Overal om me heen staan Dooddoeners en leden van de Orde die dodelijke spreuken op elkaar afvuren. Plots zie ik Harry voor me uitlopen en ik loop hem achterna, niet wetend wat ik beter kan doen. Aan Harry’s andere zijde loopt professor Perkamentus. Zonder waarschuwing doemt er voor ons een felle rookvlaag op die het pakhuis vult. De oorzaak ervan wordt me al snel duidelijk. Nadat de rook een beetje gezakt is kan ik een donkere figuur voor Harry onderscheiden. Hij draagt een lange, zwarte cape met een kap die van zijn hoofd afvalt als zijn kille, hoge lach uit zijn mond ontsnapt. Als zijn bleke gelaat zichtbaar wordt, sla ik mijn armen om mijn buik en staar naar de vader van mijn toekomstige zoon. Ik kan geen enkele uiterlijke gelijkenis ontdekken met de Marten Vilijn die ik heb gekend. Maar hij schenkt geen aandacht aan mij. Met een spreuk velt hij professor Perkamentus die meters achteruit vliegt en richt dan zijn rode, kwaadaardige ogen op Harry, die pal tegenover hem staat.
“Expelliarmus!” schreeuwt Voldemort.
Harry is ontwapend, maar ik kan zijn gezicht niet zien. Om me heen staan tovenaars, treffen hun spreuken doel, zakken ze in elkaar… Maar ik besef het niet. Ik besef alleen dat dit het einde zal zijn, voor Harry en voor de hele wereld. Perkamentus is uitgeschakeld, Harry is ontwapend en niemand staat nog tussen hem en Voldemort.
Behalve ik.
Hoofdstuk 21: Het einde
Wat gaat er om in een mensenhoofd als hij weet dat dit het einde is? Als hij weet dat er geen kans meer is op redding en dat hij radeloos zijn lot zal moeten aanvaarden? Wat gaat er in zijn gedachten om als hij weet dat hij de dood recht in de ogen kijkt, en bij wijze van spreke al met een voet in die andere wereld staat. Ik kan onmogelijk Harry’s gedachten lezen, maar hij staat daar voor Voldemort met zo’n uiterste beheersing en kalmte dat ik voel dat hij zijn dood accepteert. Hij weet dat de toekomst voor hem niets meer zal brengen en kijkt zwijgend op naar zijn aartsrivaal. Voldemort uit een kille lach die naar mijn gevoel het hele pakhuis doet beven. Hij zet een vaste stap naar voren en bekijkt zijn prooi met zoveel genot, wetende dat hij gewonnen is. Hij heft zijn toverstaf op zonder zijn blik van Harry af te wenden en Harry buigt zijn hoofd. Ik geloof dat ik later nooit zal begrijpen hoe ik zo kalm ben kunnen blijven terwijl de gebeurtenissen hier snel na elkaar hun loop gingen. Iets in Harry’s houding zegt me dat ik niets moet doen, dat hij het aanvaard heeft en dat ik er niet in moet tussenkomen. Maar hij neemt die houding alleen maar aan omdat hij werkelijk denkt dat hij alleen is. Geen van de twee mannen voor mij besteedt ook maar de minste aandacht aan mij. Het lijkt wel of ik onzichtbaar ben, maar ik weet dat ik niet zonder meer aan de kant zal kunnen blijven staan, zonder in te grijpen. Als Harry dood is, is het gedaan met de hele wereld. Dan is de missie pas echt gefaald. Er is maar een gedachte meer die bij me opkomt.
Red Harry.
Hoe, daar heb ik geen flauw benul van, maar ik weet dat ik íets moet doen.
Red Harry. Komaan Hermelien, wees niet bang, wees moedig. Zet die stap vooruit, red Harry.
Een tweede stem in mij vind zijn weg naar mijn gedachten.
-Wat als ik faal? Wat als ik weer faal? Wat als ik Harry helemaal niet kan redden, wat ontzettend waarschijnlijk is trouwens? Wat als ik het alleen maar erger maak, en ik op staande voet wordt gedood, en met mij mijn ongeboren zoon?
-Dan heb je het tenminste geprobeerd en weet je dat je de dood waardig in de ogen mag kijken.
Mijn eerste stem krijgt de overhand en ik weet wat me te doen staat. Ongeacht de afloop, ik zal niet toekijken hoe Voldemort mijn beste vriend van kant maakt. Ik zal vechten, omdat Harry het niet meer kan. Ik zal vechten, om Voldemort te tonen dat er toch nog iemand is die hem kan weerstaan, ook al is het maar voor even. Ik zal vechten, om de wereld waarin mijn zoon zal moeten opgroeien, te behouden zoals hij vroeger was. Ik zal vechten uit liefde en uit haat.
En dat is het moment waarop ik een felle stap naar voor zet en tussen Harry en Voldemort in ga staan. Ik zie hoe Voldemort zijn wenkbrauwen optrekt en nu wel genoodzaakt is om naar mij te kijken. De metamorfose van zijn gezichtsuitdrukking is haast lachwekkend als de situatie niet zo ernstig is. Eerst kijkt Voldemort me met een hautaine glimlach aan, die me pijnlijk doet denken aan het ritueel dat ik met hem heb beleefd. Hij zet een brede grijns op en richt zijn toverstok op mij. Mijn instincten nemen het over, ik controleer niet langer wat ik doe. Voor ik het weet zeg ik: “Dag Marten,” en kijk ik hem recht in zijn ogen aan. Wat ik daar zie is de verandering van zekerheid naar angst. Als hij naar me kijkt, en me voor het eerst écht ziet, zie ik hem schrikken van herkenning. Op zijn gezicht staat nu niet alleen angst, maar ook bezorgdheid te lezen. Ik weet dat achter me, Harry overeind krabbelt en zijn toverstok oppakt, maar Voldemort ziet het niet. Hij heeft alleen oog voor mij en kijkt me aan met zo een verpletterende uitdrukking van liefde en medelijden dat ik een traan niet kan bedwingen.
“Oh Rose,” zegt hij zacht, en ik hoor een spoor van Martens warme stem in die woorden. Als ik in zijn ogen kijk zie ik niet langer die rode, dreigende kleur maar warme, bruine ogen. Martens ogen. Voldemort werpt zijn toverstaf weg en komt naar me toe. Ik sta als verlamd naar hem te kijken en kan me niet verroeren. Met zijn lange, benige vingers streelt hij mijn traan weg met zo een teder gebaar dat ik er kippenvel van krijg.
Hij is me niet vergeten, hij houdt nog steeds van mij.
Dan zakt hij zo plotseling op zijn knieën voor mij dat ik ervan schrik, en klampt hij zich met beide armen vast rond mijn benen. Ik besefte maar met moeite wat ik zag, ik wist dat dit Marten was. De Marten naar wiens gezicht ik uren aan een stuk naar kon kijken, de Marten met de zwarte lokken, de prachtige bruine ogen. De Marten die me had gered van Lucius en me had getroost zonder woorden, me naar het witte bed droeg en me alle liefde gaf die hij maar bezat. En ik had hem lief, ik heb hem lief en zal hem voor altijd liefhebben. De vader van mijn toekomstige zoon.
Zijn gezicht houdt hij strak tegen mijn benen, maar ik zie dat hij huilt, hoe het mogelijk is weet ik niet, maar hij huilt.
“Oh Rose,” fluistert hij. “Rose, laat me niet alleen. Blijf bij me Rose, blijf bij me.”
Ik vind het gruwelijk, zo gruwelijk dat ik zo’n macht over hem kan hebben. Niemand zou zoiets mogen bezitten. Maar ik heb het nu eenmaal, tegen wil en dank. En hem zo ontredderd te zien doet pijn, meer pijn dan ik ooit heb gehad om mezelf of om gelijk wie.
Ik leg voorzichtig mijn hand op zijn schouder.
“Het is goed Marten,” zeg ik zacht.
“Het is goed, alles komt g-”
“Avada Kedavra!”
Een groene flits, en voor ik het besef ligt Voldemort op de grond, met zijn ogen wijdopen naar het plafond van het pakhuis starend, zijn gezicht nog nat van de tranen. Zijn armen liggen nog steeds om mijn benen geslagen maar alle mogelijke kracht is eruit verdwenen. Voldemort, of Marten, is niet meer. Ik kijk op en zie Harry wankelend op zijn benen staan, zijn toverstaf nog steeds gericht op de man die hij gedood heeft.
Perkamentus komt naar ons toegewandeld met plechtige tred en heel het pakhuis is overmand door de stilte. Geen woord, geen fluistering komt over de lippen van de zojuist nog vechtende leden van de orde en dooddoeners. Iedereen staart naar Harry, mij en de dode man aan mijn voeten.
“NEE!”
Een luide, wanhopige stem schalt door de ruimte en het duurt even voor ik besef dat het die van mij is. Ik kijk naar Voldemort, die doods voor zich uitstaart en ik zie Marten, de jongen aan wie mijn hart toebehoort. De jongen waarvoor ik door het vuur zou gaan. De jongen die mijn zoon heeft verwekt. En plots ziet iedereen in de zaal het. Het lijk van Voldemort is getransformeerd in het dode lichaam van de jonge Marten Vilijn. De ogen die naar het plafond staren zijn bruin, de kale kop is weer het hoofd van Marten. En zijn zwarte haren liggen rond zijn beeldschoon gezicht. Als ik ooit groot verdriet heb gehad in mijn leven is het niets in vergelijking met wat ik nu voel. Hoe ik me voel kan ik trouwens amper onder woorden brengen. Ik voel me verscheurd, alsof mijn lichaam in tweeën is gereten en ik rond mijn as tol met een misselijkmakende snelheid. Ik voel me kapotgemaakt en neergeslagen met een grote bijl, en het verdriet dat in mij opkomt, vreet als een tumor in mijn lichaam en nestelt zich alsof het nooit meer zal verdwijnen. En al deze mensen rondom mij voelen dat niet. Ik sta helemaal alleen. Ik buk me over het lichaam van mijn geliefde en streel met mijn vingertoppen zijn haar, zijn gezicht, zijn ogen. Ik strijk met mijn vingers over zijn volle, koude lippen en druk er een zachte kus op.
Ik voel de tranen in mijn ogen opwellen en doe geen enkele moeite om ze tegen te houden. En ik huil en snik, harder dan ik ooit gedaan heb. Ik ween om het verlies van de liefde van mijn leven, de vader van mijn zoon, Marten Vilijn. Mijn gehuil word geschreeuw en ik kan niet meer helder zien, zwarte plekken ontnemen mij het zicht. Mijn hart en mijn longen worden uit mijn lijf gerukt maar ik maal er niet om. Mijn verdriet is te groot. Ik leg mijn zware hoofd op Martens brede borst en snik verder en verder. Ik weet niet hoelang ik door kan gaan met huilen voordat mijn tranen opraken, maar alles is beter dan Marten te moeten verlaten.
De laatste woorden die hij tegen me sprak: “Blijf bij me,” zal ik nooit vergeten. Harry staat achter me en legt een troostende hand op mijn schouder, maar ik schud hem meteen weg en klamp me nog harder vast aan Martens dode lichaam. Ik wil geen troost van hem, hij die Marten van me heeft afgepakt. Hij die Martens lot bezegelde en hem gedood heeft op een afschuwelijke manier. Maar ik mag niet alle schuld op Harry steken. Ik ben even schuldig. Voldemort werd zwak door mij, zijn pantser viel af door mij, zijn zwakke plek was ik. Ik heb het mogelijk gemaakt dat Marten werd gedood. Ik ben zo schuldig als de duivel zelf.
En dat besef drukt zwaarder op mij dan Martens dood zelf.
“Hermelien, het is tijd om te gaan.”
Ik was even vergeten dat er nog andere mensen in de ruimte zijn, maar nu zie ik dat Perkamentus de enige is die overblijft. Hij neemt me bij mijn beide schouders vast en trekt me overeind. Ik stribbel zwakjes tegen want ik wil Marten niet achterlaten. Ik kan hem niet achterlaten. Maar Perkamentus weet wat hij doet. Hij neemt me bij de arm en verdwijnselt samen met mij. Ik heb niet eens de tijd om nog eens naar Martens lichaam om te kijken. Voor ik het weet staan we in de keuken van Sirius’ huis. Ik besef niet goed wat er gebeurt maar Molly drukt me op een stoel en veegt met een kleine, stoffen zakdoek mijn tranen weg.
Mijn geliefde is weg, voorgoed uit mijn leven, maar mijn ongeboren zoon is er nog. Ik zal hem vertellen over zijn vader, Marten Vilijn, die mij zijn leven heeft gegeven en voor altijd in mijn hart zal verder leven. Hij zal worden grootgebracht in liefde, en een stukje van zijn vader in hem dragen. En alle liefde die ik nog heb, zal ik steken in hem. Voor Marten.
Einde