Poll
Vraag:
Hoe vond jij het verhaal?
Optie 1: Saai, alles was gewoon saai.
stemmen: 0
Optie 2: Saai, er waren dingen die ik leuk vond.
stemmen: 0
Optie 3: Niet slecht, niet goed, blijf oefenen.
stemmen: 1
Optie 4: Goed, een paar dingen wat minder.
stemmen: 2
Optie 5: Hij was gewoon helemaal geweldig!
stemmen: 0
Dit is mijn eerste verhaal, getiteld: ''Haviksoog en Vergelding''
Ik heb hem vandaag afgemaakt.
Het genre is Het wilde westen, geinspireerd door een game die ik doe.
Het telt 39631 woorden, en heel veel tekens.
Ik hoop dat jullie het iets vinden.
Aangezien ik maar 20.000 tekens per post mag doen, doe ik een hoofdstuk per post.
Hoofdstuk 1
Kom op jongens, nog een paar uur en dan zijn we er.
Een man van middelbare leeftijd praatte tegen zijn paarden.
De prairie was heet, het had al een paar weken niet goed geregend en er was gevaar dat de indianen aanvielen. De Sioux waren weer eens in opstand gekomen tegen de blanken, en overvielen vaak eenzame reizigers.
Maar het gebeurde ook vaak dat een hele karavaan werd aangevallen, maar daar werden steeds vaker gewapende begeleiders voor meegegeven.
De reiziger was goed bewapend, en aan het geweer te zien was er al veel gebruik van gemaakt. De paarden zagen er vermoeid uit, de reis was lang en vanwege de indianen had de man het niet aangedurfd lang te rusten.
Later, er waren een paar uur verstreken, kwam de huifkar de stad binnen.
Het was niet echt een stad, een aantal huizen, een saloon en een kleine gevangenis.
De smederij was ook nog in het beginstadium, evenals de winkel.
De man op de bok zette zijn paarden stil voor de saloon en vroeg een jongen of die voor was kleingeld zijn paarden te eten en drinken wilde geven.
De man zelf liep de saloon binnen, bestelde een whisky en ging aan een tafeltje zitten.
Op dat moment kwam er aan een andere kant van de stad een kleine karavaan binnen.
Een aantal ruiters, die hadden blijkbaar geen eigen huifkar, reden naar de saloon, zetten de paarden vast aan de drinkbak en liepen naar binnen.
De mannen waren luidruchtig, maar achteraan liep iemand die rustig was, een stuk kleiner als de rest, maar hij zag er wel uit alsof hij sterk was.
Toen hij dichterbij kwam zagen de mensen die al in de saloon waren, de man van de huifkar, de barkeeper en een oudere stamgast, dat die man eigenlijk helemaal geen man was, maar er meer uitzag als een jongen. Terwijl de meeste reizigers gingen zitten en drinken bestelden, bleef hij staan, alsof hij iemand zocht.
Toen hij doorhad dat er geen bijzondere mensen waren, of mensen die hij zocht, ging hij bij de voerman van de huifkar zitten.
'moet je wat te drinken?' vroeg de voerman.
'graag', zei de jongen, en hij zei dat hij graag een glas water wilde.
De voerman riep de barman, en zei dat die nog een whisky en een glas water moest brengen.
'Ik ben Stanley Parker, Old Rusty voor vrienden.'
'En ik ben Robert Edwards, en ik heet Bob voor vrienden.'
'Prettig kennis te maken, hoe oud ben je eigenlijk?'
'Ik ben vijftien, maar ik ben sterk genoeg hoor!'
'Dat geloof ik wel, maar waarom ben je alleen?'
'Mijn moeder heb ik nooit gekend, die overleed bij mijn geboorte. En mijn vader is twee dagen geleden vermoord door twee schurken, ik moest snel wegrijden zei hij nog'
De jongen keek verbittert. 'en nu zoek ik die schurken die het gedaan hebben'
Stanley Parker keek de jongen aan. 'doe maar voorzichtig jongen, voor een tweede moord draaien ze hun hand vast niet om.' Hij dacht even na. 'Ik heb een idee.' zei Stanley.
'Als je nu eens bij mij komt werken? 't Zal echt niet slecht verdienen en ik kan je leren met wapens om te gaan.'
'wat zou ik dan moeten doen?' vroeg Robert
'longhorns vangen en opdrijven naar de steden.'
'klinkt goed, waarneer beginnen we?'
Hoofdstuk 2
'Eerst moet je nog een uitrusting. Je moet een nieuwe revolver, nieuwe hoed en chaps. En heb je een paard?'
'natuurlijk heb ik die, hoe ben ik anders hier gekomen?'
'Natuurlijk, ik dacht er even niet aan, maar is het een goed paard, dat ook rustig is bij runderen?'
'Ik weet het niet, ik heb dat paard niet zo lang, en ik ben er nooit mee in de buurt van veel vee geweest.'
'Hoe oud is het paard?'
'best wel oud, ik denk een jaar of dertien, misschien zelfs vijftien.'
Stanley dacht even na. 'dan kunnen we misschien beter een ander paard kopen. Heb je geld?'
Robert dacht even na, zou hij vertellen hoeveel geld hij bij elkaar had? Misschien was het wel iemand die hem wilde beroven! 'Ik denk dat ik wel honderd dollar bij elkaar heb.'
'dat is niet genoeg. Ik zal wel wat geld bijleggen, ik heb ook belang bij een goed paard.'
Ze gingen naar een ranch waar volgens de barman wel een paard te koop zou zijn.
Toen ze er waren kwam er een man naar hun toe die zich voorstelde als de voorman.
'Hallo, ik ben hier de voorman, kan ik jullie helpen?'
'Stanley Parker is mijn naam, en wij willen graag een paard kopen als het kan.'
'Dat is mogelijk. Kom maar even mee naar de corral, de paarden daar zijn al zadelmak, maar nog niet afgericht.'
Ze liepen gedrieën naar de corral.
'Die zwarte daar lijkt me wel mooi'
'jongen, dat is het wildste paard dat er tussen zit. Hou jij het maar bij iets rustiger paard.'
'die daar, die lichtbruine lijkt me wel een goede, niet te druk, maar wel snel.'
'Goede keus, het is inderdaad een best rustig dier, maar wel sterk en met een eigen wil.'
'hoeveel moet hij kosten vind je?'
'nou, als je dat oudere paard er bij geeft, dan kost hij maar tachtig dollar.'
'Doe je het Robert?' vroeg Stanley.
Robert dacht even na. Zijn oude paard wegdoen was niet leuk. Maar dan hield hij genoeg geld over om andere dingen te kopen. 'Ik doe het.'
'dat is dan geregeld. Mogen we jouw zadel dan ook? Dat heeft de vorm van je paard waarschijnlijk al. Dan krijg jij er een van ons.'
Robert keek Stanley even aan. 'Dat is in orde. Is dat zadel nieuw?'
'Het is nog nooit door een paard gebruikt dus het wordt een hele nieuwe voor dat paard.'
'Kunnen we het meteen binnen even regelen? Mijn baas is er niet, dus regel ik het.'
Een half uurtje later was de koop gesloten.
'En nu de chaps en je revolver nog.'
'en een koppel met holsters.'
Ze reden naar de stad waar de winkel was en gingen naar binnen.
'kijk, dat lijken me wel goede revolvers.'
'die zijn veel te zwaar. Voel maar, een colt is veel lichter en de munitie daarvoor is bijna overal te koop.
'je hebt gelijk, deze lijkt me veel beter. En nu nog een koppel en chaps.
Ze liepen naar de plaats waar op een rek wat koppels lagen.
'Deze ziet er wel stevig uit, en niet te groot. Kijk maar eens of je hem past.'
Robert paste de koppel.
'Nee, hij zit niet zo goed. Ik probeer die ernaast even.
'Ja, deze past, en hij is niet duur.'
'Dat is maar goed ook, want er is niet veel geld meer over. Kom, we gaan kijken voor een goede hoed, en we moeten ook nog een lasso voor je hebben.
'deze hoed is mooi, stevig en zit goed. Ik neem deze.'
Stanley kwam aanlopen. 'En pas deze chaps eens, ik denk dat ze niet te groot zijn.
'Hij zit inderdaad goed, en hij is zeker niet te lang.
'kom, we gaan afrekenen.'
'U neemt een revolver merk Colt dat is zestien dollar, een hoed van vier dollar, chaps van zeven dollar en een koppel van drie dollar vijftig.'
Doe ook maar een lasso erbij, niet te lang want hij moet het nog leren.'
Een lasso van zes dollar erbij. Dat maakt dan zesendertig dollar vijftig.
'Ik betaal wel Robert, Hier, zevenendertig dollar.'
'en dan krijgt u vijftig cent terug.'
Robert en Stanley zijn weer naar buiten gekomen.
'Kom, dan gaan we naar mijn claim, we moeten nog een ranch-huis bouwen en de stallen met de corrals, maar dat komt allemaal nog wel. We hebben een wagen, drie paarden en wapens dus we reden ons wel denk ik.'
'laat ik daar maar op rekenen, maar wanneer leer je me schieten?'
'Morgenochtend leer ik je schieten. Daarna zullen we gaan werken en 's avonds kan je weer oefenen, maar je moet ook oefenen lasso werpen, dat is ook belangrijk.
Hoofdstuk 3
'Wakker worden Bob' riep Stanley, terwijl hij zijn koppel omgespte.
'Hmm' bromde Robert toen hij wakker werd. Waar was hij? Opeens wist hij het weer, op de claim van Stanley, en vandaag zou hij leren schieten, paardrijden en lasso werpen!
Ondertussen had Stanley een vuurtje aangelegd en had hij een paar eieren gebakken, die hij de avond daarvoor nog had gekocht. 'Ha, dat ruikt goed, gaan we eten?' vroeg Robert.
'Nog even deze afbakken, en dan zijn de eieren klaar.'
'En ga je me daarna gelijk leren schieten?'
'Doe jij eens rustig,' lachte Stanley 'daar is nog genoeg tijd voor.'
'Hoe eerder ik het kan hoe beter het is, dan kan ik die rotzakken die mijn vader doodschoten een lesje leren!' Stanley keek hem aan en zei 'nooit te overhaast doen jongen,dan loopt het slecht af. Denk eerst na wat je wilt gaan doen en of je dat wel echt aankan. Die mannen hebben al heel veel schietervaring, jij moet nog lang oefenen voordat je daar aan kan tippen.
En als je geen wapens hebt moet je ook kunnen vechten. Dat leer ik je nog wel eens.'
Toen ze gegeten hadden liep Stanley naar de wagen, haalde er een paaltje uit en sloeg het vijftig meter verder in de grond. Toen timmerde hij er een plankje tegenaan en tekende met potlood een aantal cirkels op het plankje.
Hij liep naar de jongen en zei dat hij niet te dicht bij het paard moest oefenen, omdat het paard er nog niet aan gewend was. De jongen ging op dertig meter afstand van het paaltje staan en laadde zijn nieuwe revolver. Hij kreeg een aantal tips van Stanley en richtte toen.
Hij schoot, de eerste paar keer waren mis. Toen hij een kwartier geoefend had raakte hij het plankje best vaak, maar niet in het midden. Stanley zei dat het nog wel even zou duren voordat iemand die nooit had geschoten met revolver het midden kon raken. En dan nog precies in die kleinste cirkel was bijna onmogelijk, dan was je een scherpschutter!
Daarna gingen ze aan het werk. Ze haalden de huif van de kar en haalden ook alle spullen er uit. toen spanden ze de paarden in en gingen naar het bos, dat een paar mijl verder lag, vlakbij de rivier die door Stanley's claim liep.
Ze hakten voornamelijk eikenstammen omdat dat goed hout was voor het huis. Ze haalden de takken er af en legden de kale stammen op de kar. Van een paar korte stammetje maakte Stanley voor een muur een richtlijn waartussen de stammen gelegd moesten worden, op elkaar. Maar voordat dat kon, moesten ze eerst twee kanten glad maken zodat ze niet zouden gaan rollen. Het liefste drie kanten, zodat de binnenkant van het huis mooier was.
En ook moest er een gleuf worden gegraven waarin de onderste stammen moesten liggen.
Daar waren ze de verdere ochtend en middag mee bezig, tot Stanley zei dat het genoeg was.
Toen gingen ze aan de slag met het nieuwe paard, dat Robert Firefeet heeft genoemd.
Ze leerden het wennen aan Robert en aan dat Robert op zijn rug zat.
Stanley hield firefeet beet terwijl hij hem rond liet stappen, zo wende het paard een beetje.
Het paard moest ook leren stil te blijven staan als zijn baas hem stilzette, op commando te stoppen of harder te gaan. Dat wilde Stanley, die al ervaring met paarden had, bereiken door het paard te belonen als hij het goed deed, en het opnieuw doen als het fout ging. Er zouden wel weken tot maanden werk in zitten, maar dan was het wel een goed genoeg paard.
Tot die tijd zou Robert op een van de paarden van Stanley rijden.
Daarna ging Robert leren lassowerpen. Het was lastig, maar van Stanley leerde hij hoe het makkelijker zou gaan. Als hij het onder de knie zou hebben zou hij een bewegend voorwerp moeten kunnen vangen en daarna vanaf een paard een bewegend voorwerp vangen. Maar ook dat zou tijd nodig hebben. Daarna maakte Stanley het eten klaar en gingen ze eten.
Na het eten oefende Robert nog een tijdje lasso werpen, ging met firefeet lopen en ging daarna weer schieten oefenen. Het werd donkerder en Robert stopte even en ging hij weer even naar zijn paard, omdat hij vaak genoeg bij het paard wilde zijn zodat het paard goed met hem zou kunnen opschieten. Daarna ging hij weer naar de schietschijf, hij had 's middags een nieuw plankje gemaakt en had het er opgezet toen hij stopte met oefenen 's avonds.
Stanley hoorde Robert schieten, ondanks dat het helemaal donker was en hij hoorde zelfs droge tikken, als een kogel in het houten schijfje kwam. Toen hij tegen Robert zei dat het bijzonder was dat hij in het donker nog zo goed kon zien en dat Robert er zijn voordeel mee kon behalen in de toekomst, kon Robert niet bedenken waarom hij voordeel kon behalen uit het feit dat hij in het donker zo goed kon zien. Maar Stanley zei dat hij door moest oefenen en ook in het donker moest leren lasso werpen. Robert snapte niet waarom, maar zei dat hij het zou doen.
Toen Robert geoefend had met schieten en lasso werpen ging hij slapen, klaar voor de volgende dag.
Hoofdstuk 4
De volgende dagen werkten ze samen aan het woonhuis.
Het vorderde snel, en de buitenkant was al bijna af, en dan het dak nog.
Als ze dat af zouden hebben zouden ze de binnenmuren maken.
Er zou een gang komen, met tweederde deel van het huis voor Old Rusty, en een derde van het huis voor Robert.
' één, twee, drie en tillen!' Stanley en Bob waren bezig met de laatste stammen op de muur leggen. 'even vasthouden Edwards, ik zorg dat hij goed blijft liggen' riep Old Rusty.
'Ja, goed zo, hij zit vast.'
'We mogen wel opschieten Stan, in de verte komen er al wolken aan.'
'Klopt, we moeten het dak er ook snel op leggen, want anders is ons huis gelijk nat, en dat is slecht voor de gezondheid volgens al die knappe doctoren in het oosten.'
'opschieten dan, kom op we pakken die nog even.'
Ze legden samen de laatste balken op en toen ze dat klaar hadden zei Bob: 'kom we gaan gelijk naar het bos om stammetjes te halen, hoe eerder we dat gedaan hebben hoe beter.'
'je hebt gelijk, we kunnen beter meteen vertrekken, span je Browny even in? Dan doe ik David wel even.'
Een kwartiertje later waren ze op weg naar het bos. 'Húúú, vooruit David, doe je best Browny.'
'Zeg Stan, geef mij anders de bijl even mee, dan rij ik vooruit met Firefeet en kap ik al wat stammetjes.' 'Is goed, ik pak hem even, dan zijn we sneller klaar als jij er al wat klaar hebt.'
Stanley pakte de bijl en gaf hem aan Robert. 'Succes en doe voorzichtig!'
'Come on Firefeet, Galop!' De bomen kwamen dichterbij met de seconde.
Tien meter voor de bomen hield Bob Firefeet in. 'hóóó maar jongen.' En hij klopte zijn paard op de hals. 'kom op, ga maar weer.' Zei Robert en hij liet Firefeet stapvoets het bos in stappen. Toen hij een stuk het bos in was gereden liet hij het paard stoppen en maakte het vast aan een boom. Hij keek naar de jonge stammetjes en begon te hakken.
Toen hij er een stuk op dertig had vond hij het genoeg en begon ze voorzichtig door midden te kloven, zodat er één platte kant en één bolle kant was.
Toen hij op de helft van de stammetjes was kwam Stanley er aan met de wagen.
'Jongen, ik ga er nog wat hakken want dat zijn er lang niet genoeg.'
'Nog niet genoeg? En het zijn er wel dertig!'
'dertig ja, maar het huis is vier bij acht. Dan nemen we een schuin dak, met op het midden een verschil van een meter met het dak en bovenste balk van de muur. Dus de helft van het dak is vier meter keer vier komma een of komma twee. Dus die balkjes zijn een meter vijftig, maar het dak mag wel een halve meter uitsteken. En doorsnede van tien centimeter, dus je hebt per kant honderd twintig halve balkjes nodig. Dus ik moet er nog hoeveel hakken?'
'ik had er maar dertig, ik dacht dat het genoeg was.' Zei Bob verbaast.
'Dat was dus niet genoeg. Dan ga ik er nog een voorraad hakken, en die leggen we op de wagen. Die splijten we thuis wel.'
Pas aan het einde van de middag hadden ze genoeg balkjes bij elkaar.
'Kom, we gaan naar huis, daar leggen we eerst het zeil van de wagen op het dak en dan gaan we de balkjes splijten, die we daarna weer op het dak leggen.
'Da's goed, ik rij alvast naar huis, leg het zeil klaar en ik ruim de rotzooi die er ligt ook even op. Robert reed naar huis, ruimde een beetje op en legde het zeil al klaar.
In de ochtend hadden ze het 'geraamte' al neergezet, daar moest het zeil op vastgemaakt worden en later de balkjes er op gespijkerd.
Een halfuurtje tot een uur later kwam Stanley met de wagen thuis en gelijk begonnen ze met het zeil op het dak leggen. Het was een lastig stukje werk, maar na een aantal mislukkingen hadden ze het eindelijk voor elkaar.
'Zo, dat hebben we dan af. Nu gaan we de andere balkjes splijten.' Zei Stanley
'Ik hoop dat we het vandaag nog af hebben.' Zei Robert al lopend naar de wagen.
'Dat kan je wel vergeten. Hier, pak aan.' Zei Stanley en hij gaf een paar balkjes aan Bob.
Toen ze weer binnen waren begonnen ze de balkjes te splijten.
Daar waren ze de een uurtje mee bezig toen Stanley begon met koken.
Ondertussen ging Robert verder met splijten. Daarna gingen ze eten en ging Robert, net als de vorige avonden, weer oefenen met lassowerpen, ze trainden samen nog Firefeet, en daarna ging hij weer oefenen met schieten. Daarna besloten ze te gaan slapen, want de volgende ochtend zouden ze er op tijd uit moeten, zodra het licht zou zijn want het dak kon alleen bij licht gemaakt worden...
Hoofdstuk 5
De volgende dag waren ze al vroeg op. Ze zouden de balkjes op het dak gaan leggen en dat was goed ook, want de donkere wolken kwamen al dichterbij. Ze begonnen gelijk toen ze wakker werden, het zeil lag er al op en ze hoefden alleen de balkjes er nog op te spijkeren.
Ze hadden de ene kant van het dak af toen ze gingen eten. Stanley voerde de paarden ook meteen en dat was maar goed ook, want toen ze weer wilden beginnen bleek dat er wel erg weinig spijkers waren. Robert zei dat hij wel even naar de stad zou gaan, in de general store zouden ze wel spijkers hebben, dacht hij. Een kwartiertje later vertrok hij op Browny.
Toen hij aankwam in de stad zag hij twee mensen die ruzie hadden. Ze stonden voor de saloon en aan het geluid te horen waren ze het zeker niet eens met elkaar.
Robert bleef kijken, terwijl hij op het paard bleef zitten. De mannen bleven schreeuwen tegen elkaar en er kwamen al snel meer mensen kijken. 'Ik zeg het nog een keer Ross, laat me er door!' de man die Ross bleek te heten zei terug: 'nooit, we moeten dit uitvechten.'
'Dus jij wil vechten? Dat kan hoor, maar je moet niet boos worden als je verliest.'
'Kom dan,' riep Ross naar de andere man. 'Ik sla je helemaal in elkaar!' De twee mannen begonnen te vechten en algauw riepen de mensen kreten als 'Sla hem op z'n smoelwerk Ross' of 'Je kan hem hebben Jim.' De man die Jim heette bleek sterker te zijn, maar toen zag Robert wat niemand zag, Ross haalde een mes uit zijn vest, een licht soort mes, maar dat je niet graag in je vest zou hebben. Hij had dus al voordat hij ging vechten het plan gehad een mes te gaan gebruiken!
Robert dreef opeens zijn paard naar voren en liet het stoppen tussen de twee vechtersbazen, die even uit elkaar waren gegaan om op adem te komen, en Ross om eigenlijk het mes te pakken. 'Stoppen met vechten mannen,' zei Robert 'Met de blote vuist kan je niet veel tegen dat mes dat Ross daar beetpakt.' Betrapt liep Ross opeens zijn hand hangen, alsof hij wilde laten zien dat hij niets in zijn hand had. Maar het was al te laat, de mensen hadden duidelijk gezien hij zijn hand in zijn jasje was gegaan en nu begrepen ze dat hij geen last van zijn adem of hart had, maar dat hij een mes wilde pakken. 'Dit had ik niet van je verwacht Ross, ik dacht dat je wel eerlijker was.' Zei een man die Ross had aangemoedigd. 'Ik had het ook niet gedacht.' Riep een andere man. Met veel geroezemoes liepen de mensen de saloon binnen.
Ook Jim, maar Ross liep naar zijn paard. Hij had geen zin in al die preken van de mensen dat hij oneerlijk vocht.
Robert liep even naar binnen en bestelde een glas water. 'Lust je geen eens whisky? Of op zijn minst toch bier?' 'Ik blijf toch liever nuchter, als er iets gebeurt kan ik me beter coördineren.' 'Hij heeft gelijk Charles, jij zag niet dat Ross een mes had.'
'Ach, hoe toch je mond.' Zei Charles. Gelach weerklonk. Opeens werd Bob op zijn schouder getikt. Zonder dat hij het zelf doorhad deed hij terwijl hij zich omdraaide een stap opzij.
'Je hoeft voor mij niet bang te zijn hoor, ik wilde je alleen maar bedanken.' Zei Jim lachend.
'Ik ben niet bang hoor, alleen voorzichtig. En ik denk dat jij het ook gezegd zou hebben als twee mannen ruzie hadden en er een vals speelde.' 'Ik denk het ook.' En toen vroeg hij opeens 'Hoe heet jij eigenlijk? En waar woon je?' Robert dacht na, een naam voor de ranch hadden ze niet die moesten ze nog bedenken! 'Ik heet Robert en ik kom van de claim van Parker.'
'Zoeken jullie nog personeel? Dan houd ik me aanbevolen.' Zei Jim.
'Ik zal het er met Stanley over hebben, hij is de baas namelijk.' Jim was tevreden met dat antwoord en zei 'kom, dan gaan we aan een tafeltje zitten.' Robert antwoordde dat hij geen tijd had, omdat het dak voor de middag klaar moest zijn. 'oké, maar ik neem nog een whisky, dat heb ik wel verdient. Ik was bijna uitgedroogd vanochtend toen we er eindelijk waren.'
'Nu is het nog droog ja, maar daarom heb ik haast, het dak moet af voordat het regent.'
'Is goed, ik spreek je later nog wel eens!' 'Dat denk ik ook. Maar nu ga ik echt. Tot ziens!'
Daarna ging Robert naar de winkel en kocht een kilo spijkers, dan hoefden ze die in ieder geval voorlopig niet meer te kopen.
Toen hij daarna weer op de ranch kwam riep Stanley hem gelijk toe dat hij haast moest maken, ze hadden niet veel tijd meer volgens hem. En hij had gelijk, ze waren nog maar tien minuten klaar of het begon te stortregenen. Gelukkig hadden ze in die tien minuten alle dingen binnen neergelegd, zodat ze droog zouden blijven. En dat was nodig geweest want die twintig meter die ze nog moesten voordat ze binnen waren, waren ze al nat.
Ze trokken snel droge kleren aan en toen vroeg Robert aan Stanley: 'Hoe heet deze ranch eigenlijk? Want we hebben er geen naam voor.'
'Daar vraag je me iets, ik had er niet eens aan gedacht.' Stanley dacht na. 'Ik zou het echt niet weten, misschien komen we op een idee als we aan het werk zijn met de longhorns.'
'Is het geen goed idee om ook paarden te gaan fokken? Over twee jaar is alle grond in de buurt weg en komen er weer grote karavanen. Dan kan je met goede paarden denk ik wel veel geld verdienen.' Robert dacht even na. 'Als je nu eens acht paarden koopt, vier oudere paarden die goed zijn voor de fok, en vier jonge paarden die we gaan africhten om voor een kar te lopen. Die jonge paarden kosten nu misschien honderd tot honderd vijftig dollar per stuk, maar over twee jaar als ze afgericht zijn wil iedereen ze kopen. Dan kunnen ze wel vierhonderd dollar per stuk opleveren. En die oudere paarden, ik zeg oudere, maar nu moeten ze iets van tien jaar zijn, kan je dan ook verkopen. En als die een veulen hebben, kan je die ook africhten en weer doorverkopen. Als het naar het oosten toe steeds dichter bevolkt gaat worden komen er ieder jaar weer honderden richting het westen.'
'Dat kan wel zo zijn, maar waar halen we het geld vandaan?'
'ik dacht als we een aantal longhorns vangen, een stuk of vijftig, kunnen we die verkopen. Die leveren genoeg op om acht paarden te kopen.'
'Met z'n tweeën kan je geen vijftig koeien opdrijven naar de steden, dan moet je minstens met zijn drieën zijn het liefst met zijn vieren of vijven. En hoe oostelijker je gaat, hoe meer de koeien waard zijn. Dus in Middletown, de stad die voor deze stad ligt, zijn ze al meer waard.
En daar kan je ook genoeg paarden vinden, die ranches die daar staan zijn al een jaar of tien oud, en die hebben dus al wat paarden kunnen fokken, of uit het oosten laten komen.'
'In de stad heb ik een man ontmoet, Jim heet hij, en die zou wel willen werken bij ons en hij is sterk genoeg, is eerlijk genoeg lijkt mij en is net aangekomen uit de steden in het oosten.'
'We kunnen het proberen met die Jim, waar is hij?' 'Toen ik hem sprak was hij in de saloon en het zag er uit alsof hij wel even zou blijven. En met die regen zijn ze vast niet naar buiten gegaan.'
'Ze? Ik dacht dat je het over een persoon had?' 'er was weer een karavaan aan gekomen. Niet zo'n grote, maar met toch ruim twintig man in de saloon.'
'Dan kunnen we eventueel dus nog een vierde man zoeken? Het klinkt in ieder geval goed. Als het droog is rijden we even naar de stad.'
Hoofdstuk 6
Toen de regen was opgehouden besloten Stanley en Robert naar de stad te gaan.
Na de rit, die te lang naar de zin van Robert duurde, kwamen ze in de stad aan.
Ze waren niet de enigen. Aan de andere kant van de straat kwam Ross aanrijden.
'Kijk, dat is die oneerlijke kerel waarvan ik je vertelde.' Siste Bob Stanley toe.
Hij reed verder, maar Ross herkende hem al. 'mag het kindje met pappie mee?' vroeg hij kleinerend. 'Durft Rustling Ross nog in de stad te komen? Als ik die naam aan anderen vertel word je gelyncht, het is maar dat je het weet.'
Ross wist even niet wat hij moest zeggen. Die jongen was niet op zijn mondje gevallen!
'Wil je vechten ofzo?' Robert lachte 'Vechten met zo'n vals iemand? Echt niet, ik heb geen zin in een mes tussen mijn ribben.'
'En als ik mijn wapen weggooi dan?' Ross wilde zorgen dat de mensen hem niet meer als valsspeler zagen. Zo kreeg hij nooit een kans in deze stad!
Robert keek even naar Stanley. 'Zou ik het doen?' Stanley dacht even na. 'nee, doe maar niet, hij is wel sterk en jij bent maar een jongen. Hij is een ervaren vechtersbaas, die kan je nog niet aan.'
Robert zei daarom tegen Ross: 'Kan meneer alleen nog maar met mensen vechten die jonger zijn? Wat een held zeg.' Old Rusty en Bob liepen naar binnen. 'een whisky en een glas bier verdunt met water.' Riep Stanley naar de barkeeper. 'En waar is nu die Jim van jouw?'
Robert keek even rond bij het tafeltje in de hoek bleven zijn ogen rusten. 'volgens mij zit hij daar, bij die kaartspelers.' Zijn ze aan het pokeren? Want dan doe ik een paar potjes mee.'
'Ik zou niet weten, maar moet je niet eerst met Jim praten?'
Stanley dacht even na. Misschien is het wel beter, als hij dan weg gaat hebben we hem in ieder geval gesproken.' Ze liepen met z'n tweeën naar het tafeltje toe.
'Hé, daar heb je die jongen van vanmiddag weer.' Zei een van de mannen. Gelijk keek Jim om. 'Goeie avond Robert. En u ook goeie avond.' Zei Jim.
'Stanley Parker is de naam.' Zei Stanley terwijl hij zijn hand uitstak. 'prettig kennis te maken met u.' een man stootte Jim aan. 'jouw beurt,' zei hij.
Een paar minuten later stopte Jim met pokeren.
'Zeg Jim, kunnen we je even spreken?' vroeg Stanley.
'Is goed, zullen ze aan de bar gaan staan? Daar staat nu toch niemand.'
Ze liepen naar de bar. 'Wat willen jullie drinken? Vroeg Jim.' Robert dankte af maar Stanley zei: 'Ja, lekker doe mij maar een whisky.'
Toen de glazen gevuld waren begon Stanley te vragen.
'Hoe heet je, hoe oud ben je en wat was je vorige baantje?'
'Jim Wessels, vierentwintig jaren oud en ik was een knecht bij een boer honderd mijl naar het oosten.' Stanley was niet tevreden. 'En waarom ben je daar weggegaan?'
'Niet avontuurlijk genoeg, en ik werk liever op het open land dan op een akker of in een stal.'
'En heb je een paard? En kan je overweg met een lasso?' 'Een paard heb ik, maar lasso werpen kan ik niet.' Stanley dacht even na. 'Dat kan je nog leren.'
'Mag ik hieruit opmaken dat ik word aangenomen?' vroeg Jim. 'Aannemen? Wie had het hier over werk dan?' Jim lachte. 'Je stel die vragen niet voor niets. Je zoekt blijkbaar personeel.'
'Je hebt gelijk. Ga je akkoord?' Jim ging akkoord en ze regelden nog wat geldzaken, werktijden slaapplaats en dergelijke.
Toen ze weer naar de ranch terug gingen was het al laat.
'We moeten morgen gelijk maar een omheining bouwen, dan kunnen we daarna al met het werk beginnen, vind je niet?' vroeg Stanley 'Wat mij betreft is het in orde, zei Robert.
'Waar wil je dan een omheining bouwen.' Vroeg Jim.
'Enkele meters van de Gold Creek af, dan kunnen we een sleuf graven van zo'n twintig centimeter diep die de dieren dan van water voorziet. Aangezien het een riviertje is dat op ons land ontspringt, zal er zelfs bij grote droogte niet veel van het waterpeil veranderen. Op die manier maakt het niet uit of je een sleuf van twintig op tachtig centimeter diep graaft, er blijft toch water in stromen.'
'Je hebt er verstand van zo te horen, ik zou niet op het idee gekomen zijn.' Zei Jim
Robert lachte. 'In die paar dagen dat ik hem ken heb ik al gemerkt dat hij genoeg inzicht heeft in bouwen en waarschijnlijk ook in vee onderhouden.'
'zeg, heet die rivier op jullie land dus de Gold Creek?'
'Ja, hoezo wil je dat weten?' antwoordde Robert. 'Jullie hadden toch nog geen naam voor jullie ranch? Je kan hem bijvoorbeeld Gold Creek-ranch noemen.'
'Goed idee, dat ik er zelf niet op was gekomen.' Zei Robert enthousiast.
'Helemaal mee eens. En nu nog een brandmerk.'
'Zullen we die thuis dan maar maken? Dan kan je hem tekenen.' Opperde Robert.
'Doen we, vooruit jongens, wie er als eerste is!'
Toen ze thuiskwamen begonnen ze allerlei mogelijkheden door te nemen, met letters, letters door elkaar en nog veel meer manieren. Maar geen van die manieren was goed genoeg.
Een letter kon een veedief er zo bij doen, of een deel van een letter.
Toen kwam Robert op een idee: 'kijk, als we nu gewoon de G en de C nemen, dat is niet moeilijk. Maar dan laten we door de C twee golfjes lopen. Ik zal het even tekenen.'
Robert tekende het en maakt een mooie
GC met door de C twee kleine golfjes.
'Het ziet er goed uit, ik denk dat je het moeilijk ongedaan kunt maken.'
'lijk mij ook, het zal wel een rotwerk zijn om ongedaan te maken dus beginnen ze er niet aan.' Vond Stanley. 'We zullen het morgen voor de zekerheid maar laten registreren, lang niet alle ranchers doen het maar als wij het doen, zal niemand kunnen beweren dat het vee van hem of haar is.'
Daar waren ze het allemaal mee eens en ze besloten voor die dag wel genoeg gedaan te hebben. Jim sliep ook in het huis, voor hem zou er een aparte kamer komen
Hoofdstuk 7
'Kom, we gaan die omheining maken. Als jij Jim nu met mij naar de stad gaat en planken kopen, want het is nutteloos om dagen bezig te zijn met zelf planken maken.
En jij Robert, jij kunt alvast een geul gaan graven.'
Ze hadden net ontbeten en zaten te overleggen wat ze zouden gaan doen.
'Wat mij betreft is het goed, en wat vind jij Bob?'
'Helemaal met jullie eens, ik kan dat best wel alleen, ik ben sterk genoeg om zonder jullie hulp iets te doen.'
Stanley en Jim lachten. 'Als je maar voorzichtig doet, mag je van mij hoor maar doe geen domme dingen, wees voorzichtig met vreemd volk.'
Robert vond dat soort raadgevingen niet nodig. Hij was toch geen kind meer!
Jim en Stanley gingen de paarden voor de kar spannen terwijl Robert Firefeet opzadelde.
Firefeet moest nog veel leren, maar er kon al wel op gereden worden en het was wel verstandig om een paard in de buurt te hebben.
Een kwartier later was het huis stil en waren alle mensen vertrokken. Jim en Stanley waren naar de stad en Bob was naar de rivier, om een geul te graven.
Hij was daar in z'n eentje bezig en het viel toch wel tegen, dat graven in die natte klei.
Maar hij zou zich niet laten kennen, hij zou het af hebben voordat Jim en Stanley terug waren.
Hij ging hard door en hoewel het moeite koste, kreeg hij het voor de middag af.
Hij rechte zijn rug en praatte tegen zijn paard. 'dat hebben we ook weer af Firefeet, we gaan weer naar het woonhuis toe.' Het paard brieste, alsof het begreep wat er gezegd werd.
Robert reed naar huis toe en begon met het bij elkaar zoeken van de spullen die ze nodig zouden hebben. 'Zo, dat heb ik bij elkaar gezocht. Even denken wat ik eens zou gaan doen.'
Bob praatte in zichzelf, een duidelijk teken dat hij zich nog niet helemaal op zijn gemak voelde als hij alleen was.
Robert begon Firefeet te trainen. Hij deed het halster om, maakte er een touw aan vast en ging met de volle lengte van het touw van het paard af. Toen floot hij op zijn vingers en trok tegelijk aan het touw. Toen Firefeet bij hem kwam, gaf hij het dier een klopje op de nek.
Hij herhaalde het een aantal keer met afwisselende beloningen. Het paard vond het zo leuk om beloond te worden, niet eens persé met voedsel, maar ook met aaien op iets dergelijks, dat het al kwam zonder dat Bob aan het touw trok. Na een tijdje stopte Robert met dit truckje aanleren, steeds hetzelfde aanleren vinden paarden, net als mensen niet leuk
Toen Robert naar binnen liep, gaf hij Firefeet een klap achter zijn been, het voorbeen. Firefeet schoot er vandoor met ongelooflijke snelheid omdat er geen ruiter op zijn rug zat. Na vijf minuten keerde het dier terug naar de inmiddels ongeruste Bob. Die was verbaast over de reactie van het dier op dat klapje, waar je nauwelijks bij kon, en probeerde het nog eens. Weer schoot het dier weg en kwam het na een aantal minuten terug. 'Dit is handig, als ik meer van dat soort dingen aan hem leer, kan ik dat dier gewoon laten doen wat ik wil, ook als ik er niet op zit. Hij ging binnen wat eten, alleen want met een beladen kar duurde een tocht uit de stad lang genoeg om de middag ook weg te blijven en had wachten op Jim en Stanley geen zin.
Toen hij aan het eten was werd hij opeens opgeschrikt door het geluid van galoperende paarden. Hij sprong op, pakte de buks en controleerde op die geladen was. Zijn revolver was altijd geladen, en die had hij ook de hele dag bij zich.
Terwijl hij naar buiten rende, pakte hij het geweer beter vast. Bij de deur remde hij af, hij liep rustig naar buiten. Daar stond een man die hij nog nooit had gezien. Of toch wel?
Hij vroeg uiterlijk rustig, maar met een bonzend hart:'Wat moet dat hier?'
'Geef me een paard. Je krijgt deze er voor terug, en wat geld.'
Robert dacht na. Waarom had die kerel een paard nodig? 'En waarom zou ik er een geven?'
De man keek Bob aan. 'Geef me een paard, nu direct of ik schiet je verrot!' de man werd steeds zenuwachtiger. 'En leg dat geweer u neer!' Robert gehoorzaamde de man maar, aangezien die al een revolver op hem gericht had. Terwijl hij door z'n knieën boog bereide hij zich voor op een rol vooruit, waarbij hij zijn revolver zou trekken. Hij wist dat hij het kon, hij had altijd dat truckje geoefend omdat hij toen hij klein was dacht dat het wel eens handig zou zijn. En dat was uitgekomen. Hij spande zijn spieren en met een sprong vooruit rolde hij om en trok zijn revolver. Hij schoot één keer in de lucht. En toen begreep de man op het paard dat deze jongen, al zag hij er ongevaarlijk uit, gevaarlijker was als de meeste mannen. Deze jongen was niet bang, ook niet voor een scherpschutter. En dat was de man. Met een geweer schoot hij alles raak wat hij wilde raken. En daar was tot nu toe iedereen bang voor geweest. Tot in de stad toen hij met zijn maten de winkel beroofde er twee mannen aan kwamen rennen. Een oudere en een jonge man. De oudere schoot met een geweer, dat hij droeg alsof het een luciferdoosje was zo licht, het geweer dat hij, de wachtpost richtte op die jonge kerel die er naast die oude man aan kwam rennen uit zijn handen. Als ervaren misdadiger bleef hij natuurlijk niet wachten en hij liet zijn paard op het hardst rennen, totdat het niet meer kon en hij een ranch op moest zoeken om van paard te wisselen.
'Verdwijn en laat ik je nooit meer zien, anders schiet ik gelijk!'
De man gehoorzaamde maar, tegen zo iemand kon hij niets beginnen.
Een paar uur later kwamen Stanley en Jim terug, met de planken waar ze voor weg gingen.
'Je raad nooit wat er in de stad gebeurde, een uurtje voor etenstijd.'
'Wat gebeurde er dan?' vroeg Robert nieuwsgierig.
'een overval op de winkel, met drie mannen. Twee waren binnen en een stond er op de uitkijk. Wij renden er op af en toen de wachtpost op mij wilde schieten, schoot Stanley het geweer uit de handen van die kerel. Die man kon vluchtten, de andere twee hebben we te pakken gekregen in de gevangenis gegooid.'
Robert dacht na. Die klopte precies, wie anders dan een schurk op de vlucht had een vers paard nodig? 'En had die man die kon vluchten soms zwarte kleren aan, en ook een zwarte hoed? En met een donkerbruin paard?'
'Hoe weet jij dat?' vroeg Jim stomverbaasd.
Toen ik zat te eten kwam die gast hier vragen voor een paard. Toen ik niet snel genoeg reageerde trok hij zijn revolver. Ik heb mijn revolver ook getrokken en daar ging hij wel voor weg.'
'Hoe heb je dat nou weer gedaan, en hoe zag dat paard er uit?'
'Ik rolde naar voren en hij rekende daar niet op en toen kon ik mijn revolver trekken. En het paard zag er vermoeit uit, dat bedoelde je toch Stanley?'
'Inderdaad bedoelde ik dat. Maakt trouwens niet uit. Ik ga er niet achter aan, dat doet de state marshall wel.
'inderdaad, wij twee hebben er al een paar achter slot en grendel gezet en ik ga niet achter nummer drie aanjagen.
'Dat zou ik ook niet doen, hij krijgt er voor betaald en wij niet.'
'Tenzij hij gezocht word. Ik had mijn lasso om hem heen moeten gooien toen hij wegreed, zijn paard kon niet hard meer en dan kan ik wel goed mikken.'
'doe jij maar voorzichtig Bob, dat kan veel te gevaarlijk zijn. Kom, we gaan nog even de muren in huis zetten, we hebben genoeg houten planken meegebracht.'
Hoofdstuk 8
'Rijden Robert, rijd voor je leven! Stop voor niets en niemand!' Robert hoorde vader roepen.
'Vader!' Riep Robert. 'Vader!'
Robert Vertrok op een van de paarden, vader had de andere voor de kar gelaten.
Er kwamen mannen aan die er niet mensvriendelijk uitzagen, had vader gezegd.
Door de verrekijker had vader heel de tijd gekeken.
Robert keek ook door de kijker. Twee mannen, en één daarvan in zwarte kleren!
Robert werd met een schok wakker. Nu wist hij waar hij die man eerder gezien had, door de verrekijker. En die man was in de middag op het erf geweest. Wat speet het hem nu dat hij niet geschoten had...
Hij moest die twee andere mannen ook zien of daar de andere dader tussen zat.
Hij besloot als Stanley wakker was te vragen of ze naar de stad gingen.
Daarna besloot hij weer te gaan slapen, aan wakker blijven had hij niets.
Toen hij weer wakker werd waren Stanley en Jim al wakker.
'Môgge slaapkop' zei Jim.
'ook goedemorgen Jim, en jij ook Stanley' antwoordde de slaapkop in kwestie.
'Zeg Stan, gaan we nog naar de stad?' Robert dacht dat als hij het meteen vroeg, dan had hij in ieder geval zekerheid! 'Waarom zouden we?' vroeg Stanley verbaast.
'Omdat ik weer weet waar ik die man van gisteren eerder gezien heb.'
'Wat zeg je?' Stanley was opgesprongen.
'Dat ik die man eerder heb gezien.'
'Waar dan? Dan kunnen we het aan de marshal vertellen.'
'Hij was een van de moordenaars.'
'O. Sorry, het spijt me voor je.'
'Wat spijt je?' vroeg Robert verbaast.
'Dat we hem niet te pakken kregen.' Antwoordde Stanley.
'Maar we gaan gelijk naar de stad. Jim kan wel hier blijven.'
Gelijk gingen Bob en Old Rusty naar de stad.
'Ik hoop dat de andere man daar in die gevangenis zit.' zei Bob.
'Reken daar maar niet al te veel op, de sterkste schurken blijven het langst uit de handen van de wet.'
Toen ze de stad inreden stonden er wat mensen bij de gevangenis.
'Mogen we er even langs?' vroeg Stanley.
Gelijk weken de mensen opzij, dat was die man die de schurken had overmeesterd!
Robert liep achter Stanley. 'Kijk maar Bob, is hij het?'
Robert dacht na. De man die aan was komen rijden had een breder figuur.
'Nee, hij zit hier niet tussen.'
Stanley was opgelucht. 'Mooi, jij bent er nog niet klaar voor.'
'Zo, ik het kereltje er nog niet klaar voor.' Vroeg een grote man spottend.
'Ik vroeg jouw niets, bemoei je er dan ook niet mee.' Antwoordde Stanley boos.
Hij wilde niet beledigt worden, en deze jongen die hij een week in bescherming had mocht ook niet beledigt worden.
Opeens greep de kerel Stanley bij de arm. Wat de mensen toen zagen gebeuren hadden ze nooit verwacht van zo'n man van middelbare leeftijd tegen die krachtpatser.
Stanley sprong omhoog, de arm als steuntje gebruikend. Zijn knie raakte de man al voordat die iets doorhad. Het hoofd van de geraakte man schoot naar achteren, en de man verloor zijn evenwicht. 'Wil je nog steeds vechten?' vroeg Stanley.
De man sprong overeind en wild op Stanley gaan inslaan. Maar voordat dat kon had Stanley de arm van die man al gepakt, doorgedraaid en stak toen zijn been uit, zodat de man viel.
Na nog een paar aanvallen, die iedere keer handig werden geblokkeerd, vond de man het niet leuk meer. Hij stapte naar achteren, trok een mes en wilde steken, omdat hij dat het veiligst achtte. Hij had gelijk gehad als het een gewone tegenstander geweest was, maar bij Old Rusty werkte het dus anders. Op het moment dat de man toestak, stapte Stanley opzij, en greep bliksemsnel met de hand die het verste van het mes af was de pols van de man, met de andere hand sloeg hij de kerel in het gezicht en op een manier die niemand zag lag de man ineens op de grond, terwijl Stanley een armklem maakte en het mes uit de handen van de man wrong.
Hij boog even naar het hoofd van de man en zei: 'Flik zulke geintjes niet meer, de volgende keer breek ik je arm en moet je je biefstuk anders opeten. En dat is lastig hoor, zonder tanden.'
De man had ook wel door dat tegen die ouwe niet te vechten viel. Hij verdween als een hond met de staart tussen de poten.
Stanley klopte het stof van zijn kleren en zei tegen Robert: 'Kom, we gaan nog even naar de saloon en daarna gaan we Jim helpen met die omheining.'
Bob knikte maar. Wie had kunnen denken dat Stanley zo goed kon vechten? Hij in ieder geval niet. Jim zag er veel sterker uit, maar na dit gezien te hebben wist hij zeker dat Stanley iedere vechtpartij kon winnen. 'Waar heb jij zo leren vechten?' vroeg hij.
'Dat vertel ik je vanavond wel, dan vertel ik alles van mijn kleuterjaren tot nu.'
In de saloon bestelden ze nog een bier en een whisky en dronken het op.
Kom we gaan weer, Jim kan in zijn eentje niet zo snel werken als met z'n drieën.'
Ze stapten op de paarden en reden naar huis. 'We zullen in de toekomst ook maar eens kennis gaan maken met de buren, een goed stel vrienden is zeker niet onhandig.'
Daar was Bob het mee eens.
'Daar is de ranch al.' Robert wees in de verte.
'ik geloof je maar, ik heb niet zulke goede ogen als jij, ik wordt ook al een dagje ouder.'
'Maar je versloeg toch die kerel met gemak.' Zei Bob bewonderend.
'Geloof me of niet, er zijn mensen die nog beter kunnen vechten. Maar daarvoor moet je naar Japan of China gaan, daar zijn de beste vechtsporten. Maar goed vechten is niet het belangrijkste, een goed paard is hier veel belangrijker.'
Robert begreep dat Stanley niets meer zou loslaten voor de avond en vroeg dus niet meer.
De rest van de ochtend en middag maakten ze omheiningen voor de runderen, die ze binnenkort zouden gaan vangen.
'Kom Firefeet, we gaan nog even oefenen met kunstjes.' Bob ging met zijn paard oefenen, terwijl Stanley het avondeten klaarmaakte en Jim in zijn kamertje was, bezig met een bed timmeren. 'Zo Firefeet, ik ben benieuwd wat Stanley ons allemaal te vertellen heeft.'
Robert praatte tegen het paard. Het paard begreep niet waar mensen het over hadden, maar Robert had geleerd dat paarden rustiger zijn als je rustig tegen ze praat.
Na een half uurtje riep Stanley dat het eten klaar was.
'Braaf beest hoor, ik ga nu eten, jij mag lekker grazen.'
Toen hij het paard aan een touw had gezet zodat het niet weg zou lopen ging hij eten.
Tijdens het eten was hij als eerste klaar, zo benieuwd was hij naar het verhaal van Stanley.
Na een tijdje was ook Stanley klaar, evenals Jim.
Zo, even opruimen en dan vertel ik jullie mijn levensverhaal.
Toen ze de spullen hadden opgeruimd ging Stanley er lekker voor zitten, het was een lang verhaal...
Hoofdstuk 9
'Ik ben van Engelse afkomst, al ben ik daar niet opgegroeid.' Zo begon Stanley het verhaal.
Stanley was geboren in Engeland, de stand York. Toen hij vier werd, kreeg zijn vader de benoeming tot gouverneur. De plaats waar Parker gouverneur werd, was in Afrika.
Daar ging het de kolonie die onder zijn bestuur lag goed. Zijn zoontje groeide op, en drie jaar later kreeg hij het voorstel om gouverneur te worden in China. Toen Stanley acht jaar oud was, woonden ze net in China waar zijn vader gouverneur van een stadje was.
En daar begon het voor Stanley. Iedere dag als hij uit school kwam, werd hij bedreigd door een stel jongens, ook van Britse afkomst. Hij vertelde het aan zijn vader, en die werd er ontzettend boos om. Stanley moest eens voor zichzelf opkomen! Hij moest zijn vader niet alles laten regelen, maar zelf die jongens eens aanpakken.
Daarom besloot meneer Parker een privé leraar in de vechtsport Kung Fu.
Daar werd Stanley in getraind, en toen hij tien jaar was had hij de sport al aardig onder de knie. Maar dat wisten de andere jongens niet, omdat hij altijd gelijk naar huis gegaan was om te trainen. Maar vanaf die dag ging hij weer spelen, met kinderen die niet de baas wilden spelen. Toen de jongens die hem altijd pesten ontdekten dat hij met regelmaat met andere kinderen ging spelen, besloten ze hem weer eens in elkaar te slaan. Het was niet nodig, maar de jongens vonden het leuk om iemand in hun macht te hebben. Toen Stanley dus op een dag uit school kwam, werd hij gelijk achtervolgd door de vier jongens, die allemaal iets groter waren. De jongens hadden allemaal stokken in hun handen. Maar Stanley was ook niet gek. Bij Kung Fu leer je ook met een staf of stok te vechten en hij zocht dus een stok. Hij vond er geen, en liep dus verder omdat hij een voorsprong wilde behouden. Toen hij bij de speelplaats aankwam, waren zijn vrienden daar al aan het spelen. Ze speelden riddertje, en hadden dus allemaal stokken. Ze hadden ook speren, stokken van ongeveer één meter vijftig lang, en Stanley greep er gelijk een van. Z'n maatjes keken verbaast, een zwaard kon je makkelijker bewegen en waren dus het geliefdst. En er lag nog een houten zwaard ook. Maar toen een minuut later de pestkoppen er aan kwamen begrepen ze het, en niemand gaf Stanley een kans maar hem helpen was te gevaarlijk, dan sloegen ze jouw ook in elkaar!
De pestkoppen kwamen dichterbij en opeens kwam de kleine Stanley in actie. Hij bracht al zijn geleerde technieken in de praktijk. En na ongeveer twintig seconden had hij er drie ontwapend, en de andere had zelfs klappen gekregen. En toen gooide hij het speer weg, en begon met trappen en slaan te vechten. Omdat hij twee jaar lang dag in dag uit geoefend had, kon hij wel tegen drie mensen tegelijk op. Hij vocht als een leeuw, en toen de vrienden van hem zagen dat die vier pestkoppen geen kans maakten, vielen ze als een man aan.
De pestkoppen werden in elkaar geslagen, en durfden niet meer een van die kinderen te pesten, omdat die niet bang meer waren. Later gaf Stanley toe dat hij het niet had gered zonder die kinderen, omdat hij het geen kwartier vol kon houden tegen vier jongens.
Toen hij elf was, werd zijn vader als ambassadeur aangesteld in Japan.
Daar had hij geen vrienden, hoewel hij niet gepest werd. Hij had door dat ook Japan goede vechtsporten had, zoals karate, juijitsu en ninjutsu. Op school liet hij zich niet pesten, met Kung Fu kon hij de meeste jongens we de baas. Alle vrije tijd die hij had stopte hij in de vechtsporten. Zijn vader vond het nutteloos, maar toen Stanley dertien was bleek het toch niet voor niets te zijn.
'Drie mannen staan vlakbij de villa van de ambassadeur. Ze hebben het arm, net als een groot deel van de stad, en willen geld hebben. En zij weten hoe het moet, gewoon een ambassadeurs kindje ontvoeren. Chi Ling, een chinees, had het van zijn neef gehoord en had twee mannen gevonden die mee wilden doen. En nu stonden ze voor de villa. De ambassadeur van Engeland had twee kinderen, een jongen van dertien en een dochtertje van drie. Die kleine kon niet, daar liep altijd de moeder bij, die op haar beurt weer een bediende bij zich had.
Dus viel hun keus op die jongen van dertien. Chi Ling had de afgelopen week de jongen geobserveerd, en was te weten gekomen dat hij Stanley heette, en iedere dag uit school gelijk naar huis ging. Op zaterdag ging hij 's middags naar een oude man, die soldaat was geweest. Maar dat was niet gevaarlijk volgens Chi Ling, iedere middag een jongen die om vier uur naar huis gaat ontvoeren is gevaarlijk vonden ze, dat zou te snel gemerkt worden. Maar als hij naar school ging zouden ze hem tot de middag niet missen. Dus het moest 's ochtends gebeuren.
Ze hadden de dag donderdag gekozen, dan konden ze de plannen nog goed doornemen.
En nu was het eindelijk donderdagmorgen, en Stanley kon ieder moment komen. En daar kwam hij hoor, een simpele jongen van dertien die naar school ging. Tenminste, dat dacht hij... toen hij het pad af kwam lopen sprongen Chi Ling en zijn vrienden naar voren, en probeerden Stanley te overmeesteren. Maar de kleine Stanley vocht verbazend terug en de mannen hadden duidelijk moeite. Stanley trapte de ene man tegen een boom aan, sloeg de andere in zijn buik en wilde wegrennen. Maar toen kwam Chi Ling in actie. Hij sprong naar voren, greep Stanley ter hoogte van de ellebogen, en beet zijn kameraad toe dat die de jongen moest binden. Stanley trapte nog steeds, maar dat maakte niet uit, drie volwassenen waren te sterk. Toen werd Stanley geblinddoekt en naar een gesloten koets gebracht. De koets was even 'geleend' door een vierde man. Ze sprongen in de koets, Chi Ling gaf de jongen aan en sprong er ook bij. De koetsier sloeg met de zweep en de muildieren begonnen te rennen.
Een paar uur later stopte de koets. De mannen stapten uit met Stanley. De vierde man zou de koets laten verdwijnen. Chi Ling, zijn twee vrienden en Stanley liepen verder, Stanley wist niet waarheen en na een kwartier lopen waren ze op de plaats van bestemming. Dat wist Stanley zeker, want de blinddoek werd van zijn hoofd gehaald.
Hoe lang hij daar in die berghut lag wist hij niet meer, maar het moesten dagen zijn geweest. Toen ging Chi Ling een brief naar meneer Parker brengen. De vierde man was er al heel lang niet meer.
'Here, eat it.' in gebrekkig engels zei een van de schurken dat Stanley moest eten. Daarvoor werden zijn boeien losgemaakt. Dit was zijn kans! Dacht Stanley. Maar twee man bewaking, het was een risico maar een tweede kans kreeg hij misschien niet. Toen de man hem het bord wilde geven, de andere man stond er naast met een houten stok, deed Stanley of hij het kommetje aan wilde pakken, maar toen hij het in zijn handen had gooide hui het in het gezicht van de man en dook weg met een rol. De bewaker probeerde te slaan met de stok, maar Stanley had na jaren training in vechtsporten genoeg verstand om iemand te ontwapenen.
Hij koos voor het makkelijkste, hij greep de man bij zijn arm, sloeg twee keer achter elkaar in zijn gezicht en trapte toen in de maag van de man. Daarna rolde hij weg, net op tijd want de andere man had ook een stok gepakt. Die schakelde hij uit met een trap in het gezicht.
Hij rende naar de deur, probeerde die open te gooien. De deur was dicht, een lelijke streep door Stanley's rekening. Maar toen zag hij onder de tafel een luik in de vloer. Het huis was op palen gebouwd, dat wist hij van toen ze er in gingen, en onder dat luik zat gewoon de lucht waarschijnlijk, met een meter daaronder de grond. hij opende het luik, maar toen waren de mannen alweer bekomen van de schrik en klappen en ze renden op hem af. Stanley kon niet tegen twee tegelijk vechten, en sloeg dus eerst de een op zijn gezicht. Daardoor kreeg hij weer een seconde of twee winst. In die tijd schakelde hij de ander uit, en kreeg de tijd om door het luik te verdwijnen. Hij was klein en snel, en kon zich dankzij ninjutsu snel verplaatsen op lastig terrein. Hij was in een paar minuten uit het zicht van de bewakers en bleef doorrennen, zolang mogelijk. Toen werd het donker en zocht hij onderdak. Hij kreeg het ook, bij een boer die alleen woonde. Het enige vee waren een aantal koeien, en de man verbouwde genoeg rijst voor zichzelf. Daar kreeg Stanley eten, sliep er en ging de volgende dag weer verder. Die dag kwam hij ver genoeg en toen hij thuis kwam werd hij met gejuich binnen gehaald, zijn ouders waren heel bezorgd geweest en in heel de stad was er naar hem uitgekeken.
Zijn vader begreep na het verhaal wat Stanley aan vechtsporten had en stond toe dat Stanley vaker ging oefenen. Tot zijn zestiende woonde Stanley in Japan, en hij oefende ook verplaatsen in de bossen, zwom vaker en bleef leren in de vechtsporten. Hij werd daardoor steeds sterker, en al was hij klein, de sterkste mensen durfden het niet tegen hem op te nemen.
'En nu zet ik een bak koffie.' Zei Jim.
'Lekker, ik krijg een droge keel van dat vertellen.' Reageerde Stanley.
'Ga je daarna weer verder?' Bob was benieuwd wat er zou gaan gebeuren, hij had niet eens doorgehad dat het buiten donker was geworden!
'Zeker, maar eerst een bakkie koffie, en niet eerder.'
Hoofdstuk 10
Als ze de koffie op hebben zegt Stanley: 'Zo, dat was lekker. Het verhaal, waar was ik gebleven?'
'Dat je tot je zestiende oefende met vechten.' Robert antwoord voordat Jim zijn mond ook maar open kan doen.
'Dan begin ik daar nu ook weer.' Was het nuchtere antwoord van Stanley.
Op zijn zestiende besloten de ouders van Stanley naar Engeland terug te keren, omdat meneer Parker daar toch een baan kon krijgen, en wel in een partij om kandidaat te staan bij de verkiezingen. Toen ze daar waren besloten ze Stanley naar school te sturen. In zijn vrije tijd oefende hij talen, wiskunde en sport. De laatste was altijd belangrijk geweest, en nu ging hij ook nog eens paardrijden, wat hij goed bleek te kunnen. Hij ging ook jagen, en met het jachtgeweer was hij na een paar maanden ook al vaardig genoeg om bewegende doelen vanaf zijn paard te raken. Op school behaalde hij goede resultaten en hij zou na zijn achttiende gaan studeren. Maar op school waren zijn resultaten te slecht om naar de universiteit te gaan en besloot hij met zijn ouders dat hij naar de Nieuwe Wereld zou gaan, om in een van de grote steden een tijdje zichzelf proberen te redden.
Met die voornemens werd hij naar Amerika gestuurd, en toen hij na een paar kleine baantjes gehad te hebben veel inzicht bleek te hebben in de aanleg van spoorwegen, die veel gelegd werden, en ging werken als arbeider. Na een paar weken was hij al de rechterhand van de voorman en hij ging na weer een paar weken met de ingenieur mee.
Samen klaarden ze vijftig mijl spoorweg, vooral gemeten door Stanley.
Toen vond Stanley het niet leuk meer om te blijven reizen en ging terug naar New York, waar hij in een winkel ging werken. Na twee maanden had hij zoveel geld gespaard dat hij een eigen winkeltje kon openen, en het bedrijfje liep goed, hij maakte veel winst en toen hij na een half jaar zijn winkeltje verkocht had hij wel zes keer zoveel geld als toen hij het winkeltje opende. Hij reisde verder naar het westen en daar leerde hij het aardigste meisje van de wereld kennen, Julia heette ze.
Ze woonde bij haar ouders, ze was zeventien jaar, en die gingen verder naar het westen, waar nog indianen woonden. Op reis werd de karavaan, waar Stanley begeleider was voor wat geld, overvallen door indianen. En hoewel Stanley en nog wat mannen hard vochten waren de indianen te sterk. En de indianen bleven maat komen in de cirkel van wagens, die snel was gemaakt. En toen hij aan het herladen was gebeurde het, een aantal roodhuiden renden naar binnen, en met hun bogen schoten ze pijlen af op iedereen, ook op vrouwen en kinderen. En Julia werd ook geraakt, meerdere malen en haar leven was voorbij....
Stanley zag het voor zijn ogen gebeuren en een rood waas verscheen.
Hij rende naar de indiaan die had geschoten en met zijn bowie-mes stak hij de roodhuid neer, maar dat was geen goede actie. Gelijk renden er vier indianen op hem af, met tomahawks.
Hij schrok wel en wierp zijn mes naar een van de vijanden. Hij raakte de man in de borst en die werd er door gedood. De andere drie bleven staan om hun tomahawks te werpen.
Op dat moment schoten de andere mannen van de karavaan te hulp door te schieten.
Een van de mannen dacht even na. 'Iedereen in die twee huifkarren', en hij wees naar twee sterke huifkarren die nog nauwelijks beschadigd waren. 'Neem allemaal wapens mee.'
De man probeerde te redden wat er te redden viel, maar tegen die overmacht was het niets.
Alle mensen die nog leefden, het was niet eens de helft van de mensen, gingen naar de huifkarren. Maar opeens zag Stanley een meisje liggen, en ze bewoog. Gelijk nam hij het besluit haar te halen. Tegen twee jongens van ongeveer zestien jaar zei hij dat ze hem dekking moesten geven. Die luisterden en Stanley ging met gevaar voor eigen leven naar het meisje toe. maar... ....op dat moment braken de indianen met volle macht door de huifkarren heen en was Stanley met het meisje in levensgevaar. Hij rende naar de dichtstbijzijnde huifkar met het meisje aan zijn arm en gooide haar naar binnen. Het kon haar wel pijn doen, maar het was beter dat de prooi zijn van de indianen. Hij keek in de kar rond en daar lag een revolver, geladen en klaar voor gebruik, maar zonder reservepatronen. Hij had zijn eigen geweer meegenomen en daar schoot hij eerst mee. Raak natuurlijk, want met zoveel indianen dicht bij elkaar kon je niet missen. Hij herlaadde en schoot weer. Toen kregen de indianen door dat er iemand in die kar zat, en gelijk kwamen ze naar de kar. Stanley pakte de revolver en toen de eerste indiaan aan de achterkant van de wagen verscheen schoot hij op het hoofd van de ongelukkige roodhuid. Nog vijf kogels over....
Hij was genoodzaakt alle kogels te verschieten, en toen ze op waren vielen er nog een aantal indianen onder zijn geweer, die hij als knuppel gebruikte. Op het moeilijkste moment, er kwamen steeds meer indianen, klonken er opeens veel schoten. Stanley gooide het meisje naar buiten door een gat dat hij in het zeil had gesneden met een bijl die in de kar lag. Hij kon niet goed herinneren wat er toen gebeurde, maar in ieder geval werd hij meerdere keren geraakt door een mes. Daar verloor hij zoveel bloed bij dat hij bewusteloos viel. Maar hij zag nog net dat de indianen weg renden...
'Hij komt weer bij mensen.' Stanley hoorde een stem boven zijn hoofd.
Hij opende zijn ogen en keek in het gezicht van een vriendelijk iemand, tenminste zag het er vriendelijk uit. 'Waar ben ik?' vroeg hij opeens. En waar is het meisje?
'Die is ook in het fort.' Antwoordde die man die over hem heen gebogen had gestaan.
'In het fort? Welk fort? En hoe kom ik hier dan?' vroeg Stanley verbaast.
De man lachte, die jongeman was echt een tijd weg geweest. 'Ja, je bent in het Fort. Fort Freckle heet het. En je bent hier twee dagen geleden heen gebracht.'
'Hoe wisten jullie dan dat wij daar waren?' was het verbouwereerde antwoord van Stanley.
'Een groepje mannen ging voor oefening naar de prairie. Daar hoorden ze veel schoten en ze gingen er op af, bij wijze van oefening. Toen ze eindelijk konden zien dat er een grote stofwolk was, kwam er een kind aan lopen, en die vertelde de mannen wat er aan de hand was. Hoewel het groepje maar acht man groot was, hebben ze de roodhuiden verjaagd. En daar vonden ze jouw in een kar, zwaar gewond. En onder de kar lag een meisje.'
De daaropvolgende dagen sterkte Stanley zover aan dat hij weer door het fort kon lopen. En al snel kende iedereen hem als die jongeman die met iedereen een praatje wilde maken.
Het meisje bleek geen ouders meer te hebben na die aanval, maar een man en vrouw hadden haar geadopteerd omdat ze zelf geen kinderen hadden.
Toen Stanley sterk genoeg was om te paardrijden ging hij vaak weg met zijn paard, over de prairie rijden. En na twee maanden besloot hij in militaire dienst te gaan.
En al snel was hij een geaccepteerd lid van de cavalerie geworden. Er was niet vaak een actie nodig, en na twee jaar dienst bij de cavalerie waar hij alleen tegen indianen had gevochten koos hij er voor om weer terug naar Engeland te gaan. En toen hij daar was, bleken zijn ouders al weer naar Japan te zijn, de ambassadeur die mr. Parker vervangen had bleek niet vaardig genoeg en meneer Parker werd opnieuw gevraagd.
De daar opvolgende jaren, die van de Amerikaanse burgeroorlog inbegrepen, bleef hij in Engeland, bezocht een keer zijn ouders en toen hij twee jaar na de burgeroorlog besloot naar Amerika terug te gaan, nam hij afscheid. Sinds die tijd zag hij zijn familie niet meer.
Zijn vader had wel een rekening voor hem geopend en daar stortte Mr. Parker maandelijks geld op. Maar Stanley was te trots om het te gebruiken en liet dus al het geld staan. Hij wilde leven van wat hij zelf verdiende.
Toen hij aangekomen was, hoorde hij van een beroep dat pas bekendheid kreeg tijdens en na de Amerikaanse burgeroorlog namelijk dat van cowboys, veedrijvers te paard.
Dat werk deed hij een paar jaar, en toen had hij genoeg geld gespaard om een eigen ranch te starten. Hij kocht een huifkar, twee paarden die gewend waren aan een kar en begon de reis met een karavaan. In de stad Desert Watch besloot hij alleen door te gaan. En het was een woestijn in de zomer, want het had al lang niet geregend en er was weinig water.
Maar hij wilde zijn claim niet te lang laten wachten. Hij reed door en kwam aan bij een klein stadje. Toen hij daar in de saloon kwam reed er een kleine karavaan binnen....
'De rest van het verhaal is duidelijk toch? Ik ontmoette Robert en we gingen samen naar mijn claim. En later kwam jij er bij Jim.' Zo besloot Stanley zijn verhaal.
'En jij Robert, morgen zal ik je vertellen wat je van dit verhaal en mij kunt leren.' zei Stanley en hij was even in gedachten. daarna was hij weer op de wereld met beide benen. daarom zei hij ook:
'Maar nu gaan we naar bed, want het is eigenlijk al veel te laat. En mogen moeten we er toch op tijd uit hoor.'
'Komt allemaal best voor elkaar Stanley.' Zei Jim
'Inderdaad.' Was Bob het daar mee eens.
Even later lagen ze allemaal op bed. Maar Robert begreep niet wat hij aan het verhaal van Stanley kon hebben, het was wel mooi daar niet van, maar wat hij er mee moest? Hij had er geen flauw idee van!
Hoofdstuk 11
De volgende morgen waren ze later wakker dan normaal. Robert was voor de verandering als eerste wakker, en hij had de paarden al te eten gegeven toen Stanley en Jim wakker werden.
Terwijl die zich aankleedden, maakte Bob het ontbijt klaar.
Onder het eten bespraken ze wat ze die dag gingen doen.
'Als ik en Jim vandaag al longhorns gaan zoeken, dan kan Bob alvast hout gaan halen voor een stal. We moeten persé vandaag beginnen met het halen van die longhorns, want nu zijn ze in de buurt. Het heeft hier al geregend en achter de bergen in het zuiden niet. En dat is maar twee dagen rijden, de longhorns zijn dus in de buurt. Wat vinden jullie van het plan?'
'Ja maar...' begon Robert maar hij werd onderbroken door Jim. 'Kan Robert wel een paar dagen alleen blijven? En kan hij wel alleen die schuur bouwen?'
Bob knikte instemmend, hij had ook willen vragen hoe hij dat zou moeten doen.
'Robert kan denk ik wel alleen blijven, en die schuur gaat hij niet bouwen, hij gaat het hout er voor halen. Die stammen kan hij met de kar naar de stad brengen, in de zagerij is het veel goedkoper als je zelf de stammen meeneemt.'
'Akkoord, maar dan zijn jullie wel over twee dagen terug.'
'Doen we, kom je mee Jim, dan zadelen we de paarden vast. Robert, jij stopt eten in de zadeltassen.'
Een halfuurtje later vertrokken Stanley en Jim.
'En nu zijn we alleen Firefeet.' Zuchtte Robert. Twee dagen werken, zonder Jim en Stanley!
'Kom, dan gaan we jouw en Browny voor de kar zetten. Je zal nog wel moeten leren, maar dat lukt wel.' Robert spande de paarden in. Maar Firefeet was niet gewend aan een kar en werd dol van woedde. Het dier wilde van dat ding af! He ging er vandoor, en browny liep even hard als Firefeet, met de kar achter hun aan.'Stop!' Riep Robert tegen de paarden. Hij rende achter de kar aan. Maar die wilde niet stoppen. hij pakte zijn revolver en schoot in de lucht. Maar het had een averechts effect. De paarden werden wilder, en hij kon ze helemaal niet meer stoppen. De dieren renden over de prairie, maar na honderd meter moesten ze iets afremmen. Maar gelijk versnelden ze weer. Maar die paar seconden waren genoeg geweest voor Bob om de achterkant van de wagen vast te grijpen. Zijn voeten sleepten over de grond en hij kon niet in de kar komen, hoe vaak hij ook probeerde zich omhoog te werken, door het schokken van de kar had hij al moeite met het vasthouden. weer moesten de paarden afremmen, dit keer voor een grote steen. Van de gelegenheid maakte Robert gelijk gebruik door zichzelf zo hard op te duwen dat hij in de kar viel. Nog net op tijd greep hij zichzelf vast, want als hij zich niet vast had gegrepen had hij van de kar gevallen. Hij kroop naar voren, en ging moeizaam op de bok zitten. Hij greep de teugels en liet de paarden langzaam een bocht maken. Hij reed terug naar huis, en nu pas ontdekte hij dat hij een halve mijl lang had gereden met die paarden.
Firefeet was al rustiger en leek aan de kar gewent. Robert besloot toch nog naar het bos te gaan en de rest van de dag was hij daar. Door het bos stroomde een beekje, en er waren ook bosbessen om te eten. Hij hakte zes bomen omver, het waren niet de moeilijkste bomen en Robert werkte flink door. Toen hij naar huis ging was het al donker aan het worden, en thuis gaf hij de paarden te eten, zette ze op de wei en ging naar binnen. Hij maakte een maaltje van brood, ham en gebakken ei. Toen hij het op had ging hij gelijk slapen,de honger was gestild en nu moest de vermoeidheid ook gestild worden.
Die nacht werd hij wakker van een geluid buiten. Een paniekerig gehinnik weerklonk.
Robert schoot uit bed, in een halve minuut van hij aangekleed en met een jachtgeweer in de hand rende hij naar buiten. Paardendieven! Dat was de ergste misdaad in het westen volgens veel mensen, en het werd dan ook zwaar gestraft. Hij zag een schim bij de omheining staan en Bob schoot met het jachtgeweer. Aan een vloek kon hij horen dat het raak was geweest.
Hij zag nu duidelijk de figuren. Drie mannen,twee hadden hun wapen getrokken en de ander zat op de grond, dat was de persoon die geraakt was.
Het kwam Robert nu goed van pas dat hij zulke goede ogen had!
Hij trok ook zijn revolver, schoot en een van de mannen sprong achteruit. Iemand schoot net voor zijn voeten! Die persoon die daar stond moest kattenogen hebben, dacht hij.
'Hank, Ross wegwezen! Die kerel is een scherpschutter!'
'wie kan dat nou zijn?alleen dat kereltje was er toch zei je Ross?'
De man die Ross genoemd werd gromde. 'Ik heb die ouwe en Jim echt zien vertrekken hoor. En dat was vanmiddag. Ze zijn echt niet terug. Trouwens, er zijn maar twee paarden. Dus die ouwe en Jim zijn er niet.'
De mannen klommen op hun paarden en reden er vandoor.
'Rotzakken. Als ik me niet vergis was die ene Ross, die had ook zo'n breed, hoekig figuur.'
Robert praatte tegen zichzelf. Toen ging hij maar weer naar bed. Morgen moest hij weer hout hakken en daarna naar de stad.
De volgende ochtend liep hij naar de omheining toe om de paarden eten te geven.
Toen hij dat had gedaan en terug wilde lopen, zag hij iets liggen op de grond, voor de omheining. Het was een rand die je om een hoed kon doen...
Robert legde hem in huis neer en spande de paarden in.
Hoewel Firefeet onrustig en gespannen was, deed de prachtige hengst geen moeite om weg te komen. Ook verzette het dier zich niet tegen de kar.
Robert reed met de kar naar het bos, en kapte nog eens vier bomen.
Toen vond hij dat hij genoeg had en ging naar huis. Daar laadde hij de andere stammen ook op de kar en reed naar de stad. In de stad aangekomen ging hij eerst naar de houtzagerij, die bij de timmerwerkplaats hoorde. Voor een bepaald bedrag zou de timmerman het hout zagen, en Robert kon een paar uur vrij nemen. De paarden zette hij in de schaduw van een boom en zelf ging hij naar de saloon.
'... gingen we achter hem aan...' hoorde hij zeggen toen hij naar binnen wilde lopen.
Hij duwde de klapdeurtjes open en liep naar de bar. 'Een biertje Bart, en koud graag.' Zei hij tegen de barman.
Toen hij binnen was gekomen was aan één tafeltje het gesprek verstomd, en aan dat tafeltje zat een man, de man had een breed en hoekig figuur....
Robert had het niet door, maar zag na vijf minuten een paar mannen verdwijnen.
Een paar andere mannen praatten verder. 'Erg als ik er bij kom zitten?' vroeg Robert.
'Nee hoor, maakt niet uit.' Antwoordde een van de mannen. 'waarom geloof je dat verhaal eigenlijk niet Archie?' vroeg een van de mannen.
'Het kan er bij mij gewoon niet in dat Ross en Hank gevochten hebben met dieven. Volgens mij kwam die zere hand ergens anders van Mark, en niet van dieven achtervolging.'
'Waar gaat het over?'vroeg Robert verbaast. 'Nou kijk, het zit zo: ken je Hank?' Bob schudde ontkennend zijn hoofd. 'ken je Ross dan?' verrast keek Robert op. En of hij die kende!
'Zeker ken ik die, die probeerde Jim toen te doden met dat mes.'
'O, ben je die jongen? In ieder geval is het die Ross. En hij vertelde ons net het verhaal dat hij en Hank vannacht achter paardendieven aan hebben gezeten. Hank had daarbij zijn hand bezeerd, en de schurken waren ontkomen. Maar Archie hier geloofd dat niet helemaal.'
Ze praten nog even verder en toen maakte Robert aanstalten om weg te gaan. Hij rekende af en ging naar de kar van Stanley toe. Toen hij twintig meter er vandaan was zagen zijn ogen iets ongewoons.
Robert rende naar de kar toe. Er was met een mes een papier op de kar bevestigd.
Een dreigbrief. Robert las de brief en was verbaasd. Dit sloeg echt nergens op....
Hoofdstuk 12
'Dus je weet niet zeker wie het heeft gedaan?' vroeg Stanley nogmaals.
Het was al avond, Stanley en Jim waren thuisgekomen met twaalf longhorns, en daar was Robert met het mysterieuze briefje. 'Ik heb geen enkele aanwijzing, alleen een vermoeden.'
Hij las het briefje nog eens.
We waarschuwen jullie, Flikker op!
Als, jullie niet luistere, dan
Maken we jullie verrot
Vaarwel, de PDen
Het briefje was geschreven door iemand met een ongeoefende hand.
'En wie zijn die PDen trouwens? Ik ken ze niet.'
'Ik ook niet, maar daar komen we wel achter.'
'Je had een vermoeden zei je toch? Waarom dan?'
Robert sprong op. 'Jep, ik zal even iets halen.'
Hij liep naar zijn kamer en haalde de hoedenrand.
'Dit vond ik toen er vannacht een paar mensen aan het rommelen waren bij de omheining.'
'Ik schoot een keer met de buks, en dat was raak. Een van de kerels van breed en hoekig. Ze gingen weg toen ik had geschoten, maar vanochtend in de saloon waren Ross en ene Hank daar ook. En die Hank had een zere hand volgens Archie.'
'Wie is die Archie dan?'
Niet Robert maar Jim antwoordde: 'Archie is een beste kerel, we reisden met dezelfde karavaan. Hij is niet de beste vechtersbaas, maar hersens heeft hij wel.'
'O dan is het goed. Ga verder Bob.'
'Toen ik even binnen was, liepen ze gelijk naar buiten. En ik heb toen gepraat met Archie en nog een paar anderen.'
Stanley vervolgde concluderend: 'En toen je weg ging was dat briefje er opeens zeker.'
Robert knikte. 'Misschien kunnen we die Archie ook in dienst nemen?' vroeg hij.
'Zou kunnen, ligt er wel aan of hij wil werken voor het geld.'
'Ik sta voor hem in Stanley, hij werkt harder dan je vraagt!' antwoordde Jim.
'En hij is helemaal betrouwbaar.' Vervolgde hij.
'Dan nemen we hem in dienst. Ga jij anders even vragen of hij hierheen komt, Jim. Morgen natuurlijk, nu is het te laat.
'Als we hem in dienst hebben, gaan we dan naar de stad om paarden te kopen? We moeten wel haast maken Stan.' Robert wilde zo snel mogelijk de paarden hebben.
De volgende dag werd Archie in dienst genomen, en nog diezelfde dag hadden ze de schuur staan. Met z'n vieren hadden ze hard doorgewerkt waardoor ze de avond vrij hadden.
'Wat zit er eigenlijk in die kisten die jij op je kamer hebt staan?' vroeg Bob aan Old Rusty.
'Kom, dan laat ik het je zien, ik kan het wel uit gaan leggen, maar jij wil het dan toch zien.'
Stanley liep door naar zijn kamer, de indeling van het huis was niet meer tweederde voor Stanley en een derde voor Robert maar ieder, ook Archie, had een zesde deel van het huis.
Robert volgde Stanley en die maakte een kist open, en toen bleek het een soort ladekast te zijn. 'Maak maar een la open Bob, dan zie je wat er in zit.' Zei Stanley.
Robert maakte een van de laden open en zag toen allemaal wapens, zeker twintig revolvers.
'In iedere la zitten van die dingen Robert. En in die andere kisten zitten ook geweren en revolvers. Ik heb toch verteld dat ik een winkeltje had en toen ik naar Engeland terug ging dat winkeltje verkocht? Ik had in Engeland genoeg geld om een bedrijf op te zetten, een handelsonderneming in van alles en nog wat. Ik kwam in veel steden, ook in andere landen en zag daar wapens. Toen ben ik nuttige wapens gaan verzamelen. Ik heb er in die jaren heel wat verzameld. En deze soort had ik uit Amerika meegebracht.' Hij hield een Colt Paterson omhoog. 'dit is nog een vijfschots revolver. Net als deze van Allen en Wheelock uit achtienvijfenveertig. En deze soort had ik vaak bij me.' Zei Stanley er een aanwijzend. 'Zo'n kleine revolver is altijd makkelijk. Ik heb er nu nog steeds altijd een bij me.'
Hij trok een andere kist open. 'en hier, een jachtgeweerset. Mag jij hebben, het zit in een mooie kist. Het is een Ahrendt jachtgeweerset, kaliber 12 en dubbelloops. Je hebt een kogelloop, dus hij is vijfenzestig centimeter lang. En als je deze loop er op zet moet je er hagel in doen. Ik zelf vind het een goed geweer, maar ik heb liever een jachtgeweer uit Frankrijk. De naam interesseert je niet, maar dat is een nog uitgebreider koffertje met lopen en dergelijke.'
'Wat moet die ouwe wandelstok tussen die geweren?' vroeg Robert.
'Dat is een wandelstok met een ingebouwd schietsysteem. Die neem ik zondag mee naar de kerkdienst.' Antwoordde Stanley.
Robert keek verbaast. 'Kerkdienst? Welke kerkdienst?'
'We gaan naar de kerkdienst zondag, na de dienst kunnen we de mensen leren kennen, en je bent in de ogen van de mensen vromer. En dan zijn ze vaak aardiger.'
'En die dan? Dat is een meerschots revolver.'
Stanley keek even. Die is van mijn vader geweest, het ding is niet vaak gebruikt.'
'En dat is ook een goed ding, bijna even goed als een colt. En die mag je wel hebben, dat zijn Colt Baby Dragons. Maar nu gaan we stoppen, het is tijd om te slapen.'
De dag erna was het zondag. Veel mensen gingen naar de kerk, als je het een kerk mocht noemen. Het was gewoon een zaaltje, met een aantal simpele banken.
Ook Robert en Stanley gingen naar de kerk. Ze hadden beiden een net pak aan, maar Stanley had de 'wandelstok' en een klein zakrevolvertje bij zich. Ook Robert had een klein revolvertje bij zich, een dubbelloops ding dat precies in zijn vestzakje paste.
Met zacht geroezemoes liepen de mensen naar binnen. Ook Stanley en Robert.
Tien minuten later begon de dienst. Een man las voor uit de bijbel en ging toen er over preken. 'Duurt het nog lang?' fluisterde Robert naar Stanley.
'Een halfuurtje denk ik. En daarna de mededelingen.' Antwoordde Stanley zachtjes.
Een half uurtje later eindigde de dienst. Gelijk liep een netjes gekleed iemand naar voren.
Hij had wat mededelingen die te maken hadden met een klein schooltje, de bouw van een gemeentehuis, plannen om een bank te laten bouwen en over de aanstelling van de sheriff, hoever dat gevorderd was. Daarna liep de man weer terug en stonden de mensen weer op.
'Ga jij maar naar de jeugd toe, ze staan daar. Ik roep wel als we gaan.' Zei Stanley.
Een beetje onzeker liep Robert naar de jeugd toe. Het groepje dat er stond kende elkaar al langer zo te zien. 'Hallo.' Was het enige dat hij zei toen hij erbij ging staan.
'En wie ben jij dan wel, kereltje?' vroeg een grote jongen die er als de leider uitzag.
'Ik ben Robert Edwards, en hoe heet jij?' antwoordde hij uiterlijk rustig, maar vanbinnen had hij het gevoel dat zijn hart er uit kwam zetten. Hij begreep dat de groep hem nu of zou accepteren of weigeren.
'Ik heet Richard Barmin, en ik ben hier de baas, als je dat in ieder geval weet!'
Robert haalde opgelucht adem. Hij was in de groep opgenomen.
Ze praatten met de jeugd over van alles en nog wat, alhoewel Robert niet alles begreep.
Twee mannen kwamen hun richting uit lopen. Het waren Stanley en nog een man.
'Hallo Ann, ga je mee naar huis? Meneer Parker hier eet met ons mee, en als jij (hij richtte zich tot Robert) ook wil is het goed.
'Ik ben meneer Parker.' Stelde Stanley zich voor. 'En ik ben Ann Cutter.' Antwoordde een meisje dat er leuk uit zag.
'En ik ben Richard Barmin.' Zei Richard, die uiteraard weer aandacht wilde.
'Bent u die man die zo goed kon vechten? Tegen die boom van een kerel?' vroeg een jongen.
'Ja, 't is dezelfde persoon hoor.' Antwoordde Robert voor Stanley.
De jongen dacht na. 'En ben jij niet die jongen die tussen Ross en Jim kwam?'
'Zeker, Jim werkt bij ons.' Antwoordde Robert
De jongens van het groepje keken verbaast. 'Ben jij mede-eigenaar van de ranch?' vroegen ze verbaast.
Stanley lachte. 'Hij is officieel geen eigenaar, maar ik behandel hem wel zo.'
'Nou, komen jullie mee Bob en Ann?' vroeg meneer Cutter.
'Ja, we komen er aan.' Was het antwoord van Ann.
Ze liepen naar de wagens toe. Meneer Cutter had een licht wagentje, veel mooier als de kar van Stanley. Robert kwam aanlopen. 'Zeg Robert, dit word toch wel raar hoor, weer een briefje!' vertelde Stanley.
Hoofdstuk 13
'Wat? Wat staat er op, zijn er sporen van de dader, staat er een naam onder?'
Stanley keek peinzend. 'Sporen kan jij misschien vinden, en weer dat we weg moeten.'
Robert ging kijken voor sporen. 'Telt een stukje franje van chaps ook?'
'Geef hier!' Stanley greep het stukje stof uit de handen van Robert en bekeek het.
'Het zal wel lastig zijn om te bewijzen van wie het is.' Zei hij.
Robert keek nog even rond. 'meer spul ligt er niet.'
'Komen jullie?' Meneer Cutter riep.
Stanley stopte het stukje stof weg en riep terug dat ze kwamen.
'Het smaakt verrukkelijk mevrouw Cutter. Wat jij Robert?'
Robert at zijn mond leeg en beaamde de uitspraak van Stanley.
Na het eten zei Meneer Cutter: 'Ann, laat jij Robert even de ranch zien?'
'Komt in orde.' Ann had toen ze thuiskwam gelijk een broek aangetrokken, en nu stond ze op om Robert de ranch te laten zien. Toen ze buiten waren vroeg Robert: 'doet die Richard altijd zo irritant?' Ann lachte. 'Hij moet altijd aandacht hebben, hij vind zichzelf geweldig. Kijk, dit is mijn paard Rally. Een sterke merrie, ik rijdt er vaak op. Heb jij een paard?'
Robert antwoordde bevestigend. 'Ik heb een hengst, Firefeet. Nog maar een paar jaar oud.'
'Draag jij doordeweeks ook altijd zo'n pak?' vroeg Ann.
Robert was verbaasd. Die veranderde ook snel van onderwerp! Misschien doen alle vrouwen dat, dacht hij. 'Nee, doordeweeks heb ik cowboykleding aan, hoezo?'
'Richard doet altijd als hij naar de stad komt een pak aan. Ik vind het er niet uit zien. Maar hij vind het stoer.'
Robert stapte van het onderwerp kleren af en vroeg: 'kan je lasso werpen?'
Ann leunde tegen het hek. 'natuurlijk kan ik dat. Ik kan ook revolverschieten.'
'Echt? Doe het eens.' Vroeg Robert.
Ann keek verbaasd. 'Met welk wapen? Ik heb zelf geen revolver hoor.'
Robert stak haar het revolvertje toe. 'Hier, een Remington Deringer. Schiet eens ergens op.'
Ann pakte het revolvertje aan en zei: 'Een klein ding. Zal ik proberen die steen daar te raken?'
Ze schoot tweemaal, en de tweede keer was het raak. 'En wat zeg je er van?' vroeg ze.
'Zeker niet slecht.' Robert keek bewonderend naar het meisje.
Ann merkte het en zei: 'Doe jij het eens.'
Robert pakte het revolvertje aan, laadde het en vroeg waar hij op moest richten.
Hij wist dat hij het in één keer kon halen, maar hij schoot de eerste keer expres mis.
Hij wilde doen alsof hij niet beter was dan Ann...
'Dat was ook niet slecht.' Was haar reactie. 'Hoelang woon je hier al?'
'Een paar dagen, en jij?'
'Drie jaar. Daarom is deze ranch ook uitgebreid. Hebben jullie al vee?'
'We hebben een aantal longhorns ja.'
'Zullen we even gaan rijden?'vroeg Ann.
Robert wilde wel, en hij antwoordde dus met een volmondig 'Ja.'
Ondertussen bespraken Stanley en Mr. Cutter allerlei dingen over vee, ranches en andere zakelijke dingen.
'En hoe bent u eigenlijk aan die jongen gekomen, die Robert?' vroeg Mr. Cutter nieuwsgierig.
'Toen ik hier net was, kwam er een kleine karavaan binnen. Hij was daar ook bij, zijn vader is een paar dagen daarvoor vermoord.'
'Ik hoop dat mijn dochter en hij het kunnen vinden, Ann die houd veel van de ranch. En de andere meiden vind ze maar niks omdat die naaien en borduren en dat soort dingen.' Vertelde Mr. Cutter.
'Dat zal wel lukken denk ik, hij houd ook van dieren, en hij wil een goede ranch hebben. Ik heb een goede hulp aan hem, omdat hij wel goed werk kan verrichten.'
'Dat geloof ik graag, hij is ook al sterk zeker?'
'En vechtlustig.' Van de week waren er paardendieven op het erf, en gelijk schoot hij. En hij wil de moordenaars van zijn vader natuurlijk terug pakken.' Antwoordde Stanley.
'Ik denk dat ze zichzelf tegenover elkaar aan het bewijzen zijn.' Zei Mr. Cutter plotseling. Ik hoorde twee schoten.'
Stanley knikte. 'Robert heeft een dubbelloops Remington bij zich.'
Ze praten verder, nu over personeel en de mogelijke opkomst van karavanen naar het westen.
Robert en Ann zadelden de paarden weer af. Ze hadden een stuk gereden, en zetten de paarden in de wei.
'Ik denk dat wij zo meteen weer naar huis gaan.' Zei Robert.
En daar had hij gelijk in, niet veel later kwamen namelijk Stanley en Mr. Cutter naar buiten.
'Robert, we gaan op huis aan.' Zei Stanley.
'Wat mij betreft was het een fijne middag Mr. Cutter.'
'Van mij hetzelfde Parker.'
Stanley gaf Mr. Cutter een hand. 'We zien elkaar nog wel eens.' Zei hij.
Robert gaf Mr. Cutter ook een hand, en daarna groette hij Ann.
Toen ze op weg naar huis gingen vroeg Robert wat er eigenlijk op het briefje stond.
Stanley pakte iets uit zijn vestzakje en gaf het aan Robert.
Die pakte het aan en las het volgende:
Parker,
We verzoeken u om uit de vallei te vertrekken.
We rekenen er op dat u dit doet.
U kan een schadevergoeding aanvragen in Desert Watch,
Er is daar al een vergoeding klaargelegd.
Als u niet vrijwillig gaat, zullen er sancties volgen.
U wordt gegroet, B. Star, Lid van de firma 'Grond&Huizen.
'Maar dit lijkt totaal niet op het vorige briefje. En firma 'Grond en Huizen' kan je niet afkorten tot PD. Ik snap er niets meer van. Is die grond zo belangrijk?'
'Je hebt gelijk, het is van een andere verzender. alleen al het mes, was een mooi mes.
En geen slecht taalgebruik. Kortom, een heel andere verzender.' Beaamde Stanley.
Ze konden niet bedenken waarom dat stuk land zo belangrijk was.
Die firma kon immers ook andere grond opkopen. Er was iets aan de hand met het stuk grond en Stanley en Robert wisten niet wat er aan de hand was.
Nou ja, we zien thuis wel weer, dachten ze.
'Parker, kom eens!' riep Jim uit de deuropening naar Stanley die er aan kwam met Robert.
Wat is er nou weer? Vroeg Robert zich af.
'Bob, zet jij de paarden op de wei?' Stanley gaf Robert de teugels van de paarden.
Robert zette de paarden weg, de kar stond ook op zijn plaats.
Hij liep naar binnen en daar viel hij midden in een gesprek.
'Ja, er kwam hier tussen de middag een nette kerel op een paard, wel cowboy kleding aan, maar alles was nieuw. En hij gaf ons deze brief.'
'Vreemd. Op de kar zat ook zo'n brief. Met vrijwel dezelfde inhoud.' Vertelde Stanley.
Opeens hoorden ze buiten hoefgetrappel. Wie was dat nu weer, op een zondagmiddag?
Hoofdstuk 14
'Wie is dat?' vroeg Stanley.
'Geen idee, antwoordde Robert, terwijl hij de buks pakte. Gelukkig dat de buks altijd binnen handbereik in de gang hing! Hij rende naar de deur, trok deze open en keek voorzichtig naar buiten. Het was een onbekende. 'Stap af.' Commandeerde Robert.
De man deed wat er gevraagd was en stapte af. 'leg je revolver daar op de grond.' Was het volgende bevel. En weer werd er gehoorzaamd.
'En nu mag je komen.' Robert liet de buks zakken, en met één hand greep hij naar het revolvertje in zijn zak. 'Kom maar hier heen.' Zei hij.
Ondertussen waren Stanley en Jim achter hem verschenen.
'En wie ben jij dan wel?' vroeg Stanley.
De man antwoordde met: 'mag eerst die revolver weg?'
Robert deed het revolvertje weer in zijn zak, er was toch geen gevaar met Jim en Stanley achter hem.
'Ik ben Arthur Wessels, jullie buurman. En ik kwam wat vragen.'
'Op zondag? Is het zo belangrijk?' Vroeg Stanley.
'Het is zeker belangrijk, mag ik binnenkomen?' antwoordde de man.
Stanley aarzelde even. 'Vooruit, we gaan naar binnen.'
Ze liepen naar binnen, en alsof het afgesproken was ging Robert als laatste, achter Arthur Wessels aan.
'Ga zitten.' Zei Stanley naar een van de banken wijzend.
De man ging zitten, en Stanley, Jim en Archie tegenover hem. Robert ging naast de man zitten, maar wel met een hand in zijn binnenzak.
'Vertel wat je op je lever hebt kerel.' Opende Stanley het gesprek.
'Ik wilde jullie wat vragen,' begon de man. 'Hebben jullie ook een briefje gehad, van de firma Grond en Huizen? Met als inhoud dat je moest vertrekken?'
Stanley was verbaasd, al liet hij het niet merken. 'Waarom? En wat stond er in dat briefje?'
De man keek teleurgesteld. 'Ik heb een briefje gehad en daarin stond dat ik moest vertrekken. In Desert Watch lag een vergoeding klaar, en als ik niet snel genoeg weg was zouden er sancties volgen. En ik weet niet wat ik er mee aan moet.'
'Wij hebben ook een briefje gehad, vertelde Stanley eerlijk. Maar wij snappen ook niet wat er aan de hand is. Ik denk dat Robert en ik morgen naar het zuiden gaan, daar woont nog een buurman. Misschien kan die ons meer vertellen.'
'Maar wij gaan hier niet weg!' Jim zei het met een vastberaden gezicht, en Robert twijfelde geen moment aan de uitspraak.
'En ik blijf ook. We hebben genoeg eten voor dagen, maar ik ben bang dat als die firma onze stad Cattle Valley afsluit van bevoorrading, wij het niet lang houden. Want we zijn qua voedsel nog steeds afhankelijk van Desert Watch.' Was de redenering van de man.
'Dat is waar, maar wij hebben vlees genoeg, en we hebben meel voor twee weken.
En we hebben een eigen riviertje, honderd meter verderop is een beekje dat er in uit komt dus wij hebben wel eten voorlopig.' Vond Stanley.
Toen de man was weggegaan was Robert van de overgebleven planken bezig een bed te maken. Nu sliep hij op de vloer, maar als hij een bed had, en dan een matras van veren erbij, dan sliep hij als een prins.
Het werk vorderde snel, en toen hij naar bed ging had hij ook echt een bed.
Hij was van plan iedere vogel die hij schoot de veren te bewaren, totdat hij een verenmatras had.
De volgende ochtend nadat ze gegeten hadden gingen ze naar de paarden, die voor het eten al gevoerd waren.
'Jim en Archie gaan jullie maar nog een omheining maken, naast de stal zodat de paarden daar kunnen staan. Want in die andere wei zit het vee nu.'
'En wat gaan wij dan doen Stanley?' vroeg Robert.
'Wij twee zouden naar die buurman in het zuiden gaan weet je nog?'
Dus ga jij je maar klaarmaken. Op de terugweg gaan we nog even jagen.
Robert liep naar binnen en nam zijn jachtset mee, evenals zijn veldfles en wat brood voor tussen de middag. 'Meer hebben we toch niet nodig?' vroeg hij aan Stanley.
'Nee, dat is alles wat we nodig hebben. Maar wees voorzichtig met die set, doe hem maar in je zadeltas want hij moet niet beschadigen.' Antwoordde Stanley
Robert deed de spullen in zijn zadeltassen en Stanley en hij stegen op.
'We zijn pas in de late middag terug, we zien jullie dan wel.' Zei Stanley.
'Gaan Browny, naar het zuiden.' Spoorde hij zijn paard aan.
Ook Robert liet zijn paard vertrekken. 'Vooruit Firefeet, we gaan.'
Ze reden een paar uur, en toen zag Robert in de verte een gebouwtje staan, een stevige hut opgebouwd van boomstammen, ongeveer een anderhalve meter hoog.
'Daar is het, iets meer naar links.' Wees hij.
Stanley zag het niet, en haalde zijn verrekijker dus maar tevoorschijn.
'Ja nu kan ik het zien. Wat een klein gebouwtje zeg.' Vond hij.
Een kwartier later reden ze het pad op, dat naar de hut liep.
'Halt. Staan blijven jullie twee. Zeg maar tegen je baas dat ik hier blijf, ik peins er niet over om te gaan.' Een geweerloop stak uit de deuropening.
Robert keek Stanley aan. 'Nu!' Riep Stanley en ze lieten hun paarden opzij springen.
Tegelijkertijd dook Robert van Firefeet af en trok hij zijn revolver toen hij zijn val brak door te rollen.
Hij kwam op zijn voeten terecht en hij schoot op de deur.
Gelijk schoot de man, maar Robert was alweer een meter opzij. Weer schoot Robert, weer op de deurpost. En de man schoot ook weer. Hier hadden Robert en Stanley op gewacht.
De man had een dubbelloops geweer en moest nu dus herladen. Ze renden naar de hut en drukten zich tegen de muur. De man was in verwarring omdat de twee tegenstanders er niet meer waren. Hij stak de loop van het geweer opnieuw door de deuropening, maar opeens werd het wapen uit zijn handen getrokken.
Hij schrok, deed een stap achteruit en greep naar een revolver die hij op de tafel had liggen. Maar hij was te laat. De twee mannen waren binnen en de oudste greep de revolver en hield hem vast.
'Hallo, wij zijn uw buren, Parker en Edwards. We kwamen om te vragen of u ook een briefje had gekregen dat u weg moest, maar die vraag is al beantwoord.'
De man keek verbaasd, dit waren geen schurken, dit waren gewoon zijn buren! En hij had op ze geschoten...
'Sorry dat ik op u schoot, die schurken vroegen al eerder of ik wegging. Ik ben trouwens Sam.
Noem me maar Digging Sam.'
De man maakte een indruk alsof hij in de war was.
'En waarom willen ze dit land?' vroeg Stanley.
'Dat is een geheim.' De man wenkte dat ze dichtbij moesten komen met hun hoofden en fluisterde: 'Ik heb goud gevonden. En dat wisselde ik in Desert Watch voor gewoon geld. Maar iemand kwam dat te weten en nu willen ze het land.'
Stanley knikte. 'Klinkt aannemelijk.'
De man vervolgde: 'Eergisteren kwamen ze weer. En ze dreigende dat ze vandaag zouden komen, met hun wapens en dat ze de hut zouden slopen. Ik verwacht ze ieder moment.'
Op dat moment klonk er hoefgetrappel, en schoten met geschreeuw...
Hoofdstuk 15
Digging Sam rukte zijn geweer uit de handen van Stanley en richtte door het deurgat op een van de mannen.
Robert begreep dat hij en Stanley zonder geweren half zo goed zouden kunnen vechten, en hij besloot dat de paarden moesten komen.
Wat was hij blij dat hij Firefeet geleerd had om te komen als hij floot!
Robert floot, en gelijk kwamen de paarden er aan, Robert sprong naar buiten en greep naar de zadeltassen van de paarden.
Maar de paarden konden hier niet blijven staan, dat zou te gevaarlijk zijn.
Hij paste nu een andere truck toe, hij had immers gemerkt dat Firefeet er vandoor ging als hij achter het been van het dier sloeg.
Hij gaf met zijn vlakke hand een klap achter de benen, en het dier schoot er vandoor, gevolgd door Browny.
'Hier Stanley, je geweer!' riep Robert terwijl hij het wapen naar Stanley gooide.
Zelf opende hij het kistje waar het jachtgeweer in zat, en zette het geweer in elkaar.
Stanley was aan het laden en toen Robert klaar was en Sam aan het laden was zette Stanley het volgende plan uiteen. er was een raam, een deur en een luik in het dak.
Robert moest door het luik het platte dak op, met als bescherming en dekking een tafel, die op zijn kant lag. Ondertussen zouden Stanley en Sam voor de afleiding op de tegenstanders schieten.
Het plan werd uitgevoerd volgens plan, maar toen de tafel eenmaal lag drongen er gelijk kogels in. Gelukkig was het een tafel die gemaakt was van dik eikenhout, en de kogels gingen er niet doorheen.
Robert klom er achter, en begon te schieten. Ondertussen schoten Stanley en Sam ook steeds.
De tegenstanders hadden achter rotsblokken dekking gezocht en schoten terug.
De situatie leek goed uit te vallen voor de verdedigers, totdat Robert opeens een paar mannen van rotsblok naar rotsblok zag rennen, met waarschijnlijk het doel om van achteren aan te vallen.
Robert liet zich weer door het luik zakken en hij vertelde het probleem.
'Ik ga wel mee omhoog, hij kan het wel alleen hier beneden.' Zei Stanley.
Robert ging eerst. Hij zorgde dat Stanley ook veilig omhoog kon en daarna begonnen ze te schieten. Robert mikte op een geweer en hij haalde de trekker over. Raak, het geweer viel weg en vanachter het rotsblok klonk gejammer.
Ook Stanley schoot meerdere malen raak, maar ook veel kogels schampten af tegen de rotsblokken.
Opeens gingen alle schurken terugtrekken. Dat koste hun nogal veel moeite, aangezien ze werden beschoten door twee scherpschutters.
En hun kameraden konden niet helpen, die werden ook beschoten door een of meerdere schutters.
'Ze trekken terug. Hopelijk gaan ze niet naar ons huis.' Zei Stanley terwijl hij richtte.
'Dat is inderdaad niet te hopen, maar ik denk niet dat ze dat zullen doen. Er zijn gewonden, en de rest die wil voorlopig ook niet vechten.'
De schurken hadden zich verzameld buiten het bereik van de geweren en twee mannen kwamen met de paarden aanlopen.
De man die volgens Robert zich als baas gedroeg pakte iets dat glansde in het zonlicht.
Hij stak het voorwerp in de grond en verdween toen met zijn troep.
'Zo die zijn weg.' Haalde Digging Sam opgelucht adem. 'bedankt voor jullie hulp, alleen had ik het niet gered.'
'We hadden geen keus, we waren hier toch opgesloten.' Antwoordde Stanley.
Robert floot terwijl de andere twee aan het praten waren. En nog geen minuut later kwamen de paarden er aan rennen.
'Zeg Stanley, ik ga kijken wat die kerel daar op de grond legde.' Zei Robert.
'Is goed, doe voorzichtig, kijk eerst of ze echt weg zijn.' Was de reactie.
Robert reed rustig naar de plaats toe. Hij kreeg steeds een beter beeld van wat het voor een voorwerp was.
Hij sprong van zijn paard toen hij er was. 'Weer een dolk. Als ik het niet dacht.'en met een brief. Die brengen we even naar Sam toe Firefeet.'
Hij reed met aardige snelheid terug. 'Weer een brief die met een dolk vast zat.' Riep hij al van afstand.
Stanley en Sam waren naar buiten gelopen.
'Geef eens hier jongen.' Sam pakte de brief aan.
'Wat staat er in?' wilde de jongen weten.
'Ik lees het wel even voor. Hier ga ik dan: Beste Sam, ze kennen mijn naam dus. 'bromde de man. 'Dit is je laatste kans. Verlaat deze grond nu onmiddellijk of wij maken het met de vlakte gelijk. Groeten, Firma Grond en Huizen.' De man keek verslagen.
'Ik kan ze niet iedere dag blijven bevechten. Ik ga denk ik maar aan de slag ga als handelaar, want dit houd ik toch nooit vol.' De man had het opgegeven.
Robert had medelijden, maar hij kon niet zeggen dat de man niet moest opgeven. Dat zou de dood van Sam betekenen.
De man laadde alles op zijn kar. 'Kunnen jullie mij helpen? Mijn paarden zijn gestolen, al een paar dagen geleden.'
'Natuurlijk Sam, maar heb je wel genoeg geld om nieuwe paarden te kopen? En om handelswaar te kopen?' vroeg Stanley.
'Ik heb nog steeds een zakje met goudklompjes, en stofgoud. En op mijn bankrekening staat nog wat geld.' Antwoordde de man.
'Zeg Stanley, wij moeten toch naar de stad om paarden te kopen. Als we met hem meegaan worden we vast niet aangevallen door indianen of desperado's. heb ik gelijk of niet?'
Stanley keek verbaasd. Dat hij zelf niet op het idee was gekomen!
'Wat mij betreft is het goed, maar wat zeg jij Sam?'
'En of ik het wil! Gelijk de eerste reis met begeleiding, een beter begin kan ik me niet voorstellen.' Zei de man blij.
'Dan is dat afgesproken. Maar eerst moet je hier paarden kopen. Hier zijn ze iets duurder, maar anders kunnen we niet vertrekken. Het paard van Robert is eigenlijk geen karrenpaard en die kan een lange reis niet aan. Dus met maar drie paarden gaan is ook onmogelijk.
Maar ik weet een ranch waar ze paarden verkopen, Firefeet komt er ook vandaan.' Zei Stanley.
De rest van de middag vulden ze dus met het kopen van twee goede paarden, het nakijken van de wagens en watertonnen kopen, want voor vijf paarden en drie mensen heb je veel water nodig in anderhalve week droog gebied, waar het al weken niet geregend had.
'Zullen we dan overmorgen gaan Sam?' dan kunnen wij de belangrijke dingen op de ranch nog doen.' Vroeg Stanley.
'Is mij goed hoor, ik slaap wel in Cattle Valley.' Antwoordde de man.
Toen ze dat besloten hadden gingen ze hun eigen weg, en ze zouden elkaar na twee dagen weer ontmoeten.
Hoofdstuk 16
'Volgens mij staat zijn wagen voor de saloon.' Zei Robert.
De aanval op Sam's hut was twee dagen geleden en nu zouden ze gedrieën naar de stad gaan.
Stanley had al een voorraad tonnen met water gevuld, om in de woestijn zich te kunnen redden.
Ze reden even door, Stanley op de bok zittend en Robert ernaast rijdend op Firefeet.
'Hòò maar Browny, rustig maar beestjes.' Stanley liet de paarden stoppen. Hij sprong van de bok en liep de saloon in. Robert was ook van zijn paard af gesprongen en liep achter Stanley aan.
'Bart, heb je een biertje voor ons?' vroeg Stanley aan de barkeeper.
De barman liep naar de bierton en regelde twee glazen bier voor Stanley en Robert.
'Is Digging Sam er niet?' vroeg Stanley.
'Nee, die ging een kwartier geleden naar de winkel, de smid en nog een paar zei hij.'
Stanley knikte. 'Nou, dan wachten we hier even tot hij er is.' Hij ging aan een tafeltje in de hoek zitten en hij ging een beetje onderuitgezakt zitten.
'Zeg Bob, neem er het gemak van, zo meteen kan je dagen niet lekker zitten.'
Robert ging dus ook maar op zijn gemak zitten, en zo wachtten ze op de komst van Sam.
'Ha Parker, ben je er al.'
Stanley schoot overeind, en toen hij zag dat Sam het was,stond hij op en betaalde Bart.
'Kom, we gaan er vandoor.' Zei hij tegen Robert.
Ze liepen naar de paarden en Stanley en Sam gingen op hun karren zitten.
Robert liep naar Firefeet, en vijf minuten later waren ze uit de stad, richting Desert Watch.
'Het begin van een lange reis.' Zei Stanley.
Daarna werd er een lange tijd niets gezegd.
Ze reden aan een stuk door, behalve dan dat ze de paarden af en toe wat te drinken gaven.
Ze hielden kamp in de vlakte, en de volgende dag en dagen ging het zelfde.
'Vanaf vandaag moeten we voorzichtig zijn, de indianen zijn volgens mij nog steeds opstandig.' Stanley maande de anderen tot voorzichtigheid.
Ze reden verder, en inderdaad zagen ze sporen van een gevecht, die volgens Stanley enkele dagen daarvoor had plaatsgevonden.
Maar zelf werden ze niet aangevallen. Totdat ze bij een rotsachtig terrein kwamen.
'Vooruit Browny, vooruit. Zeg Robert, Kan jij even kijken of het terrein begaanbaar blijft?'
'komt in orde Stanley, loop maar vooruit Firefeet.' Antwoordde Robert.
Hij reed vooruit, maar toen zag hij een boog liggen. 'Stanley, Sam, er ligt hier een boog!'
'Wat, een boog?' Stanley stuurde de kar er heen en trok zijn revolver.
Hij keek rond en toen zag hij een kleine beweging.
Stanley liep met grote stappen naar het rotsblok, gevolgd door Robert.
'Sta op, en snel een beetje!' riep Stanley naar de persoon achter het rotsblok.
Een indiaan kwam overeind en probeerde weg te rennen, maar hij had niet op Stanley gerekend. Stanley was dan geen twintig meer, hij liep nog steeds hard genoeg en Robert ook.
Al snel rende Robert schuin voor de indiaan, die daarom afboog. Maar daar was Stanley...
Robert trok zijn revolver, en Stanley trok ook zijn revolver.
De indiaan gaf de vlucht op en bleef staan.
Stanley begreep dat hij de man niet gevangen kon houden, die mensen konden niet tegen gevangenschap omdat ze van de natuur hielden. En praten zouden ze ook niet.
Maar Stanley gaf hem de mondelinge boodschap mee dat de indianen moesten stoppen met blanken aanvallen, omdat de 'langmessen' anders zouden komen.
Hoewel de indiaan niet antwoordde, begreep hij Stanley waarschijnlijk wel.
Ten minste, als hij het niet begreep zou hij dat wel gezegd.
En verkenners kenden meestal wel Engels, om vijanden af te luisteren.
Na dit voorval reden ze verder, en na enkele dagen kwamen ze in Desert Watch aan.
Ze gingen naar de saloon voor drinken en inlichtingen over koop en verkoop.
De inlichtingen kregen ze, en Sam ging samen met Stanley eerst naar de bank om het goud om te wisselen voor biljetten. Die besloot hij voor een groot gedeelte op de bank te zetten.
Stanley nam juist wat geld op, maar het geld dat hij nodig zou hebben voor de paarden nam hij nog niet op.
Ze besloten een hotelkamer te nemen, Sam, Stanley en Robert namen ieder een eigen, kleine kamer.
De volgende morgen besloten ze te gaan kopen wat ze nodig hadden.
Stanley ging de paarden kopen bij een betrouwbare man, die hij kende van toen hij al eerder was.
Ze kochten niet vier, maar negen nieuwe paarden. Acht merries, en één hengst.
De merries waren van de leeftijd twee jaar tot acht jaar, en zes ervan waren fokklaar en hadden geleerd voor een kar te lopen.
Hij liet ze nog een nacht bij de man staan, de volgende ochtend zouden ze de dieren ophalen.
Ondertussen had Sam alles gekocht wat hij van plan was geweest te kopen.
Ze overnachten weer in de stad, en de volgende ochtend haalden ze eerst de paarden op en toen vertrokken ze.
De reis was voorspoedig, en de indianen lieten zich niet zien.
Maar op een bepaald punt, ze hadden al meer als een week gereisd, pakte Robert zijn geweer en hield het heel de tijd voor zich in het zadel. Ook viel het Stanley op dat de jongen heel de tijd om zich heen keek.
'Zeg Robert, ons zullen ze niet aanvallen. En anders zou ze dat slecht bekomen.'
Stanley klopte op zijn geweer dat naast hem lag.
'En jullie waren met zijn tweeën tegen twee schurken. Wij zijn met drie goede schutters tegen de schurken.' Zo probeerde Stanley Robert moet in te praten.
Robert hield wat minder gespannen het geweer vast.
Gelukkig kwamen er geen mensen opdagen.
Ze reden verder en hadden geen problemen met schurken of indianen.
Ondertussen was op de ranch een aanval begonnen, ook van de firma Grond en Huizen.
Archie had stelling genomen in de schuur, en Jim in het woonhuis.
De schurken hadden dat niet door dat in het huis maar één iemand was en schoten dus met z'n allen op het huis.
Opeens schoot Archie met twee revolvers op de schurken.
Onder de schurken vielen er zeker vier neer, en minstens evenveel waren er gewond.
De schurken spoorden hun paarden aan, de aanval was dankzij Archie afgeslagen.
De schurken dreigden ook bij dit huis met vernieling, maar Jim en Archie besloten te wachten op Stanley. Tot dan zouden ze het huis verdedigen.
Gelukkig was het niet nodig.
De volgende dag kwamen twee karren het erf op rijden, waarvan één er al snel weer verder ging.
'Eindelijk zijn jullie er weer, na drie weken.' Zei Jim.
'En mét de paarden.' Antwoordde Robert trots.
'Dat is wel mooi, maar er is wel een aanval van de schurken geweest op deze ranch.
We hebben ze kunnen afweren, maar ze komen vandaag of morgen weer, daar kan je zeker van zijn.' Vertelde Jim.
Stanley schrok van dat bericht, maar hij kon er ook niets tegen doen.
Ze zouden in ieder geval blijven om te verdedigen.
De paarden werden in de corral gestopt, en de mensen gingen naar binnen.
Robert was tevreden. Ze waren in ieder geval weer thuis. Echt thuis.
Hoofdstuk 17
Er verstreken enkele weken, en niemand hoorde meer iets van de firma Grond&Huizen.
Wel van de PD-en, maar die waren voor de meeste mensen niet gevaarlijk.
Ondertussen had Firefeet al heel veel truckjes geleerd, en verbeterd.
Ook Robert had niet stilgezeten. Hij was al een echte scherpschutter geworden, en een goede ruiter. Samen met Firefeet vormde hij een perfect team, waarin paard en ruiter elkaar goed begrepen.
Ook had hij goed leren lasso, en vee drijven was geen probleem meer voor hem.
Maar een prater was hij nog steeds niet. En hij was ook nog niet helemaal op zijn plaats tussen de jeugd. Hij mocht Richard nog steeds niet. Ann daarin tegen mocht hij wel...
De veestapel op de Gold Creek ranch was al aardig uitgebreid, en telde nu zeker meer als honderd stuks vee.
Robert ontwikkelde tot een echte cowboy, iemand die geboren was om met dieren om te gaan.
Hij kwam nog steeds alleen op zondag in Cattle Valley, en na de dienst bleef hij maar even bij de jeugd staan. Enkele keren waren ze nog naar de familie Cutter geweest, maar dat was ook niet vaak.
Zo ging het leven in Cattle Valley door. Rustig, zonder echte problemen, behalve de PD-en die mensen ergerden door te slopen, stelen en beroven.
Het leven op de Gold Creek ranch ging ook rustig door.
En daar volgen we onze vrienden, en hun vrienden, weer.
'Kom je Robert? Dan gaan we weer even oefenen met die twee merries.' Stanley riep Bob.
'Ik kom er aan.' Was het antwoord van Robert.
Ze waren al enkele weken bezig met de merries voor de kar te leren lopen. En goed lopen ook. Want zoals Robert Firefeet had geleerd voor een kar te lopen, dat gaf geen mooi resultaat.
Als je met veel geduld met de dieren omging, zouden het goede trekpaarden worden.
'Ho, rustig Kate en Jane.' Stanley sprak de dieren kalmerend toe.
Het resultaat was iedere dag merkbaar. De paarden liepen steeds beter voor de kar.
Na een uurtje oefenen stopten ze met oefenen.
Ze gingen naar de stal, waar ze als ze tijd over hadden stallen maakten voor de paarden.
Ook nu gingen ze aan het werk, het werden simpele boxen, met twee wanden, de achterkant en een soort van deur die open gedaan kon worden.
Aan de zijkant werden haken gemaakt waar de voerbaken aan gehangen konden worden. Ook een houder voor de wateremmer ontbrak niet.
Er waren al drie boxen klaar, en de vierde was nu in aanbouw.
Gelukkig was het zomer, in de winter konden de paarden beter binnen staan.
De koeien konden wel tegen slecht weer, het waren koeien die uit de vrije natuur kwamen.
Maar paarden moesten ook werken, die moeten dus beter verzorgt worden.
Toen ze samen een box hadden afgemaakt, liepen ze naar binnen. In de kamer zetten ze een teil neer, en Stanley begon boven het vuur van de open haard, ze hadden nog geen echt fornuis, water te koken.
Het was zaterdag dus gingen ze in bad, zoals iedereen in die tijd deed.
Toen er genoeg warm water was ging eerst Robert in bad, terwijl Stanley weer naar de stal ging om te timmeren.
Jim en Archie waren de hele middag al weg, die zouden tussen een aantal heuvels een meertje proberen te maken, zodat er altijd water genoeg was. Om dat te bereiken ze een lager gelegen stukje tussen de heuvels vol laten stromen, terwijl ze de doorgangen afdamden. En een stukje verder lieten ze de mogelijkheid voor het beekje om door te stromen in het riviertje. Tenminste, als het meertje op hoog genoeg waterpijl was.
Toen Robert schoon was, ging Stanley in bad. Robert ging ondertussen een boek lezen, een boek over het gedrag van dieren.
Veel mensen zouden dat saai vinden, maar voor Robert was het een boek van de bovenste plank.
Even later kwamen Jim en Archie thuis, en toen Stanley klaar was gingen zij na elkaar in bad.
De volgende ochtend gingen Stanley en Robert weer naar de kerk.
En na de dienst ging Robert weer naar het groepje jeugd.
Ze stonden te praten, met Richard meestal aan het woord, over wat er te doen was in 'de grote stad.'
Opeens zag Robert in de verte een stofwolk, die naderde.
Na vijf minuten kon hij onderscheiden wat het was. Een huifwagen, die van niemand anders kon zijn dan van Digging Sam.
Hij zei het hardop en Richard lachte hem uit.
'Ja hoor, ik hoor het al. Haviksoog hebben huis op wielen van Sam in zicht. Ugh ugh.' Spotte Richard, een indiaan nabootsend.
Robert keek beledigd, maar hij kon er niets tegen doen, Richard was sterker en de baas. Als hij zich zou verzetten, dan zou hij uit de groep gegooid worden alsof hij er nooit geweest was.
De wagen kwam naar het leek niet dichterbij.
'Robert, kom je? We gaan naar huis.' Stanley riep hem.
Gelukkig. Dacht Robert, hij kon weg.
Ze reden naar huis, en daar bleef hij ook de rest van de dag.
De volgende dag gingen Robert en Stanley naar de stad.
Ze hadden een aantal dagen ervoor een grote voorraad boomstammen bij de timmerman afgeleverd, en de planken die er van gemaakt waren zouden ze nu op gaan halen.
'Zeg, zijn die planken al klaar?' vroeg Stanley aan de timmerman.
'Bijna. Ze liggen daar, over een half uur heb ik ze klaar.'
Stanley en Robert gingen naar de saloon.
'Ha, daar heb je Haviksoog.' Klonk het spottend uit de hoek.
O nee hè, Richard was er ook! Robert baalde ervan dat hij naar de saloon was gegaan, in plaats van naar de winkel. Maar gedane zaken nemen geen keer.
'Whisky en een bier graag.' Stanley bestelde te drinken.
'Zeg Robert, is dat een vriend van je? Die daar in de hoek? En sinds wanneer heet jij Haviksoog?' vuurde Stanley een aantal vragen op Robert af.
'Nee, dat is geen vriend van mij.' Zei Robert zuchtend.
'En dat Haviksoog dan?' wilde Stanley weten.
'Dat heeft hij verzonnen omdat is dacht dat Sam er aan kwam gisteren.'
'Dat is ook zo, alleen ging hij terug naar de dichtstbijzijnde ranch want de as van zijn kar brak bijna.' Verklaarde Stanley.
'Maar dat verandert er niets aan dat ze me Haviksoog noemen.'
'Trek het je niet zo aan, over een poosje is hij het vergeten.'
Robert dacht daar anders over, maar dat zei hij niet.
Ze keken even naar de pokerende mensen en toen zei Stanley:
'Kom, we gaan kijken of er in de winkel iets nieuws is. Hier valt toch niet veel te doen.'
Toen ze in de winkel geweest waren, Robert had weer nieuwe munitie gekocht, gingen ze kijken of het hout al gezaagd was. Dat bleek zo te zijn, en ze konden de kar volladen.
Ze waren daar een half uur mee bezig, aangezien het een aardige stapel hout was.
Ze reden naar huis en daar gingen ze werken aan een nieuwe schuur.
Stanley zei dat er een voorraadschuur moest zijn voor het graan, maïs en hooi.
Ze waren de hele dag er mee bezig, en 's avonds waren ze er nog niet mee klaar.
Na het eten vroeg Robert aan Stanley: 'Kan je mij net zo leren vechten als jij deed tegen die kerel een paar weken terug?'
Stanley keek Robert verbaast aan. Waarom vroeg die dat? 'Ik kan je denk ik wel een vechtsport leren, wat wil je eerst, Karate, Kung Fu, Juijitsu of Ninjutsu?'
Robert moest even nadenken. Doe maar Ninjutsu, dat is toch wat jij toen deed?'
'Ik gebruikte toen inderdaad Ninjutsu technieken. Maar bij Ninjutsu leer je ook vechten met en tegen zwaarden, wil je dat ook leren?' vroeg Stanley.
Robert moest weer even nadenken. 'Nee, dat hoeft niet. Maar je kan in plaats van een zwaard wel aan mij leren hoe je tegen een stok moet vechten.'
'Daar heb je gelijk in. Zullen we in de stal oefenen? Daar hebben we de ruimte.'
Robert ging akkoord en ze gingen in de stal oefenen.
Stanley gaf ook methodes hoe Robert sterkere spieren kreeg in zijn vingers, benen en armen.
Ook leerde Robert een van de belangrijkste dingen: meebuigzaamheid en ontwijken door lenigheid.
Toen vond Stanley het genoeg voor die dag, en ze besloten maar naar bed te gaan.
Maar Robert had zich voorgenomen om zo snel mogelijk een goed Ninjutsu vechter te worden, zodat hij Richard aan zou kunnen.
Hoofdstuk 18
De volgende dagen verliepen allemaal hetzelfde.
Stanley en Robert bouwden aan de nieuwe schuur, terwijl Jim en Archie aan het meertje werkten.
En 's avonds na het eten oefenden Stanley en Robert de vechtsport Ninjutsu.
Robert werd al steeds beter, en hij kon al steeds makkelijker ontwijken.
Maar Stanley leerde Robert nog meer. Omdat het een manier van vechten was die ontworpen was door mensen die begrepen dat je met lenigheid verder kwam, werd er vaak iets toegevoegd. Ook Stanley deed dat.
Hij leerde Robert salto's van daken, vanaf de grond vond Robert een beetje eng.
Het slingeren aan een touw leerde hij Robert ook, net als hindernissen nemen als een woeste rivier.
Ook leerde hij Robert met een lange zweep zo goed slaan dat hij aan de zweep kon hangen.
Dan kon hij daar ook aan slingeren, en kon hij mensen ontwapenen met één enkele slag.
Op die manier trainde Stanley per dag meer als een uur, en oefende Robert zelf ook nog op zijn minst een uur.
De dagen vlogen voorbij, het werden enkele weken.
En iedere keer als Robert in de stad was, werd hij herinnerd aan de naam Haviksoog.
Want ondertussen kende iedereen die naam. En ze noemden hem ook zo, tot de ergernis van Robert.
Maar wat er ook was, was dat Robert nu een volleerd Ninja zou kunnen zijn. De technieken beheerste hij in ieder geval.
Ook leerde hij nu dingen van karate, zoals met de hand een plankje doormidden slaan.
En hij was van plan Richard uit te dagen om te vechten, maar wel zo dat het leek alsof Richard de uitdager was.
En de zondag daarop kwam het tot die confrontatie.
'Doe niet zo bazig man, hij mag ook wel eens iets zeggen!'
Robert kwam op voor een andere jongen.
'Je moet niet doen alsof jij de sterkste en slimste ter wereld ben.'
Richard nam dat niet, en na wat geruzie riep hij: 'Zullen we morgen het even uitvechten?'
Robert keek rustig. 'Is goed, wat voor wapens?'
'Richard keek verbaasd. 'Gewoon, met de vuist, zonodig met stokken.'
Robert was tevreden. Zijn opzet was gelukt! 'In orde. Alleen stokken en de blote vuist zeg je, daar ben ik het dan maar mee eens.'
'Ik ga dat winnen jongens.' Schepte Richard op.
De meisjes dachten wel dat Richard zou winnen. En Ann moest ook bekennen dat Richard veel meer spieren had, en veel groter was.
De rest van de dag oefende Robert verwoed, hij zou winnen!
Hij probeerde de aanvallen met de stok te verbeteren. En hij was er al goed in.
Hij vertelde tijdens het avondeten dat hij morgen een ruzie uit zou vechten, met de sterkste jongen van Cattle Valley.
Opeens begreep Stanley waarom Robert zo wilde leren vechten.
Dat was ook de reden waarom hij nog wat tips gaf, vertelde in welke houdingen hij niet moest geraken omdat hij daar nog niet tegen geleerd had.
Jim en Archie gaven Robert de tip om vroeg te gaan slapen.
Ook maakten ze een goede stok, die getest werd door Robert, en hem heel goed beviel.
Het was een evenwichtige stok, die prettig in de hand lag.
Robert ging vroeg slapen, zodat hij de volgende dag veel energie had, en hij wist ook uit ervaring dat je als je uitgerust bent, meer pijn kan verdragen.
De volgende morgen gingen Robert en zijn 'coach' Stanley naar de stad.
Richard was er nog niet, en Robert ging dus uitzoeken waar hij het best kon beginnen.
Hij vond een goede startplaats, en hij kon goed uitwijken.
Toen kwam ook Richard.
De laatste voorbereidingen werden getroffen, en er werd besloten dat als Bart vond dat iemand gewonnen had dat er gestopt moest worden. Dan zou er een nieuwe ronde starten, net zo lang tot Robert of Richard opgaf.
Er was ook veel jeugd gekomen, en iedereen riep: 'Richard Richard!'
Richard had een mooie stok, met mooi gesneden figuurtjes.
Hij droeg een goede broek, met een netjes shirt.
Robert had zoiets niet. Hij had een simpelere stok, maar het was wel een sterke, goede stok.
En hij had zijn cowboybroek aan, en een normaal shirt aan.
Bart liep naar voren. 'zijn jullie er klaar voor?'
Robert keek naar Stanley, en die knikte. 'Ik ben er klaar voor Bart.' Zei hij daarom.
Richard's vader zei tegen zijn zoon dat die het kon winnen. Richard zei ook dat hij klaar was.
'Iedereen op zijn plaats.' Robert liep naar rechts van de straat en Richard naar de andere kant.
'Begin maar jongens!' riep Bart.
Eerst tasten de jongens elkaar de zwakke plekken af. Richard deed een uitval, die Robert ontweek. Zo speelde Robert het een tijdje. Opeens sloeg Richard met een harde klap tegen Robert's stok. En daarna meteen op Robert. Hij bleef maar slaan, maar het was niet heel de tijd raak omdat Robert wegrolde.
'Robert! Rol naar achteren en dan zwaard heffen!' riep Stanley.
Niemand begreep wat hij bedoelde, wat had een zwaard er nou mee te maken?
Maar Robert begreep het wel, en hij rolde naar achteren, en terwijl hij zich oprichtte hield hij de stok beschermend voor zich.
Richard had de snelheid niet kunnen volgen, maar toen Robert zich weer oprichtte probeerde hij te slaan. Maar Robert was weer helemaal terug. Hij weerde de slagen met gemak af, en hij sloeg af en toe ook naar Richard. En hij sloeg raak...
'Stoppen!' brulde Bart naar de twee vechtende mensen.
De volgende ronde gingen ze zonder wapen. Robert liep rustig en ontspannen naar Richard, die er ook aan kwam. Richard maakte zich klaar om uit te halen.
Iedereen hield zijn adem in. Dat ging er verkeerd voor Robert!
Ann hoopte dat Robert zich niet te erg zou bezeren, en dat het gevecht snel voorbij was.
Maar toen gebeurde wat er niet verwacht werd. Robert stapte naar voren, en toen Richard sloeg, stond er op die hoogte geen Robert meer, dus sloeg hij in de lucht. Tegelijkertijd pakte Robert de arm, trok er aan en pakte ook een been van Richard. Die had geen evenwicht maar door zijn vaart vloog hij over Robert heen.
Richard kwam hard terecht, maar herstelde zichzelf snel weer.
Hij stond op en viel nu voorzichtiger aan. Maar iedere keer wist die irritante Robert hem over zich heen te werpen.
Hij besloot dat dat niet meer zou gebeuren. En het gebeurde ook niet. De klap die hij wilde uitdelen schoot door, maar hij werd niet geworpen. Hij kreeg een klap in zijn gezicht. En nog een, en nog een! En toen hij achteruit stapte, struikelde hij over de voet van Robert!
Na deze ronde kwam er een ronde waarin er met de stok gevochten werd, maar ook met de hand.
Robert ontweek meestal een slag door te rollen, en af en toe probeerde hij te slaan.
En deze beurt was dat weer zo, Richard had aangevallen en wist dat Robert zou proberen te slaan, omdat hij zelf niet twee keer achter elkaar durfde aan te vallen.
Hij hield dus met beide handen de stok vast, bij de twee uiteinden, zodat Robert zijn stok zou kapot slaan.
Maar Robert had dat ook door, en die gooide opeens de stok naar achteren, en met de hand sloeg hij op de stok van Richard, zoals hij van Stanley geleerd had.
De karate techniek werkte, en Robert sloeg de stok met zijn handen doormidden.
Bij de toeschouwers steeg er een verbaast geroep op.
En Robert viel vanaf dat moment alleen maar aan, en al had Richard soms terug kunnen vechten, hij durfde het niet meer. Robert kon dus doen wat hij wilde, en hij trapte en sloeg zo hard hij kon. Totdat Bart weer riep dat er gestopt moest worden.
Er was een winnaar. Niemand had het verwacht, maar Robert was de winnaar!
Iedereen feliciteerde hem. Niemand keek naar de gewonde Richard, behalve diens vader.
Stanley sloeg Robert op zijn schouder en zei: 'Goed gedaan kerel.'
Ook de andere jongens feliciteerden hem, en ook de mannen die hadden gekeken.
Ann gaf hem een kus op de wang, en toen was ze weg.
Robert keek verbaast. Waarom deed ze dat?
In ieder geval had hij gewonnen van Richard, en dat was het belangrijkste.
Nu was hij de baas van de groep.
En de rest zou hij zondag wel merken, wat de andere jongens er van vonden dat hij de baas zou gaan spelen.
Hoofdstuk 19
Op de ranch ging het leven verder, daar had de vechtpartij nauwelijks invloed.
Natuurlijk was de kracht en handigheid van Robert wel opgemerkt, maar er werd geen extra aandacht aan besteed.
Thuis was hij nog steeds de gewone Robert.
Hij werkte net als gewoon aan de schuur met Stanley, verzorgde de dieren en bouwde aan zijn kamer.
Robert was namelijk bezig met de inrichting van zijn kamer, door planken, een kast, een tafel en een stoel te maken.
En hij spaarde ook nog steeds veren, om een matras van te maken.
En op die manier was het weer zondag geworden.
Na de dienst liep de jeugd weer naar de plaats waar ze altijd stonden.
De sfeer was nogal gespannen, omdat Richard er niet was.
Hoe zou Robert, die had bewezen de sterkste te zijn, doen tegen de anderen?
Een tijdje zei niemand iets.
Daarna begon een gesprek over paarden.
De meisjes zeiden net als altijd geen woord, maar de jongens konden tot hun verbazing zeggen wat ze wilden!
Ze werden niet onderbroken door de gene die de baas was.
Robert was een veel aardiger leider dan Richard geweest was.
Robert deed ook aardig tegen iedereen, tegen de vrienden van Richard, maar ook tegen degene die het laagst had gestaan in rang.
'Ann, Robert, komen jullie?' Stanley riep.
'We komen er aan!' riep Robert terug.
Hij liep samen met Ann naar Stanley en Mr. Cutter toe.
'We eten bij Mr. Cutter en zijn vrouw.' Zei Stanley tegen Bob.
Robert en Stanley gingen met de familie Cutter mee.
Ze reden op hun paarden, de kar die lag nog altijd vol met houtplanken.
Na het eten, dat beter smaakte dan Stanley en Robert zich konden wensen, liep Robert weer naar buiten, terwijl Ann hem volgde.
'Wat zullen we gaan doen grote baas?' vroeg ze spottend.
Wat was er met Ann aan de hand? Ze deed zo vreemd. Vond Robert.
'Zullen we een eindje gaan rijden?' Stelde hij voor.
'Is goed, ik zadel Rally op.' Stemde Ann er mee in.
Even later reden ze samen weg. Ann wist niets te zeggen, ze kon alleen nog maar denken.
'Waar gaan we heen?'jij mag het zeggen, jij bent immers de dame hier.'
'uhm, naar het bergmeer dan maar? Daar is het altijd lekker koel.' En rustig, dacht ze er achteraan. Maar dat zei ze niet, Robert mocht eens bedenken dat zei verliefd was...
'Dan gaan we daarheen.' Antwoordde Robert.
Ann keek eens naar Robert. Het was een sterke jongen, en nu hij zijn gewone kleding aan had, leek hij nog sterker en stoerder dan anders.
En zijn gezicht, het zag er eigenlijk best grappig uit, vond ze. Omdat Robert vaak zijn hoed verschoof zag je allemaal strepen die bruin waren van de zon. En hoe verder naar boven, hoe lichter het werd. Ze glimlachte even.
'Is er iets? Je lacht zo?' vroeg Robert.
Ann schrok op uit haar gedachten. 'Eh, niks hoor.' Antwoordde ze vlug.
Robert schudde zijn hoofd. Ann deed echt vreemd. Maar mooi was ze wel, met haar lichtblonde haren. En haar gezicht zag er uit alsof het een zon was. Zo vrolijk...
Tegelijk dacht Ann aan het gezicht van Robert. Het zag er zo vastberaden uit, en in die blauwe ogen kon je nooit doordringen. Robert was gesloten. Daarom maakte ze vast geen kans bij hem. Hij had geen meisje nodig, Stanley kon het ook zonder, en zoals iedereen kon Ann ook wel zien dat Stanley het grote voorbeeld was voor Robert.
Na het ritje gingen Robert en Stanley naar huis.
Toen Robert aankwam, liep hij naar binnen, pakte zijn geweer en besloot te gaan jagen.
Hij reed weg, en hij zocht naar wild.
Hij reed een bos in, met hoge bomen en veel struikgewas.
Opeens hoorde hij iets. Hij richtte zijn geweer op de richting waar het geluid vandaan kwam.
Maar opeens werd hij van achter besprongen, en hij viel van zijn paard af.
'La me los!' Riep Robert.
Firefeet was ondertussen zo erg geschrokken dat het edele dier er vandoor gegaan was.
Robert vocht als een bezetene, maar de aanvaller kreeg hulp.
Hoewel Robert van zich af sloeg, zat een overwinning er niet in voor hem.
'Zo, daar hebben we je.' Hijgde de een van de tegenstanders.
Robert stond met zijn rug tegen een boom aan, en de twee jongens stonden met bebloede gezichten voor hem. De een herkende hij onmiddellijk. Dat was ongetwijfeld Richard Barmin. De andere was een van diens beste vrienden, die 's ochtends ook niet was komen opdagen.
Richard hiel Robert met een stok tegen de boom aan gedrukt, terwijl hij tegen hem praatte.
'Kan je wel hè? Valsspeler! Je hebt iets gedaan waardoor ik verloor is het niet?' gilde Richard bijna.
Robert keek niet naar Richard.
Opeens zagen zijn ogen een kans. Boven hem hing een tak. Opeens deed hij zijn hand omhoog, terwijl zijn andere hand de stok wegsloeg.
Hij trok zich aan de tak omhoog, in een paar seconden.
Robert sprong van boomtak naar boomtak.
Toen hield de vlucht op naar het leek. De volgende boom stond vier meter verder, te ver voor een sprong.
Het was een aardig kale boom, met vrijwel geen bladeren.
Onder hem richtte Richard een boog, omdat hij geen geweer wilde gebruiken had hij een boog gemaakt.
Opeens schoot Robert iets te binnen. De zweep had hij bij zich.
Hij trok de zweep tevoorschijn, en juist toen Richard wilde schieten sloeg Robert de zweep om een tak van de andere boom. Hij had dit vaak geoefend en nu gebruikte hij het.
Richard liet de pijl los, maar net op dat moment zwaaide Robert naar de andere boom.
Hij miste die expres, zodat hij terug zou komen.
En hij kwam terug slingeren, nog voordat Richard en zijn vriend het begrepen hadden ze een laars in hun gezicht.
Robert liep los, en hij rende naar de plaats waar zijn geweer lag.
Hij nam het mee, Firefeet was weg, door het bos. Maar Richard en zijn vriend achtervolgden Robert, die al aardig wat energie had verloren, verloor terrein.
Daarom rende hij naar de prairie, waar hij zich zou verdedigen.
Hij rende zo hard hij kon.
Maar uit de richting van de prairie kwam ook iets aan, de grashalmen bewogen in ieder geval wild...
Hoofdstuk 20
Robert keek gejaagd. Vooruit was een risico, terug was ook gevaarlijk.
Rechts zou hij het niet redden, en links...
Daarom besloot hij rechtdoor te lopen. Maar het was niet meer nodig, het dier dat voor hem was naderde nu tot vier meter afstand.
Robert trok zijn mes. Achter hem hoorde hij geschreeuw, voor hem gesnuif.
Opeens stond een buffel voor hem. Het was een oudere stier, waarschijnlijk verstoten, dacht Robert.
Maar juist de stieren zijn gevaarlijk. En oudere stieren wegen zoveel, die maken je binnen tien tellen koud. Tenminste, dat had Digging Sam verteld.
Het was ook geen wonder dat Robert schrok. Maar hij bleef wel nadenken, en kwam tot de conclusie dat hij moest vechten.
Hij had tot zijn spijt geeneens een gewone revolver bij zich.
Wel had hij in zijn zak dat kleine revolvertje zitten. Hij pakte het, en laadde het ding gelijk.
Het dier had de tip-up* vergrendeling gehoord, en het wilde aanvallen.
Daardoor werd Robert zenuwachtig, en hij schoot. Omdat hij zenuwachtig was, richtte hij slecht, maar gelijk schoot hij nog eens. Hij schoot op de goede plek, in het oog van het dier.
Achter Robert kwamen Richard en zijn vriend tevoorschijn. Toen ze de buffel in het oog kregen, draaiden ze om en ze renden hard weg.
Robert pakte zijn zweep op, die hij had laten vallen toen hij de remington revolver pakte, en hij begon te slaan.
Het dier was al geschrokken door de kogel, maar nu werd het dier echt bang. Het dier probeerde tot Roberts schrik aan te vallen!
Robert werd voorzichtig, en ontweek de aanvallen. Het lukte omdat het dier pijn had, en niet goed kon coördineren omdat er een oog doorschoten was.
Robert wist dat hij dit niet lang vol hield, omdat hij al moe was door de achtervolging van Richard.
Hij nam dus de dolk goed in zijn hand, stak een aantal keer, en toen dat niet hielp probeerde hij de keel van het dier door te snijden.
Het duurde minstens een half uur voordat Robert dat voor elkaar kreeg, maar het dier raakte uitgeput door de pijn.
Toen floot hij, en al leek het onwaarschijnlijk, Firefeet kwam toch.
Dat was niet zo vreemd, aangezien het dier terug was gegaan naar de plaats waar het baasje het laatst gezien was. En dat was niet zo ver weg.
Robert keek voldaan naar het dier. Hij liet zijn dolk in de buffel zitten, en hij reed razendsnel naar huis. Daar aangekomen riep hij gelijk Stanley.
'Stanley! O daar ben je. Ik heb een buffel gedood. Wil je mee met de kar, om hem te halen?'
'Een buffel? Hmm we gaan wel. Was het een oude of een jonge buffel?'
'Denk je dat ik daar op gelet heb tijdens het gevecht met dat dier?' vroeg Robert.
'Je hebt gelijk. Daar denk je natuurlijk niet aan.' Lachte Stanley.
Een half uurtje rijden daarna kwamen ze bij de dode buffel aan.
'Er zijn gelukkig nog geen aasdieren bij geweest.' Zei Stanley.
Hij keek goedkeurend naar het dode dier. 'Een flinke stier. Jammer genoeg is het dus geen goed vlees om te eten.'
Robert keek vragend. 'Waarom niet? Het is toch gewoon vlees?'
'Als je dit urenlang kookt of braadt, is het nog oneetbaar. Het is taai, en niet zo lekker als van een gewone koe. En het is trouwens zo te zien ook nog een oud dier ook.' Was het antwoord.
Ze vilden samen het dier. De huid legden ze samen op de kar, want al was het alleen de huid, die woog ook nog heel wat kilo's.
De horens nam Robert ook mee, evenals de tanden. Een bewijs dat hijzelf dat dier had gedood zei hij.
'De tong nemen we ook mee. Die is heel lekker, in het oosten kost dat in een restaurant evenveel als een aantal biefstukken bij elkaar.'
Toen ze weer thuis waren legde Robert de huid in de schuur. Hij zou het helemaal schoon schrapen, het moest een mooie deken worden, of een matras of iets dergelijks.
Samen met Stanley wist hij het ding mooi schoon te maken, en met water overgoot hij het ding.
'Zo krijg je hem niet schoon. Je moet er mee naar de rivier, dan kan je alle beestjes er uitwassen.
Robert ging daarom maar met de kar naar het meertje dat gemaakt was, en waar Jim en Archie bezig waren met het sterker maken van de dijkjes die tussen de heuvels lagen.
'Wat kom jij hier doen met die kar?' vroeg Jim.
Robert lachte blij. 'Een bizonhuid wassen.' Zei hij doodleuk.
Jim en Archie keken alsof ze water zagen branden!
'Een bizonhuid? Hoe kom je daar aan?' vroeg Jim weer.
'Ik ben gaan jagen op zondag, in plaats van te gaan werken.' Antwoordde hij.
Robert waste de huid, en bracht de huid daarna weer in de stal, om te drogen. De dag erna zou hij de huid weer wassen, en weer drogen totdat Stanley het goed vond.
Zo werd het avond.
Na het wassen was Robert nog even gaan jagen, en hij had ganzen geschoten.
Dat was niet zo moeilijk geweest, in het bergmeer zwommen er hele groepen.
Zelfs een blinde kon daar ganzen schieten.
De veren bewaarde Robert voor het matras. Dan had hij een mooie deken, een lekker matras en hoefde hij alleen een hoofdkussen erbij te maken.
Hij had ook lekker eten, en als hij iedere week een aantal ganzen schoot had hij over een aantal weken al een matras.
Nu hij er over nadacht... in de stad wilden de mensen vast wel lekker vlees.
Morgen ging hij naar de stad, met een stuk of vijf ganzen. Zo nam hij zich voor.
De volgende morgen ging hij naar het bergmeer.
De ganzen waren er nog niet. Maar die zouden wel komen, ze kwamen pas iets later, ze aten ook eerst.
Daarom besloot hij eerst te gaan zwemmen. Zijn broek hield hij aan, hoewel de chaps wel uit gingen. Ook de laarzen gingen uit, en zijn shirt en hemd ook. Hij legde alles ,na eerst een beetje te wassen, op de kant.
Zelf sprong hij toen in het water. Hij zwom een paar keer heen en weer, in het ondiepe gedeelte. Erg goed zwemmen kon hij namelijk niet...
Hij merkte niet dat hij door meerdere mensen in de gaten gehouden werd, met verschillende doelen.
Ann keek toe, ze ging iedere morgen rijden, de laatste paar dagen naar het bergmeer.
En nu was Robert hier aan het zwemmen, en Ann durfde niet tevoorschijn te komen.
Robert werd ook in de gaten gehouden door twee andere mensen, die hem gevolgd waren.
Opeens stapte een van de personen naar voren. Het was Richard Barmin.
Robert keek verschrikt op. Weer die irritante kerel met een stok in de hand, Dacht hij.
Hij kwam uit het water en vroeg: 'Wat moet je van me?'
Richard lachte. 'durf je nog steeds te vechten tegen me?' vroeg hij.
'Als ik ooit bang word van jou, dan verhuis ik wel.' Was het antwoord.
Richard deed een schijnaanval met de stok. 'De volgende is raak.'
En weer sloeg hij toe. Maar nu was Robert sneller. Die deed namelijk een stap achteruit, en toen de stok voorbij was, sprong hij naar voren en greep Richard beet.
Richard werd met een grote boog het water in gegooid. 'En blijf van me af Richard!'
Opeens klonken er achter Robert voetstappen. Hij draaide zich om, maar het was te laat. Hij lag ook in het water...
Hij zwom naar de kant, waar Richard alweer opgeklommen was.
'En blijf van me af Richard.' Zei Richard Robert na.
Robert werd boos. Twee jongens met stokken tegen hem, zonder bescherming? Hij zou ze!
Hij deed ineens een uitval naar Richard, sloeg tegen de stok, die door de lucht vloog. En Richard vloog ook door de lucht, het water weer in. De vriend van Richard lag vijf seconden later ook kreunend in het water.
Robert sprong achter Richard aan, en hield hem onder water. En Robert liet hem niet boven komen.
Op dat moment sprong Ann op haar paard Rally, en liet het paard naar de plaats van het gevecht galopperen. Daar sprong ze al rijdend in het water. Ze zwom naar Robert toe, en ze trok aan zijn armen, en toen dat niet hielp gaf ze een enorme klap in Roberts gezicht.
'Je moet hem niet verdrinken, dan word je gepakt voor moord!' beet ze hem toe.
Richard kwam weer boven, hoestend. Zijn vriend had in het water gelegen met zoveel pijn dat hij niet eens aan Richard gedacht had.
'Je hebt je leven aan Ann te danken. Vergeet dat nooit Richard.' Robert zei die woorden rustig en duidelijk. Ann en Richard wisten dat het met hem ernst was.
Richard verdween daarom snel weer samen met zijn vriend.
'Bedankt dat je me hielp Ann.' Zei Robert verlegen. Hij had aan een meisje te danken dat er een moord voorkomen was!
'Dat zit wel goed.' Was het korte antwoord.
'Hoelang ben je hier al? Je kwam namelijk precies op tijd.' Vroeg Robert.
Op die vraag had Ann niet gerekend. 'Ik weet het niet.' Zei ze zacht.
Robert keek naar haar. Ann stond met gebogen hoofd naar beneden te staren.
'Wat maakt het ook eigenlijk uit. Ik heb alleen maar gezwommen.' Zei hij daarom.
Ann hief haar hoofd omhoog. Ze lachte weer. 'Je hebt gelijk, je zwom alleen maar.'
'Maar nu ga ik me weer aankleden, ik sta hier alleen met mijn broek aan, dat hoort niet bij een cowboy.' Zei Robert.
Daarna gingen ze samen jagen, de ganzen waren weer op het water geland.
Robert schoot genoeg ganzen om te verkopen, en hij had weer een voorraadje veren thuis.
En de ganzen wist hij te verkopen voor een goede prijs aan Bart, de salooneigenaar.
Thuis aangekomen ging hij weer aan het werk, met paarden africhten, dieren voeren en de schuur opbouwen. En 's middags waste hij de bizonhuid ook nog eens, zodat die in de zon kon drogen.
Jim en Archie hadden het meertje helemaal af, en waren vertrokken om wild vee te zoeken.
Stanley deed hetzelfde als Robert, namelijk aan de schuur werken en met de dieren bezig zijn.
En aan het einde van de dag was de schuur al een heel stuk beter.
Na het eten timmerde Robert aan een tafel, voor in zijn kamer.
Hij deed dat totdat hij er geen zin meer in had, omdat het niet goed wilde lukken.
Dus ging hij lezen in een boek over dieren.
Daarna ging hij slapen, en daarna zou hij klaar zijn voor een nieuwe dag.
Hoofdstuk 21
Er verstreken weer dagen, die zich aaneenregen tot weken.
En al die tijd waren Jim en Archie aan het zoeken naar wild vee.
Ze waren al een aantal keer thuisgekomen met wild vee, maar nu liep er nog, nu moesten ze hebben.
Stanley en Robert hadden ondertussen de schuur afgemaakt, en hadden ook al een aantal boxen gemaakt in de stal.
En nu had Robert en paar dagen vrij genomen voordat de hooitijd zou beginnen.
Dan zouden ze op de Gold Creek ranch ook gaan hooien, want in Kansas konden de winters ook koud zijn, en dit was Noord-Kansas. En in Dakota, verder naar het noorden, viel soms zoveel sneeuw dat een stad alleen herkend kon worden aan de daken.
De rest zat dan onder de sneeuw...
Gelukkig was het niet het beruchte 'zevende jaar' waarin een extreem geval zou opdoen.
Want volgens veel oudere mensen, en indianen, was er eens in de zeven jaar een strenge winter. Een droge zomer kwam ook iedere zeven jaar voor.
Net als een nat jaar. En zo nog wel meer voorbeelden van het 'zevende jaar.'
Robert reed naar de stad. Hij had zijn loon gehad. Het was niet veel geld, maar voor zijn vijftien jaren kreeg hij toch aardig wat geld.
En nu ging hij naar de stad om het uit te geven. Hij had in de general store een mooie winchester Yellowboy Carbine gezien.
En nu ging hij die kopen. Want een geweer met dertien patronen als capaciteit, dat was iets wat niet iedereen had!
Hij liep naar de saloon. Het geweer zette hij tegen de toog aan en hij bestelde bier.
Opeens stapte hij opzij. En daarmee verraadde hij dat hij schrok. Want daar in de hoek zat Ross, met Hank en Richard.
'Schrikt Haviksoog van ons?' lachte Ross gemeen, terwijl Hank en Richard grinnikten.
Robert antwoordde niet. Het had geen zin, ze waren immers met z'n drieën.
Maar toen liepen Ross, Hank en Richard naar hem toe.
Robert dronk rustig zijn bier verder op.
'Je wilt toch zo graag vechten hè?' Zei Richard.
'Laat me met rust! Anders ga je wat beleven!' reageerde Robert.
Ross lachte. 'Wie gaat er iets beleven? Jij of wij?' vroeg hij.
Robert zette zijn glas neer. Gelijk werd hij beetgepakt door Ross, Hank en Richard.
'Meekomen, dan zal je voelen wat pijn is.' Lachte Richard gemeen.
Robert werd naar buiten geduwd en getrokken. Toen ze op straat waren werd hij neergesmeten. En gelijk vielen Richard en Ross aan.
Robert verweerde zich dapper. Richard werd gewoontegetrouw met een enorme klap weggeslagen, terwijl Robert alweer met Ross bezig was. Maar gelijk schoot Hank toe.
'Kijk eens achter je kereltje.' Zei Ross.
Robert keek niet om, maar bukte. En dat was maar goed ook, want Hank wilde juist toeslaan.
Nu verloor hij zijn evenwicht en viel hij voorover.
Bijna kwam Hank tegen Ross aan. Maar die was snel genoeg om opzij te stappen.
En Robert moest weer klappen incasseren.
Ondertussen kwam Richard ook weer van achter. En die sloeg ook zo hard hij kon.
Robert kon niet meer. Hij deed een aantal keer een uitval, maar hij wist maar een van de drie tijdelijk weg te werken, zodat hij erg vermoeid werd.
En dat hadden Ross en Hank door. Richard niet, die dacht dat Robert nog vol energie zat, omdat Robert uiterlijk geen tekenen van vermoeidheid vertoonde.
En terwijl Robert zo in elkaar geslagen werd, was er een groepje rondom de vlechtende ontstaan.
En dat werd gezien door Stanley, die er aan kwam rijden met wat zeisen in de kar, die zou hij laten slijpen bij de smid.
Hij stapte af, rende naar het groepje toe en zag toen dat zijn beschermeling daar in elkaar geslagen werd. En hij zou Stanley niet geweest zijn als hij niet naar voren zou gegaan zijn om Robert te helpen.
'Opdonderen jullie.' Gromde hij tegen Ross, Hank en Richard.
Er werd niet naar hem geluisterd, Robert werd nog steeds geslagen.
'Wat jullie willen!' Stanley stapte naar voren, sloeg Hank met een klap waar al zijn woedde in lag tegen de grond. Ross duwde hij opzij, en Richard stopte zelf al met vechten.
'En laat dit niet meer gebeuren. En jullie, staan jullie daar alleen maar te kijken?' vroeg hij aan de toeschouwers.
Die liepen beschaamd weg. Ze hadden niets gedaan tegen die vechtpartijen.
Stanley ging naar de saloon en vroeg Bart om verband en andere dingen.
Daarmee hielp hij Robert een beetje, en toen bracht hij de zeisen naar de smid.
Toen die ze geslepen had ging Stanley met Robert naar huis.
Firefeet liep achter de kar, want Robert was niet helemaal in staat om te rijden.
Thuis had Robert een paar dagen nodig om bij te komen.
Hij was namelijk lelijk in elkaar geslagen, en op zijn hoofd was ook een regen van slagen gekomen. En daar had hij nog steeds hoofdpijn van.
Maar na die dagen was hij ook weer helemaal in orde.
Je kon wel zien dat hij gevochten had, maar hij had niet zoveel pijn meer.
En over twee dagen zou de hooitijd beginnen.
Stanley had al twee mannen uit het dorp gevraagd of ze wilden werken. En dat wilden ze.
Ze zouden ook een aantal kinderen meebrengen, die zouden het hooi op de karren aanstampen, zodat er meer in paste.
Stanley en Robert maakten de kar goed voor het hooi. En in de schuur werd alles weggezet.
Ze hadden al gezeisd, zodat er al hooi was ontstaan door de felle zon.
Het was hooitijd. Een tijd van hard doorwerken, want het hooi moest zo snel mogelijk binnen zijn.
Gelukkig werd er hard doorgewerkt, en al het hooi was aan het eind van de dag weg.
De schuur lag bijna helemaal vol, Stanley vertrouwde meer op schuren dan op hooibergen, en de kar paste er noch maar net bij.
De mannen werden uitbetaald, evenals de kinderen.
Archie en Jim waren nog niet terug.
En Robert en Stanley waren nog altijd bezig met de stal vanbinnen afmaken.
Het vorderde aardig. Er waren dertien paarden, en ze moesten nog een aantal boxen maken.
En ze moesten nog een plaats maken voor de zadels, en voor de kar.
Robert stond op het erf. Hij wachtte op Stanley die naar de stad was gegaan.
In de verte zag hij al een stofwolkje, dat zou Stanley wel zijn.
Toen Stanley dichterbij kwam zag Robert dat er een verbeten trek op het gezicht van Stanley lag.
'Wat is er aan de hand?' Riep Robert naar Stanley.
Stanley zei niets. Hij steeg af en bracht het paard naar binnen.
'Er is iets gebeurt wat jij misschien niet leuk vind. Kom maar mee naar binnen, dan vertel ik alles.' Zei Stanley...
Hoofdstuk 22
'Ik was in de stad, toen er een paar wagens stopten voor de saloon. De reizigers zagen er niet al te best uit, dus gaf Bart ze te drinken. En een van die mannen vertelde wat er gebeurt was.' Zei Stanley tegen Robert.
De reizigers hadden al geen mens gezien sinds ze uit Desert Watch vertrokken waren. De karavaan telde minstens dertig huifkarren. Twee dagen voor dat ze in Cattle Valley aankwamen gebeurde er iets.
De dag was gewoon begonnen als iedere dag. De hele ochtend reden ze.
Maar... op het heetste punt van de dag, als niemand goed oplet komen er ruiters aan.
De ruiters zijn pas te zien als ze dichterbij komen.
De mannen van de karavaan hebben geen argwaan, al legt een enkeling wel zijn geweer klaar.
Opeens veranderd de prairie in een slagveld, de ruiters schieten op de mannen van de karavaan. Die proberen een cirkel te maken, wat mislukt door de aanvallers.
Enkele karren ontsnappen, en een aantal mensen maken de paarden al los om daar op weg te komen.
En na twee dagen rijden als gekken kwamen enkele overlevenden in Cattle Valley aan.
Robert heeft het allemaal zwijgend aangehoord. Hij begon juist dat voorval van zijn vader te vergeten, en dan gebeurde dit weer.
'Hebben e iets gezien Stan?' het klinkt niet meer als een vraag, maar als een bevel om te antwoorden.
'Niet dat ik weet. Maar blijf even rustig, morgen zijn er misschien meer overlevenden.'
Maar het hielp al niet meer. Robert was naar buiten gerend, floot Firefeet en zadelde het dier razendsnel op.
Nog voordat Stanley Robert kon tegenhouden reed Robert weg.
In volle galop verdwenen paard en ruiter richting de stad.
'Die haal ik niet meer in, zo snel gaat Browny niet.' Dacht Stanley hardop. 'Maar ik kan wel rustig er achter aan gaan. Ik moet zorgen dat Robert niets te overhaast doet, want dat kan gevaarlijk zijn.'
Dus zadelde Stanley zijn paard, en vertrok rustig naar de stad.
Bart keek van het tafeltje op. Hij zat nu al een aardig tijdje te praten met de mensen, maar hij hoorde een geluid. Kwam daar een ruiter aan of niet?
Een halve minuut later kwam het antwoord binnen. En met grote stappen beende Robert, want hij was het, naar het tafeltje.
'Hoe zagen die schurken er uit?' vroeg hij aan een van de mannen.
De vrouwen waren niet in de saloon, die waren opgenomen door de burgers.
'Doe eens rustig Robert, deze mannen zijn daarnet overvallen weet je nog.' Zei Bart.
'Daarom wil ik het weten. Nu kan ik die schurken terugpakken, ik zal het doen ook.'
Hij richtte zich weer tot de mannen. 'Reden er voorop een man met een rode halsdoek en een man helemaal in het zwart?' vroeg hij.
'Ja, maar zoveel mannen hebben een rode halsdoek. En zwarte kleren zijn niet vreemd toch?'
'Ach zeur niet. Dit is belangrijk, waar gebeurde het trouwens?' regeerde Robert geërgerd.
'Ik weet het niet meer, jij wel Henry?' zei de man die tot nu toe geantwoord had.
De man die met Henry was aangesproken dacht even na. 'Twee dagreizen te paard hiervandaan, in een moordend tempo. Heb je een kaart? Dan kan ik het vast wel aanwijzen.'
Bart bracht snel een kaart. 'Hier is de kaart jongens.' Zei hij.
Robert keek op de kaart. 'En waar was het?' vroeg hij aan Henry.
Henry keek nauwkeurig. 'We reden met een kleine omweg, via het noorden. Dat duurt iets langer, maar er is na een dag of drie uit Desert Watch een meertje. Dus we gingen zo.'
Zijn vingers gleden vanuit een punt dat door Bart eens getekend was als Desert Watch naar een klein rondje op de kaart, een stukje noordelijker.
'En toen gingen we naar Cattle Valley. Maar daar ongeveer,' hij maakte met zijn vinger een cirkel over de kaart, 'is een rotsvlakte. Daar reden we omheen, weer een omweg dus.
En toen we hier weer op de route kwamen, werden we overvallen.'
'Maar dat is tientallen mijlen, ik denk wel vijftig, hier vandaan. Hoe kunnen jullie dat in twee dagen doen?' vroeg Robert.
'Daar weet je zelf het antwoord wel op Robert. Jij kwam ook in twee dagen tijd hier, dat zei je zelf!' klonk een bekende stem achter hem.
Robert draaide zich om, en keek recht in het gezicht van Stanley.
'Stanley, ik weet waar ik moet zijn voor die schurken. Ga je mee of blijf je hier?'
Stanley keek verbaasd. 'Waarom ga je? Dat is niet veilig!'
'Kom je nog, of moet ik alleen gaan?' vroeg Robert ongeduldig.
'Eerst thuis nog was handige dingen ophalen, vind je niet?'
'Is goed , Doen we Stanley. Ik wist wel dat je zou meedoen.'
Stanley zuchtte. Daar zat hij weer in een avontuur, zonder dat hij het eigenlijk wilde!
'Hier, pak aan Robert.' Stanley gaf een verrekijker aan Robert.
'Ik ga even te eten pakken Old Rusty.' Zei Robert.
Stanley dacht na. 'O, is goed.' Zei hij afwezig.
Stanley pakte zijn geweer. 'Heb jij je geweer ook al?' riep hij.
'Ja, staat tegen de schuur.' Was het antwoord.
Stanley controleerde of hij genoeg munitie meenam in de zadeltassen.
Hij pakte de dekens, en genoeg veldflessen. Want het zou aardig droog worden...
Na een paar uur hadden ze alles wat ze nodig hadden.
Het zou gevaarlijk worden, maar Stanley wist dat Robert door zou zetten.
'Kom, dan gaan we. En niet te hard rijden, dat is overmorgen je paard doodop.' Zei Stanley.
Samen reden ze van de ranch naar de stad, en daar reden ze weer verder.
Nadat ze de hele middag gereden hadden besloten ze kamp te maken.
Toen ze geslapen hadden gingen ze weer verder.
Zo ging het twee volle dagen. Toen zagen ze iets...
'Kijk Stanley, dat daar zijn de Rocky Plains. Daar ergens zijn ze overvallen.'
'Je hebt gelijk. Wacht, dan pak ik de verrekijker er even bij.'
Stanley pakte de verrekijker er bij. 'Daar ergens zie ik een kapotte kar liggen. Daar moeten ze dus denk ik zijn.'
'Laat mij eens kijken.' Zei Robert. Hij zag dat Stanley gelijk had.
Daar moest hij heen, en dan kon hij afrekenen met die schurken!
Samen reden ze naar de plaats toe. En inderdaad lag daar een kapotte kar.
Verder lag er niets, behalve een aantal graven die uit de verte onzichtbaar waren.
'Het zijn geen onervaren mannen. Op die kar en graven na zijn er geen sporen achtergelaten.' Zei Stanley terwijl hij afsteeg.
Ook Robert kom van zijn paard. 'Je hebt gelijk Stanley, er zijn geen sporen.'
Maar Stanley gaf het niet op. Hij zocht en vond een spoor ,iets van een touw of kabel dat getrokken was.
Samen volgden ze het spoor, totdat het in de rotsvlakte verdween.
'Opletten Robert. Als je ergens een krasje ziet, dan kan dat een spoor zijn.'
Robert lette daarom goed op, en doordat hij scherpe ogen had vond hij al snel een krasje.
En daar bij die steen ook al...
'Stanley! Ik heb een spoor gevonden.' Zei Robert tegen Stanley.
Stanley rende gelijk naar hem toe. 'Wat dan? Ik zie niets.'
'Kijk dan, hier. En hier nog een en daar nog een.'
Stanley keek. 'Denk jij wat ik denk over waar dit spoor heen leid?'vroeg hij aan Robert...
Hoofdstuk 23
'Kijk, hier ook al een paar krasjes. Er is zeker iets groots langs gegaan.'
Robert vond nog steeds krasjes. Ze volgden het spoor nu een ruim kwartier en Stanley vermoedde dat de schuilplaats achter de heuvels kon liggen.
'Stil eens.' Zei Robert. En even later: 'nu hoor ik niets meer.'
Robert was gespannen. Hij was een beetje bang voor de moordenaars van zijn vader.
Samen liepen ze tussen de rotsen door, Stanley betwijfelde of ze wel verder zouden kunnen.
Het werd namelijk steeds donkerder.
Opeens hoorde Stanley hoefgetrappel. Hij duwde Robert opzij, achter een rotsblok.
Zelf ging hij ook achter een blok zitten.
Robert hoorde na een paar minuten ook het geluid wat Stanley had gehoord.
Even later reed er een man voorbij. Hij had blijkbaar haast, want hij reed met onverantwoorde snelheid tussen de rotsblokken door.
Robert sprong tevoorschijn en liep achter het paard aan, dat zich snel uit het zicht verwijderde.
Stanley probeerde Robert terug te roepen maar die hoorde Stanley niet.
Stanley liep achter Robert aan, met het geweer in de hand.
Opeens kwam het geluid weer dichterbij. Stanley verstopte zich weer achter een rots, maar voor Robert was het te laat.
Waar Robert stond waren grote blokken, waar je niet goed achter kon gaan staan, omdat daar geen ruimte was.
Robert probeerde op de blokken te klimmen, maar omdat hij geen grip had gleed hij naar beneden.
Wat moet ik doen? Straks is die ruiter hier en sta ik in het pad. Dan hebben ze me door. Dacht Robert. Hij kon geen uitweg meer bedenken.
Daar kwam de ruiter! Robert drukte zich met zijn rug tegen de rotswand aan en hield zichzelf zo stil mogelijk.
De ruiter was er nu bijna. Robert spande zijn ogen tot het uiterste in om te kunnen zien wie het was. En door de schemering viel het niet mee...
De ruiter reed rustig voorbij. Opeens sloeg Robert met het geweer de man uit het zadel.
De man probeerde kreunend overeind te komen, maar door de enorme klap had hij te veel pijn.
Stanley kwam er aan rennen. Hij pakte het paard, en leidde het weg naar waar hijzelf verscholen had gezeten.
Robert hield de man in bedwang. Stanley kwam na vijf minuten al terug, met het lasso van de man zelf. Ze bonden de man vast, en na hem bij zijn paard gelegd te hebben vervolgden Stanley en Robert hun tocht.
Stanley had gelijk gekregen. Achter de heuvel lag het kamp van de schurken.
Robert besloot naar een van de grotere schuren te gaan, die een stevige deur had.
De schurken waren blijkbaar allemaal al binnen, want Robert zag niemand.
Stanley zou voor de dekking zorgen. En hij zou ook waarschuwen bij onraad.
Robert sloop naar voren. Op een rotsachtige ondergrond viel dat niet mee, kwam hij achter.
Opeens rolden een aantal steentjes weg. Robert vloekte, dat had niet mogen gebeuren!
Langzaam kwam hij dichter bij de schuurdeur, en hij wilde zich juist oprichten toen de deur openging.
'Nou Mike, ik hoop dat je een leuke avond verder hebt met die mannen.' Lachte iemand.
Er kwam een brommend antwoord terug. 'Ga jij maar naar binnen, jij heb het al gehad.'
De man die was aangesproken liep inderdaad naar binnen.
Robert had gedacht dat hij gezien zou worden, maar tot zijn verbazing keek de man niet op of om.
Maar nu had hij iets waar hij op moest letten. Er was een man in de schuur, die Mike.
Verder waren er nog 'die mannen' waarmee misschien gevangenen werden aangeduid.
Daarom onderzocht Robert eerst of er een raam was.
En dat was er, bovenaan bij de achterkant. Robert dacht da hij er wel op kon klimmen, het was niet dat je nergens steunpunten had.
Maar hij had zich vergist, zoals bleek. Hij had geen rekening gehouden met de duisternis en hij moest dus voorzichtig zijn voet of hand ergens plaatsen.
Maar na een kleine klimpartij was hij bij het luikje, dat er voor zat.
Het 'luikje' was ongeveer één vierkante meter. Robert probeerde het open te wrikken met zijn mes. Toen dat niet lukte besloot hij te kijken naar de zwakke punten in het luik.
En bij het slot was het zwak. Hij wist daar het mes tussen een spleet te krijgen, en het schuifslotje open te maken.
Toen dat gebeurd was klom hij naar binnen.
Hij kwam terecht op een brede balk, een steunbalk waarschijnlijk. Hij keek even voorzichtig rond. Hij was niet gezien? Mooi, hij zou het luik even dichtmaken, en dan die Mike uitschakelen.
Hij deed het luik inderdaad dicht, en hij klom over verschillende balken naar voor in de schuur. Daar zat Mike, samen met acht andere mannen.
Voor zich had Mike een rijtje kaarten liggen. Patience als Robert het goed zag.
In ieder geval keek de bewaker niet naar de gevangenen.
Maar de gevangenen hadden Robert al wel ontdekt. Het waren blijkbaar geen onervaren mensen, want ze lieten niets merken. Ook begonnen ze niet te bewegen of iets degelijks.
Robert schatte de afstand tot de grond. Zo'n twee en halve meter dacht hij.
Hij keek naar Mike. Die had een revolver in zijn holster, en een geweer op tafel naast de kaarten.
Opeens kwam voor Mike, die juist een probleem met de kaarten op aan het lossen was, iemand neer. Precies tussen de kaarten. Er moet gezegd worden dat hij snel reageerde, hij probeerde zijn revolver te trekken terwijl hij naar achter sprong.
Maar Robert sprong al,waardoor Mike lag op de grond voor hij het door had.
Robert trok zijn revolver, richtte die op Mike en liep iets naar achteren.
Gelijk pakte hij met zijn andere hand zijn mes, en sneed de touwen van een van de mannen door. Die ging eerst zijn polsen masseren, die vastgebonden hadden gezeten.
Robert begreep dat hij Mike snel moest ontwapenen en vastbinden, omdat er niet geschoten kon worden.
Gelukkig was de man die hij bevrijd had slim genoeg om niet tussen Robert en Mike te gaan staan. Daarin tegen liep de man achterlangs en ontwapende Mike rustig. Daarna bonden ze hem vast, en werden de andere zeven mannen bevrijdt.
De man die als eerste bevrijdt was liep naar Robert toe.
'Ik ben Jake Travers, bedankt dat je me bevrijdde.' Zij hij terwijl hij zijn handen uitstak.
Robert schudde de hand. 'Ik ben Robert, en buiten staat nog iemand, Stanley heet hij.'
De andere mannen stonden nu ook op. Ze liepen gezamenlijk naar Robert en Jake toe.
'Dit is Jerry Mason, hij helpt me bij mijn werk. Ik ben trouwens marshall in Kansas.' Zei Jake. Toen hij was uitgesproken drong een andere man naar voren. Een kleinere man, met zwart haar en felle ogen. 'Ik ben James Colpen, ook een marshall in Kansas. 'En deze drie mannen' -hij wees drie jongemannen aan- 'helpen mij bij het opsporen van criminelen.'
Toen kwamen de laatste twee mannen naar voren. 'Wij zijn hetzelfde als de anderen, ik ben Christiaan en dit is Charlie.' Zei hij tegen Robert.
'Hoe komen jullie hier allemaal eigenlijk?' vroeg Robert.
Christiaan deed het woord, hij was als eerste uitgezonden...
'Ik en Charlie waren uitgezonden om deze bende aan te pakken. Dus wij zijn naar die rotsvlakte gegaan. We zijn gepakt door deze bende na een vuurgevecht.'
Robert kreeg het idee dat deze man niet zo'n prater was.
Opeens hoorde hij iets, een geluid van buiten!
'Jake, pak de hoed van Mike, trek ook dat vest aan en ga daar zitten. Neem jij de revolver maar.' Robert dacht even na. 'En jullie gaan daar zitten, ik leg de touwen over jullie heen zodat ze geen argwaan hebben. En jij Christiaan, jij moet achteraan zitten, het geweer plat naast je op de grond. Zelf ga ik wel weer op zo'n balk zitten.'
Ze voerden het plan snel uit. Iedereen begreep dat dit het beste plan was op het moment.
Robert klom op het tafeltje waar Jake achter zat, en greep naar de balk.
Op het moment dat hij zichzelf omhoog wilde hijsen, ging de deur open....
Hoofdstuk 24
'Mike? O daar zit je.' Een man kwam naar binnen. Robert hield zijn adem in, hij had zich net op tijd omhoog kunnen trekken, terwijl Jake zich over de kaarten had gebogen.
'Je moet bij Patrick komen, hij heeft iets voor je. Ik blijf hier wel even.'
O nee! Jake kon moeilijk tegenover Patrick doen alsof hij echt Mike was, en dan hadden ze deze man nog eens! Dacht Robert. Hij seinde naar Christiaan dat ze de man zouden overmeesteren.
'Ik kom er aan, even kijken waar ik deze schoppen zes kwijt kan.' Mompelde Jake naar de man. Ondertussen hield hij Robert in de gaten, want hij was degene die Robert gelijk zou moeten helpen.
'Nu!' riep Robert opeens. De man keek verbaasd omhoog, naar de plaats waar Robert eerst had gezeten.
'Zoek je mij soms?' vroeg Robert om de man af te leiden. Ondertussen kwam Christiaan omhoog, met het geweer in zijn hand. Jake stond ook op, met een getrokken revolver.
'Handjes in de lucht maat, wij zijn met z'n drieën.' Zei Jake.
De man draaide zich om. Robert maakte van de gelegenheid gebruik om zijn revolver te trekken. Met drie man konden ze die ene wel te baas, zeker omdat er nu drie wapens op hem gericht zijn, dacht Robert.
Dat bleek waar te zijn, en ze bonden de man stevig. Nu hadden ze een revolver extra, die Jerry kreeg. Nu waren er vier mensen gewapend.
Ze besloten dat Christiaan in de schuur zou blijven met de andere mannen, Jake zou naar die Patrick gaan terwijl Robert en Jerry achter hem aan zouden gaan om hem te helpen.
Jake liep naar het woonhuis. Daar zou die Patrick zich wel bevinden.
Robert en Jerry bleven in de buurt en Jake liep naar binnen, op de voet gevolgd door Robert.
Gelukkig stond er niemand in de gang. Op goed geluk opende Jake een deur.
'Wegwezen! Je heb niets in de keuken te zoeken stuk schorem.' Werd er geroepen.
'Daar was Patrick in ieder geval niet.' Concludeerde Jake nuchter.
Opeens hoorden ze uit een andere kamer een geluid komen.
'Ga maar. En vraag even of Mike al onderweg is.' Hoorden ze een stem.
De deur ging open en er kwam iemand naar buiten.
'Kom mee, dan gaan we naar binnen.' Zei Jake terwijl hij de deur opende.
Jake keek snel rond in de kamer. 'Daar, kruip er achter nu!' siste hij.
Robert deed vlug wat Jake zei en kroop achter een kast, terwijl Jake naar binnen stapte.
'U liet mij roepen?' vroeg Jake, in de rol van Mike.
'Zeker Mike. Ik heb een klusje dat alleen jij goed kan uitvoeren. De rest vind het laf.'
Jake knikte. 'Wat moet ik doen en wat verdien ik?' vroeg hij.
'Je moet de nieuwe marshal omleggen. We kunnen hier niet nog zo een opbergen.'
'Hoezo is hij zo belangrijk en durft niemand anders?' vroeg Jake.
'Hij is een verbazend goede schutter. In een duel of gevecht win je niet van hem, daarom moet je hem van achter omleggen. En doe het goed, want hij geeft je maar één kans!'
'En wat levert het mij op?' vroeg Jake.
'Kom, pak een sigaret. Dan praten we er eens rustig over.' Zei Patrick opeens vriendelijk.
Jake pakte de sigaret aan en ging zitten. 'Kijk, ik wil maar een ding, en jij doet wat ik vraag.'
'Wat dan? Ik ben nog altijd je baas hoor!' zei Patrick geërgerd.
'Omdat jij hier geen kennis mee wil maken Patrick!' zei Jake terwijl hij Mike's revolver op Patrick richtte. 'En kom jij eens tevoorschijn Jerry.' Zei Jake, terwijl hij per ongeluk de naam van zijn hulp gebruikte.
We zullen voorzichtig moeten zijn. die Patrick is niet ongevaarlijk. Dacht Robert.
Hij stond op, met de revolver in de hand.
'Handen in de lucht Patrick.' Zei Jake.
Voor Patrick zat er niets anders op dan gehoorzamen. Dus stak hij zijn handen.
'Doe je riem eens af jongen, ik houd hem wel onder schot.'
Robert deed het, en daarna maakte Jake Richard vast, en duwde hem een prop in de mond.
'Kom, we gaan verder door het huis. Ik neem de revolver van Patrick mee.' Zei Jake.
Samen liepen ze verder door het huis,totdat opeens iemand wil naar binnen kwam rennen terwijl hij riep: 'Mike en Jim zijn overmeestert. Een marshal is weg, misschien hier binnen. Maar ze houden dus die schuur bezet!'
Gelijk was heel het huis in beweging. Mannen renden heen en weer, sommigen naar buiten en anderen liepen naar de trap.
'We moeten in de schuur komen. Ik ga wel, jij bent te jong.' Zei Jake vlug.
Wat denkt die man wel niet? Dat ik een kind ben of zo? Dacht Robert.
Robert besloot te luisteren naar Jake, en ging buiten op zoek naar Stanley.
Opeens hoorde hij, en de schurken ook, hoefgetrappel. Een klein groepje ruiters kwam er aan.
'Daar is Black Jack!' riep iemand. En inderdaad, voorop reed iemand die volledig in het zwart gekleed was.
Robert schrok. Die man had hij twee maal gezien, bij zijn vader op de wagen en op de ranch..
Onbewust ging zijn hand naar de colt aan zijn rechterheup. Opeens werd hij weggetrokken door iemand, en stond hij ineens achter het huis.
'Wie ben jij, gek. Laat me los!'
'Rustig! We zitten hier niet veilig hoor!' hoorde Robert de bekende stem van Stanley.
'Ben jij het! Laat me nooit meer zo schrikken!' zei Robert boos.
'Anders had jij die kerel doodgeschoten. En dat is geen goed idee met die figuren hier.'
Daar moest Robert Stanley gelijk in geven.
'Wat doen jullie hier? Hé, jullie ken ik niet!' zei een man die langs liep.
Stanley reageerde razendsnel. Hij trok de man achter het huis en begon te slaan. Hij sloeg op de slaap, zodat de man bewusteloos raakte.
'Die laten we liggen. Kom mee, we moeten hier weg.'
Robert volgde Stanley maar. Ze renden naar de rotsen en gingen daar achter liggen.
'Die in de schuur houden het nooit lang uit, ze hebben geen munitie en daar boven in het huis zitten scherpschutters achter die ramen.'
'Ik klim wel omhoog hier, via de achterkant en dan kan ik ze uitschakelen.' Zei Robert.
'Van mij mag je, maar doe voorzichtig. Ik geef je wel rugdekking als het nodig is.'
Robert stond op. Eindelijk iemand die hem niet als kind behandelde!
Hij sloop naar de achterkant van het huis. De ramen die hoger lagen, daar moest hij in. Maar dat moest wel stil gebeuren, want anders zou hij ontdekt worden.
Hij keek eerst naar de uitsteeksels in de muur. Het waren er weinig, maar hopelijk genoeg.
Als hij bij het balkonnetje kon komen, en van daaruit door het raam kon klimmen was hij binnen.
Hij besloot naar het balkonnetje te gaan. Hij had weinig houvast en toen hij bij het balkonnetje kon greep hij die ook gelijk vast.
Maar... hij had nog niet genoeg grip om zich omhoog te trekken en dus hing hij daar, een paar meter boven de grond aan een balkonrandje.
Zijn ene hand begon te glijden maar omdat zijn hand ergens tegenaan kwam bleef de hand liggen. Robert voelde voorzichtig wat het was.
Het was een plankje! Hij greep zich er aan vast, terwijl zijn andere hand naar zijn mes gleed.
Zijn mes stak hij vervolgens in het balkonnetje en aan die twee voorwerken wist hij zich op te trekken. Net op tijd, want beneden kwam er iemand de hoek om renden. Gelukkig had die man niet door dat er iemand half op het balkonnetje zat, en rende hij dus door.
Robert klom over de rand heen, en stond op het balkonnetje. Het werd niet vaak gebruikt want het was er een rommeltje, en het vuil lag over de hele vloer verspreid.
Robert lette er niet op en keek naar het raam. Die afstand kon hij wil hebben. Hij moest zich eerst vastgrijpen, bedacht hij, en daarna laten vallen. Dan hing hij er goed onder. Als hij zich dan weer optrok kon hij binnen komen.
Voor de zekerheid maakte hij toch zijn lasso maar vast aan het balkon, voor als het mis zou gaan.
Hij voerde zijn plan gelijk uit. Hij greep het kozijn vast, en liet zich vallen. Helaas maakten zijn voeten veel lawaai toen ze tegen de muur kwamen. Daar had hij niet op gerekend.
Maar op dat ene puntje na liep het goed, hij wist zich op te trekken en stond in de kamer.
Hij liep naar de deur en opende die. Het was helemaal leeg op de gang, niemand was er.
Hij besloot naar de voorkant van het huis te gaan, en daar een kamer binnen te dringen.
Ook dat idee voerde hij uit, hij liep naar voren, opende een kamer en stapte naar binnen.
Daar stond iemand te schieten.
Opeens zei iemand tegen hem: 'Handen omhoog kereltje!'
Hoofdstuk 25
Robert draaide zich voorzichtig om. Het was een nette kamer, met in een hoek een bed, en aan de andere kant een bureau. En achter dat bureau zat iemand, in het halfdonker. Maar de revolver was goed genoeg zichtbaar.
'Wie bent u?' vroeg Robert uiterlijk rustig. Wat moest hij doen?
'Wie ik ben gaat jouw niets aan. In ieder geval luistert iedereen hier naar mij, jij dus ook.'
Robert antwoordde niet. Dat zou hij nog wel eens zien, of hij luisterde!
'Maar ga zitten. Daar staat nog een stoel. Maar ik moet je handen kunnen zien.'
Robert pakte de stoel en ging zitten.
'Kijk, jij snapt natuurlijk dat ik dingen doe, of beter gezegd laat doen, die niet toegestaan zijn. en als er dan een aantal bemoeizuchtige marshals komen dan moet ik ze uitschakelen. Ik heb er al een voorraad gevangen genomen, al zijn er meer gedood. Maar dat weten mijn mannen niet. Alleen Black Jack, die daar staat. Maar ik moet nog iets vragen: wat kom jij hier doen?'
Robert dacht na, zou hij de waarheid vertellen? 'Ik zocht mijn oom Jake, die marshal is. Hier was zijn laatste werkterrein. Ik ben dus gaan zoeken en ik kwam hier uit. Toen heb ik Mike overmeesterd en de gevangenen bevrijd. Daarna zijn we hier heen gegaan, en toen ontdekt werd dat Jim en Mike overmeesterd waren ging oom Jake terug. En ik besloot toen ik zag dat hier boven schutters waren deze schutters uit te schakelen.' Loog Robert de man voor.
'Je maakt mij niet wijs dat jij dat alleen deed. Jij bent daar veel te jong voor.' Zei de man
'U bedoelt dat ik een kind ben? Ik kan wel iets zelf hoor!' antwoordde Robert gespeeld verontwaardig.
'Rustig maar. Vooruit, je deed het dus alleen. Hoeveel wapens hebben ze daar?'
Robert dacht na. Zou hij zeggen dat hij het niet wist, of zou hij zeggen dat er veel wapens waren? Hij koos voor het laatste. 'Ze hebben allemaal een wapen, sommigen zelfs twee.'
'Iedereen een wapen, sommigen zelfs twee. Dus acht man, plus twee is tien is zestig.' Rekende de man in zijn hoofd.
Waar had die man het over, acht plus twee is tien, logisch. Maar tien is zestig? Robert snapte niet waar dat op sloeg.
'Hoe wist jij die mannen te bevrijden?' vroeg de man. Robert had het idee dat het een slim iemand was, maar dat je hem wel voor kon liegen.
'Dat zeg ik niet, maar iedereen zou het kunnen.' Was het rustige antwoord.
'Jij weigert te praten? Ik ken wel mannieren om jouw toch te laten praten,' zei de man.
Robert bleef stil. De man kwam uit zijn stoel overeind, en liep dreigend naar Robert toe.
Op dat moment had Robert al die tijd gewacht. Hij greep de man bij de pols en draaide de revolver zo dat er voor hemzelf geen gevaar meer was. Daarna pakte hij de revolver af, terwijl hij de man een duw gaf.
'Handen omhoog jij! En vlug een beetje.' Commandeerde hij.
De man besloot wijs te zijn en stak zijn handen de lucht in.
'Maar waarom doe je dit? Ik behandelde jouw toch ook goed? Of niet soms?'
'Mond houden jij! Je hebt mijn vrienden niet goed behandeld, dat is erg genoeg.'
Robert liep terug naar de deur. Gelukkig durfde Black Jack ook niets te doen.
Met zijn voet deed Robert de deur open en opeens sprong hij naar buiten.
Hij rende naar de zijkant van het huis. Tegen de muur van de gang stond een kastje.
Robert greep het vast een sleepte het dwars, zodat hij het als dekking kon gebruiken.
En dat was maar goed ook, want binnen een paar seconden stonden Black Jack en zijn baas bij de hoek. Toen ze het kastje zagen begrepen ze waar Robert was.
Black Jack trok zijn revolver en begon te schieten. Gelukkig voor Robert was het kastje van goed hout gemaakt en drongen de kogels er niet door heen.
De baas van Black Jack was teruggerend naar zijn kantoor om een revolver te pakken.
Robert maakte van de gelegenheid gebruik om zich helemaal op Black Jack te richten.
Die durfde niet meer om de hoek te kijken door de goed gerichte schoten van Robert.
Vlug trok Robert het kastje iets naar achteren, en loste toen weer een schot.
Daarna kwam de baas er aan en die begon samen met Black Jack opeens verwoed te schieten.
Robert schoot, blijkbaar raak want de baas trok zijn arm met een schreeuw terug, terwijl hij zijn revolver liet vallen. Robert maakte van de gelegenheid gebruik om naar achter te rennen. Hij gooide het luik van het raam open en keek hoe ver het naar de grond was.
Moest hij wel springen? Als hij er over nadacht kon hij best wel zichzelf blijven verdedigen tegen de schurken. Maar als zijn munitie op was zouden ze hem zo hebben. Dus besloot hij te springen.
Met een kleine aanloop sprong hij naar buiten en kwam een paar meter lager op zijn voeten terecht, waarna hij doorrolde om de val te breken.
Hij rende weer naar de achterkant, om dekking te zoeken. Want voordat hij de hoek om was hadden enkele van de schurken hun wapens al afgevuurd.
Robert wist dat de schurken binnen enkele seconden om de hoek konden komen, dus hij zou nooit snel genoeg weg kunnen rennen. Daarom besloot hij dat hij weer omhoog moest.
Gelukkig had hij zijn lasso laten hangen, dat kwam nu van pas.
Hij klom tegen de muur op, met behulp van het lasso, en pakte de balkonrand vast. Daar trok hij zich aan op. Het lasso trok hij razendsnel omhoog.
'Waar is hij gebleven? Hij kan niet ver zijn.' hoorde Robert onder zich.
Hij besloot stil te blijven liggen, om zichzelf niet te verraden.
'Handjes in de lucht, vriend.' Hoorde Stanley achter zich.
Hij wilde zichzelf omdraaien, maar opeens voelde hij een mes tegen zich aan.
'Had je niet gedacht zeker? Maar met alleen dit mes kunnen we jouw wel de baas. Charlie, pak jij even zijn revolver?'
Charlie, zoals de man was genoemd, kwam naar Stanley toe. Juist toen de handen van de man vlakbij de revolver van Stanley waren, reageerde Stanley bliksemsnel.
Hij pakte de arm van de man vast en trok de man zo dat de man het mes wegsloeg.
Stanley stapte een stukje terug, terwijl hij zonder dat de mannen het zagen, zijn koppel afgespte. Stanley wilde namelijk niet vechten met de revolver.
Toen Stanley zijn koppel achter een klein rotsblok had gegooid liep hij weer naar voren.
Hij wist dat hij in de minderheid was, hijzelf tegen vijf mannen.
Maar hij vertrouwde op zijn verstand van vechtsporten, waar de anderen waarschijnlijk niets van wisten. En daar had hij gelijk in, want toen hij naar voren stapten vormden de anderen wel een halve cirkel, maar toen Stanley een schijnaanval deed vielen ze allemaal al verkeerd aan. Dat bood Stanley de kans ze uit te schakelen, waar hij ook mee begon.
Hij trapte twee tegenstanders weg, terwijl hij een derde bewerkte met de onderkant van zijn gestrekte hand. De man verloor ook zijn mes, wardoor ze allemaal ongewapend waren. De andere twee probeerden hem van achter aan te vallen, maar Stanley rolde vlug weg waardoor ze hun evenwicht verloren.
Helaas voor Stanley waren de twee anderen weer teruggekomen, en vielen ze hem aan.
Dat hadden ze beter niet kunnen doen want binnen een halve minuut lagen ze alle twee naar adem te happen en te kermen tegelijk.
De twee die van achteren aan probeerden te vallen kregen dezelfde behandeling als hun voorgangers, terwijl de overige niet meer durfde.
Stanley rende terug naar zijn revolver en gespte zijn koppel weer om. Daarna trok hij rustig zijn revolver en ging hij zitten op een steen.
De mannen krabbelden één voor één overeind, terwijl Stanley ze beval op afstand te gaan staan. De mannen durfden niets anders dan te gehoorzamen want ze hadden gemerkt hoe gevaarlijk die ene man was...
'En wie zijn jullie?' vroeg Stanley.
'Wij zijn,' antwoordde de man die eerst ook al het woord voerde, 'Wij zijn U.S. Marshals.'
Stanley keek verbaasd. 'Ik dacht dat die heel goed konden vechten?' vroeg hij verbaasd...
Hoofdstuk 26
Robert was al die tijd stil blijven liggen. Nu richtte hij zich voorzichtig op en keek naar beneden.
Niets te zien, dacht hij. Hij besloot dat hij maar naar beneden zou gaan om Stanley te zoeken.
Hij ging voorzichtig naar de rand van het balkonnetje. Daar klom hij over de rand en hing hij aan het balkonnetje. Hij deed alles zo stil mogelijk om zich niet te verraden.
Roberts handen verplaatsten zich naar het lasso dat hij had opgetrokken. Hij voelde het touw aan de zijkant van zijn hand en hij wilde het vastpakken. Om het touw vast te kunnen pakken moest hij even die hand loslaten. En toen hij dat deed, voelde hij opeens alle grip wegglijden.
Hij viel naar beneden en met een harde klap viel hij op de grond.
Voorzichtig stond hij op terwijl hij aan zijn linkerbeen voelde. Hij mocht nog blij zijn dat hij niet op zijn rechterheup was gevallen, bedacht hij. Dan had hij nog veel pijn gehad.
Opeens drukte Roberts zich tegen het huis aan. Hij trok zijn revolver en keek of die geladen was. Toen dat zo bleek te zijn pakte hij de revolver die hij had afgepakt. Die bleek nog maar één van de zes patronen te bevatten die er in konden. Snel laadde hij die bij, en wachtte af of het geluid dat hij gehoord had dichterbij kwam.
Een halve minuut later kwam er iemand de hoek om. Robert schoot en met een gil viel de man neer. Robert voelde zijn benen trillen. 'Ik heb een mens vermoord' schoot het door hem heen.
Veel tijd om er over na te denken had hij niet, aangezien een tweede man om de hoek kwam.
De man struikelde bijna over zijn vriend, maar leek niet aangedaan omdat zijn vriend was vermoord. Integendeel zelfs, de man gebruikte zijn kameraad als dekking.
Robert durfde niet te schieten, het was al erg genoeg dat hij iemand had gedood.
Gelukkig wist de man niet waar hij was, want anders had hijzelf net als zijn tegenstander op de grond gelegen.
'Vechten kunnen we wel, maar dan tegen normale wezens.' Zei een van de mannen tegen Stanley. 'Niet tegen vechtmachines zoals jij.'
Stanley reageerde niet. 'Willen jullie mij helpen om mij vriend uit de handen van die schurken te houden?' vroeg hij.
'Wij jouw helpen? We hebben wel wat beters te doen!' antwoordde een kleine man met zwart haar. Drie anderen, jonge mannen, knikten instemmend.
'Ik help je wel.' Zei de man die Charlie heette. Het was iemand die blijkbaar niet uit hetzelfde hout was gesneden als de anderen. 'Hoe ziet die vriend van jouw er uit?'
'Donkerblond haar en blauwe ogen. Hij is vijftien jaar oud, en dezelfde lengte als een gemiddeld iemand van zestien. Bruinleren chaps en een geel overhemd. Daar heeft hij een leren vest over aan. En hij heeft een colt revolver aan zijn rechterheup.'
De mannen keken allemaal verbaast. 'Hij is ook nog eens handig met zijn wapens?' vroeg Charlie.
'Zeker. Wat is er, kennen jullie hem dan al?' vroeg Stanley verbaasd.
'Dat kan je zeggen. Hij heeft ons en drie anderen bevrijdt. Nu doe ik iets terug.' Zei Charlie eenvoudig. 'Zullen we gaan?'
Robert was voorzichtig achteruit gekropen en ging de hoek van het huis om. Hij keek even naar de muur en bij het eerste beste raam keek hij naar binnen. Er zat niemand, dus sloeg Robert de ruit in. Dat maakte uiteraard de nodige herrie, maar dat kon Robert niets schelen. Hij klom naar binnen en rende naar de hoek. Daar stond een kast met geweren.
'Winchester, sharps, Springfield... Colt revolving rifle!' Robert greep een geweer en keek of hij geladen was. De man van wie al deze wapens waren had genoeg geld en hersens zat om ze te laden, dacht Robert. Snel liep hij naar de deur met het geweer in zijn handen.
'Lopen! Ze hebben versterking, in die schuur zitten er nog steeds een voorraad, dat joch was aan de achterkant en er is ook nog een groepje van een man of vier gezien. Jij, jij en jij gaan daarheen, jullie naar boven. En jullie pakken hierbinnen een paar goede geweren.' Klonk het op de gang. Robert schrok, die mannen zouden dit vertrek in komen. En hij zou opgemerkt worden, zeker met dat kapotte raam. Hij keek nog eens rond in het vertrek. Ten opzichte van de deur hingen aan de linkerwand een paar planken die vollagen met allerlei kleine vuurwapens. Dan had je die andere muur, waar ook het raam in zat. Daar lagen op kisten allemaal messen. Recht waren er allemaal gewerenkasten of houders. En boven zijn hoofd en de rest van de muur waar ook de deur in zat hingen allerlei oudere geweren op pistolen.
Robert besloot naar de kant van de revolvers te gaan. Hij greep gelijk een paar revolvers en legde die op een kist. Vlug schoof hij de kist iets naar voren, waarbij er een paar van de messen omvielen. Daarna ging hij achter de kist zitten, legde de revolvers voor zich op de grond en probeerde de messen een beetje recht te zetten. Gelukkig was het een hoge kist en was Robert onzichtbaar voor iemand die gewoon de kamer binnenliep. Maar als iemand naar de messen of revolvers liep...
Gelukkig was dat niet het geval. Maar toen drie mannen bij de geweren stonden, ontdekte er al snel een dat een geweer weg was. Hij keek rond en zag het vlak naast de deur staan.
'Vreemd, de baas is hier heel zuinig op.' Zei hij. Robert hield zijn adem in. Dat had hij beter niet kunnen doen, want toen de man met het geweer naar de kast liep slaakte hij een zucht. En dat hoorde de man. En al was er niet direct iets aan de hand, de man was niet gek. Al snel ontdekte de man dus ook dat er een stuk of zes revolvers weg waren, en dat er een aantal messen schuin stond.
'Jongens, kijk uit. Die kerel zit in die hoek!' riep hij terwijl hij zijn geweer richtte.
'Gek! Daar zit munitie in. Dat ontploft als je er een kogel injaagt. En anders wel de staven dynamiet.' En de ander man duwde het geweer weg. Robert begreep dat hij wel kon schieten, maar dat er niet terug geschoten zou worden uit angst voor een explosie.
Dus snel pakte hij een van de revolvers en schoot. Drie kogels, in het dak boven de mannen.
Toen de mannen niet reageerden schoot Robert voor ze in de grond.
'Wegwezen, straks schiet hij je dood!' en de mannen renden naar de deur. Robert begreep dat hij niet kon blijven zitten en deed alle revolvers in holsters die in een kist onder de planken zaten. De holsters deed hij over zijn hoofd en dan zijn arm erdoor. Toen hij dat gedaan had liep hij met in zijn rechterhand een revolver naar de deur. Hij deed de deur voorzichtig open en schoot. Een paar seconden later was de gang leeg. Waar moet ik heen om de anderen te kunnen helpen? Dacht Robert. Hij besloot weer naar de kamer te gaan waar hij gevangen genomen was. Hij rende de trap op, sloeg een man naar beneden die hem tegen probeerde te houden en trapte de deur van de kamer open. Alleen de baas was er, Blackjack was blijkbaar weg, en die werd door Robert vastgebonden met een aantal riemen. Daarna legde Robert alle holsters op de grond, behalve die van zichzelf. Hij pakte het geweer dat in een hoek stond en keek uit het raam. Al snel zag hij een tegenstander richten. Met een goed gemikt schot schoot Robert hem neer. Alweer eentje, dacht Robert. Maar omdat hij geen zin had om daar lang over na te denken richtte hij zijn aandacht weer op het erf. Daar stond er nog eentje. Robert mikte weer en ook deze keer viel iemand door zijn kogels. Opeens schrok Robert. Er liep iemand de trap op, meerdere zelfs. Hij ging zitten op de plaats waar de baas ook had gezeten, want dat was zoals hij had gemerkt een goede plek om af te wachten.
Enkele seconden later werd de deur weer opengetrapt, waar een salvo van revolverschoten op volgde. Toen er gemerkt werd dat het doelwit niet eens op de plak was geweest waar zij dachten, liepen ze naar het open raam. Op dat moment schoot Robert. Twee, drie schoten loste hij en er vielen evenzoveel mannen. Een paar mannen die bij het raam stonden sprongen naar buiten, terwijl de anderen naar de deur renden. Robert bleef schieten, en daarna ging hij achter de schurken aan die via de deur weggingen. Gelukkig voor hen waren ze al naar beneden, want Robert schoot gelijk. Robert liep naar de plaats waar hij eerder gesprongen was en keek naar buiten. Tot zijn verbazing stond Stanley daar.
'Kom naar beneden, zo meteen komen ze met z'n allen naar boven.' Zei Stanley.
Robert sprong gelijk, terwijl hij het geweer naar Stanley gooide.
'Laten we hier weggaan, ze zien ons als ze boven zijn.'
'Geef eens een van die riemen met holsters aan Charlie, hij heeft geen wapen.' Was het rustige antwoord.
Robert was verrast, maar er was geen tijd om te praten. Toe Charlie de revolver had renden ze naar de voorkant van het huis. Daar bleven ze even staan.
'We moeten ze allemaal gevangen nemen, dat is het beste. Al mag je schieten want ze worden levend of dood gezocht.' Zei Charlie.
Met zijn drieën liepen ze naar binnen. Robert wees op de kamer waar hij en Jake al geweest waren. 'Daar zijn ik en Jake al geweest, die man zit vastgebonden.'
Vlug opende Charlie de deur en ze liepen naar binnen.
'En opnieuw mag ik zeggen: welkom!' hoorde Robert een voor hem bekende stem...
Hoofdstuk 27
Razendsnel trok Charlie een revolver. Pang, een kogel schoot naast hem in de muur.
'Doe maar wat rustiger met je handjes, anders zal ik raak moeten schieten.' Zei de man achter het bureau, ofschoon hij het niet was geweest die schoot.
Stanley stootte Charlie aan. 'doe die revolver weg, met dat ding in je hand kan je toch niets.'
Charlie gehoorzaamde, maar het ontging Robert niet dat hij het met tegenzin deed.
'Volgens mij ken ik jullie twee niet,' zei de man die op het bureau zat. 'Ik ben hier de baas, jullie luisteren dus, dat is Patrick. En daar- de man wees naar de zijkant van de kamer- staat Black Jack. En nu ga ik jullie vertellen wat jullie moeten doen.'
Robert keek snel even rond. Hij, Stanley en Charlie stonden bij de deur en de muur die er bij hoorde. Links van hem stond die kast, met een klein stukje ruimte ernaast waar hij zich al eens eerder had verstopt, bij de linkerhoek aan de kant van de buitenmuur stond Black Jack.
In het midden van de kamer stond een groot bureau, met erachter een mooie stoel. Daar zat Patrick op. Ook aan zijn kant stond een stoel, zag Robert. In de rechterhoek, aan de andere kant van het bureau stond een stevige brandkast.
'Jij ook, anders help ik je even.' Zei Patrick opeens tegen hem. Vlug keek hij naar Charlie en Stanley. Die waren met hun gezicht naar de muur gaan staan.
'Jij duik achter die kast, jij achter de man die ons ontwapent en ik redt me wel.' Zei Charlie zacht.
'Patrick, ontwapen jij die mannen eens,' zie de grote baas. Patrick liep gelijk naar de mannen Charlie toe.
'Nee! Sukkel!' riep Black Jack. Toen gebeurde er van alles tegelijk. Robert sprong achter de kast, Stanley trok Patrick, die in de vuurlijn van zijn baas liep, voor zich en Charlie sprong naar voren en dook tegen het bureau aan. Één seconde later hadden Robert en Charlie hun wapens al te pakken en hield Stanley de tegenstribbelende Patrick goed vast.
Vier schoten klonken en Black Jack en zijn baas doken weg, de baas onder het bureau, dat aan de achterkant dicht was, zodat Charlie hem niet kon zien. Black Jack dook aan de andere kan van de kast, zodat Robert alle tegenstanders uit het oog verloor.
Charlie kroop voorzichtig naar de rechterkant van de kamer. Waarom doet hij dat nou weer? Dacht Robert. Maar gelijk begreep hij het. Black Jack zat aan de andere kant van de kast, en kon daardoor Charlie beschieten. Robert sloop voorzichtig langs de kast. Nog steeds kon hij Black Jack niet zien. Opeens zag hij een revolver en een arm. Roberts arm schoot uit en de revolver ging af,de kogel kwam tegen de brandkast. Met zijn andere hand trok hij de arm naar zich toe, en dwong Black Jack zo naar zich toe te komen. Snel stond hij op en trapte zijn tegenstander in het gezicht. 'Voor mijn vader.' Siste hij. De woedde tegen de man gaf hem een kracht van een volwassene. Keer op keer schopte hij de ander neer of duwde hem weg.
Charlie had eerst verbaast gekeken, maar begreep dat hij nu de kans kreeg om de grote baas uit te schakelen. Hij kroop om het bureau heen en zag daar de baas, die keek naar het gevecht.
'Handen omhoog, nu!' riep hij opeens. De grote baas deed wat hem gezegd werd en stak zijn handen in de lucht. Charlie pakte zijn mes en prikt de man in zijn rug. Toen stak hij zijn revolver weg en pakte hij die van de grote baas.
'Ga nu daar maar weer zitten. En stil blijven.' Zei Charlie tegen de man en hij wees onder het bureau. Zelf nam hij een paar meter afstand, zodat hij niet zomaar kon worden aangevallen.
Ondertussen had Robert Black Jack de kans gegeven om overeind te komen.
'Kom op dan,' daagde Robert zijn tegenstander uit.
De vuist van Black Jack schoot uit. Robert weerde af en sloeg tegen de slaap van Black Jack.
Gelijk trapte hij Black Jack, die even duizelig was, tegen de grond.
'Heeft iemand een touw?' vroeg hij zonder om te kijken.
Vlug gooide Charlie, die een paar touwen had zien liggen, een opgerold stuk touw naar Robert. Daarmee bond Robert Black Jack stevig vast. Daarna werden de andere tegenstanders gebonden. Om te voorkomen dat de schurken zichzelf konden bevrijden namen ze alle sleutels die er waren én de wapens mee en draaiden ze de deur achter zich op slot.
'Daar hebben we voorlopig geen last meer van.' Zei Charlie.
'Waar laten we de wapens en wat gaan we doen?' vroeg Stanley.
Charlie dacht even na. 'Als ik naar Jake ga en hem probeer uit de schuur te krijgen, kunnen jullie alvast de anderen aan wapens helpen.'
Aangezien Stanley en Robert geen van beiden iets beters wisten te verzinnen besloten ze dat ze het zouden doen.
'Kom, ik weet waar ze waren toen Charlie met mij mee ging.' Zei Stanley over zijn schouder.
Toen ze bijna op de plaats waren die Stanley in gedachten had, ketste er opeens twee meter naast hem een kogel tegen een steen. Gelijk ging hij liggen. Robert volgde zijn voorbeeld gelijk op en fluisterde: 'Wie zijn daar?'
Stanley haalde zijn schouders op, hij wist niets meer dan Robert.
Samen slopen ze meter voor meter vooruit tot ze vlakbij een paar mannen waren.
'Dit zijn ze!' riep Stanley verbaast. De mannen keken om en een van hen richtte een wapen op Stanley. 'Wat is er?'
Robert antwoordde. 'Wij zijn gestuurd door Charlie. Hier hebben jullie wat wapens erbij.'
Robert overhandigde ze drie revolvers.
'Bedankt,' zei een van de jongemannen, maar de rest pakte ze zwijgend aan. Eén keek er zelfs vijandig, meende Robert te zien.
'Niet praten, schieten!' Stanley riep iedereen weer terug naar de werkelijkheid.
Nu iedereen een wapen had, de mannen hadden eerst met z'n vieren slechts een wapen gehad, konden ze elkaar beter helpen.
Doordat ze met zes man waren die stuk voor stuk goed konden schieten, wisten ze al snel de tegenstanders uit te schakelen.
'Die hebben we ook weer gehad.' Zei een van de mannen luchtig. Hij liep naar de neergeschoten mannen toe. PANG! Robert hoorde een schot en zag de man vallen.
'Kijk uit!' riep hij. Zelf ging hij alweer achter het blok liggen.
ze bleven schieten tegen de tegenstanders, die zich ook niet onbetuigd lieten.
'Ik moet die kerel daar gaan helpen, hij crepeert zo!' siste Stanley tegen Robert.
'Ik ga met je mee, maar kunnen we niet beter eerst die mannen daar uitschakelen?'
'Dat ben ik ook van plan.'
Samen slopen ze om de tegenstanders heen.
'Schiet maar tussen hun twee in, maar raak ze niet. We gaan niemand in de rug schieten.'
Robert luisterde naar wat Stanley zei. 'tussen die met die bruinen hoed en die kerel zonder hoed dus?'vroeg hij voor de zekerheid.
'Die ja.'
Robert mikte zorgvuldig en vuurde. De kogel kwam precies tussen de twee mannen in.
Die draaiden zich gelijk om en schoten terug. Stanley besloot ook te gaan schieten, en al snel lagen er twee schurken op de grond.
'Nog drie te gaan' zei Stanley, terwijl hij weer richtte. Enkele minuten later lagen alle tegenstanders op de grond.
'We dragen hem naar de schuur, hier kan hij niet blijven liggen.' Zei Robert, terwijl hij de zwaargewonde op zijn rug nam.
'Het ziet er niet goed uit voor ons. Er zijn nog enorm veel misdadigers hier aanwezig, en wij hebben al twee gewonden, Jerry en die man die jullie meebrachten. We moeten hulp hebben uit de stad.' Zei Jake, terwijl hij peinzend rondliep.
We zijn nu nog maar tien uren vrij, het is nog niet eens zo heel erg lang dag en nu hebben we al problemen met gewonden en munitietekorten. Heb jij een paard?' vroeg hij opeens aan Robert. 'Ja, we hebben hem een stuk terug achtergelaten.'
'Mooi, jij ga naar de stad, ik schrijf wel een briefje aan de sheriff. Hoe heet je?'
'Noem hem maar Haviksoog,' zei Stanley opeens.
'Toepasselijk, je zag zo haarscherp in het donker.' Vond Jake.
Snel schreef hij een briefje aan de sheriff.
Sheriff,
Ik verzoek u om een posse samen te stellen.
Ik ben Travers, marshall in Kansas.
Met twee gewonden en munitietekort vraag ik om u hulp,
Wij vechten tegen een groep schurken, verantwoordelijk
Voor de overvallen op kolonisten, een stuk kleine afstand van
Desert Watch. Haviksoog wijst u de weg wel.
Daarbij stopte hij de ster van Jerry en gaf het aan Robert.
'Pak je paard en rijdt zo snel als het dier kan naar Desert Watch. Ga nu.'
Robert zocht Firefeet, zijn trouwe paard. Na hij een tijd had gelopen vond hij het dier, dat in de schaduw had staan slapen. Uit zijn veldfles goot hij wat water in zijn hoed en gaf het aan het dier. Daarna steeg hij op. 'Vooruit jongen, je hebt genoeg kunnen rusten,' zei hij terwijl hij zijn paard aanspoorde.
Een moment later galoppeerden paard en ruiten door de droge omgeving...
Hoofdstuk 28
Robert voelde dat Firefeet niet lang meer op volle snelheid verder kon. Maar hij moest wel, want als hij niet snel de sheriff waarschuwde dan zouden zijn vrienden omkomen.
Hij reed richting het meertje waar de meeste karavanen lang reden om water op te doen.
In de verte zag hij een stofwolk naderen, misschien was dat een karavaan!
Hij naderde de karavaan (want dat was het) snel, en binnen een half uur had hij de karavaan bereikt. Daar hield hij Firefeet in en keek Robert om zich heen.
'Wie ben jij?' vroeg een man die op een paard zat. een van de verkenners, dacht Robert.
Toen Robert niet gelijk antwoordde zei de man: 'Niet praten? Ook goed, je bent nu onze gevangene.' En de man pakte een trompet en blies enkele signalen.
Binnen enkele seconden gingen de zeilen van de huiskarren open en sprongen er mannen uit.
Uit iedere kar minstens vijf geüniformeerde mannen, zag Robert.
'Doe je handjes maar in de hoogte, vriend!' zei de man die de trompet had.
Robert overwoog zijn kansen. Firefeet kon razendsnel keren, en als hij zijn revolver op die kerel gericht hield, dan zou hij misschien kunnen ontsnappen...
'Ontsnappen lukt je niet, dat kan ik je vertellen. Voordat jij en je paard twintig meter verder zijn lig jij doorzeeft op de grond, en je paard waarschijnlijk ook. En als dat niet gebeurt kom je toch niet ver, want jouw paard is duidelijk moe.' Zei de man, alsof hij Roberts gedachte raadde.
En kwam een groepje soldaten te paard aan. 'Wie is dat?' vroeg een van de mannen.
'Dat weten we nog niet, Majoor' antwoordde de man met de trompet.
'Kijk dan of hij iets bij zich heeft.' Was het nuchtere antwoord.
Gelijk beval de man Robert af te stijgen. 'En nu doe je je koppel af en laat je hem vallen.'
Robert besloot te gehoorzamen en gooide zijn koppel op de grond. Gelijk schoot er een soldaat toe om het weg te halen.
'Als u dit even wilt lezen,' zei Robert terwijl hij uit zijn zak het briefje wilde halen.
'Afblijven!' riep de trompetter, en hij richtte een revolver. En hij was niet de enige die iets deed, de majoor had ook een revolver gepakt en een soldaat wilde Robert slaan. Dat vond Robert toch iets te ver gaan en hij reageerde dan ook snel. Hij weerde de slag van de soldaat af en sloeg met de andere hand tegen het gezicht van de soldaat. Maar deze had wel geleerd hoe hij zich moest weren en bovendien was de man lang en breed, zodat Robert in minder dan een seconde op de grond lag. De man wist dat als hij op de grond zou gaan vechten dat hij zijn voordeel van lichaamsgrootte kwijt was en wachtte daarom af. Hij had er alleen niet op gerekend dat zijn tegenstander oosterse vechtsporten kende...
Robert stond snel op en deed een schijnaanval. De soldaat sloeg toe maar miste. Op dat moment pakte Robert de man vast en trok hem over zijn rug heen op de grond en wachtte tot de man opstond. De soldaat gaf niet zo snel op en stond dus snel weer op de benen. Maar na een paar aanvallen gaf hij toch op en bleef hij op de grond liggen.
'Iemand anders nog?' vroeg hij. Opeens schoot hem te binnen dat als hij een bijnaam gebruikte, de mannen meer respect zouden hebben én dat ze eerder zouden geloven dat hij die Haviksoog uit het briefje van Jake was. Daarom voegde hij er aan toe: 'Let wel op: niemand wint van mij, Haviksoog!' terwijl hij hoopte dat dat genoeg indruk maakte.
Snel greep hij naar zijn binnenzak en gooide de ster, met aan de spelt het briefje, voor de majoor die inmiddels afgestegen was.
De majoor pakte de ster en het briefje en begon te lezen.
'Ben jij Haviksoog?'vroeg hij aan Robert.
'Inderdaad, en wie zijn jullie?' was het antwoord van Robert.
'Ik ben majoor Heally en jij ga mij met mijn afdeling begeleiden naar dat kamp, begrepen?'
'In orde Majoor' antwoordde Robert snel, terwijl hij wel kon juichen van blijdschap omdat er nu een legeronderdeel zou helpen in plaats van een groep burgers.
'Waar heb jij zo leren vechten?' vroeg de man die de huifkar bestuurde, terwijl hij bewonderend naar Haviksoog keek.
'Van een vriend.' Was het korte antwoord.
'Je hebt wel lef, dat moet ik je nageven. En dat is maar goed ook, want Heally heeft een hekel aan lafaards. Al vind hij het niet leuk dat je een van zijn beste soldaten op de grond hebt gelegd.' Zei de man grijnzend. 'Hoelang is het rijden naar die plaats?'
'Met de huifkar duurt het nog wel tot de avond tot we er zijn. misschien is dat wel een voordeel, want dan kunnen we de schuren en het huis ongezien naderen.'
'En wat moeten onze ruiters dan doen? Ik neem aan dat die teveel herrie maken.'
'Ruiters?' vroeg Robert verbaast.
'Ja ruiters, we hebben er zo'n vijfentwintig.' Antwoordde de man.
Robert was verbaast. Hij had helemaal geen ruiters gezien, op de trompetter en de officieren na.
'We zullen wel zien wat die moeten doen als we er zijn.' antwoordde hij daarom maar.
Aan het einde van de dag waren ze nog lang niet op de plaats waar ze heen moesten.
Als Haviksoog het goed inschatte waren ze nu pas op de helft.
'Vannacht gaan we door en morgenochtend rusten we uit, als we er zijn.' deelde de majoor mee.
De nacht verliep zonder problemen. Toen ze er waren werden de paarden uitgespannen en konden de mannen gaan slapen.
Die ochtend werd Robert wakker van enkele schoten. Vlug kwam hij overeind terwijl hij zijn geweer op scherp zette. Hij was niet de enige, veel van de soldaten deden hetzelfde.
'Waar zijn ze? Hoeveel zijn het er?' klonk het van verschillende kanten.
'Ze zijn niet in de buurt.' Riep Robert boven iedereen uit.
'Waar moeten we heen, Haviksoog?' vroeg de majoor.
'kom maar mee, maar zeg alstublieft dat iedereen stil is.' Verzocht Haviksoog.
De majoor besloot dat de trompet niet gebruikt kon worden en ging daarom op een grote kei staan. Dat hielp, de mannen werden stil.
'We gaan nu naar het slagveld, iedereen moet stil zijn en je loopt netjes twee aan twee. Luister naar Haviksoog hier, dan komt het wel goed.' Zei hij.
Even later trok de groep soldaten als een lange slang over het pad. de mannen die op een paard zaten reden achter.
'Kunt u mij tien mannen geven die vrijwel altijd raakschieten en niet bang zijn?' vroeg Robert aan Heally.
'Ik geef je m'n beste mannen, wat wil je er mee gaan doen?' antwoordde de majoor.
'Ik ga een bevrijdingsactie doen en daarvoor moeten die mannen rugdekking geven.'
Antwoordde Robert. 'En u gaat met de overige soldaten de gebouwen in de gaten houden.
Je ziet vanzelf wel welke schuur bemant wordt door de marshalls. En de ruiters moeten als ik het sein geef opeens in volle vaart langs alle gebouwen heen terwijl ze schieten, dat geeft een verrassingseffect. Daarna kunnen ze van de andere kant ook aanvallen.'
'Is goed, maar wees voorzichtig.' Antwoordde de majoor.
Terwijl hij de trompetter opdracht gaf om samen met Haviksoog tien mannen uit te gaan zoeken kwam er een officier naar voren.
'U luistert toch niet naar dat joch hoop ik?' vroeg hij aan de majoor.
'Waarom niet? Hij heeft goede ideeën.' Antwoordde de majoor verbaast.
'Hij is geen soldaat! Hij heeft geen rang, helemaal niets!' zij de officier.
'Hij heeft lef en is niet bang om het gevaarlijkste te doen van iedereen, dat is genoeg voor mij.' Vond de majoor.
Niet lang daarna zagen ze de gebouwen.
'Jij gaat dus naar die schuur, terwijl mijn mannen die andere gebouwen beschieten, de cavalerie langs de tegenstander raast en jij rugdekking krijgt van die scherpschutters.'
'Precies. Als we het op die mannier doen moet het lukken.' Antwoordde Robert en hij steeg van het paard af.
Een paar minuten later waren alle soldaten ingelicht en konden ze hun posities innemen, terwijl Robert keek waar hij het beste de schuur kon binnendringen. Hij besloot dezelfde weg te nemen als eerst en vertelde de mannen wat hij van plan was.
'Nú!' riep Robert terwijl hij viermaal achter elkaar in de lucht schoot. Opeens gebeurde er van alles tegelijk. Tientallen geweren knalden opeens, een groep ruiters kwam in volle galop langs de gebouwen heen terwijl ze met hun karabijnen enorm schade aanrichtten.
Haviksoog rende zo snel hij kon naar de schuur en klom omhoog. PANG! Nog geen meter naast hem sloeg een kogel in de muur. Doorgaan, besloot hij en hij klom verder naar het luik.
De schutter kreeg geen kans meer om te schieten omdat hij dekking moest zoeken tegen een salvo van goedgerichte schoten. Opnieuw maakte Robert met een mes het luikje open, maar deze keer sloot hij het niet achter zich.
Opeens sloeg er een kogel naast hem in.
'Kom naar beneden, maar blijk van je wapen af!' klonk een stem...
Hoofdstuk 29
Robert dacht snel na. Zou hij zijn wapen trekken of niet?
'Opschieten!' commandeerde de stem.
'Rustig maar, ik kom al.' Zei Robert terwijl hij probeerde te zien wie de andere man was.
'Haviksoog?' Klonk het opeens verbaasd.
Robert maakte van de gelegenheid gebruik om snel naar beneden te komen, waar hij zijn revolver trok. 'Wie is dat?'
'Charlie hier. Kom je ook? We hebben een beetje problemen, maar jij hebt die posse snel weten te halen.'
Robert stak zijn revolver in zijn holster en liep in de richting van de stem. Al snel begreep hij waarom hij niemand had kunnen zien, Charlie had namelijk achter een balk gezeten en zo zijn lichaam verborgen.
'Het is geen posse, het is een legeronderdeel onder leiding van majoor Heally.' Antwoordde hij. 'Ben jij hier alleen in deze schuur?'
'Nee, verderop zit Stanley en daar zit Jake,' terwijl hij in een richting wees.
'En Colpen?' vroeg Robert.
'die zit ergens in een andere schuur met de gewonden en Christiaan.' Antwoordde Charlie.
'Hebben jullie die baas nog gezien? Of die Black Jack?' vroeg Haviksoog nog eens.
'Black Jack is weer scherpschutter en heeft al twee van Colpen's mannen gedood.'
'Dan moeten we er voor zorgen dat hij niet meer kan schieten. Hebben jullie een geweer?'
Charlie wees neer de muur. Er stonden vier geweren naast elkaar tegen de muur.
'Geef mij maar rugdekking als ik naar het huis probeer te gaan. Ik neem ook één geweer mee.' Zei Robert.
'Wacht even Haviksoog, kan Stanley niet beter met jouw meegaan? Ik kan in mijn eentje jullie wel rugdekking geven, ik zal toch niet worden aangevallen met al die soldaten in de buurt.'
Stanley pakte ook een geweer. 'Zo snel mogelijk naar het huis!' riep hij naar Robert terwijl hij de deur uit rende.
Een halve minuut later stonden ze met de rug tegen het huis te wachten.
'We kunnen proberen door dat luik binnen te komen. Het staat vast nog open. Niemand van de schurken heeft tijd gehad om dat ding dicht te doen, ze hebben en een kastje voor geschoven zodat wij niet naar binnen kunnen schieten.' Vertelde Stanley.
'Daar ligt een ladder tegen de muur, die pakken we.' Wees Robert.
'Pak jij de ladder, ik draag je geweer wel.' Stanley pakte het geweer van Robert.
Robert pakte de ladder en liep gebukt naar de kant van het huis waar het luik was.
Snel zette hij de ladder neer en liet Stanley omhoog klimmen. Zelf hield hij de ladder vast, want het ding was al oud en het kraakte gevaarlijk.
Stanley schoof het kastje iets weg en ging er achter zitten. Hij legde de geweren even neer en riep dat Haviksoog kon komen.
Robert klom naar boven. Met zijn handen had hij de rand al beet toen de sporten waar hij zijn voeten op had gezet het begaven. de ladder viel uit elkaar nu opeens een groot gedeelte zonder sporten zat en Robert hing aan de rand van de bovenverdieping.
'Haviksoog!' riep Stanley van schrik. Dat had hij beter niet kunnen doen, want hij hoorde verschillende voetstappen de trap al oprennen.
'pak mijn hand vast.' Stanley trok Robert omhoog. Net toen Robert zat kwamen de mannen om de hoek. Stanley had zijn revolver al in de hand en schoot. Maar de mannen hadden daar al op gerekend en lieten zich vallen. Twee andere mannen sleepten een tafel mee die ze op hun kant zetten. Robert greep een van de geweren en zag dat het dertienschots geweren waren. Iedere keer als hij een hoofd van een man of een revolver zag schoot hij.
Dat zorgde er voor dat Stanley en Robert bewegingsruimte hadden, terwijl de tegenstanders stil moesten lijven zitten om niet geraakt te worden.
Stanley sloop met een van de geweren om het kastje heen en ging staan. Gelijk schoot hij.
Twee mannen vielen geraakt achterover, de andere twee renden in paniek weg.
Stanley en Robert herlaadden de geweren en renden naar de kamer waar Robert de eerste keer kennis gemaakt had met Black Jack.
'Handen omhoog allemaal!' riep Robert toen hij in de deuropening stond. Black Jack draaide zich razendsnel om. PANG! Robert schoot naast hem in de muur. Snel gooide Black Jack zijn wapen neer. Robert had zich ondertussen omgedraaid en keek naar de andere kant van het vertrek. Daar was niemand te zien.
'We binden hem maar vast.' besloot Stanley.
'41 dode misdadigers, 16 gewonden en 12 ongedeerden tegen 6 dode militairen en 26 gewonden.' Deelde Majoor Heally mee.
De doden waren begraven, de gewonden werden in de karren gelegd.
Nadat Robert en Stanley Black Jack hadden uitgeschakeld waren de militairen al snel in overmacht. De meeste schurken gaven zich over. Nu zouden ze weer naar Desert Watch gaan om daar de schurken tijdelijk gevangen te houden en de gewonden te verzorgen.
Robert en Stanley gingen ook mee, op hun eigen paarden.
Zes dagen later waren ze in de stad.
Ze reden de stad in onder groot gejuich van de bevolking. Door die schurken durfden de mensen niet meer naar het westen, en konden de mensen in Desert Watch niet zo veel verdienen.
Robert en Stanley reden halverwege de stoet, tussen de ruiters die voorop gingen en de huifkarren.
Opeens klonk er hoefgetrappel achter hun, dat zich verwijderde. Automatisch keek Robert om. Drie ruiters reden weg. Robert keek weer voor zich. Opeens keek hij weer terug. Bij die huifkar stonden er geen paarden, en de drie ruiters waren dus waarschijnlijk ontsnapte gevangenen. Snel draaide hij Firefeet en verliet de sliert. Zo snel als Firefeet kon stoof het paard door de straat. Robert zag mensen opeens angstig kijken, enkele soldaten van de huifwagens af springen, bij de kar waar er mannen waren ontsnapt kwam er een soldaat aanrennen die op het vierde paard sprong en net als Robert de achtervolging inzette.
De drie schurken splitsten zich op, twee gingen er via een zijstraat de stad verder in en één reed er zo snel mogelijk weg. Ze waren al vierhonderd meter verder dan de laatste huifkar van de stoet. Robert keek naar de soldaat die achter hem reed en wees van de soldaat naar de man die de stad uit probeerde te vluchten. De soldaat begreep het en ging achter de man aan.
Robert stuurde Firefeet met volle snelheid de straat in achter de mannen aan.
Opeens zag hij de mannen niet meer, terwijl de paarden nog wel verder galoppeerden.
Snel sprong hij van Firefeet af en rende hij naar een huis toe. De bewoners waren niet thuis, waarschijnlijk waren die bij de hoofdstraat aan het kijken naar die stoet, dacht Robert.
Hij keek naar de huizen aan de overkant. Enkele seconden later wist hij in welk huis zijn tegenstanders zaten, schuin tegenover hem stond een groot huis waar de deur open stond.
Robert rende naar het huis aan de overkant en trok zijn revolver. In de gang stond Black Jack met een geweer. Robert richtte zijn revolver. Opeens werd hij van achteren besprongen.
Robert dook opzij en keek. Het was de leider van de schurken. Robert bedacht zich geen moment en sloeg de man zo hard mogelijk tegen de kin. Gelijk sprong hij naar Black Jack en trapte diens geweer weg.
'Rustig jij, kereltje!'zei Black Jack boos. Robert keek naar de man. Black Jack had een mes in zijn hand.
Met het mes deed hij een uitval. Robert ontweek het mes en trapte de man hard in zijn maag.
Die liet het mes vallen en klapte dubbel. De andere man was ondertussen al overeind gekomen en had de revolver van Robert gepakt die pakte vlug het geweer en schoot. De man liet de revolver vallen en steunde tegen de muur. Robert pakte de man vast en siste: 'Dit is de wraak van Haviksoog!' en hij gooide de man neer.
Daarna keek hij op, waar was Black Jack? Opeens rook hij een brandlucht. Black Jack had het huis in de brand gestoken. Maar toen zag hij black Jack voorzichtig de laatste traptreden op proberen te sluipen. Snel rende Robert achter hem aan...
'Denk jij te kunnen ontsnappen?' vroeg Robert.
'Denk jij van mij te kunnen winnen?'was de wedervraag.
Robert stormde naar voren. Even later vloog hij weer terug, met dank aan de laars van zijn tegenstander.
toen vond Robert zijn zelfbeheersing weer en viel hij behoedzaam aan. Met een paar gerichte trappen tegen het hoofd van Black Jack verloor die het bewustzijn. Snel tilde Robert hem op en droeg hem naar beneden. Een groot deel van het huis stond al in de brand en Robert merkte dat de trap ook al begon te branden aan de onderkant. Vlug liep Robert naar buiten en tilde Black Jack op Firefeet. Daarna liep hij naar binnen om het dode lichaam van de leider uit het huis te halen. Hij legde het lichaam op de straat neer en ging achter Black Jack op Firefeet zitten. Met zijn knieën sturend en met zijn handen Black Jackvasthoudend reed hij terug naar de stoet. Toen hij de zijstraat uit kwam riep hij al dat er brand was.
'Brand?' vroegen enkele bewoners bang.
'Ja, in de straat hier achter.' Antwoordde Robert. 'In een groot vrij huis.'
Verschillende burgers hadden niet geluisterd en waren al naar de straat toe gerend.
Robert legde Black Jack in een huifwagen neer en reed weer naar de straat.
'Dat huis daar!' Wees hij.
Een man bleef verschrikt staan. 'Sam de negerknecht is daar nog binnen.'zei hij.
'Die is verloren, zeker weten' zei een andere man.
Robert spoorde Firefeet aan. 'Ik ga hem halen!'
Hoofdstuk 30
'Sam!' riep Robert terwijl hij naar binnen rende. Het huis brandde steeds harder en de trap stond als in brand. Opeens hoorde hij gehoest.
Snel rende Robert naar het vertrek waar het geluid vandaan kwam. Middenin het vertrek stond een tafel met vier stoelen, alles van hout, de vloer brandde en de wanden ook. Tegen een van de wanden stond een grote eikenhouten kast. Daar kwam het geluid uit.
'Sam!' riep Robert en hij probeerde de deur open te maken. De deur gaf niet mee.
'Zit de deur op slot?'
'Ja, twee mannen, ze stopten me in de kast.' Was het antwoord.
Robert kon niets met het antwoord, maar opeens bedacht hij dat er uit de zak van Black Jack iets was gevallen toen hij hem optilde. Snel rende Robert naar de trap, die al heel erg in brand stond. Ook de vloer was gaan branden en er was niet veel tijd meer. Met een paar sprongen was Robert boven en keek hij of hij de sleutel zag. Die was nergens te bekennen.
Ik moet hem vinden, dacht hij. En toen: daar ligt iets!
Robert pakte het op en het bleek een sleutel te zijn. hij wilde naar beneden, maar toen hij zijn voet op de trap zette, stortte de trap naar beneden. Robert wist dat hij weinig tijd had en sprong daarom. Door het brandende huis rende hij naar de kast. Daar stopte hij de sleutel in het slot. De deur kon open en Sam kwam er hoestend uit.
'Kom mee!' beet Robert de man toe. Hij duwde de man richting de deur. Robert wilde net naar buiten stappen toen een balk naar beneden viel. Terug! Schoot door hem heen.
Hij stapte weer naar de keuken, maar daar was geen uitgang. Opeens stortte een balk naar beneden. Hij bleef met een kant tegen een muur staan, maar had ondertussen Sam al geraakt.
Robert tilde de bewusteloze Sam op en liep naar de andere kamers. Nergens kon hij er uit, of er was teveel brand. Opeens schoot door hem heen dat er op de bovenverdieping een bijl had gelegen. Snel schoof hij een tafel op de plaats waar de trap had gezeten en zette er een stoel op. Daarna legde hij Sam onder de tafel zodat er geen balk op Sam kon vallen. Daarna klom hij via de tafel en stoel omhoog. Hij wist gelukkig nog waar de bijl lag en kon hem dus gelijk pakken.
Toen hij weer beneden was ging hij gelijk naar de deur en begon de brandende balk door te hakken. Hij hakte zo hard als hij kon omdat zijn en Sams levens er van af hingen.
Na enkele minuten had hij de balk doorgehakt en was de weg naar buiten vrij. Hij pakte Sam en tilde hem op zijn rug. Daarna liep hij zo snel mogelijk naar buiten. Daar stond de bevolking de andere huizen nat te houden of te blussen.
Snel legde hij Sam neer en ging hij helpen met blussen.
'Stanley en Haviksoog, wisten jullie al waarom die groep daar zat?' vroeg Jake een paar dagen later in het hotel.
'Geen idee, van die overvallen zullen ze niet rijk geworden zijn.' zei Stanley.
'Daar bij jullie in de omgeving, Cattle Valley, woonde een goudzoeker. Die kwam af en toe naar Desert Watch toe. Al snel raakte een rijke burger geïnteresseerd in de man. Hij liet de man schaduwen, en toen bleek dat er goud zat in die omgeving. Hij wilde dat graag hebben, maar er waren wat hindernissen. Ten eerste, als hij daar goud ging zoeken zou de omgeving al snel vol zitten met avonturiers, hij moest dus al het land hebben. Dat was een probleem want het was vruchtbaar land, en veel kolonisten gingen er heen. Daarom is die bende daar geplaatst: om de kolonisten weg te houden. Het lukte ze niet helemaal, daarom werden er dreigbrieven geschreven naar de bewoners. Ook de winkel moest berooft worden, maar dat hebben twee burgers voorkomen. Ten tweede moest die goudzoeker uit de weg geruimd worden. Tijdens een aanval op zijn hut kreeg hij hulp van een paar buren. Ze hebben hem aangeraden handelaar te worden, wat hij ook werd. Het ging pas fout bij hun toen die verdwijningen gemeld werden. Als snel werden er mensen op de zaak gezet, waaronder ik. We werden gevangen genomen, en degene die na ons zou komen zou gewoon uit de weg geruimd worden. Toen kwamen jullie, jullie hebben alles in de war geschopt.
Je kan de grond waar hun kamp was nog kopen, het kost nauwelijks iets en er ligt een klein fortuin aan wapens en geld.' Vertelde Jake.
'En die andere groep dan, die PD-en?'vroeg Robert.
'Ik weet even niet waar je het over hebt. Er was maar één groep!' op dat moment kwamen er ruiters de stad in rijden. Ze reden op volle snelheid en waren de stad zo weer uit. Vlug gingen ze met z'n drieën beneden in het hotel kijken. Toen kwam er nog een ruiter in volle vaart de stad binnen. Die stopte bij de saloon en liep met grote stappen naar binnen. Robert, Stanley en Jake liepen ook naar de saloon om te kijken wie die haastige vreemdeling was die uit de richting van de woestijn kwam. Toen ze binnenkwamen herkenden Stanley en Robert hem meteen.
'Jim!' riepen ze tegelijk. De persoon draaide zich om.
'Baas?' vroeg hij verbaasd.
'Waar ging je achterna Jim?' vroeg Robert.
'Die Ross en zijn vrienden. En Barmin en zijn zoon. Ze zijn met z'n zessen en zijn de gevreesde Prairie Desperado's.'
'Ik ga Firefeet halen, we achtervolgen ze!'riep Robert.
'Mijn paard is niet helemaal fit meer, ik heb hem daarnet geruild bij een rancher, maar ik heb op volle snelheid gereden.'
'Kom mee, je krijgt wel een ander paard.' Zei Stanley en hij liep achter Robert en Jake aan.
Snel zadelde Robert zijn paard en leidde hem uit de stal. Ik vraag een paar soldaten om hulp vragen.' Hij reed naar het einde van de straat en ging naar de majoor, waar hij onmiddellijk werd toegelaten.
'Er zijn zes misdadigers voortvluchtig, zouden uw mannen kunnen helpen met de achtervolging?' vroeg Robert
'Goed.' En dan: 'Wessels! Met vijf mannen opzadelen en Haviksoog volgen!'
Robert liep weer naar buiten en steeg op. Enkele seconden later hadden de soldaten al opgezadeld en reden ze mee. Stanley, Jake en Jim waren al vertrokken, Robert kon ze zien gaan. Hij spoorde Firefeet nog eens aan en de soldaten deden dat ook.
'Daar gaan ze!' schreeuwde Robert naar Wessels. Die zag niets. Al snel reden ze bij de andere drie. Opeens splitsten de sporen van de Desperado's zich op. Iedereen hield zijn paard in.
'Ik ga met Haviksoog en drie soldaten hierlangs, jullie dat spoor.' Zei Wessels.
Ze splitsten zich op. Na een uur lang achtervolgen zag Robert een stofwolkje. Hij zei niets maar reed stug door. Toen kwamen ze bij een ranch waar een man met een geweer stond.
'En jullie blijven ook van mijn paarden af stelletje schurken!' schreeuwde hij.
'mogen we even paarden wisselen? Vroeg Wessels aan de man.
'Nee dat mag niet. En nu wegwezen.'
'Hun hebben ook geen verse paarden denk ik. En wij hebben ervaren paarden' zei Wessels.
Ze reden weer door. Zes mijl verder konden ze de drie schurken duidelijk zien rijden.
Wessels pakte zijn geweer tijdens het rijden. Hij richtte en schoot.
'Te grote afstand.' merkte hij spijtig op. De Desperado's merkten dat de achtervolgers dichterbij waren dan ze dachten. Ze spoorden hun paarden nog meer aan. In de verte zag Robert een rotsplateau waar je makkelijk op kon rijden. Hij besloot daar op te gaan rijden en zo een stuk af te snijden omdat de anderen er om heen zouden moeten. Toen hij het vertelde knikte Wessels instemmend.
Robert wende zijn paard en reed het plateau op. Toen hij aan het einde kwam was hij al op zelfde hoogte als de drie mannen, en hij pakte zijn geweer uit zijn zadelholster. Hij richtte op het rennende paard en hij raakte, het paard sloeg over de kop en de ruiter bleef liggen.
Één van de ruiters stopte en keerde om, de ander reed verder. Robert ging verder. Toen hij vlakbij was schoot hij met zijn geweer. Ook deze keer schoot hij het paard onder degene weg. Hij stopte Firefeet en sprong er af.
'Handen omhoog Ross, je hebt verloren.' Zei Robert.
'Nog niet!' was het antwoord en Ross richtte zijn revolver.
'Laat dat wapen vallen!' donderde de stem van Wessels opeens achter hem. Ross keek om en zag twee soldaten met een geweer op hem gericht. Toen hij weer naar Robert keek had die ook een revolver in zijn hand. Met tegenzin stak hij zijn handen op en wist dat hij verloren had.
Hoofdstuk 31
'Met al die goudzoekers die zullen komen heb ik geen zin om te blijven, wat jij?' vroeg Stanley aan Robert.
'Ik ga waar jij heen gaat Stanley.' Zei Robert.
'En ik ga waar meneer Robert heen gaat.' Zei Sam, die trouw aan Robert was sinds die hem gered had.
'Ik heb anders wel zin om te blijven en de Gold-Creek ranch voort te zetten.' Liet Jim zich horen.
'Ik ben van plan om naar het noorden te gaan, maar wat voor werk we moeten gaan doen weet ik nog niet. We kunnen het voorstel van Heally aannemen, we kunnen ook een rustig bestaan leiden. Wat vind jij Robert?' sprak Stanley weer.
'Werken bij de geheime dienst, waarom niet? Er stond dat wij gevraagd werden als infiltranten of spionnen, omdat wij niet opvallen door onze leeftijden. We moeten dan volgens de brief een gewoon bestaan inrichten, maar alleen de aandacht van de misdadigers op ons richten.' Vond Robert.
'Ikzelf vind het ook wel goed, maar Jim moet dan heel de ranch overnemen. En dat kost nogal wat.' Zei Stanley.
'Ik heb genoeg geld voor het land en de gebouwen, maar die paarden kan ik niet allemaal kopen, zelfs niet als Archie meebetaald.'
Stanley dacht even na.
'Wij nemen de huifkar, Browny en David, al mijn en Roberts spullen, Firefeet, een merrie en tweejonge paarden mee, jullie geven ons geld en jullie krijgen de ranch met al het vee en de paarden.' Besloot hij.
'Doen we, wanneer gaan we naar huis?' vroeg Jim.
'over drie dagen vertrekken we, goed? We kunnen gelijk een nieuwe kar erbij kopen, want jij moet er ook een hebben.' Besliste Stanley.
Na het Gesprek ging Jim naar de saloon om wat te drinken. Hij ging aan de bar zitten en luisterde mee met de mannen die naast hem zaten.
'...En daarom heet hij dus Black Jack.' Zei de ene.
'Maar hoe komen die andere dan aan die namen, die Haviksoog en die andere?' vroeg een ander aan de eerste.
'Haviksoog komt omdat hij een scherp oog heeft voor fouten, het heeft dus niets te maken met zijn echte ogen,' zei de man. 'Het plan van de schurken was bijna perfect, maar er zaten wat foutjes in. Haviksoog heeft die ontdekt, en daarom noemde de majoor hem Haviksoog. En die andere heeft de bijnaam, Old Rusty. Dat komt van het gebruik om voor de naam van een ervaren prairieman Old te zetten, en Rusty komt eigenlijk van Trusty, de betrouwbare. Snappen jullie het nu?' vroeg de man voldaan dat hij meer wist dan anderen. Jim moest lachen, die man kon goed verhalen verzinnen. Dus bijnamen krijgen in de loop van de geschiedenis een andere oorsprong, bedacht hij.
In de dagen daarna had Robert voorbereid op de tocht naar huis en weer naar Desert Watch. Hij en Stanley hadden afgesproken om met twee karren uit Desert Watch te vertrekken, Stanley had het huis van de schurken opgekocht en ze zouden daar wat spullen weghalen.
Robert vond het slim bedacht, en op die manier konden ze wat geld overhouden. Want van de beloning had hij niet veel verwacht, wat terecht was. Hijzelf kreeg dan wel $20.000 voor Black Jack en de leider, maar Stanley kreeg $350 voor de moeite van het helpen.
Samen met de zes soldaten hadden ze het geld voor de Prairie Desperado's verdeeld. In totaal was dat $4000, maar omdat ze met z'n negenen waren kreeg ieder maar net iets meer als $440. Robert had het geld op de bank gezet en Stanley had er het huis van de schurken mee gekocht.
Toen ze weer in Cattle Valley waren gekomen werden ze begroet als helden. In één klap waren de burgers verlost van alle schurken. Robert moest het verhaal meer als tien keer vertellen toen hij in de saloon zat. Stanley en Jim waren al de papieren voor de verkoop al aan het regelen en dus zaten Robert en Zwarte Sam in de saloon.
Toen Robert het voor de zoveelste keer verteld had liep hij naar buiten. Hij overdacht hoe snel het allemaal gegaan was. Zijn vader had besloten naar het westen te trekken en het leven als arbeider dus opgegeven, zijn vader was vermoord, hij was hier terechtgekomen en geholpen en enkele maanden later vertrekt hij weer.
'Edwards! Het is geregeld hoor, we gaan nu naar huis om onze spullen ook op karren te laden.' Riep Stanley hem uit de verte toe. Robert liep naar de saloon en maakte Firefeet los. Jim was al op de ene kar gesprongen, terwijl Stanley en Zwarte Sam samen op de andere kar gingen. Ze reden naar de Ranch en begonnen alle kisten met Stanley's wapens op de kar te laden. Robert pakte zijn bezittingen. Dat waren er niet veel: een bizonvacht, een stapeltje kleren, zijn zakmessen, zijn bijl en een horloge. Binnen een uurtje hadden ze alles op de kar geladen. Op de karren stonden ook de spullen uit het huis van de schurken. De verzameling wapens die er had gelegen, het geld uit de kluis, de sieraden en de drankvoorraad van de schurken. Robert en Stanley waren nu rijk, maar ze voelden zich niet zo. Stanley, die altijd al een aardig kapitaaltje had gehad, wist dat hij zich beter voelde als hij kon werken voor zijn geld in plaats van te leven in een stad van het geld dat hij had. Robert besloot het geld niet zomaar te gebruiken, maar tegen de misdaad. Het geld dat hij zelf verdiende zou hij ook gebruiken voor zichzelf, meer niet.
Voor de laatste keer ging hij naar binnen om er het avondeten te nuttigen en te slapen.
Stanley en Robert hadden van de meeste mensen al afscheid genomen. Jim zei: 'Jullie waren goede bazen, ik hoop dat het jullie goed gaat.' En tegen Robert: 'Zo meteen afscheid nemen van je meisje hè? Trek het je niet aan, er zijn nog genoeg meisjes op de wereld en je bent nog jong.' Robert begreep niet hoe Jim kon weten wat hij dacht.
Opeens kwam een man met een wagen de stad in rijden.
'Parker!' riep een stem. Robert herkende de man gelijk als Digging Sam, de goudzoeker die handelaar was geworden.
'Vertrekken jullie nu al? Ik hoorde het vanochtend bij een klant dat jullie gingen vertrekken.'
'Ja, Ik ga met Robert en Zwarte Sam naar het noorden. Je had gelijk met je goudzoeken hè, er zit genoeg goud en binnen korte tijd is het dus hier vergeven van gelukszoekers.'
'Ja, maar ik blijf handelaar. Ik heb ontdekt dat plezier in je werk belangrijker is dan wat je er mee verdient.'
'Goed idee, jammer genoeg denken veel mensen er anders over.' Vond Stanley.
Even later hadden ze van iedereen in de stad afscheid genomen. Tenminste... Robert had Ann nog niet op zien dagen. Haar ouders wel, maar Ann zelf had hij nog niet gezien.
'Kom Robert, we gaan.' Zei Stanley. Stanley was op de voorste wagen gaan zitten, Zwarte Sam bestuurde de andere. Robert steeg op en spoorde Firefeet iets aan.
Toen ze ongeveer een mijl buiten de stad waren zag Robert opeens een ruiter aankomen. Hij draaide Firefeet en reed er naar toe. Het bleek Ann te zijn.
'Ik wilde toch nog even afscheid nemen.' Zei ze.
'Je bent het aardigste meisje dat ik ooit gekend heb.' Zei Robert.
'Je moet gaan Robert, ik zal je missen.' Zei ze. Het kwam Robert voor alsof ze niet hield van afscheid nemen.
Robert draaide Firefeet en gaf het de sporen.
Hij verdween in volle galop over de prairie, een nieuwe toekomst tegemoet.
The End!
Dat was dan het verhaal, graag jullie mening.
;)
Het heeft me best veel tijd gekost, hoop dus dat jullie het leuk vinden.
ERg goed verhaal ook dat stukje met supersnelle ninjutsu, het Kuroi ninjutsu heb ik beoefend bij sensei Arie van den Akker in Groningen. Hij zei vaak in de lessen:Als ninja moet je een oog van een Havik hebben scherp zien maar kijk uit voor wraak (vergelding). Erg wijze man die sensei Arie van den Akker.
Goed verhaal is dit inhoudelijk sterk en erg spannend! Knap gemaakt!
Een ninja die Arie van den Akker heet is als een shoarmaboer die Henk de Vries heet... 8)