Het deksel ging langzaam open, alsof de kist nog niet zijn geheimen prijs wilde geven en iedereen buiten wilde houden die niet binnen mocht. Alsof ze niet waardig was. Een omhulsel voor geheimen die ze wilde kennen, een vermomming voor avonturen die ze wilde beleven. De zware sloten hangen bewegingsloos, als bewakers die wachten op een indringer, in hun ringen. De gaten voor de sleutels als een duistere glimlach op een uitdrukkingsloos gezicht. Lachten ze haar uit, wisselden ze blikken onderling en fluisterden ze over haar? Vertelden ze elkaar dat dat rare kind niet binnen mocht?
Wat maakte het uit. Ze moest erin, het was de enige plaats waar ze echt wilde zijn, waar ze echt heen wilde. Een magneet die haar aantrok, en toch ook weer afstootte want de geheimen maakten haar bang.. wat was er verscholen in die duisternis?
Warme handen rond haar middel brengen haar terug uit haar duistere gedachten en een warme stroom strijkt langs haar hals, zijn adem die haar terughaalt uit het donker. Zachtjes beroeren zijn lippen haar hals, vederlichte aanrakingen die voelen als een vonk electriciteit. De streling van zijn haar doet een glimlach op haar lippen verschijnen, het geluid van zijn adem laat haar hart sneller slaan. Zijn handen verkennen haar middel, spelen met de stof van haar jurk en doen haar de kist vergeten en dan is opeens alles weg.. haar hart schiet omhoog in haar keel en ze valt. Hij heeft haar geduwd. Geduwd in de geheimen van de kist, naar het binnenste van het zwart.
Vallen, steeds maar vallen en er is nergens een lichtje, totdat ze beseft dat ze niet meer valt maar onderwater is. Om haar heen is het licht, behalve op de plaats waar zij zweeft in de dieptes. Een vlakte van duisternis omhult haar terwijl het licht geen poging doet haar te bereiken. Haar jurk zwiert om haar heen, de stof op een magische manier bewogen door het water om haar heen dat stil lijkt te staan. Vloeiend en stromend golft de stof om haar lichaam, een constante beweging die in zo fel contrast is met haar omgeving die geheel verstild lijkt te zijn in de tijd. Ze heft haar hand op, door het water, en kijkt naar haar vingers die een rare kleur krijgen. Een vertekend beeld, het licht gebroken door de vele lagen water. Het water is koud beseft ze,kijkend naar de lichtelijk grauwe tint van haar vingers, en dan.. dan is haar lucht op. Ijzeren vingers sluiten om haar hart en ze raakt in paniek. Zwemmen.. ze moet zwemmen maar zodra ze het oppervlakte bereikt.. ijs. Ze kijkt omhoog en ziet de schaduw die het donker maakt waar zij is. Er staat iemand boven haar, op het ijs. Iemand die kan ademen, maar geen poging doet haar te vinden. Langzaam, langzaam door de druk van het water bonkt ze op het ijs. Keer op keer. Haar hand weigert te doen wat ze wil, elke keer dat ze denkt het ijs zo hard te slaan dat het zal breken verhindert het water om haar heen dit. Ze kan geen kracht zetten, haar spieren vechten tegen het onwillige water. Steeds weer slaan omdat dat de enige manier is om te overleven. Ze moet eruit. Eruit. Omhoog. Door het ijs moet ze heen om lucht te krijgen.
Haar vingernagels worden blauw en de luchtbellen die uit haar mond komen nemen de laatste beetjes leven mee, verlaten haar zoals het leven haar verlaat. Haar jurk, zwaar door het water trekt haar mee naar beneden, lijkt het. De eens zo magisch bewegende stof is nu een val geworden, een touw dat haar aan de dieptes onder haar wil binden. Steeds dieper word ze naar beneden gesleurd, steeds minder verzet ze zich tegen de kou. Haar lippen wijken van elkaar als ze ook de laatste bellen lucht laat ontsnappen, ze verwelkomt het koude water in haar borst.
Dan sluiten sterke handen zich om haar armen, ze trekken haar omhoog door een gat in het ijs. De warmte van hem verwarmt haar en ze komt tot rust in zijn armen. Het gevecht heeft ze deze keer gewonnen, maar niet alleen beseft ze. Ze heft haar hoofd op, brengt haar lippen naar de zijne voor een kus van vergeving want hij was het die haar had geduwd. Maar zodra haar lippen de zijne bijna raken verdwijnt hij, een beetje warmte alleen nog daar om te bewijzen dat hij er was en ze valt op haar knieën in de sneeuw die een laag heeft gevormd op het ijs waaronder ze bijna de dood had gevonden.
Haar jurk is plotseling droog en ze is weer in de kamer met de kist. Het deksel valt met een klap dicht, de geheimen die ze nu kent weer verborgen voor de wereld en ze draait zich om. Haar ogen vinden de zijne, staand op de plaats waar hij haar het eerst had gevonden, zijn armen uitgestrekt. Een paar stappen brengen haar in zijn armen, en ze kust eindelijk zijn lippen die haar deze keer echter niet beroeren. Stil en onbewegelijk staat hij daar, een toonbeeld van perfectie. Het gezicht kent ze uit duizenden. Haar lippen beroeren eindelijk de zijne, maar het koude plastic geeft niet mee. Hij zal nooit de hare zijn, gevangen in zijn perfectie. Een onbereikbare liefde, zo onmogelijk als de wereld in de kist. Een pop die eeuwig op haar zolder zou staan, naast de zware, glimlachende sloten.
(http://www.jasonchanart.com/gallery/2006/original/pandorasbox.jpg)