In het midden van de Italiaanse mode weelde bevindt ik mij.
Op de via del Corso, misschien iets duidelijker voor u. Deze anderhalve kilometer lange straat in Rome wordt ook wel Via Lata genoemd: de brede weg, en ik begrijp de gedachtegang die hierachter schuilt. Italiaanse straten neigen sowieso al breder te zijn dan zijn buitenlandse soortgenoten.
Of het iets zegt over de Italiaan laat ik in het midden.
Ik laat mij liever niet leiden door vooroordelen, daar er over elk mens zo velen bestaan.
Een Fransman is arrogant, een Nederlander gierig en een Turk zou ik ook maar niet zo snel vertrouwen. Die secretaresse heeft een afspraakje met haar veel te dikke baas en die kapper zal wel homo zijn.
'Onze maatschappij verdrinkt in haar vooroordelen:' zei een politicus eens, maar zijn mond werd al snel door de plaatselijke progressievelling gesnoerd.
Het Italiaanse ijscliché geef ik wel gelijk. Een sokken in de sandalen dragende man, een toerist waarschijnlijk , noemde het loco. Mijn buitenlands mag mij soms dan in de steek laten , maar dat hij het gestoord zo lekker vond, begreep ik al snel.
Ik kijk in de verte en zie het Piazza del Popolo voor mij liggen. Het restaurant waar mijn gesprek zal plaatsvinden kan ik nog niet ontdekken. Opgelucht dat het pas in de avond zal zijn, loop ik verder. Nog even draai ik me om en zie hoe de piazza Venezia, het plein aan de andere kant, steeds kleiner wordt. Het hotel waar ik in verblijf bevindt zich daar, ergens achter de enorme witte monumenten, die de toeristen verblinden nu de zon er op zijn heetst op brand.
Omstreeks één uur is het warmste punt van de dag en vele Italianen houden dan siësta. Voor de Romeinen geldt dit niet. Het drukke stadsleven gaat gewoon verder, ondanks de snijdende hitte.
Ik kijk op wanneer ik twee Italiaanse vrouwen tegen elkaar hoor schreeuwen. 'Basta,' hoor ik de oudere vrouw een paar keer zeggen tegen het veel jongere meisje.
'Madre,' roept het meisje en ik merk dat het om een moeder - dochter ruzie gaat. Veel meer kan ik niet verstaan en mijn aandacht raakt dan ook snel afgeleidt.
De twee vrouwen staan te schreeuwen voor een museum. Ik draai mijn hoofd en lees de naam 'Memori di Ghoethe' van het bordje af. De naam zegt mij niets, maar waarschijnlijk was het een belangrijk man. Pas veel later, wanneer ik vanuit mijn vliegtuigraam afscheid neem van Italië, kom ik erachter dat hem om een Duitse filosoof ging.
Nog een keer kijk ik naar de groene krokodil op het shirt welke mij mooi lijkt voordat ik de Via del Corso verlaat. Wanneer ik de hoek omloop kom ik bij het busstation aan.
Ongeduldig wacht ik op de bus die me naar het Vaticaan brengt. Het land, want dat is het, heb ik altijd al eens willen aanschouwen en nou mijn werk mij naar Rome bracht, laat ik de kans niet liggen een glimp van de kerkelijke rijkdom te vangen.
Terwijl ik wacht, merk ik het gestaar van een vrouw op.
'buongiorno seniora,' begroet ik de nog jonge vrouw op mijn beste Italiaans.
'Bongiorno senior.
Come sta?
Molto bene, grazie.'
'grazie,' zegt de vrouw nog lachend waarna ik de bus hoor aankomen. Ik sta op en neem afscheid waarna ik me in de overvolle rode bus prop.
'Auw.'
'Scusi senior.'
Ik voel hoe de elleboog uit mijn zij word gehaald. Wat verontschuldigend wendt de man zijn blik van me af. Ik kan hem wel begrijpen. Als ik naar achteren kijk, zie ik alleen maar mensen gezichten en wanneer ik mijn neus ophaal, ruik ik niets anders dan zweet. Het maximale aantal passagiers is waarschijnlijk al met twintig man overschreden wanneer de bus opnieuw stopt. De klemzittende deurtjes gaan moeizaam open en ik zie drie paar schoenen binnenstappen. Het groene paar blijft staan op de onderstede trede en wiebelt zenuwachtig heen en weer wanneer de deurtjes sluiten.
'Scusi,' hoor ik meerdere malen achter mij. Ik kijk niet achteruit. De laatste stop heeft mij klem gezet en zelfs voor mijn hoofd is er nog maar net plaats. Een vrouw links van mij douwt haar gezicht tegen het raam om de bezwete oksel van de man voor haar te ontwijken.
Ik zie de toren van de Saint Pietro en duw mezelf naar voren. Ik stap uit met de hoop dat het op het plein minder druk zal zijn, maar deze hoop blijft tevergeefs. Rijenlang staan er mensen te wachten om de kerk te betreden. Met gemengde gevoelens staar ik naar de petjes, zoals ik de petdragende toeristen ben gaan noemen. Enerzijds hoop je dat ze een leuke dag hebben en anderzijds duw je ze het liefst allemaal aan de kant.
Ik besluit maar met de stroom mee te gaan en na een halfuur wachten sta ik dan eindelijk voor de ingang van de kolossale kerk.
Links van mij hoor ik het piepende geluid van het detectiepoortje. De bewaker mompelt wat en een vrouw laat het ijzeren gestel langs haar been zien. Een brace waarschijnlijk. Zelf loop ik nu ook het poortje door en ergens voel ik toch spanning opkomen. Vreemd, omdat ik geen ijzer draag.
Waarneer je je in de Sint Pieter waagt, schakel je elke vorm van morele juistheid uit. Je denkt niet meer na over armoede en uitbuiting. Voor heel eventjes vergeet je al het slechte op de wereld.
Je zal wel moeten, want de Sint Pieter is zo overweldigend in zijn kostbaarheid.
Je loopt op marmer en staart naar de bewerkte plafonds met hun geelachtige patronen.
Een lichtstraal valt door het enorme raam en ik staar naar de verlichte Pietà van Michelangelo.
Het marmeren beeldhouwwerk stelt de treurende Maria voor als ze haar dode zoon in haar handen houdt.
Een man naast mij wijst naar het gezicht van Maria en verteld er wat over.
'Het gezicht van de jonge moeder Maria staat treurig om het verlies van haar genagelde zoon.'
Een vrouw kijkt wat geschokt om die laatste woorden en houdt haar handen voor haar mond.
De gids kijkt er niet anders om en loopt weer verder naar het altaar.
'Het gouden beeld op dit altaar,' en zo gaan zijn woorden verder.
Zelf begint mij Sint Pieter te vervelen. Zijn aanwezigheid is zo overdreven dat links en rechts het zelfde beginnen te lijken. Waar ik ook kijk, heel Sint Pieter lijkt wel een in goud gezette verzameling van kunstwerken, die elkaar wouden overtroeven.
Een engel staart naar het enorme vier-zuilige Balkadijn wat als meesterwerk wordt beschouwt van deze bonte kermis. Het zwart en gouden werk is door Bernini gemaakt en pocht nog wel het meeste over zijn schoonheid.
Ik besluit niet langer in deze pracht en praal chaos te willen blijven en loop de kerk weer uit. Nog even kijk ik om naar de mensenmassa, wachtend op de praalgraven in de crypte.
'Mama, hoe lang nog,' hoor ik een klein meisje zeggen en glimlachend voel ik de warmte van de namiddagse zon aan.
Opnieuw prop ik mij in de overvolle rode bus. Weinig bijzonders gebeurt er. Een vrouw probeert haar poedel de bus in te krijgen, een man wordt geweigerd en twee andere mannen, een lange blondharige en een kleinere donkerharige, lijken ruzie te hebben. Al snel viel het me op dat ik het 'Italiaanse temperament' met ruzie heb verward.
Ik weet niet wat het is, maar telkens wanneer ik twee Italianen hoor praten, lijkt het alsof ze staan te schreeuwen.
'Italianen zijn trots op hun taal. Trots op de woorden, de uitspraak en de voor Nederlanders niet te begrijpen grammatica,' zei mijn leraar Italiaans eens tegen mij, zo'n zes jaar geleden vlak voor mijn eindexamen VWO.
Ik slaagde met allemaal zesjes behalve voor Engels en Nederlands, daar had ik twee achten voor.
Ik ging Journalistiek studeren en vier jaar later slaagde ik ook met allemaal zesjes.
Nu, twee jaar later, volg ik een avondstudie Fotografie en werk ik voor 'La monde,' een tijdschrift waarvoor ik de steden van Europa afreis. En dat brengt mij in Rome, waar ik drie dagen verblijf en nu schrijf ik over mijn tweede dag in Rome. De eerste dag zou ik landen rond drie uur in de middag, maar een mankement in de cockpit verplaatste deze tijd naar zeven uur in de avond.
Zelf vond ik het niet zo erg. Het gaf mij tijd om mijn twee werkbesprekingen door te nemen.
De eerste heb ik over ongeveer een uur in 'Il duce,' een veel te duur restaurant dichtbij mijn hotel.
De vrouw die ik ga ontmoeten werkt voor een belangrijk Italiaans tijdschrift met ongeveer hetzelfde uitgangspunt als 'La monde.'
De rode bus stopt en ik stap uit. De twee pratende mannen stappen ook uit en slaan linksaf, zelf loop ik naar rechts. Ik zie de sjaal van de blonde man nog de hoek omgaan. Dat is niet zo vreemd. De herfst is al begonnen en zelfs in het zonnige Italië steekt de gure wind op.
'Wind modelleert het gesteente en breekt alles wat wij mooi vinden af in kleine stukjes wanhoop,' vertelde mijn aardrijkskunde leraar in het eerste jaar eens in een wanhopige bui.
De man had een vrouw, die niet aan één genoeg had en hij had haar al vaak in het bed van een ander gevonden. Of beter gezegd: een ander in zijn bed, omdat zijn vrouw geen enkele schaamte voor haar vreemdgaan kende.
Een paar dagen na zijn uitbarsting melde hij zich ziek en pas een jaar later kwam hij terug. Meer opgewekt dan ooit en vrolijk vertelde hij aan iedereen die het wou weten zijn verhaal over hoe hij zijn vrouw eindelijk eruit had geschopt.
'Nee geen vreemdgaande vrouwen voor mij meer,' zei hij dan trots erachter aan.