Weerwolven van Wakkerdam

Alleen voor de beheerders => Verhalen => Prullenbak => Verhalen van één persoon => Topic gestart door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:38:48

Titel: Blim & Blam
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:38:48
Jaja, jullie lezen het goed, Blim en Blam! :P
Mijn vader vertelde me "vroeger", toen ik "jong" was, altijd verhalen over Blimmie en Blammie, maar het begon allemaal met hun vaders, Blim en Blam. This is their story.

:P

Oh, ja, het zijn dus echt kinderverhaaltjes hè :D. Maar wel cool :P


Oh, voor degenen die het zich afvragen (en dit überhaupt lezen :P) Golgoda heette eerst Golgota (en dat zal het in mijn hoofd ook altijd blijven XD). Toen mijn vader er bij het typen even achterkwam dat dat ook de plek is waar Jezus is gekruisigd, vonden we het toch maar even niet zo'n handige naam, dus vandaar Golgoda. :P
Titel: Hoofdstuk 1 - Het begin van alles!
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:39:06
In een land hier ver vandaan (nou ja, eigenlijk is het heel erg dichtbij. Maar je moet nou eenmaal door een geheime poort, en dat maakt het toch wel weer erg moeilijk en dus ver weg), in dat land dus, daar leefde ooit een koning. Nu was dat land Aardmannetjesland, dus de koning was de koning der Aardmannetjes. Hij heette Zoetbaard, en hij was al heel oud. En hij woonde natuurlijk in een mooi paleis, in Lommerwijk, de hoofdstad van aardmannetjesland.
Nou weet ik niet zeker wat je precies van aardmannetjes weet, maar ze kunnen erg oud worden. Wel tweehonderd jaar of meer! Zoetbaard was geloof ik al 190, maar dat doet er niet zoveel toe. Hij had een lange witte baard, en was wat vergeetachtig. En hij hield helemaal niet van ruzie, zelfs niet met de kleimannetjes.
Aardmannetjes zijn namelijk een vriendelijk volkje, dat graag van het leven geniet, en niet van nare dingen houdt. De Kleimannetjes, hun buurvolk(je), zijn jammer genoeg niet zo aardig. Het zijn nare ruziemakertjes. Je ziet het ook wel aan ze. Aardmannetjes zijn zo groot als een lange vinger. Kleimannetjes zijn iets groter, maar ook veel dikker. Ze hebben worstarmpjes, vette varkenskoppen met kleine gemene oogjes, pruilmondjes die nooit lachen, en dat nare hoofd zit met een heel erg kort heel dik nekje aan een vormeloos plomp lichaam vast. Ze zijn gek op geld verdienen en oorlog voeren en de baas spelen.
Dat is toch niet zo erg, zul je zeggen, dat doen allerlei hele belangrijke mensen in onze wereld toch ook? Wel, misschien was het wel niet zo erg geweest, als ze maar niet naast de Aardmannetjes hadden gewoond. Want och, wat waren die Kleimannetjes jaloers. In Aardmannetjes land was het meestal mooi weer (soms was er regen maar dat was juist fijn anders kon niets groeien!), maar in Kleimannetjes land regent het bijna altijd. De Aardmannetjes hebben mooie vrolijke oude stadjes en dorpjes, met daaromheen vrolijke weilanden met koeien en schapen, groene bossen, gouden graanvelden en blauwe meren. Langs de rivieren zijn glooiende heuvels, met leuke kasteeltjes, en wijngaarden. En er is altijd voldoende te eten en te drinken, en de lucht is er schoon.
Maar dan Kleimannetjesland. Wat een ellende! De meeste Kleimannetjes woonden in de enige stad van het land, Gigantagrau. Donker, vies, somber en gevaarlijk was het daar, en dat dan nog alleen in de beste stukken van de stad! Om deze akelige stad heen lagen eindeloze zwarte varkensvelden, van de stuitend stinkende varkenboerderijen die iedereen van eten moesten voorzien. Maar vaak waren er alleen knollen te eten, want geen varken hield lang uit in die farms. En nog vaker was er niets, en leden de mensen honger.
Hadden ze dan geen koning die voor ze zorgde zul je vragen. Tsja, een koning was er wel, Brutrak de 3de. Maar voor zijn onderdanen zorgen: geen haar op zijn hoofd die daar aan dacht (hij was dan ook bijna helemaal kaal, hij had maar 1 haar, en die knipte hij dan ook af want hij wou kaal zijn!).
Na het overlijden van de vorige koning, Broproop, had eigenlijk zijn zoon, Broobrob, koning moeten worden. Maar die was nog een jongen, en Brutrak, een verre neef, naam de troon en kroon in beslag en stuurde Broobrop naar het platteland en liet hem bewaken door engerds.
Je zou al met al dus wel denken dat de kleimannetjes wel blij waren toen op een slechte dag, Brutrak van de troon werd gestoten. Hij was net een ritje op zijn lievelingsvarken aan het maken, toen zijn zoon, prins Sprekkop, het paleis veroverde met zijn slechte soldaten. Brutrak werd toen hij terugkwam meteen opgesloten in de kerkers van het Kasteel, slot Gruwelstein. Maar of dit nou een verbetering was? Sprekkop was nog wreder en egoïstischer dan zijn vader. Al gauw kon de bevolking de belastingen niet meer opbrengen. Er ontstond nog grotere hongersnood, de armoede was enorm.
Sprekkop was slecht, maar ook slim. En daarom verzon hij een slecht, maar slim plan. Hij begon een oorlog met Aardmannetjes land. Eerst verzon hij daarvoor zelf een reden, hij zei gewoon dat de Aardmannetjes op rooftocht gingen in Kleimannetjesland om varkens en eten te stelen, en dat er daarom zo'n armoe en tekort was. (In werkelijkheid gingen kleimannetjes steeds meer op roof uit in Aardmannetjesland, maar ja Kleimannetjes liegen nou eenmaal graag!).
Daarna gaf hij opdracht dat alle Kleimannetjes tussen 20 en 120 jaar oud in het leger moesten. En met dit enorme leger viel hij Aardmannetjesland aan. Op een donkere nacht, trokken duizenden kleimannetjes te voet en op varkens de grens over, en overmeesterden het leger van de Aardmannetjes (dat bestond uit precies 20 grenswachters), en rukten op naar Lommerwijk. Als ze onderweg niet verdwaald waren, zouden ze daar nog die zelfde nacht zijn aangekomen, maar nu was dat 's middags om één uur. Koning Zoetbaard lag net zijn middagdutje te doen toen de slechte Kleimannen zijn paleis binnendrongen. De koning werd gevangen genomen, en in een vieze varkenswagen weggevoerd naar de kerkers van het kasteel van Gigantagrau. Gelukkig waren de prinsessen Maria en Luisa niet thuis, anders waren die ook gevangen genomen!
En Sprekkop? Hij nam zijn intrek in het paleis van Zoetbaard, liet een vieze harde boer, en liep met zijn smerige ongeveegde laarzen over het mooie schone tapijt naar het bureau van Zoetbaard. Hij pakte een koninklijk perkament, een ganzenveer, en een pot inkt, maar herinnerde zich net op tijd dat hij niet kon schrijven (en alleen maar de letters tot de D lezen). Daarom riep hij de hoofdlakei bij zich, vertelde hem dat hij de nieuwe koning was, en liet de lakei een koninklijke mededeling aan de Aardmannetjes schrijven. Daarin stond dat ze vanaf nu de slaven waren van de Kleimannetjes, en al hun goud en geld moesten inleveren bij het paleis. Daarna werden de vijf stadsomroepers bij elkaar geroepen, en erop uit gestuurd om dit verschrikkelijke bericht aan de bevolking mee te delen.

En als het hierbij was gebleven, had deze ware geschiedenis nog heel akelig kunnen aflopen. Tenminste, als Blim en Blam er niet waren geweest. Maar laat ik je eerst maar eens vertellen wie dat precies zijn.
Titel: Hoofdstuk 2 – Blim en Blam.
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:39:43
Midden in Aardmannetjesstad, in een oud straatje tegenover het park van het paleis van de koning, bevindt zich een bakkerij. Hij zit daar al zó lang, dat niemand kan herinneren dat hij er niet was. Als je het straatje inloopt, komt de geur van warm vers brood je al tegemoet, vooral 's morgens als er net gebakken is. Het piepkleine winkeltje is altijd helemaal volgestouwd met brood in alle soorten en maten. De ruimte die overblijft, is altijd gevuld met klanten, die van heinde en verre komen om dat heerlijke brood te kunnen kopen.
Ook de koning koopt er zijn brood (niet zelf natuurlijk, dat deed de broodlakei voor hem), vooral veel chocolade broodjes – een echte smulpaap die koning Zoetbaard. Ook zijn twee dochters, de prinsessen Luisa en Maria, waren gek op al dat heerlijke brood.

Achter de winkel zit een veel grotere ruimte – dat is de bakkerij. Hier bakken de bakker en zijn knechtjes 's nachts het brood.
In de tijd van koning Zoetbaard heette de bakker Boeke van de Brink. Hij was een groot dik aardmannetje, wat zijn hele leven lang maar één liefhebberij had: broodbakken. Hij was daar zo druk mee bezig, dat hij nooit de tijd had genomen om een vrouw te zoeken en te trouwen. Hij had daarom geen kinderen, zodat hij al zijn tijd in de bakkerij kon doorbrengen.
Hij was wel de minst geschikte aardman die er was om ooit een avontuur te beleven. Gelukkig beleefde hij zijn hele leven dan ook geen enkel avontuur.
Waarom vertel ik dan over hem denk je misschien? Wel, omdat hij een heel lieve zus had. Ze heette Mientje, en ze woonde met haar man en kindertjes in een kleine molen buiten Aardmannetjesstad. En om die kindertjes gaat het nu precies. De oudste zoon Jan wilde molenaar worden, en de grootste liefde van zijn kleine zusje Nicky was dieren, in alle soorten en maten. Zij wilde dierendokter worden en dan later met een boer of boswachter trouwen, zodat ze de hele dag beesten om zich heen zou hebben.
Maar tussen deze twee in zat de tweeling. Tsja, de tweeling. Blim en Blam. Hun schoolmeester zei altijd dat ze voor galg en rad zouden opgroeien. Ze waren de ondeugendste kinderen die hij ooit in de klas had gehad (en hij stond al 83 jaar voor de klas!). En wie in hun dorpje was niet voor de gek gehouden door de schavuiten. Toch waren ze wel geliefd, door hun goede hart en de vele dingen die ze voor iedereen deden. Blim en Blam waren altijd samen, ik geloof niet dat iemand in het dorp ze ooit apart heeft gezien. Het was zelfs niet duidelijk wie er nu eerst was geboren, het leek wel of ze er tegelijk waren. Niemand kon ze ook uit elkaar houden, ze leken op elkaar als twee druppels water in het donker. Daar hielden ze iedereen altijd mee voor de gek, door elkaars kleren aan te trekken (ook al waren die bijna helemaal hetzelfde) en te doen alsof ze de ander waren. De meester op school gaf ze daarom maar altijd samen en tegelijk straf, zonder uit te zoeken wie wat had gedaan. Blim en Blam waren daar erg verontwaardigd over, er was toch altijd ééntje die niets had gedaan! (Dat ze alle plannen samen verzonnen en ééntje het wel had gedaan vergaten ze dan maar even).
Er waren slechts twee mensen op de wereld die Blim en Blam zonder de minste twijfel uit elkaar konden houden. Dat waren hun moeder en hun zusje Nicky. Hoe Blim en Blam ook probeerden, het is ze nooit gelukt die voor de gek te houden.
Behalve grappen en streken verzinnen, was de grootste hobby van de jongens de prachtige verzameling dikke oude boeken lezen die in de schoolbibliotheek stonden. Het was begonnen toen Blim en Blam weer eens straf hadden gekregen en moesten nablijven op school. Ze verveelden zich, en begonnen de prachtige prenten in de boeken te bekijken. Maar al gauw waren ze niet meer uit de bibliotheek weg te slaan, ze verslonden de spannende reisverhalen in vreemde landen, de boeken over bekende en onbekende beesten, de sagen over de drakendoders uit vroegere eeuwen, de fantasieverhalen over een vreemde wereld waar wezens die "mensen" heten zouden wonen, en natuurlijk al die prachtige boeken over geheimzinnige natuurkundige en scheikundige experimenten.
Gelukkig begonnen Blim en Blam deze experimenten niet direct na te doen. Ze namen zeker vijf minuten bedenktijd, voordat ze ermee aan de slag gingen. Vooral aan het maken van bruisende brouwseltjes met wilde kleuren en geuren volgens de recepten in de Alchemistenalmanak beleefden ze erg veel plezier. Tot ze op een slechte dag twee krachtige vloeistoffen mengden zonder eerst alruin toe te voegen, en zoals je begrijpt gaf dat een kwalijke ontploffing. Gelukkig moest het dak van de school toch al vervangen worden, maar zelfs Blim en Blam waren wel geschrokken toen ze zo'n honderd meter de lucht in vlogen. Nou zijn aardmannetjes heel sterke wezentjes, maar dit had toch wel slecht kunnen aflopen. Tenminste, als er niet toevallig net een Grote Vogel voorbij was gevlogen.
Grote Vogels zijn hele grote vogels. Ze zijn zo groot als onze arenden, dus je begrijpt hoe groot ze wel niet leken voor die kleine aardmannetjes. Eén van deze vogels, Vogel Golgoda, was net onderweg naar zijn zomernest in de Hoge Bergen, toen hij onder zich een grote dreun hoorde, en meteen daarna dakpannen, regenpijpen, een schoorsteen en twee kleine schreeuwende mannetjes voor zijn snavel langs zag vliegen.
"Gaan jullie ook naar jullie zomernest ?" vroeg hij beleefd, maar toen hij als antwoord alleen maar "Help!, Help!" kreeg, begreep hij dat deze vreemde vogels in nood verkeerden. En hoewel zijn moeder altijd gezegd had dat hij niet met vreemden moest aanpappen, en hij ook nogal verlegen was, reageerde hij toch bliksemsnel. Met één slag van zijn grote vleugels zette hij een duikvlucht in, tot hij onder de vallende mannetjes kwam en hij weer omhoog vloog – met twee beduusde aardmannetjes op zijn rug. Maar al na enkele seconden waren Blim en Blam weer zo druk als altijd;
"Gaaf, Cool, Vet, Harder, Hoger, Lager" gilden ze door elkaar terwijl ze opgewonden om zich heen keken.
Golgoda daalde echter onverstoorbaar neer en lande vlak bij de molen. Mientje was ondertussen al naar buiten gerend toen ze de klap had gehoord, en kon haar zoontjes dus zo in ontvangst nemen. Nadat ze de twee een klets voor hun oren had gegeven, en daarna enorm had geknuffeld, en ze niet wist of ze moest huilen of lachen, kwam ze weer een beetje tot zichzelf en bedankte de Grote Vogel uit het diepst van haar hart. Snel haalde ze een zak graan, het lievelingsvoedsel van Grote vogels.
Hoewel ze het niet wisten, was dit het begin van de grote vriendschap van Blim en Blam en Golgoda. Hoe dat komt vertel ik je later, nu laadde Golgoda alleen maar de zak op zijn rug, bedankte en groette Mientje en Blim en Blam, en vloog snel weg. Hij was tenslotte erg verlegen. Vlak voordat hij boven de bomen uit het zicht verdween, riep hij nog iets naar beneden. Mientje, die al wat doof werd, zei tegen haar zoontjes: wat was dat nou voor gedichtje?" Blim en Blam haalden hun schouders op, maar ze hadden wel degelijk verstaan wat de grote vogel had geroepen: "Als je me zoekt, vind de roek, geef hem mijn naam, ik kom er aan"


Op een dag, een paar weken na deze gebeurtenis, gebeurde er opeens heel veel tegelijk.
Mientje kreeg een brief van haar broer – hij klaagde daarin dat hij steeds meer werk kreeg en dat hij eigenlijk een knecht nodig had.
De schoolmeester zei, nadat hij in een inktpot was gaan zitten die opeens op zijn stoel stond, dat Blim en Blam alles wisten wat ze op school konden leren, en stuurde ze voorgoed naar huis.
En buurman Vinkelkool, die ontdekte dat Blim en Blam's lievelingsvarken zijn hele wintervoorraad radijzen had opgegeten, kwam met een rekening van 100 florijnen naar hun ouders.
Er veranderde die avond plotseling heel wat. Blim en Blam waren erg opgewonden dat ze in de stad zouden gaan wonen, hoewel het werk in de bakkerij ze nogal saai leek. Aan de andere kant dachten ze daar niet meer zo snel een pak op hun billen te krijgen – tjonge wat deden die tikken van hun vader een pijn. En in de stad gebeurde altijd wel wat – beter dan dat saaie dorp en die nog saaiere school. Natuurlijk zouden ze hun ouders en broer erg missen – maar eigenlijk was het alleen het afscheid van hun zusje waar ze veel verdriet van hadden.
Na een nacht waarin heel weinig geslapen werd, vertrokken ze de volgende morgen al in alle vroegte met hun vader in de postkoets naar Lommerwijk. Ze beloofden hun moeder en zusje heel vaak te schrijven, ze werden wel twintig keer opnieuw geknuffeld en gezoend, en ze hadden allebei erg veel last van stof in hun neus en ogen, want anders snap ik niet waarom ze steeds in hun ogen moesten wrijven en snuffelen.
Titel: Hoofdstuk 3 – Prinsessen en chocolade broodjes…
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:40:15
De eerste weken van Blim en Blam in Lommerwijk leken razendsnel voorbij te vliegen. Zoveel nieuwe dingen! Een nieuwe stad, heel veel nieuwe mensen, een nieuw huis (Nou ja nieuw, oom Boekes huis was eigenlijk stokoud). De broertjes kregen daar een kamertje boven de ingang van de winkel, van waaruit ze uitkeken over de paleistuinen en net de torens van het paleis verderop konden zien.
En dan het werk! Dat was wel wennen. Geen lolletjes meer met hun vriendjes, geen propjes naar de meester schieten, geen meisjes aan hun staarten trekken. Maar tot hun verbazing merkten Blim en Blam dat ze eigenlijk het leren zelf ook erg misten. Terwijl ze altijd hadden uitgekeken naar het moment dat ze van school konden, misten ze nu de boeken, de kaarten aan de wand, de wijze woorden van de meester die haast elke vraag kon beantwoorden, de spanning van het oplossen van sommetjes, of het onderzoeken van drakeneieren in de biologieles, of ...... Maar als ze dan zo stonden weg te dromen riep hun oom Boeke ze al snel weer wakker, want het was heel erg druk in de bakkerij. De hele dag door werd er gewerkt, als er geen deeg gekneed werd, werd er wel gebakken, of juist opgeruimd, of moesten gist en meel gesjouwd worden, of brood rondgebracht worden naar klanten.
De eerste dagen vonden Blim en Blam alles nog enorm spannend, maar na twee weken begonnen ze al heel anders over het werk te denken. Het viel ze op dat er nog geen enkel spannend avontuur in de bakkerij was gebeurd, en de kans dat dat snel ging gebeuren leek hun erg klein.
"Jongens, het went van zelf" riep oom Boeke dan vrolijk uit, maar Blim en Blam geloofden niet dat ze ooit aan iets gingen wennen wat ze zo saai vonden. Hoe dit zou zijn afgelopen weet ik niet, want Blim en Blam hadden ondertussen al 's avonds in bed een heleboel mogelijkheden besproken om kattenkwaad in de bakkerij uit te halen. Gelukkig heeft hun oom Boeke nooit ontdekt wat een enorme belhamels onze broertjes waren. Want net op de dag dat Blim en Blam besloten hadden te gaan onderzoeken wat er gebeurt als je de suiker op brood verwisselt met zout, viel Sprekkop aardmannetjesland binnen en nam koning Zoetbaard gevangen.

Die ochtend was nog heel gewoon begonnen met het bakken van vers brood. Maar daarna liep alles anders dan normaal. Blim en Blam waren net in de winkel gaan helpen met het uitstallen en verkopen van het brood, toen er twee blonde meisjes de winkel binnenstapten. Boeke en de andere hulpen waren net in de bakkerij, dus Blim en Blam draaiden zich om om netjes te vragen war er van de dames hun dienst was, zoals ze dat van Boeke geleerd hadden. "wat is er van uw....." begon Blim, en toen kon hij niets meer uitbrengen. Blam zei helemaal niets, als je tenminste "uh......" niet meerekent. Zo stonden onze broertjes als verstijfd te staren, hun monden open, hun ogen als schoteltjes, naar de twee mooiste meisjes die ze in hun leven ooit hadden gezien.
Nu moet ik je vertellen dat Blim en Blam meisjes eigenlijk maar superstom vonden. Niet natuurlijk hun zusje, maar andere meisjes konden allen maar giechelen  en over kleren praten, terwijl ze nooit wilden meedoen met leuke wilde spelletjes of kattenkwaad.
Maar daar konden ze zich op dit moment niets van herinneren, zelfs niet toen de beide meisjes na een korte stilte begonnen te giechelen.
"Wat een beleefde bediening hebben ze hier" riep het ene meisje vrolijk uit. "Laten we dan maar extra veel bestellen" riep de ander. "We willen graag twee dozijn chocaladebroodjes, en drie kaascroisants graag".
"Jjjj..eh Ja mevrouw" stotterden Blim en Blam tegelijk, en botsten toen tegen elkaar aan omdat ze allebei een andere kant opliepen. Hierdoor moesten de meisjes nog harder lachen. Toen kreeg één van de meisjes, met een rode strik in haar haar, medelijden, en ze zei "ah jongens, rustig maar hoor. Zijn jullie nieuw hier, we hebben jullie nog niet eerder gezien?"
Blim zei later tegen Blam dat hij nog nooit zo'n mooi geluid had gehoord als haar stem, maar Blam was het daar niet mee eens, hij vond namelijk de stem van het andere prinsesje nog veel mooier. Die zei namelijk toen de jongens nog steeds niets konden uitbrengen "dat zijn natuurlijk Boeke's neefjes, hij vertelde toch dat die bij hem kwamen werken."
Ze draaide zich weer naar Blim en Blam toe en zei vriendelijk "Dit is Maria, en ik ben Luisa. We wonen hier vlak bij". Eindelijk konden Blim en Blam weer wat zeggen. "Wij zijn Blim en Blam". "Wacht eens" zei Maria "ik heb jullie naam eerder gehoord. Zijn jullie niet degenen die een hele school hebben opgeblazen?" De meisjes hadden dat verhaal van hun vader gehoord, toen hij zich weer eens over de jeugd van tegenwoordig had beklaagd. Opeens keken de twee meisjes met ontzag naar Blim en Blam, want ook zij hielden eigenlijk niet zo van school gaan. Ze vroegen Blim en Blam naar alle details, en al gauw was het ijs gebroken. Binnen de kortste keren praten de vier honderduit over allerlei streken die ze hadden uitgehaald, en over hoe stom meesters op school waren, en hoe ouders nooit begrepen dat ze helemaal niet van alles hoefden te leren.
Blim wilde net aan Maria vragen wat voor werk haar vader deed, toen Boeke de winkel binnenkwam vanuit de bakkerij. Toen hij de beide meisjes zag reageerde hij erg raar. Hij boog helemaal naar voren, wat erg lastig ging door zijn dikke buik, en zei op een plechtige toon die Blim en Blam van hem nog niet hadden gehoord "Welkom uwe hoogheden. Wat een eer dat u vandaag zelf komt, wat is er van uw wens?".
Voor de tweede keer die dag waren Blim en Blam totaal beduusd. "Waarom.." begonnen ze, maar Boeke onderbrak ze, en stuurde ze naar achteren om de bestelling op te halen, die al klaarlag op de koninklijke plank. Maar voordat Blim en Blam iets hadden kunnen doen of zeggen, werd de deur van de winkel opengegooid en kwam er een lakei naar binnen stormen. Maar ach, wat zag deze normaal zo keurige en statige bediende er uit. Zijn pruik was van zijn hoofd gevallen, zijn gezicht was vuurrood, en hij was buiten adem. Hij was van het paleis naar de winkel gerend, en daardoor helemaal buiten adem. "Prin –hijg – ses – hijg – sen – hijg - ..  Kom Tinus, riep Luisa, haal eens even goed adem voordat je verder praat. De lakei wachtte even, en riep toen uit " er is geen moment te verliezen, u moet zich snel verbergen, de kleimannetjes zijn Aardmannetjesland binnengevallen, en hebben uw vader en de totale hofhouding gevangen gezet. Verberg u snel"
Het was even doodstil. De meisjes waren te ontzet om iets uit te brengen. Toen sprak Boeke, en Blim en Blam keken hem verrast aan. Zijn stem klonk heel anders dan ze van hem gewend waren. Normaal sprak hij zachtjes en vriendelijk, maar nu was zijn stem plotseling heel kortaf en direct.
"Tinus, ga direct verder, als je gevolgd bent trek je alleen maar de aandacht. Probeer de stad te ontvluchten, en verberg je in het Wilde woud, bij de oude molen. Nu direct, ga, ik zorg voor de prinsessen". De lakei zei niets meer, maar deed wat hem gezegd werd. Hij rende de winkel uit, verder de straat in. En net op tijd, daar kwamen al wat kleimannetjes die hem gevolgd waren voorbij rennen. Gelukkig hadden ze hem niet de winkel zien uitkomen en keken ze niet opzij. Boeke spong naar de deur en sloot hem goed af. Toen nam hij beide prinsessen bij de hand en riep tegen Blim en Blam " kom mee". Ze liepen de bakkerij in, waar Boeke naar de grote oven liep. Daarnaast was een kleine nis, waar een oude oven zat die niet meer in gebruik was. Boeke pakte de hendel van de ovendeur vast, maakte wat snelle bewegingen, en opeens schoof de hele oven opzij. Erachter werd een donkere gang zichtbaar. "Deze oude gangen lopen onder de hele oude stad" zei Boeke,"er gaat er zelfs een naar het paleis. Blim en Blam, steek die fakkels die daar hangen aan, en neem de prinsessen mee. Na vijftig meter kom je bij een splitsing. Ga daar naar rechts, en je komt dan in een hele lange gang. Na ongeveer een half uur lopen eindigt die bij een deur. Trek drie maal snel achter elkaar aan de hendel die daar aan zit, je kan er dan uit en bent in de oude molen in het wilde woud. Wacht daar op bericht. Ga nu snel, en loop door, de fakkels branden maar 40 minuten."
Blim en Blam hadden wel duizend vragen, maar de toon van de stem van hun oom weerhield hen ervan iets te zeggen. Ze knikten alleen, pakten de fakkels en staken ze aan in de oven. Bijna vanzelf pakte Blim de hand van Maria en Blam die van Luisa. De beide meisjes hadden nog steeds niets gezegd, maar Boeke richtte zich nu naar hen en zei "wees niet bang. We zullen jullie vader bevrijden, en Blim en Blam zorgen voor jullie". Blim en Blam voelden zich zwellen van trots, hoewel ze geen idee hadden wat er precies te gebeuren stond.
Ze liepen met de prinsessen iets verder de gang in, en keken hoe Boeke na een laatste groet de toegang weer achter hun sloot. Ze keken nog een laatste moment naar de zware deur. Allebei de jongens hadden het gevoel dat het dichtvallen van die deur ook het einde van hun onbezorgde jeugd betekende.
Tegelijk draaiden ze zich om, grepen de prinsessen en hun fakkels stevig vast, en gingen op weg.
Titel: Hoofdstuk 4 – De redders van aardmannetjesland.
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:41:27
Blim en Blam en de prinsessen kwamen zonder verdere avonturen bij de oude molen aan. Die lag diep in het ontoegankelijke Wilde woud. Het was een dichtbegroeid bos, en de aardmannetjes uit Lommerwijk niet graag kwamen. Er gingen geruchten over heksen en tovenaars, hoewel niemand die ooit gezien had.
De oude watermolen was een al sinds mensenheugenis verlaten ruïne. Maar toen onze helden de geheime gang uitkwamen, ontdekten ze dat de kamers in de molen comfortabel waren ingericht, dat de haard vol lag met droog hout en dat er in een keldertje bij de oude keuken allerlei etenswaren te vinden waren.
Later hoorden ze van hum oom, dat juist wegens de dreiging van de kleimannetjes, de geheime gangen altijd in stand waren gehouden, en dat een tiental getrouwe aardmannetjes een geheim genootschap vormde wat waakte over het gangenstelsel. Helaas had de koning er geen gebruik van kunnen maken.

Onderweg hadden de vier weinig gezegd. Maar nu ze bij een comfortabel haardvuur hun honger stilden aan worst en gedroogde koeken, kwamen hun tongen weer los. Blim en Blam waren nog steeds van slag door de ontdekking dat hun nieuwe vriendinnen echte prinsessen waren. Maar er was daarna zoveel gebeurd, en Maria en Luisa waren zo verdrietig en ongerust over het lot van hun vader, dat het al snel leek alsof de vier elkaar al vele jaren kenden. Blim en Blam probeerden de meisjes te troosten en gerust te stellen. Maar hoe beter ze daar in slaagden, hoe bozer ze werden op de kleimannetjes.
Toen na een tijdje de beide meisjes gingen slapen, op een paar zachte matrassen die in een klein zijkamertje lagen, bleven Blim en Blam doorpraten.
Ze wilden iets aan de situatie doen, en hoe later het werd hoe wilder hun ideeën. Terwijl ze opgewonden debatteerden, hoorden ze plotseling vlak achter zich iemand lachen. Ze vielen bijna van hun stoel van schrik, tot ze zagen dat Boeke achter hen stond, samen met de lakei Tinus. Die twee hadden elkaar in het woud getroffen, toen ze elk via een grote omweg op weg waren naar de molen. Ondanks hun grote schrik waren Blim en Blam erg blij dat ze veilig bij hen waren gekomen.
"Jullie zullen hier een tijdje moeten vertoeven" zei Boeke, "ik hou de winkel open, niemand mag onraad vermoeden, ondertussen passen jullie hier op de prinses. Ik maak zo weinig mogelijk gebruik van de geheime gang, dat kan teveel opvallen in de bakkerij. Ik ga nu dus weer met een omweg door het bos terug." Zijn neven hadden nog vele vragen, maar Boeke zei dat ze nodig moesten rusten, en hij moest terug om brood te bakken. De vragen zouden later wel komen.
Na een kort afscheid vertrok Boeke weer. Tinus ging direct slapen, maar Blim en Blam konden nog steeds niet aan slapen denken. Ze waren nu rustiger geworden, en praten nog lang door. Pas tegen het ochtendgloren zochten ze hun matrassen op .... Met een kant en klaar plan in hun hoofd!
Titel: Hoofdstuk 5 – Het plan van Blim en Blam.
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:42:04
De volgende morgen na het ontbijt, praten Blim en Blam lang met Tinus, en de twee prinsessen. Ze moesten praten met Brugman, vooral om Tinus te overtuigen hen te helpen met hun plan. De trouwe lakei wilde eigenlijk eerst alles met Boeke bespreken, maar Blim en Blam vonden dat dat veel te lang zou duren. Ik weet niet of  het ze gelukt zou zijn Tinus te overtuigen, maar een feit is dat de beide prinsesjes ondertussen erg onder de indruk waren geraakt van de broertjes. Maria keek daarom Tinus met haat allerliefste lachje smekend aan, en daarna kietelde Luisa hem in zijn nek, waar hij helemaal niet tegen kon. Toen hij merkte dat de prinsessen beslist verder wilden met het plan, stemde hij toch maar grommend in.

Iedereen ging direct aan het werk. De twee prinsessen doken de grote klerenkast in die in een hoek stond, en begonnen van de vele oude kleren die erin hingen twee vreemde combinaties samen te stellen. Tinus was vroeger bode geweest tussen aardmannetjes en kleimannetjes land. Toen Sprekkop daar nog koning was, werd er nog wel eens een ijzig beleefd bericht uitgewisseld tussen de twee vorsten. Tinus kende daarom kleimannetjes land goed, hij had er zelfs nog wat vrienden aan overgehouden in de herbergen langs de route tussen de twee hoofdsteden. Maar hij wist ook precies hoe de koninklijke correspondentie van de kleimannetjes eruit zag, en het handschrift van Sprekkop kende hij van het enige briefje dat die, toen hij koning werd, aan Zoetbaard had geschreven.
(Dit had hij geschreven:

Soetbaart ik vint jouw stom en ik wort lekker de baas van jou stomme lantje wachd maar hoor sufbaart!
Geen groetjes van spekkr sprekkro  sprokrep nouw ja van mei.


Zoetbaard had dit zuchtend weggegooid, had hij hier maar beter opgelet!)

Tinus ging met een inktpot, ganzenveer en een stuk perkament in een hoekje aan tafel zitten, en begon mompelend te schrijven.
En Blim en Blam? Die liepen de trap op naar de zolder van de molen, en van daar met een gammele ladder naar een luik dat ik de nok van de molen was aangebracht. Hierdoor kwamen ze op wiebelig plateautje. Ze hadden hier de dag ervoor wat kraaien zien zitten, en inderdaad, half in het riet van het dak verscholen hing een groot nest. De bewoners waren luid krassend opgevlogen toen de tweelingen op het dak verschenen, en begonnen dreigende glijvluchten over hun hoofden te maken. Maar toen onze helden met een beetje bibberende stemmen begonnen te praten, veranderde hun gedrag meteen. Blim en Blam zeiden maar één woord, en direct lande de grootste van de kraaien voor hun voeten. Het leek wel of hij ze vragend aankeek. Blim voelde zich nu wat zekerder, en herhaalde het woord. Direct daarna vloog de kraai op, en verdween snel over de toppen van de bomen.

Blim en Blam daalden weer af naar beneden, waar Tinus ondertussen klaar was met zijn werk. Hij had zich ook al weer in zijn officiële lakei uniform gehesen. Hij nam hartelijk afscheid van de twee prinsessen, en drukte Blim en Blam op het hart voorzichtig te zijn. Na een laatste ferme handdruk, opende hij de geheime ingang van de onderaardse gang, ontstak een fakkel, en verdween snel in het duister.
De vier achterblijvenden bleven even stilletjes staan peinzen. Toen zei Blam "We moeten ons verkleden, hij kan hier snel zijn" en de anderen knikten. Ze liepen nu naar de kamer waar de prinsessen de kleren hadden klaargelegd. Maar ach jee, wat een armoedige lompen. Het leek wel of de meisjes de meest kapotte en oude lorren hadden uitgezocht. Toen Blim en Blam zich snel omkleedden, moesten Luisa en Maria onbedaarlijk giechelen. "Wat zien jullie er uit, jullie lijken wel kleimannetjes" proestte Luisa. Blim en Blam lachten als boertjes met kiespijn, en Blim zei snel "laten we maar gaan middageten, we moeten strak weg".
Ze gingen gezellig buiten op de bankjes bij de molen zitten en aten snel wat koek.
Net toen ze hun laatste happen wegkauwden, gebeurde er iets vreemd.
Het werd opeens donkerder, en er klonk een vreemd geluid boven hun hoofden. Maria keek omhoog en gilde, terwijl Luisa stilletjes flauwviel en achterover tussen de rozen viel.
Zelfs Blim en Blam waren enorm geschrokken, maar hun schrik veranderde snel in uitgelaten vreugde.
"Golgoda, je bent toch gekomen" gilden ze om het hardst. De grote vogel, die met zijn enorme vleugels de lucht had verduisterd, lande zacht als een veertje op het mos voor de molen. "Hallo vriendjes", zei hij vrolijk, "ik ben meteen gekomen toen ik hoorde dat jullie me riepen. Jullie hoefden inderdaad alleen maar mijn naam tegen Roek de kraai te noemen, dat werkte goed hè? Maar wat is er aan de hand, en wie zijn jullie vriendinnetjes?"
Blim en Blam keken nu pas weer naar de prinsesjes. Maria had zich verstopt onder de bank, en Luisa's verschrikte hoofdje dook net op tussen wat rozenstruiken. "Dit is onze vriend Golgoda"zeiden ze trots, en tegen de vogel "en dit zijn onze prinsessen, en we gaan hun vader redden, en aardmannetjesland, en jij moet ons helpen Golgoda".
Nadat ze de prinsessen weer tevoorschijn hadden geholpen, begonnen ze snel hun vriend het hele verhaal te vertellen. Algauw werden ze geholpen door de twee meisjes, zodra die ontdekt hadden dat Golgoda een hele lieve en verlegen vogel was.

Nadat hij alles had gehoord, beloofde Golgoda dat hij hen zou helpen. En omdat er verder niets meer viel voor te bereiden, besloten Blim en Blam en Golgoda direct op pad te gaan. Terwijl Golgoda discreet tussen zijn staartveren zat te plukken, namen de broertjes afscheid van de prinsesjes. Blim gaf Luisa een hand, en Blam Maria. Maar daarna wisselden ze van plaats, en opeens ging het afscheid nemen een stuk langzamer. Het leek wel of ze alle vier verbrand waren in de zon, zo'n rood hoofd hadden ze opeens. En wat hakkelden en stotterden ze, terwijl ze normaal zo'n praats hadden. Gelukkig deed Maria opeens iets waarvan ze niet eens wist dat ze dat wilde doen. Ze stapte naar Blim toe en gaf hen een dikke zoen, zomaar op zijn mond. Luisa deed snel hetzelfde bij Blam, en daarna renden de meisjes giechelend naar binnen.
Blim en Blam klommen met vuurrode hoofden op de rug van Golgoda, en ze leken maar nauwelijks te merken dat ze opstegen, zo ingespannen tuurden ze naar de ramen van de molen. Golgoda steeg grinnikend omhoog, maar hij zei niets en liet de broertjes rustig bijkomen.
"Hoe lang is het vliegen?" vroeg Blim tenslotte. "We zijn wel een uur of drie onderweg, maak het jullie maar gemakkelijk hoor" antwoordde Golgoda. Dat deden de jongens, maar veel rust hadden ze niet. Het vliegen was natuurlijk een enorm avontuur, maar daar kwam bij dat toen ze het bos achter zich lieten, een weids uitzicht over hun land hadden. Normaal een prachtig gezicht, maar nu hadden ze vooral oog voor de enorme groepen kleimannetjes soldaten, die overal leken rond te hangen. Overal zagen ze kleine stipjes beneden zich, die zich ongeordend over hun land leken te verspreiden. "We moeten er wat aan doen" riep Blam verontwaardigd uit, en Blim was woedend. Hij begon zijn schoen van zijn voet te rukken om hem op de hoofden van die afschuwelijke kleimannetjes te gooien.
"Rustig maar jongens" zei Golgoda, "we gaan er toch juist wat aan doen. Verlies je hoofd nu niet. En kijk maar eens goed, er zijn er wel veel, maar er zit geen enkele organisatie in. Dat kleimannetjes leger stelt niet veel voor". Dit stelde Blim en Blam weer wat gerust, en ze vlogen zwijgend verder.
Na een poosje vliegen vielen de broertjes, verwarmd door de warme zon, in een onrustige slaap. Blim droomde over vliegende schonen met kleimannetjes erin, terwijl Blam in zijn droom heldhaftig prinses Luisa bevrijde uit de klauwen van een draak.
Toch waren beiden opgeknapt, toen Golgoda na enkele uren vliegen de jongens wakker maakte. Hij was ondertussen boven Kleimannetjesland aangekomen, en was heel laag boven de grond gaan vliegen. "Hier moet het ergens zijn, Tinus had toch tegen jullie gezegd zo'n 10 kilometer na de Gierenberg, bij het Dodehout bosje?". Op hetzelfde moment zag Blim de plek die ze zochten. "Kijk, daar is een gebouw, dat moet de herberg zijn!".
Golgoda landde zachtjes achter de herberg, en Blim en Blam sprongen van zijn rug. Ze renden naar de ingang, die afgesloten was een zware houten deur. Blam bekeek het briefje wat Tinus had gemaakt, en klopte toen eerst twee maal hard, en daarna drie maal zachtjes op de deur. Na 10 seconden herhaalde hij dit nog eens.
Vrijwel direct daarna ging de deur piepend open. Voor hen stond een oud kleimannetje, wat hun wantrouwend aankeek. "We komen met een bericht van Tinus" zei Blim zenuwachtig, "u moet ons helpen!" . Met krakende stem vroeg het kleimannetje "Wat moet dat monster daar?", terwijl hij naar Golgoda wees. "Dat is onze vriend, hij heeft ons hier gebracht. Hij gaat zo weer weg als hij weet dat we veilig zijn".
Grommend deed het mannetje een stap opzij. "Kom dan maar binnen, vrienden van Tinus zijn mijn vrienden".
Het was behaaglijk warm binnen, maar behalve de waard en zijn vrouw was er niemand. Al snel begrepen Blim en Blam dat bijna alle kleimannetjes waren opgeroepen voor het leger, alleen degenen die dat niet wilden waren achtergebleven, maar die hadden zich goed verstopt want de straf voor desertie was verschrikkelijk.
Met een grote kop warme varkenssoep voor hun neus, vertelden de jongens hun verhaal. Terwijl Blim probeerde stiekem een hap van het verschrikkelijke bocht (dat het lievelingseten is in Kleimannetjesland) onder de tafel uit te spugen, vertelde Blam het hele verhaal. Hij legde het plan uit wat ze verzonnen hadden, en vroeg tenslotte "maar weet u waar Brobrop is? Ons plan kan alleen werken als hij ons helpt".
"Ik zal jullie helpen", zei een stem achter hen. De jongens sprongen verschrikt op, want uit een oude kast die in een hoek stond, kwam plotseling een heel dik jong kleimannetje tevoorschijn. "Ik ben Brobrop, en ik help jullie, omdat dit ook de kans is Kleimannetjesland te bevrijden.". Het bleek dat de prins in de buurt gevangen was gehouden op een verlaten varkensboerderij. Hij was zijn bewakers ontvlucht tijdens de chaos die ontstond toen alle kleimannetjes onder de wapenen werden geroepen. Een geheime organisatie van de weinige kleimannetjes die in verzet durfden te komen tegen de slechte koning hadden hem geholpen, en hij was tijdelijk ondergebracht in een geheim vertrek in de herberg van de oude Grubrol, de waard. Dit kwam natuurlijk erg goed uit, en al snel zaten de jongelui en Grubrol ingespannen te overleggen. Gelukkig konden ze het goed met elkaar vinden, want Brobrop bleek een slimme, vrolijke en dappere jongen. Ze waren het snel eens over wat ze de volgende dag gingen doen. Nadat ze Golgoda op de hoogte hadden gesteld, nam de grote vogel afscheid, en ging een nest maken in het nabijgelegen bosje.
Na nog een laatste kop varkensthee gingen ook de jongens vroeg slapen, de volgende dag zou er één vol gebeurtenissen worden.
Titel: Hoofdstuk 6 – De bevrijding van Kleimannetjesland!
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:43:24
Brobrop en de broertjes werden al om 4 uur door Grubrol gewekt. De oude man was de hele nacht op stap geweest, en toen de jongens opstonden ontdekten ze dat de hele gelagkamer van de herberg vol zat met kleimannetjes. Toen die Brobrop zagen, ging er een luid gejuich op.
Brobrop nam het woord. "Vandaag is een belangrijke dag, mijn vrienden. Vandaag gaan we Kleimannetjesland bevrijden van de terreur van Sprekkop! Dit zijn mijn vrienden Blim en Blam, en zij zullen ons helpen.
Let op, dit is ons plan: Vanmorgen zal er in het hele land een bevel van de koning worden verspreid. Er zal in staan dat iedereen al zijn varkens moet slachten, en het vlees naar aardmannetjesland moet sturen". Er ging na deze woorden een golf van verontwaardiging door het zaaltje. Nu moet je weten dat het varken voor de kleimannetjes het belangrijkste bezit is dat hij heeft. De meeste kleimannetjes zijn norse egoïstische wezens. Het enige waar ze oprecht om geven zijn hun varkens. Natuurlijk omdat ze dol zijn op alle voedsel die je van varkens kan maken, maar vaak ook leken de varkens de enige vrienden van de kleimannen te zijn. Ze werden dan vaak ook pas gegeten als ze van ouderdom waren gestorven, wat deels verklaarde waarom alle eten in Kleimannetjesland zo verschrikkelijk vies en oudbakken smaakt.
Het afnemen van zelfs maar één varken van een kleimannetje was al een misdaad waarop de dood stond. En om te bevelen dat alle varkens geslacht afgegeven moesten worden om daarna geslacht te worden, was een daad van totale waanzin, zelfs in de ogen van de grootste vrienden van Sprekkop. Nou had die eigenlijk geen vrienden, dus dat zegt niet zoveel, maar je kunt je voorstellen wat de reactie was bij de andere kleimannetjes.

Die ochtend in alle vroegte was een koerier uit aardmannetjesland aangekomen, met een speciale proclamatie van Sprekkop, die die ochtend nog op 100 plaatsen in het land moest worden voorgelezen:

Stomme sgaapkoppe,
Ik ben lekker koning en ik vint varkens stom en jullie make se alemaal maar lekker doot en dan sture jullie mei het vlees en dan vreet ik dat op lekker puh.
Geen groete van mei, koning van aartmaanedjeslant en dat stomme klijmannetjeslant

100 Speciale bodes leerden het bericht uit hun hoofd, en trokken het land in. Maar oh jee, wat keken ze sip. Iedereen vond het een verschrikkelijk bericht, en toen het klokslag 10.00 uur volgens bevel overal was voorgelezen (nou kunnen kleimannetjes erg slecht klok kijken, dus de eerste bode begon al om kwart over zeven, en de laatste was om half twaalf nog niet eens begonnen) ontstond er overal onrust.
Wat daarvan was gekomen weet ik niet, want de kleimannetjes zijn nogal dom. Maar gelukkig waren overal in de massa's toehorenden kleimannetjes die de leiding namen. "We nemen dit niet" riepen ze, "we willen Brobrop als koning, die zou zoiets nooit doen".
En toen riepen ze:

"Sprekkop varkensmoordenaar,
maak je eigen varken maar klaar,
wij willen een echte koning,
laat Brobrop terug in zijn woning".


Al snel riep iedereen deze leuzen, en aangevuurd door de vrienden van Grubrol (want die waren het natuurlijk, dat had je al gesnapt), trokken vanaf honderd plaatsen grote menigtes naar het kasteel van de koning. Het waren vooral vrouwen, kinderen en bejaarden, maar het waren er wel héél veel.
De laffe bewakers van het kasteel vluchten dan ook direct weg toen ze zagen dat het volk in opstand kwam. Onder enorm gejuich van de mensenmassa's, trok Brobrop, vergezeld van zijn vrienden van het verzet, en Blim en Blam, het kasteel binnen.
Brobrok klom meteen naar het balkon aan de voorzijde, om de kleimannetjes toe te spreken. En terwijl hij hen toeriep dat de heerschappij van Sprekkop voorbij was (gejuich), iedereen zijn varkens mocht houden (groot gejuich), de belastingen omlaag zouden gaan (enorm gejuich), er voor nieuwe huizen, scholen, wegen, werk, en groene parken gezorgd zou worden (door het gejuich was hij nu niet meer te verstaan, en dat is maar goed ook, want hij bleef maar dingen beloven die hij niet kom waarmaken), daalden Blim en Blam af in de kerkers van het gebouw. Helemaal onder in de kelders, vonden ze gelukkig in een kille kerker koning Zoetbaard terug. Zijn bewakers waren gevlucht, maar hadden de sleutelbossen laten liggen. Blim en Blam openden de traliedeur, en hielpen de oude koning overeind. Gelukkig was de oude man niet gewond. Je zult begrijpen hoe blij en dankbaar de koning was. Hij vroeg Blim en Blam honderduit, maar algauw zei Blim "majesteit, we hebben weinig tijd. Later zullen we alles vertellen, maar we moeten nu terug naar ons land".
Snel liepen ze met de koning naar de allerhoogste toren van het kasteel. Ze gingen op het toren balkon staan, en Blimmie zwaaide met een grote oranje zakdoek. Dit was het teken voor Golgoda, die al die tijd boven hen had gezweefd.
Hij vloog snel naar ze toe, en Blim en Blam hielpen de koning op zijn brede rug. Ze sprongen er zelf ook bij, en direct vloog Golgoda weg, nagewuifd door Brobrop en zijn helpers.

Nu hadden de jongens eindelijk tijd om de koning alles uit te leggen. Ze vertelden wie ze waren, wat er was gebeurd, en legden hun plan uit. Tinus had een toespraak van Sprekkop nagemaakt, met het varkensbevel. Hij was via de geheime gang weer naar het paleis in Lommerwijk gegaan, en had de toespraak stiekem verwisseld met de documenten in de reistas voor de dagelijkse bode. Niemand had iets gemerkt, en de bode had netjes zijn tas afgeleverd in Gigantagrau, met de bekende gevolgen.
Zoetbaard was diep onder de indruk van de moed en slimheid van Blim en Blam, en bedankte ze met tranen in de ogen.
"Koning, we zijn er nog niet" waarschuwde Blim. "Eerst moeten we Aardmannetjesland nog bevrijden!"
Maar gelukkig was ondertussen het nieuws over de varkenstoespraak van de koning ook al verspreid onder de troepen van de Kleimannetjesland die aardmannetjesland bezet hielden. Toen er daarna ook bekend was dat Sprekkop was afgezet, begon de ene groep na de andere terug te trekken naar Kleimannetjesland. De leger kolonels en generaals, die begrepen dat het was afgelopen met Sprekkop, deden hier niets meer tegen, en trokken zelf ook mee terug.
En Sprekkop? Die was wel slecht maar ook slim. Hij begreep dat hij maar beter kon verdwijnen. Hij vermomde zich in een oud soldatenkostuum, en slipte het paleis uit en dit verhaal uit (tenminste, voorlopig!).
Titel: Hoofdstuk 7 – Alles weer bij het oude – of toch niet?
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:50:44
Hoofdstuk 7 – Alles weer bij het oude – of toch niet?

Nadat Aardmannetjesland op bevel van koning Zoetbaard een week lang feest had gevierd, werd langzamerhand alles weer bij het oude. De scholen gingen weer open, tot teleurstelling van veel kleine aardmannetjes, en iedereen ging weer aan het werk. Dat was wel nodig ook, want het land was een beetje een puinhoop. De aardmannetjes hadden tijdens de bezetting niet echt hard gewerkt, terwijl de kleimannetjes veel hadden geroofd en kapot gemaakt. De boeren gingen het land weer op om voedsel te verbouwen, de molenaars begonnen weer te malen, de bakkers bakten, de kappers kapten, de slagers slachtten, zodat iedereen weer eten had.
Na een week of drie leek in het land langzamerhand weer alles zijn oude gangetje te gaan. Overal? Nee niet helemaal overal.
In de bakkerij van Boeke was veel veranderd. Een oude leerjongen van Boeke had de winkel van Boeke gekocht. Boeke was namelijk door koning Zoetbaard gevraagd om Hofdignitaris te worden. Hoewel niemand precies wist wat dat betekende, vond Boeke het wel erg belangrijk klinken. En omdat hij wel wist dat koning Zoetbaard dringend een goede adviseur nodig had, besloot hij om het aanbod aan te nemen. Hij kreeg een mooie woning op het paleis terrein, waar hij met zijn neefjes Blim en Blam introk.
En Blim en Blam? Wel, die gingen....weer naar school!
Wilden ze dat dan zul je denken? Nou, eigenlijk wel. Ze hadden tijdens hun avonturen ontdekt dat het toch wel erg makkelijk was veel te weten, en dat ze toch veel plezier hadden gehad van al die dingen die hun oude meester hen ooit had geleerd. Maar nog veel belangrijker, ze mochten samen met de prinsesjes Maria en Luisa, en nog wat andere kinderen van het hof, naar het oude schooltje dat aan het paleis was gebouwd. Ze kregen daar les van een stokoude aardman, met een enorme lange witte baard. Hij heette Benicio, en Blim en Blam vonden dat een buitengewoon eigenaardige naam. Het was helemaal een vreemde oude man, Maria en Luisa vertelden dat niemand leek te weten waar hij woonde, en niemand zag hem ooit buiten het schooltje, maar toch was hij s avonds opeens weg en s ochtends opeens terug. Hij droeg altijd een vreemde blauwe punthoed, en een paarse satijnen mantel.
De eerste keer dat Blim en Blam deze Benicio zagen, zat hij aan zijn bureau over een dik oud boek gebogen. Boeke had Blim en Blam naar het schooltje gebracht, zodat ze met Benicio konden kennismaken. Blim begon een beetje te giechelen, toen hij Benicio's vreemde hoofddeksel zag. Maar toen Benicio zijn hoofd ophief, keken Blim en Blam in de doordringendste, meest diep-blauwe ogen die ze ooit hadden gezien. Hun adem stokte in de keel, en plotseling voelden ze zich enorm klein en kinderachtig – en dat was niet een gevoel waar ze vaak last van hadden! Ze hadden het gevoel dat nog nooit iemand zo scherp, zo dwars door hen heen, zo diep in hun hoofden en harten had gekeken.
Na een minuut, die wel drie uur en een kwartier leek te duren, veranderde Benicio's ernstige uitdrukking plotseling in een vriendelijk glimlach. "Welkom jongens" zei hij met een diepe stem, "Ik zie dat wij het goed met elkaar gaan vinden. Tot morgen".
Hij keek ze nog even lachend aan, en boog zich weer over zijn boek. Blim en Blam liepen eerbiedig zwijgend, achteruit de ruimte uit. Ze waren de rest van de dag bijzonder stil, zoveel indruk had deze ontmoeting gemaakt.

En zo begon voor Blim en Blam een heel nieuw leven. En of dat behalve schoolgaan ook nog avonturen bevat – dat lees je in deel 1b!




Geweldig hè ;D

Hieronder deel 2 van Blim en Blam :o

Waar jullie natuurlijk vol spanning op gewacht hebben...
Titel: Hoofdstuk 1 – De verdwenen vuurtoren van Vermiljoen
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:51:49
Net toen het leven van Blim en Blam zo normaal en rustig en saai werd dat ze zich beslist hadden verveeld als ze de prinsesjes niet hadden gekend, gebeurde er iets opzienbarends. Het vredige leven van de aardmannetjes werd in een klap helemaal verstoord door geheimzinnige gebeurtenissen in Vermiljoen.
Dit was vanouds de enige haven van Aardmannetjesland, een slaperig klein dorpje, waar niet veel meer gebeurde sinds vele eeuwen geleden de handel met de Verre Eilanden was stilgevallen toen piraten de route onbevaarbaar maakten. Veel Aardmannetjes geloofden ondertussen eigenlijk helemaal niet meer dat de Verre Eilanden echt bestonden. In de haven van Vermiljoen lagen alleen nog wat vissersboten, maar omdat Aardmannetjes niet zo van vis hielden, hadden ze het niet erg druk. Nou vonden de meeste aardmannetjes Vermiljoen eigenlijk een vreemde en zelfs wat ongure plek, waar types met vreemde gewoonten leefden. Eigenlijk hielden Aardmannetjes helemaal niet van water, en bijna niemand kon zwemmen. De Vermiljoeners werden daarom als vreemde eenden gezien, als halve buitenlanders, vast en zeker besmet met rare gewoonten door het Verre Eilanders bloed dat nog door sommige aderen stroomde.
Door dit alles, en door Vermiljoen's geïsoleerde ligging achter de Groene Heuvels, was er weinig contact. Het duurde dan ook twee dagen voordat het hele rijk wist dat in de nacht van woensdag op donderdag de vuurtoren van Vermiljoen verdwenen was.
Nou moet je weten dat deze vuurtoren, samen met de enorme kerktoren, de trots van Vermiljoen was. Het was een enorme toren, wel 100 meter hoog (en dat ís hoog voor Aardmannetjes!!), gemaakt door oude bouwmeesters, met ondertussen vergeten bouwtechnieken, opgebouwd uit enorme blokken steen. Van buiten was hij wit met vuurrode ronde banen die elke vijf jaar door de voltallige bevolking werden opgeschilderd, en bovenop stond, trots als een kroon, de koepel met daarin de beroemde spiegels en lenzen. Hierin werden al sinds eeuwen, met uitsluitend een olielamp als lichtbron en via een mechanisme waarvan gefluisterd werd dat er tovenarij in het spel was, enorme lichtbundels over zee uitgewaaierd. Tientallen kilometers ver waren deze signalen zichtbaar, en vroeger hadden ze in de talrijke stormen voor de rotsige kusten vele schepen de weg naar de reddende veilige haven van Vermiljoen gewezen.
De toren had talloze orkanen doorstaan, en was tijdens vele aanvallen van piraten fier rechtovereind blijven staan. De laatste tweehonderd jaar was hij eigenlijk met pensioen, maar dat betekent niet dat de Vermiljoeners niet aan hem gehecht waren!
Je kan je dan ook voorstellen hoe de oude Janus Wiegerap, die die ochtend om 5 uur zoals gewoonlijk zijn ochtendwandelingetje maakte, aan de grond genageld stond toen hij de op de plek waar de toren hoorde te staan alleen nog maar wat omgewoelde aarde zag liggen – de toren was helemaal verdwenen. Geen spoor van de toren, behalve een enorm sleepspoor wat van de klif, waar de toren hoorde te staan, naar het strand verderop liep.

Janus rende op een drafje naar het huis van de burgemeester, Wieger Janerap, en bonsde buiten adem op zijn deur en ramen. Van opwinding kon hij geen woord meer uitbrengen, en Wieger dacht eerst dat Janus weer eens te diep in de jeneverkruik had gekeken.
"Te toort – te toren – te tuurvoren – weg – prievels – dievels – dieven - praten – piratenstreken" en zo had hij nog wel even door kunnen gaan, als Wieger hem niet met een glaasje water op een stoel had gezet, en zei "rustig Janus, kom eerst op adem en vertel het dan nog eens". Na een minuutje slikken zei Janus tenslotte "de toren is weg!". Wieger moest dit drie keer opnieuw horen voordat het echt doordrong, en hij met een voor zo'n dikke en eerbiedwaardige aardman ongelofelijke snelheid zelf naar de toren was gerend om dit met eigen ogen te zien. Maar toen ging het ook snel!
Na een paar minuten luiden al de noodklokken, en binnen een kwartier was het hele dorp zelf komen kijken. Gelukkig was Wieger zo slim om meteen een bericht aan de koning te sturen. Hij nam de tijd om even rustig op te schrijven wat er gebeurd was, en dit bericht werd met de snelste postduif van Vermiljoen naar de hoofdstad gestuurd.
Deze duif deed zo verschrikkelijk haar best, dat ze helemaal uitgeput boven het paleis aankwam.

Het was theetijd, en Blim, Blam en de prinsesjes hadden net even pauze tussen de lessen. Ze wandelden wat door de tuin, en Blim had net Blams muts afgetrokken en hoog in een boom gegooid. Blam probeerde deze met wat keitjes eruit te gooien, en werd steeds bozer toen dat niet direct lukte. Het gegiechel van Maria en Luisa maakte hem nog bozer, en terwijl hij keihard een steentje naar boven keilde, riep hij boos uit "Pas maar op Blim, wie wat omhoog gooit, kan wat terug verwachten.
Direct daarna stortte met enorm lawaai de postduif op zijn eigen hoofd neer. Deze was door de steen geraakt, en was door de vermoeidheid en de botsing helemaal dizzy geworden, en fladderend naar beneden gevlerkt. Gelukkig viel ze zacht op de grote bos haar van Blam, maar oh wat waren zij en Blam geschrokken! Terwijl de prinsessen en Blim gierend van de lach over de grond rolden, lagen Blam en de duif in een grote hoop te spartelen.
Na een paar ogenblikken, kreeg Maria medelijden, en tilde voorzichtig de duif op. Ze aaide het dappere beest over haar kopje (Blam keek erg jaloers toe), en riep toen opeens "Hé, een postduif, ze heeft een bericht aan haar poot!"
Blam sprong opeens overeind, en hielp haar het bericht los te maken en uit te vouwen. "Het is voor papa", riep Maria, en wilde er direct mee naar de koning lopen. Maar Blim en Blam hielden haar nog even tegen, en lazen het hele bericht. "De vuurtoren is gestolen" riepen ze tegelijk, "Hoera, een avontuur!".
Toen de koning het bericht las riep hij helemaal niet "Hoera". Integendeel, hij staarde enige tijd somber peinzend voor zich uit, voordat hij zijn ministers bij elkaar riep.
"Dit betekent enorme ellende" zei hij duister, nadat hij het nieuws had verteld. "Dit doet me denken aan verhalen die mijn oude grootvader mij vertelde toen ik een klein ventje was. Hij had ze van zijn grootvader gehoord, en hoewel hij altijd zei dat het sprookjes waren, klonk het altijd alsof ze misschien wel geen verzinsels waren. Eén keer per 12 generaties, komt er een duistere dreiging vanuit verre oceanen naar onze kusten, die de ondergang van ons rijk en ons leven zoals we dat nu kennen kunnen betekenen."
Dit gaf natuurlijk heel wat tumult, alle ministers begonnen door elkaar te roepen en praten. Na een paar minuten riep de koning om stilte, en vertelde verder.
"De verhalen liepen meestal slecht af, met een geruïneerd rijk, een volk dat in honger en armoede en onderlinge oorlogen werd gestort, een einde aan onze beschaving, die pas na generaties weer kan worden opgebouwd."
Er heerste nu absolute stilte in de ministersgroep, iedereen luisterde bedrukt toe.
"Maar in een paar gevallen, stond er vanuit de zonen van het Aardmannetjesvolk een held op, de ware koning, die het gevaar bevocht en wist te bedwingen. De legende zegt, dat ééns elke vier duizend jaar, ons volk gered zal worden door de ware koning van ons volk."
"Maar Sire, U bent onze ware koning" riepen verschillende minister uit.
"Dank jullie voor jullie vertrouwen" zei de koning somber, "maar ik ben te oud voor heldendaden, als ik die überhaupt vroeger al had kunnen vervullen. Nee, er moet een held gevonden worden om het gevaar tegemoet te treden, als dat er echt is. Maar laten we nu eerst afwachten, we weten nog helemaal niet of er echt iets ergs gebeurd is. En morgen stuur ik vijf van onze beste politiemannen naar Vermiljoen. Ga nu eerst maar rustig slapen."

Gelukkig kon de koning niet zien wat Blim en Blam op dat moment deden. Nadat ze samen met de prinsesjes de brief naar de koning hadden gebracht, waren ze weggestuurd toen de koning de ministers bijeenriep.

Op de gang, buiten de troonzaal, keken de broers elkaar aan. Het was alsof ze spraken zonder woorden. Na enkele ogenblikken knikten ze tegen elkaar, nog steeds zonder woorden.
"Maria en Luisa, we moeten nog even naar huis" zei Blim tegen de prinsessen, "tot zo hè!".
"Hé, wat gaan jullie doen?" riep Luisa nog uit, maar de broers waren al weggerend. "Doen jullie voorzichtig!" riep Maria hen na, zonder precies te weten waarom.

De broers waren ondertussen al bij de koninklijke stallen aangekomen. Daar stonden altijd diverse paarden gereed voor spoed klussen van de koninklijke koeriers. Het was er druk, ze zagen een net aangekomen koerier van zijn hijgende paard springen, terwijl twee anderen net hun paarden optuigden.
"Aardbeving in de Groene Heuvels, bij Jupypup, geen gewonden" riep de aangekomen koerier naar zijn collega's, voordat hij de stal uitrende op zoek naar de koning en de ministers.
Blim en Blam besteedden hier niet veel aandacht aan. Terwijl ze te voorschijn kwamen, riepen ze "Speciale opdracht van de koning" en sprongen op twee pas gezadelde paarden, en zonder zich te storen aan de boze uitroepen van de twee koeriers voor wie ze bedoeld waren, galoppeerden ze door de paleispoorten naar buiten.

Ze stopten kort bij hun ooms huis, waar ze wat spullen en geld ophaalden, en na vijf minuten waren ze onderweg naar Vermiljoen.
Nou weet je al dat dat een eind weg was. De broers waren rond het middaguur vertrokken, en tegen de avond beseften ze dat ze moesten stoppen. Ze waren bijna bij de Groene Heuvels aangekomen. De paarden waren uitgeput, en de weg door de heuvels was in het duister te gevaarlijk door de vele bochten en afgronden langs de weg.
Ze stopten bij het eerste dorpje wat ze tegenkwamen, en namen een kamer in de lokale herberg. Ze waren zo moe, dat ze na het eten direct naar bed gingen. En zo misten ze opgewonden discussies in de gelagkamer, over de rampen die het dorp bedreigden. Blim en Blam waren namelijk aangekomen in Jupypup, en de bevolking was erg ongerust over de aardbeving die hen die morgen had getroffen. Hoewel alleen wat boerderijen in de omgeving waren beschadigd, vertrouwden veel Jupypupers het helemaal niet!
Titel: Hoofdstuk 2 – Meer rampen…
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:52:25
Het was nacht in Jupypup, het kleine dorpje onder de Groene Heuvels, waar Blim en Blam overnachtten. Jupypup was vooral bekend als vakantieoord, waar welgestelde Aardmannetjes hun tijd doorbrachten met wandelen en baden in geneeskrachtige bronnen. Het dorp lag vlak onder de Wybil, de hoogste heuvel van de Groene Heuvels, en eigenlijk meer een kleine berg. Ze was beroemd, doordat op de top een oud kasteel stond, wat in oude tijden een belangrijke rol in de verdediging van het land tegen vanaf de kust oprukkende gevaren schijnt te hebben gespeeld, maar niemand wist meer precies waar tegen precies.....

Om vier uur 's nachts, het begon al zachtjes te gloren over de heuvels in het oosten, begon de Wybil zachtjes te trillen. Dat klinkt raar voor een berg, maar ik kan het niet anders beschrijven.
Het leek bijna alsof de een rilling door de berg ging, eerst een hele lichte onderin, die langzaam omhoof schoof naar de top. Hoe hoger het verschijnsel kwam, hoe sterker de berg ging trillen. Ook het oude kasteel op de top begon te schudden, totdat één van de torens met veel geraas instortte. Gelukkig was het kasteel, en trouwens ook de hellingen van de berg, onbewoond. De paar schapen die graasden op de onderste weiden, renden verontwaardigd blatend weg naar rustigere plekken, maar verder merkte niemand wat er gebeurde.
Op de top, begon de grond rond het kasteel scheuren te vertonen, die snel wijder werden. Bomen vielen om, en plotseling klonk er een enorm gekraak. Het leek alsof de hele bodem naast en onder het kasteel omhoog kwam. Enorme brokken rots en tonnen aarde werden omhoog en opzij gedrukt, totdat de bodem openspleet met een enorme knal, en er een geweldige opening ontstond. Het gat werd langzaam groter, en vanuit het gat klonken er gruwelijke monsterachtige geluiden een soort laag gekreun en gegrom dat werkelijk afschuwelijk was om te horen. Gelukkig hoorde niemand het, er was tenslotte niemand aanwezig!
Plotseling scheurde de boden onder het hele kasteel door, en met een afschuwelijk steunend geluid zakte het langzaam in de grond. Het leek bijna alsof het opgeslurpt werd! Tenslotte was het helemaal in de grond verdwenen. Even was het stil, en toen klonk er de meest verschrikkelijke en luide boer die ik ooit gehoord heb! Dat ging wel drie minuten door, en werd gevolgd door een afschuwelijke stankgolf die uit het gat omhoog walmde.
Even was het weer stil, en toen leek het alsof de aarde zich weer sloot. De top begon weer te trillen, alleen leek het nu alsof de trilling naar beneden ging, en niet omhoog. Na een minuut of tien was alles weer rustig, en alleen een grote holte op de plek waar ooit het kasteel had gestaan verried iets van de verschrikkelijk gebeurtenissen die net hadden plaatsgevonden.

Blim en Blam waren al vroeg wakker, en na een kort ontbijt wilde ze net weer op hun paarden wegrijden, toen ze geschreeuw hoorden voor de Herberg. Nieuwsgierig liepen ze naar de luid roepende herder toe, die net was komen aanrennen. De arme man kwam moeilijk uit zijn woorden.
"Tsteel – KKKKKsteelzweg – hemelaal weg – tsteel – boeven – nadermoors – " en zo had hij nog enige tijd kunnen doorgaan, als er niet net een jongeman op een ezel kwam aanrijden, die al van veraf riep "Ze hebben het kasteel gestolen!!".
Het koste enige tijd voordat onze vrienden begrepen wat er aan de hand was. Ze renden naar hun paarden, en reden in galop mee met de boerenzoon op de ezel en andere dorpsbewoners die paarden hadden.
Op de plek des onheils aangekomen, hielden ze zich wat achteraf.

"Denk jij wat ik denk?", zei Blim tegen Blam. "Ja zei Blam, ik denk dat we snel terug moeten naar de stad. Wat het ook is, het is op weg naar de hoofdstad. En het houdt erg van steen."
"Het paleis!" riep Blim uit, "dat is de plek met het meeste steen in de stad!"
De broers wenden hun paarden, en galoppeerden weg, nieuwsgierig nagestaard door de Jupypupers op de berg.
Op de heenweg hadden ze af en toe gerust, en een redelijk tempo aangehouden. Maar nu reden ze alsof hun leven er vanaf hing. Geen van beiden zeiden ze iets, maar beiden dachten aan de koning, aan het paleis, aan iedereen die ze daar goed hadden leren kennen. En vooral dachten ze aan Maria en Luisa, en daar stopten hun gedachten omdat de mogelijkheden te verschrikkelijk leken.
Gelukkig hadden de broertjes altijd erg van paardrijden gehouden, en de laatste maanden extra veel mogen oefenen op de paarden uit de koninklijke stallen. Toch hadden ze beiden enorme zadelpijn, toen ze drie uur later de poorten van het koninklijke paleis doorreden. Ze namen niet de officiële weg voor paarden, achterom langs de stallen, maar galoppeerden voor de verbaasde wachters in de hoofdpoort langs direct door naar de grote paleisingang. Hoewel ze zich geradbraakt en stijf voelden, sprongen ze daar van hun viervoeters, renden de trappen op langs de twee lakeien die daar altijd stonden, en voordat deze hadden kunnen beginnen te mopperen over de onceremoniële manier waarop de broers zich aandienden, waren ze al naar binnen verdwenen.
Titel: Hoofdstuk 3 – Het paleis!
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:52:45
De koning en zijn ministers waren net weer in vergadering bijeen, toen de duren van de kroonzaal werden open geworpen, en de twee verhitte broers naar binnen renden.
Verschillende ministers sprongen verontwaardigd op, en begonnen wachters te roepen om deze ongehoorde verstoring te beëindigen. Maar de koning maande iedereen tot kalmte, en vroeg rustig aan de broers "Blim en Blam, waarom komen jullie hier zo binnen rennen?".
Het duurde even tot de broers voldoende op adem waren om te antwoorden, maar toen begonnen ze tegelijk te praten:
"Vergruwelijk –hele steel geslurpt – stelers – wubbiepup - boevels – weggetrild – rondgekasteeld" verstonden de ministers. "Jongens, jongens, praat eens wat rustiger" zei de koning, Blim, vertel jij maar even rustig wat er nu is.
"Het kasteel op Wybil, bij Jupypup, is vannacht verdwenen, er waren aardbevingen, en vannacht is het schijnbaar in de grond verzonken. Het lijkt erop dat er iets gruwelijks, misschien wel onder de grond, van Vermiljoen naar Jupypup is gegaan. Dat is precies de richting naar hier. Het is alsof er een monster is wat steen eet. En het grootste stenen gebouw hier is het paleis. Iedereen is in gevaar, iedereen moet hier weg. Vannacht kan het al weer toeslaan!"
Het bleef even doodstil, maar toen begon iedereen door elkaar te praten. Verschillende ministers riepen dingen als "Ongehoord, wat een onzin" , terwijl anderen gilden dat ze zo snel mogelijk weg moesten.
Alleen de koning zweeg, en staarde nadenkend voor zich uit. Na een minuut maakte hij met een handgebaar een eind aan het rumoer.
"We hebben geen keus. Dit kan niet anders zijn dan één van de gruwelijke Monsterwormen, waarover oude verhalen vertellen. Hier heeft mijn grootvader mijn juist ook voor gewaarschuwd. Er is maar één mogelijkheid, Iedereen moet hier vertrekken, samen met de kroonjuwelen en alle andere belangrijke zaken die in het paleis zijn. Wormen zijn beruchte steeneters, breng alles naar houten opslagplaatsen en schuren." Hij gaf Woebel, de oude wijze Minister van Aardmanse zaken opdracht alles te gaan regelen.
Je zult begrijpen dat er een enorme activiteit ontstond. Er waren nog zo'n 8 uur tot de avond zou vallen, en alle paleiswachten en soldaten en lakeien werden aan het werk gezet om te helpen. De ministers, de prinsessen, zelfs de koning hielpen mee dingen te sjouwen en in veiligheid te brengen. Alles werd op grote boerenkarren geladen, die heen en weer reden naar pakhuizen in de buurt.
Blim en Blam hadden eerst driftig meegeholpen, maar toen ze na een tijdje zagen dat alles goed verliep, en het paleis tijdig ontruimd zou zijn, begonnen ze te praten over hoe dit verder moest.
Na drie minuten peizen hadden ze nog geen plan, en Blim zei zuchtend "Het ziet er niet naar uit dat ze deze keer vuurwerk voor ons gaan afsteken, Blam". Je begrijpt dat hij raar opkeek toen Blam zich daarna met een vreugdekreet op hem wierp, hem omhelsde en riep dat hij geweldig was (hoewel hij het er niet mee oneens was natuurlijk).
Snel legde Blam hem uit waarom hij zo enthousiast was, en nu raakte ook Blim heel opgewonden.
"Joepie", riep hij luid, en enkele lakeien die druk aan het sjouwen waren keken verstoord om. "Maar we hebben héél weinig tijd" riep hij uit, "we moeten onmiddellijk de koning vertellen wat we bedacht hebben en aan de gang gaan". Ze renden naar de oude koning toe, en vertelden hem zo snel en door elkaar heen hun plan, dat hij er niets van begreep. Maar hij had ondertussen een groot vertrouwen in de twee broers gekregen, en omdat hij begreep dat grote haast geboden was, gaf hij hun toestemming om te doen wat ze nodig vonden.
Zoetbaard zelf gaf daarna het bevel om naast het paleis een kuil te graven, en daaromheen hoge muren van los gestapelde stenen te bouwen. Maar aan één kant was er een opening naar de kuil.
Ondertussen gingen Blim en Blam de laatste dingen voorbereiden en gingen toen op weg naar........
... de tovenaar van Australië!
Titel: Hoofdstuk 4 – Hulp van Golgoda…
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:53:07
De tovenaar van Australië was een bekende en heel oude tovenaar, iedere aardman had over hem gehoord. Niemand wist eigenlijk of hij echt bestond, maar iedereen kende de verhalen. Omdat hij zo verschrikkelijk oud was (niemand wist precies hoe oud) was hij verschrikkelijk wijs en kon hij hééél goed toveren. En daarom wilden Blim en Blam naar hem toe. Ze wisten zijn naam  niet (dat kwam eigenlijk omdat niemand die wist en dus ook niemand die ooit aan hun had verteld) en niemand wist precies waar hij woonde, alleen dat hij in Australië woonde, en dus moesten ze hem daar gaan zoeken! Dat bleek nog een heel karwei, in de eerste plaats omdat niemand wist waar Australië eigenlijk was! In de bibliotheek van het paleis ontdekten ze een oude atlas. Daarin zagen ze dat dit werelddeel niet allen aan de andere kant van de wereld was, maar ook nog eens in de mensenwereld, en niet in hun eigen wereld sprookjeswereld! Dat was een tegenslag!
En ik weet niet hoe dit was afgelopen, als niet op dat moment buiten het paleis een enorm geroezemoes opsteeg uit de menigte van verhuizers. Blim en Blam renden naar buiten, en daar zagen ze hun oude vriend Golgoda, die landde op de paleisvijver (op het gras kon niet, dat stond vol met verhuisdozen.). Blim en Blam renden naar hem toe.
"Golgoda, wat goed dat je hier bent, was je toevallig in de buurt?"
"Nee, ik hoorde van onze verkenner vogels dat de WWW weer was opgedoken, en ik ben meteen gekomen. Ik houd erg van wormpjes namelijk.
"Wat is de WWW?"
"De wilde woeste Worg natuurlijk, hij schijnt wel meer dan 5 meter lang te zijn, en heerlijk te smaken!"
"Maar Golgoda, deze monsterlijke worm of Worg is minstens 100 meter lang, en het moet afschuwelijk smaken, want het eet alleen maar steen!"
"Hm, misschien hebben jullie gelijk, maar volgens de vogels die er wel eens een hebben gegeten was hij heerlijk, alleen ze vertelden niet dat hij zo lang was. Misschien komt dat wel omdat degene waar zij het over hadden nog jonkies waren, deze zal wel al volwassen en erg oud zijn!"
Toen vroeg Blam wat hij eigenlijk al meteen had willen vragen.
"Dat zal dan wel, eh Golgoda weet jij waar Australië is?"
"Ja natuurlijk weet ik waar Australië is Blam, in de mensenwereld, helemaal in het zuiden!"
"Ja dat weten wij ook" jokte Blam, "maar ik bedoelde eigenlijk meer, weet jij hoe je er moet komen!?"
"Nou daar vraag je me wat Blam, ik ben er zelf namelijk nog nooit geweest, maar ik ken denk ik wel een vogel die er wel geweest is."
"O fijn, kun jij dan aan die vogel vragen of hij wil zeggen hoe je er moet komen?"
"Dat zou ik graag voor jullie doen Blim, maar die vogel is 2 jaar geleden neergestort in zee tijdens een verschrikkelijke storm, en hij is toen waarschijnlijk, nou ja, overleden!"
"O nee, maar hoe kunnen we er dan achterkomen hoe we in Australië moeten komen?"
"Nou die vogel had een vrouw, Galma, en voor zover ik weet leeft zij nog wel, wij Grote vogels worden over het algemeen namelijk wel heel erg oud. Dus moeten we haar vinden."
"Waar wachten we nog op dan, Golgoda zou jij ons daar heen willen brengen?"
"Natuurlijk, spring maar achterop jongens!"

En daar gingen ze, omdat Golgoda een Grote vogel was kon hij heel erg snel vliegen, zodat ze na ongeveer 2 uur vliegen al in Stanpekie waren, waar  bijna alle Grote vogels in sprookjeswereld leven, op een paar na die de wereld over reisden. Ook Golgoda woont in Stanpekie. Al snel waren ze bij het nest van mevrouw Galma, die gelukkig thuis was, en hun erg vriendelijk ontving met een bakje rivierdrab en verse jonge torretjes, die Blim en Blam beleefd afsloegen.
Toen ze het hele verhaal gehoord had, zei ze dat ze graag wou helpen, tegen van die kleine, schattig uitziende mannetjes kon ze natuurlijk
geen nee zeggen. Ze vertelde meteen hoe je in de mensenwereld, en dus in Australië, kon komen, er waren in heel sprookjeswereld maar 2 plekken waardoor je in de mensenwereld kon komen. Eentje was in de Groene Heuvels, maar die was jaren geleden al gesloten, omdat er vaak wat fout ging tijdens het reizen tussen de 2 werelden, en de andere, was in Kleimannetjesland. Toen Blim en Blam dat hoorden schrokken ze heel erg.
Ze moesten dus door Kleimannetjesland om bij de tovenaar te komen, als dat maar goed zou gaan, ze wisten niet helemaal zeker of ze die nare kleimannetjes wel konden vertrouwen...

Gelukkig merkte Golgoda hun schrik op. Omdat ze hem onderweg al uitgelegd hadden dat ze erg weinig tijd hadden (nog maar 6 uur tot middernacht!), had hij toch al besloten hen zo veel mogelijk te helpen.
Het duurde daarom maar kort voordat ze weer onderweg waren op de rug van hun grote vogel vriend, deze keer naar het hart van Kleimannetjesland. Maar omdat het ondertussen al schemerde, zagen ze niet veel. Gelukkig had mevrouw Galma alles goed uitgelegd, en al snel vond Golgoda het Wondere Wenswoud, en het Heldere Spiegelmeer midden in dat woud. Omdat er in het woud enge dingen leefden die erg van kleimannetjesvlees hielden, waagden er zich bijna nooit kleimannetjes in het woud, en zeker niet in het midden waar het meer was. Blim en Blam wisten dat niet, en keken na de landing ongerust om zich heen naar Kleimannetjes die hun zouden kunnen aanvallen, maar Golgoda riep hen toe snel de poort door te gaan. Hij wist dat er veel grotere gevaren loerden dan kleimannetjes, die zelfs voor een grote vogel levensgevaarlijk waren! Dat bleek, want net toen Blim en Blam het bootje vonden waarover Galma gesproken had, kwam er met een enorme gruwelijke grauw een afschuwelijk monster tussen de bomen aansprongen. Gelukkig zagen ze niet hoe afschuwelijk dit beest was (het was tenslotte donker), maar zijn vier ogen gloeiden afschuwelijk in allerlei tinten geel en paars. Golgoda vloog op, en liet zich toen bovenop het beest vallen.
"Snel jongens, roei naar het midden en ga door de poort, ik houd het monster in bedwang!" riep hij naar de broers. Die aarzelden nog een moment, maar sprongen toen in het bootje en roeiden naar het midden van het meer.
Zodra Golgoda zag dat ze ver genoeg van de kant waren, vloog hij snel omhoog, het beest was zo woest dat hij al een paar grote krassen had, en vele veren verloren had.
Midden in het meer aangekomen, zagen ze onder het oppervlak van het water een vreemde gloed. "Dat is het focus punt waarover mevrouw Galma ons vertelde" fluisterde Blim tegen Blam, die alleen maar knikte.
Nu kwam een moeilijk moment. Volgens de aanwijzingen van de oude vogelin stonden ze op in het schommelende bootje en liepen naar de boeg. Ze pakten elkaar handen vast, keken elkaar even aan.....
En sprongen samen in het ijskoude water! Enkele momenten later storte Golgoda zich op dezelfde plek in het meer, achter de broertjes aan.


Wat er toen gebeurde hebben ze nooit goed kunnen uitleggen. (Het is trouwens ook erg geheim, want teveel verkeer tussen de mensen wereld en de sprookjeswereld kan tot vernietiging van ons universum leiden!)
Ik verklap daarom alleen maar dat Blim en Blam en Golgoda al gauw de slurf vonden die de poort tussen onze werelden vormt.
Het reizen tussen de werelden leek voor Blim en Blam wel een uur te duren, ook al is het voor ons maar 2 minuten. Nu moet ik je wat uitleggen over het ingewikkelde tijdverschil tussen mensen en sprookjes wereld.
Bij ons mensen gaat de tijd wel 30 keer zo snel als bij de aardmannetjes, maar bij hen duurt een jaar 60 keer zo kort als bij ons, dat betekent dus geloof ik dat als voor ons een jaar voorbij is, er bij hun al 2 voorbij zijn. Of precies andersom. En dat zijn nog maar de simpelste tijd-problemen. Zo gaat onze tijd soms een andere kant op dan de hunne, en zit er vaak opeens negen jaar verschil tussen. Zo zijn Blim en Blam dus al 19, terwijl ze bij ons pas 9 en een half zouden zijn, maar soms ook weer 18 en een half, of 32, maar goed dat is allemaal zo moeilijk, en daar gaat het ook niet om, dus gaan we nu terug naar Blim en Blam.
Titel: Hoofdstuk 5 – De tovenaar van Australië!
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:53:33
Na 2 minuten (voor ons) waren Blim, Blam en Golgoda dus in de mensenwereld. Ze keken hun ogen uit, alles was daar veel groter dan in hun eigen wereld! (behalve voor Golgoda want in Stanpekie was alles wel groot!). Waar ze waren kan ik natuurlijk niet verklappen, maar de poort is aan onze kant ergens tussen de noordpool en de evenaar, en tussen Ierland en Rusland in. Dus best een eind van Australië af!
Al snel herinnerden Blim en Blam zich weer wat ze moesten doen, ze moesten snel naar de tovenaar! Geen tijd voor tourisme!
Gelukkig hadden ze de kaart uit de grote oude atlas nagetekend, en op de rug van Golgoda vonden ze snel de goede weg. Het kwam goed uit dat Golgoda in de mensenwereld nog groter was dan in Sprookjeswereld, en hij vloog nu sneller dan het geluid! Al na enkele uren waren ze zo in Australië. (12 minuten aardmannetjes tijd dus, geloof ik).

Het enige wat ze over de tovenaar gevonden hadden was dat hij aan de kust woonde, maar niet op het strand, nee, de tovenaar woonde in een rots in de zee! Dat vonden Blim en Blam toch wel een beetje raar, maar dat was iets wat oude aardmannen over de tovenaar wisten, en wat ze Blim en Blam verteld hadden (fluisterend, niet hardop natuurlijk, ze waren bang dat hij het dan kon horen, je weet maar nooit! Ze zeiden dat die tovenaar een beetje raar was.).
Dus gingen Blim en Blam naar de kust van Australië.
Nou is Australië natuurlijk heel groot, en de kust is nog groter! Maar Blim en Blam hadden gehoord dat de tovenaar niet van kou hield, en dat hij vissen heel mooie dieren vond, dus daarom gingen ze naar het noord-westen van Australië, naar een heel groot koraalrif. Nadat ze hier twee maal heen en weer over heen gevlogen hadden werden ze echter moedeloos, er was niet te zien!
Teleurgesteld en dodelijk vermoeid landen onze drie vrienden op een afgelegen en voor mensen onbereikbaar strand van een klein atolletje.
"Het gaat zo nooit lukken" riep Blam ontmoedigd uit. "Hadden we maar aan Benicio om raad gevraagd" hoorde Blim zich tot zijn eigen verbazing opeens zeggen. Noch hij, noch zijn broer had namelijk de afgelopen dagen maar een seconde aan hun oude leraar gedacht. Opeen leek hem dat ongelofelijk en onvergefelijk dom, want als iemand veel wist was het Benicio wel! (Hij wist niet dat dit gewoon een vergeet-spreukje was wat Benicio vaak gebruikte als hij zonder vragen een paar dagen weg wilde gaan – de achterblijvenden vergaten hem gewoon eenvoudig, maar herinnerden zich niet van hun geheugenverlies zodra hij terug was. – Het feit dat Blim en Blam de spreuk doorbraken en hem zich toch herinnerden, toonde wel aan dat ze bijzondere krachten hadden! Alsof jullie dat ondertussen niet al wisten!)
"Oh Benicio, was je maar hier" riep Blim radeloos uit.

Toen gebeurde er iets heel vreemds: vlak voor hun ogen rees opeens een hele grote rots uit de zee omhoog. Zonder te weten waarom, zeiden ze beiden tegelijk: "het huis van de tovenaar".
Meteen vloog Golgoda met Blim en Blam op zijn rug naar de rots, en liet hun daar van zijn rug glijden, waar ze meteen op zoek gingen naar de ingang. Golgoda nestelde zich op de top van de rots. Blim en Blam liepen zoekend rondom het eiland, totdat Blam een oude brievenbus vond, met daarnaast een deurbel, tegen een groot stuk rots aangeplakt.
"Driemaal bellen voor bezoekers, tweemaal voor leveranciers, éénmaal voor heksen" stond er op het bordje wat er naast hing.
Blim belde drie keer. Even gebeurde er niets, en toen klonk er een enorme plons. Verschrikt keken de broers om – De piek van het kleine rots-bergje, waar Golgoda op had gezeten, was opengeklapt waardoor Golgoda in zee was getuimeld. Nou was Golgoda beslist geen watervogel, en het koste hem enige moeite om waardig uit zee te waden naar het kleine strand. Daar klapperde hij verontwaardigd zijn vleugels droog, en vloog daarna zonder een woord te zeggen naar een dichtbij gelegen atolletje.
Maar Blim en Blam keken al niet meer naar hem. Want uit de ontstane opening in het bergje, kwam iemand omhoog.......
Opeens kwam een gestalte te voorschijn. Blim en Blam vielen echt bijna de zee in, nog net op tijd kon de man in de deuropening ze vast grijpen.
Blimmie en Blammie stamelden als één aardmannetje: "Benicio!"
Want dat was de man die daar voor hun stond, hun meester Benicio, wie had dat ooit gedacht? Benicio zei niets, maar leidde de broers verder naar binnen.
Ze vielen van verbazing in verbazing, de rots had er van de buitenkant zo klein uitgezien, maar door de deur zagen ze binnen een enorm soort paleis! Toen ze éénmaal binnen stonden zei hij: "Ah, hallo Blim en Blam, zijn jullie daar eindelijk. Ik verwachte jullie eigenlijk al eerder, maar dat was natuurlijk dom van me, jullie kunnen niet toveren!"
Eerst wisten Blim en Blam niet wat ze moesten zeggen, maar toen begonnen ze druk door elkaar heen te praten en Benicio begreep natuurlijk helemaal niet wat ze zeiden, ook al wist hij wel wat ze bedoelden! Daarom riep hij donderend: (hij was erg fit voor een stokoude man, dat kwam natuurlijk omdat hij tovenaar was!) "Blim en Blam stil nou, zeg het nu nog eens rustig een voor een, Blam jij begint.
Nadat Blam, terwijl Blim hem soms had aangevuld en geholpen, had verteld wat er nou allemaal aan de hand was, en Blim had gevraagd waarom Benicio hun niet meteen had geholpen, zei Benicio: "ik kon jullie wel helpen, maar dat mocht ik niet, ik ben gebonden aan absolute tovernaars-regels. Jullie moesten alles zelf ontdekken."
"Maar Benicio, de tijd dringt!"
"Ja, ja jongens, ik had alles al vast gemaakt, omdat ik wist dat jullie zouden komen, er is niet veel omdat er erg speciale ingrediënten in zitten, dus het moet in een keer lukken!"
"O, ik hoop echt dat het lukt Benicio, maar wat nou als de Worg niet op tijd weg gaat bij het paleis?"
"Maak je daar maar geen zorgen over, een Worg blijft sowieso altijd ongeveer 10 meter onder de grond, en is heel erg snel, dus alles moet goed gaan!"
"Zeker weten, want als het niet goed gaat wordt de halve stad vernietigd!"
"Ja, ik weet het helemaal zeker. Een Worg blijft nooit lang op de zelfde plek omdat hij zich dan bedreigd voelt, en daarbij helpt zijn snelheid hem om weg te komen."
"Nou Benicio, je weet dat we je vertrouwen, en we hopen dat je dus ook gelijk hebt, maar nu moeten we snel gaan voordat het te laat is!"
Ze zeiden Benicio snel vaarwel, en waren al bijna de deur uit toen Benicio bedacht dat hij ze nog een speciale tover-tijdontsteker moest geven. Waarvoor ? Wel dat merk je snel!
Hij haalde deze nog snel even uit de koelkast (hij was wel een beetje een warhoofd soms). Nu waren de broers klaar om weer te gaan, ze klommen snel naar de top van de rots met hun kostbare last. Snel kwam Golgoda aangevlogen, en even snel klommen ze op zijn rug.
Toen ze vanuit de lucht nog even omkeken zagen ze nog net het laatste puntje van de rots weer in het water zakken, en toen leek het weer net alsof daar nooit iets was geweest...
Titel: Hoofdstuk 6 – De Worg’s laatste aanval
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:54:43
Toen ze ongeveer een uurtje later (voor ons) terug waren in Aardmannetjesland, gingen ze snel aan de slag. En nadat ze het plan aan iedereen uitgelegd hadden, hielp iedereen mee zoveel hij of zij kon.
Het was al donker geworden, en de toortsen waren ontstoken, voordat alles klaar was voor gebruik...

Iedereen was in een cirkel rond de steenhoop gaan zitten.
Ze zaten nog maar net klaar toen er een hard gerommel vanuit het diepst van de aarde klonk, en iedereen rende snel weg en ze maakten ene hele grote kring om het gat heen.
Toen wachtte iedereen in spanning af wat er zou gaan gebeuren en of alles goed zou gaan.
En opeens barste de aarde open, er klonk een uitermate vies geluid (de opper- lakei slaakte een kreet van verontwaardiging) waarna er een verschrikkelijke stank uit het gat omhoog golfde. Opeens leek het alsof de enorme steenberg, samen met de spullen die Blim en Blam daartussen hadden verborgen, zomaar de grond inzonk. Er klonk weer een harde  boer (de opper lakei viel flauw), er werd nog wat nageslurpt, toen hoorden ze een verschrikkelijk gebrul en een krakend geluid, en toen was het stil.

Iedereen bleef nog even doodstil zitten, toto Blim en Blam opsprongen.
"We geven de Worg 3 minuten, tegen die tijd is hij ruim buiten de stad" riep Blam. Blim pakte het apparaat wat Benicio ze gegeven had, en opende een klein kapje waaronder een grote rode lichtgevende knop zat. Na precies 3 minuten strekte Blim zijn midden vinger uit, slikte merkbaar, en drukte op de rode knop.
Heel even gebeurde er niets, en toen......





BOEM!





Er kwam een enorme knal vanuit de heuvels achter de stad. Nu zou je denken dat iedereen verschrikt opsprong, maar niets daarvan. Iedereen barste in juichen uit! Want dat was precies het plan van Blim en Blam! Ze hadden alle vuurwerk die al klaar lag voor het volgende feest tussen de stenen hoop verstopt. Plus allerlei heel explosieve dingen die ze van de tovenaar gekregen hadden, en het ontstekingsapparaat, waarmee ze alles hadden laten ontploffen.

Maar Blim en Blam vertrouwden het niet helemaal, en vroegen Golgoda of hij wou gaan kijken of de Worg werkelijk vernietigd was.

Toen Golgoda terug kwam en vertelde dat wat hij had aangetroffen, er erg bloederig en in duizend stukken en ook nogal dood uitzag, juichten ook hij en Blim en Blam uit volle borst mee!

En de volgende dag werd er een enorm feest gegeven, en zoals al bijna traditie was in Aardmannetjesland werd er een week lang feest gevierd!
Titel: Hoofdstuk 7 – Trouwen met een prinses.
Bericht door: Jnusch op 24 januari 2009, 17:55:04
De laatste dag van het grote feest, was er een groot diner, en toen er getoost werd zeiden Blim en Blam precies tegelijk tegen Maria en Luisa:
"Maria, wil je met me trouwen?" en "Luisa, wil je met me trouwen?"
En allebei tegelijk zeiden de prinsessen:
"O, ik dacht dat je het nooit zou vragen, natuurlijk wil ik met je trouwen!"
en toen hielden de prinsessen hun mantels ervoor, en ik denk dat ze toen gingen zoenen!

Een paar dagen later was er een enorme bruiloft en wezens vanuit het hele land werden uitgenodigd, en iedereen was blij en vrolijk.
En de prinsessen zagen er beeldig uit, en Blim en Blam zagen er ook heel netjes en mooi uit in de pakken die ze droegen, en die ze helemaal niet lekker vonden zitten! En weet je waarom de bruiloft zo snel was? Dat kwam omdat er natuurlijk hofregelaars waren die dat heel snel konden regelen, en dat moest ook (ze hebben daar geen huwelijksreizen) omdat op die dag Blim en Blam jarig waren! Dat is (voor ons) op de datum: 18 april, en hun verjaardag zouden ze de dag daarna gaan vieren, het was dus een groot feest, de hele maand lang!

De enige die wat stil was was Zoetbaard. Niet dat hij niet blij was, en gelukkig dat zijn dochters met zulke binken trouwden – integendeel, hij was de trotste en gelukkigste vader die je maar kunt voorstellen.
Maar toch leek hij afwezig, alsof hij veel nadacht.
Op een morgen had hij een lang gesprek met Benicio, die ondertussen weer op het hof was teruggekeerd.
Die middag riep hij Blim en Blam bij zich in de troonzaal. Toen Blim en Blam binnen werden gelaten door de lakeien, zat Zoetbaard statig op de grote troon – iets wat eigenlijk maar zelden gebeurde. Blim en Blam raakten zonder dat ze wisten daarom erg onder de indruk.
Nadat hij alle lakeien opdracht had gegeven de troonzaal te verlaten, zei hij tegen Blim en Blam dat ze aan weerszijden van de troon, op de stoelen van de koninklijke familie moesten gaan zitten.
Nu voelden de broertjes zich helemaal klein, daar in die majestueuze zetels!
"Jongens" zei de koning met een serieuze toon in zijn stem die Blim en Blam nog nooit eerder hadden gehoord, "Ik heb veel over de toekomst nagedacht de laatste dagen. Ik wordt te oud om aardmannetjesland te reageren" en hierna maakte hij een armgebaar om Blim en Blam die wilden protesteren tot stilte te manen.
"Ik weet dat het zo is" vervolgde hij waardig, "het is tijd om de troon over te dragen. Maria en Luisa zijn beiden nog lang niet geschikt om de last van het koningschap te dragen – maar ze brengen beiden wat mij vertrouwen in de toekomst geeft – twee fantastische schoonzoons. Jongens, jullie zijn natuurlijk nog maar onvolwassen pubers" (weer een gebaar om Blim en Blam tot stilte te manen) "maar jullie hebben getoond moed, durf, doorzettingsvermogen, grote slimheid, onbaatzuchtigheid, een goede smaak in het kiezen van vrouwen, en bovenal een grote inzet voor het wel en wee van aardmannetjesland te hebben".
Na deze lange zin nam de koning een slokje water. Blim en Blam luisterden nu doodstil toe.
"Ik heb besloten de kroon, voor het eerst in onze historie, te delen – hoewel hij één en ondeelbaar is, zal hij onder zich Blim en Blam en Maria en Luisa verenigen, als de dubbel-koning en dubbel-koningin van Aardmannetjesland.
Jullie zullen samen regeren, als een eenheid. Jullie zullen twee leidsmannen en raadsheren hebben, ikzelf en Benicio, die jullie alle vier met raad en daad terzijde zullen staan.
Vandaag over vier weken worden jullie gekroond, en daarna zal Aardmannetjesland nog éénmaal een week feest vieren zoals nooit tevoren – en dan gaat ieder aan de slag, om ons land weer op te bouwen van alle rampen die ons getroffen hebben, en ons sterker en welvarender te maken dan ooit te voren".
Na deze woorden, sloeg hij driemaal met een staf op de vloer, en schreed toen waardig weg – Blim en Blam in totale verwarring achterlatend.

Je kunt begrijpen dat het besluit van Zoetbaard een enorme opwinding veroorzaakte – eerst bij de toekomstige koningen en op het hof, maar daarna in het hele land. Iedereen had er een mening over - en velen spraken er schande van ; ongehoord gewoon! – maar hoe meer er in het hof, onder de ministers, en onder het volk allerlei tegenwerpingen werden gemaakt (dat kwam vooral omdat de koning zo geliefd was, eigenlijk was iedereen een beetje bang voor wat er nu zou gaan gebeuren), hoe meer tegenwind dus, hoe rustiger en zekerder Blim en Blam, en Maria en Luisa zich gingen voelen en gedragen. En ook de aardmannetjes werden steeds vrolijker en opgewondener toen de grote dag begon te naderen, met de voorbereidingen van de kroning en het volgende feest, zodat er steeds minder twijfel leek te zijn.
En tijdens de kroning ceremonie, waar zowat het halve land bij aanwezig was, gaf eerst de koning een dusdanig waardige toespraak, waarin hij zijn volle vertrouwen in onze broertjes uitsprak, en daarna de vier pretendenten elk een zo gloedvolle korte toespraak waarin ze de opdracht die voor hen lag accepteerden, dat eigenlijk daarna niemand meer kon herinneren waarom ze ooit getwijfeld hadden. Iedereen was vrolijk, vol enthousiasme, het leek alsof iedereen samen een nieuwe toekomst instapte – en nu één die ze helemaal zelf konden bouwen, als een nieuw begin.
Tijdens de feestweek was het soms alsof iedereen maar amper kon wachten tot het einde, om weer aan de gang te gaan. Iedereen smeedde plannen, begon met nieuwe dingen, niets leek meer onmogelijk.

En zo begon de gouden eeuw van aardmannetjesland. Hoe lang hij precies duurde weet ik niet, dat is veel te ingewikkeld met al die andere tijden hier en daar, maar in elk geval lang – zelfs voor aardmannetjesbegrippen. Het land werd welvarender dan ooit, de bossen groeiden groener, het koren was gouder, de rivieren blauwer, de handel uitgebreider, de vogels zongen harder, het weer was mooier (het leek altijd wel zomer, en toch regende het meer dan genoeg voor de gewassen), de mensen leken allemaal vrolijker – kortom de zon scheen over aardmannetjesland.
De regering van B&B&M&L (of BBML) zoals het wel genoemd werd was een enorm succes, al snel hadden de vier amper meer advies van Benicio en Zoetbaard nodig.

Na zo'n veertig jaar vond er een grote gebeurtenis plaats: op dezelfde dag bevielen Maria en Luisa elk van een prachtige zoon. Het zal niemand verbazen dat ze Blim II en Blam II werden genoemd, maar al gauw kende iedereen ze als Blimmie en Blammie. Ze waren even onafscheidelijk als ooit hun vaders, en hoewel ze eigenlijk neefjes waren dachten veel mensen dat het ook broertjes waren. In de jaren erna kregen ze allebei twee zusjes erbij (Nicky, Albertine, Henriette en Charlotte), maar verder veranderde er niet veel in het rijk – of misschien dat iedereen nog wat gelukkiger leek dan daarvoor.

Het was pas toen de beide jongens zo'n vijfentwintig jaar oud waren (dat is net zoets als twaalf bij ons), dat er weer dingen begonnen te gebeuren – maar dat is een ander verhaal!
Titel: Re: Blim & Blam
Bericht door: Jnusch op 25 januari 2009, 22:26:50
Dat waren deel 1 & 2. Hierna komen verhalen van Blimmie en Blammie :D

Ik heb alle stukken even opnieuw gepost (inclusief h7 van deel 1, dat was ik vergeten). De continuïteitsfouten zijn verholpen, evenals namen enz. enz.