'Waar komt u vandaan?'
'Marseille. Heel anders dan hier in Parijs. Ik mis de zon, soms, maar meestal is het vooral de zee die ik mis. Begrijp me niet verkeerd, Parijs is een prachtige stad.'
De man strijkt wat door zijn grijs geworden haren.
'Nu tijd aan mij voorbij is gevlogen, bekijk ik dingen op een andere manier. Vroeger wou ik rijk zijn en veel voor deze wereld betekenen. Nu weet ik dat geld niet alles is en dat de wereld veel voor mij heeft betekend.' Ik schrijf zijn wijze woorden op. Veel van zijn zinnen kan ik maar met moeite begrijpen. Niet vanwege mijn gebrekkige Frans, maar om mijn gebrekkige levenservaring die ik, gezien mijn leeftijd, onmogelijk in zoveel overvloede kan hebben als de man heeft tegenover mij.
'Denkt u dat er veel verschillen zijn, tussen het Parijs van nu en dat van vroeger?' Hij trekt zijn beide wenkbrauwen op en zucht dan eens diep.
'Ja dat is ze zeker. Vroeger kwamen de mensen voor kunst, cultuur en liefde, stiekem hopend bekendheid te vinden voor dat wat ze zijn. Tegenwoordig draait alles om geld. De stad staat nu alleen nog maar bekend om zijn winkels en mode. Langzaamaan verkracht ze zichzelf door datgene wat ze nu nog is.' Monsieur Faîze wendt zijn blik naar beneden. Even is het stil en nemen we beiden zijn woorden in ons op.
'Waar gaat u nog naar toe, jongeman.' Met weinig moeite legt hij nadruk op dat laatste.
'Du Père-Lachaise.'
'De begraafplaats?' Monsieur Faîze kijkt wat vreemd, maar besteed er verder niet veel aandacht aan.
Ik sta op en schudt zijn grote handen. Nog even bedank ik hem voor het interview en open dan de deur. De straten rond het place du Tetre zijn verlaten. Nog enkele verdwaalde kunstenaars lopen over de kleine stenen, wachtend op de grote drukte van morgen wanneer alle toeristen naar het plein toegaan om hun gezichten te vereeuwigen in zelfportretten of karikaturen, die soms nog een beter beeld geven over de getekende persoon.
Ik besluit langs de basiliek op te gaan. de Sacré-Coeur ligt op de heuvel Montmarte en kijkt uit over een groot deel van het Parijse leven. Er zijn twee manieren om bij de basiliek te komen en instappend in de kabelbaan besef ik dat ik voor die optie heb gekozen. Er zijn niet veel mensen in de trein. Slechts een wat opgetutte vrouw en een monnik vullen samen met mij de wagon. De vrouw keurt mij geen blik waardig maar de monnik lacht vriendelijk.
'Bonjour. Wat brengt u naar deze plek.' De man komt bij me staan en vouwt zijn handen in elkaar.
'Nieuwsgierigheid en hopelijk een mooi uitzicht als de mist wegtrekt.' De wagon stopt en samen lopen we de kerk in. De man verteld wat over de geschiedenis van de Sacré-Coeur.
'De kerk is gebouwd ter nagedachtenis aan de achtenvijftigduizend mensen die stierven tijdens de Frans-Duitse oorlog. De oorlog eindigde in een vrede, hoewel het Frankrijk slecht verliep.'
De interesse in de oorlog vond ik vreemd. In mijn ogen verafschuwt een monnik elke vorm van geweld. We stoppen bij een mozaïek van Jezus. Volgens de monnik zou dit het grootste mozaïek van Jezus zijn. Het mozaïek wekt weinig interesse in mij op. Het is groot, maar vrij eenvoudig. De kerk zelf is rijkelijk versierd met vele schilderijen, beeldhouwwerken en marmer. Bij de ingang van de crypte neem ik afscheid. Ik loop de kerk uit, terwijl de monnik zijn eerste trede van de trap zet.
Het is alweer laat in de middag wanneer ik een hap neem van mijn Française. Niet de vrouw, maar het stokbrood. Terwijl ik zit op een bankje aan een zijrivier van de Seine, zie ik de ietwat vreemde Parijzenaren langs lopen. De woorden van monsieur Faîze spoken wat door mijn hoofd en wanneer ik de mensen op de straten zie lopen besef ik dat de man ook niet meer dan gelijk had. Uiterlijk vertoon en overtreffen zijn de twee kernwoorden van het Parijse bestaan. De vroegere kunstenaars hebben plaats gemaakt voor dure sportauto's en arrogante gezichten en ook de liefde ver te zoeken.
Langs mij loopt nu een jong stel. Hand in hand en toch even voel ik de warme sfeer in Parijs terug komen. Nog een laatste hap en dan loop ik via de boulevard Clichy en de boulevard de Rochechouart naar Place Pigalle, vernoemt naar de beeldhouwer Jean-Baptiste Pigalle, om daar mijn laatste interview af te nemen.
Petites promenades, een klein barretje aan Place Pigalle. In de hoek zit een stel vrienden wat te drinken en aan de bar zit een wat oudere man te genieten van zijn wijn. Ik heb afgesproken met madame de la Roche, een rijke business vrouw.
'Les Rochefort dankt zijn succes aan de groeiende mode wereld en verstedelijking. Zonder die beide zou er geen vraag zijn naar de stoffen die wij maken. Vroeger wou men degelijke stof hebben, die vooral goedkoop, sterk en makkelijk bewerkbaar was. Tegenwoordig is het uiterlijk van de stof veel belangrijker geworden. Ontwerpers betalen liever vijftig procent meer voor hun stof, dan dat ze het moeten doen met het standaard wat het gepeupel draagt.'
Ik kijk niet op van dat woord, maar zet er een dikke streep onder.
'Denkt u dan niet dat Parijs zichzelf verliest in diezelfde groeiende verstedelijking, die uw bedrijf voedt?' De vrouw kijkt wat kil en is duidelijk niet gecharmeerd van deze vraag.
'Ik heb mijn hele leven gewoond in deze stad en ik heb alle veranderingen meegemaakt. Natuurlijk, Er zijn veel dingen verloren gegaan door de modernisering, maar Parijs is er ook door verbeterd.'
Het wordt me al vrij snel duidelijk dat de vrouw tegenover mij en meneer Faîze verschillend tegen hun geliefde stad aankijken. Een piepje gaat af en de vrouw kijkt op. 'Pardon,' zegt ze kort waarna ze de bar verlaat. Even later komt ze terug. Haar blik staat beduidend minder arrogant en veel emotioneler. 'Gaat u verder,' zegt ze met een hapering in haar keel. 'Wat is uw toekomstvisie voor uzelf en uw bedrijf?'
Ik neem afscheid en kijk toe hoe madame de la Roche zich een weg baant op haar hoge roodgelakte hakken door het kleine, bijna lege cafeetje. 'Vast haar man,' zegt de oudere man naast mij.
'Hoe bedoelt u?' Mij bemoeien in andermans privé zaken laat ik liever over aan andere tijdschriften, maar ik besluit toch maar te luisteren naar de man zijn verhaal.
'Weet u dat dan niet monsieur. De barman voegt zich in het gesprek.
'De man van madame de la Roche heeft een affaire met zijn secretaresse.' Ik kijk al niet meer op van dit cliché. 'Ik ken de vrouw in kwestie en haar intelligentie slaat niet bijster, maar ik denk dat ze dat op andere gebieden wel goed maakt.' De barman begint te lachen en de beide mannen mompelen wat in het Frans wat ik niet kan verstaan.
'Wat brengt u hier, jongeman.' Weer wordt ik op dezelfde manier aangesproken als in mijn eerste interview. 'Ik werk voor een Nederlands tijdschrift en ben van plan 'Du Père-Lachaise' te bezoeken.'
'De begraafplaats?' De oude man kijkt op. 'Eens zal ik daar ook heen verhuizen.' Hij neemt nog een glas van zijn wijn waarna ik afscheid neem van de beide mannen en lopend door de donker wordende straten van Parijs besef ik dat ik morgen vertrek, terug naar Utrecht. Tot die tijd verblijf ik in het Terras hotel op loopafstand van waar ik me nu bevindt.
'Als tijd aan je voorbij vliegt, kijk dan eens naar de wolken. Vliegen die niet sneller?' Met die ietwat vreemde woorden begin ik mijn laatste dag in Parijs. Het vooruitzicht om het vliegtuig van half negen te pakken laat ik nog maar ver achter me en in een poging het te ontvluchten observeer ik de kamer waarin ik me nu bevind. Een standaard kamer. Gele gordijnen, wit behang en veel roomkleuren en hout. Voor het bed staat een klein tafeltje met daarop een grote bos bloemen. Ik raak de bladeren aan en merk dat het plastic is. Al met al is het een ruime, luxe kamer met – een voor mijn idee – typisch franse uitstraling. Nog snel douche ik me schoon waarna ik mijn zwarte spijkerbroek en witte t-shirt zonder mouwen aantrek.
'Bonjour monsieur,' zegt de schoonmaakster wie ik passeer op de gang van de vierde verdieping.
'Bonjour madame.' Via de lift kom ik bij de chique lobby. Overwegend rood en voor de marmeren schouw ga ik zitten. De grote rode fauteuil is naast een bank geplaatst, eveneens rood. Een tweetal gaat er zitten. 'Bonkoer,' komt er wat mislukt uit, maar ik besluit ze daarop niet te beoordelen.
'Bonjour, beau hôtel, non?' Het tweetal kijkt me aan. 'Beautiful hotel isn't it?'
'Yes, it is. We are from Hungary and you?' Ik vertel ze dat ik Nederlands ben en dat ik binnenkort vertrek. 'Are there any nice places?' Even probeer ik te begrijpen wat de man bedoelt waarna het tot de vertaling tot mij komt. place du Tetre, de Sacré-Coeur op de heuvel Montmarte en 'Du Père-Lachaise' vertel ik ze over.
'votre café, monsieur.' Een man brengt mijn op een wit servies pronkende koffie. Het speculaas naast het kopje ligt zo symmetrisch mogelijk met de lepel en bijna angstig pak ik beiden in mijn handen. Het tweetal is ondertussen verdwenen en ergens achter mij start de man achter de piano een lied. De jonge Française naast hem houdt een roos vast en begint met een paar lange hoge noten.
'La ville se réveille et elle voit á les murs. Á sa face est une virulent ambiance, mais elle rigole. Paris,' klinkt het door de lobby. Op het einde van het lied loopt de vrouw naar een man aan een tafel dichtbij de piano toe. Ze praten wat en aan de opgetogen manier van praten merk ik dat de man voor haar een producent is. 'Jij gaat het wel maken,' iets wat ze vaak zeggen, maar zelden komt het uit.
Nog een laatste slok neem ik van mijn koffie waarna ik de deur uitloop naar 'Du Père-Lachaise.'
Du Père-Lachaise, één van de vele begraafplaatsen in Parijs. In het Nederlands vertaald 'vader van de zetel' is een groots kerkhof waar vele beroemdheden hun laatste rust in stilte beamen. De begraafplaats ligt op zo'n twee kilometer van mij vandaan en terwijl ik de taxi instap herhaal ik de graven die ik wil zien. 'Marcel Proust, Frédéric Chopin en Amélie Prayer,' spoken door mijn hoofd.
'Waarheen wilt u monsieur?'
'Naar du Père-Lachaise, s'il vous plaît .' De auto begint te rijden en achter mij zie ik het steeds kleiner wordende Terras Hotel. De chauffeur kijkt wat verzuurd naar de weg. Hij vertelt mij dat hij nachtdienst had en dat ik zijn humeur maar niet persoonlijk op moest vatten. 'Die zeurende toeristen.' Hij slaat linksaf en kijkt door de spiegel. 'Komt u uit Frankrijk?'
'Nee ik ben Nederlands.' Opnieuw kijkt hij door zijn spiegel. 'U lijkt Frans. Wat brengt u hier?'
Ik schets mijn reis in enkele zinnen. 'Du Père-Lachaise, daar ligt mijn oom begraven. Hij was ook een taxi chauffeur. Zwart haar, blauwe ogen, blanke huid net als u meneer. Zeker geen lelijke man en toen hij op een nacht overvallen werd door een stel jongens uit de banlieu besloot hij te stoppen met dit vak en werd hij visser in Marseille. Daar ving hij eens een vis zo groot, dat zijn kleine zeilbootje kapseisde.' Een kleine lach op de man zijn gezicht maakte het grauwe weer wat mooier. Jeugdsentiment heet zoiets geloof ik.
'Vanaf kinds af aan wist ik dat ik net zo wilde worden als mijn oom. Wie weet, misschien wordt ik ook wel visser.' In gedachten dwaalt de man af naar een klein bootje op het marseillse water.
'Hier moet u links.' De chauffeur kijkt op. Hij mompelt wat in zijn dialect en keert de auto dan om.
Ik dwaal wat af, wanneer ik door de poort loop en de begraafplaats begroet. De wegen in het kerkhof zijn verhard en langs mij bevinden grote stenen monumenten waarin de doden rusten. Namen, die ik soms maar moeilijk kan uitspreken, staan op de door zuilen gedragen kapitelen geschreven.
Abélard, Xavier, Ingres, Kochno, het zegt mij allemaal niets en ik loop ze maar zwijgzaam voorbij.
Bij een wat kil graf met een grijs kruis erop blijf ik staan. 'Marcel Proust,' staat er in eveneens grijze dikke letters op het natuursteen geplakt. Waarom deze man bijzonder genoeg is voor mij om hem bij zijn graf te eren blijft een raadsel.
Misschien zijn het zijn woorden, die me inspireren.
Misschien wel door de vele boeken van zijn hand, die ik nooit heb gelezen.
Misschien dat zijn noodlottige leven mij raakt of
misschien draag ik wel een sympathie voor zijn visie.
Veel meer zin om erover te denken heb ik niet en ik verlaat het graf en ga op zoek naar het volgende.
'Mijn beste heer. Als er ooit een dag komt dat god voor jou staat, sla hem dan,' is een zin die telkens in mij opkomt wanneer ik de piano aansla en één van zijn werken speel.
Frédéric Chopin, een geboren Pool, is misschien wel de bekendste van zijn volk. Hij en mijn vorige bezochte dragen beiden een wat noodlottig einde. Beiden gestorven aan een ziekte, die hun hele leven lang bij hun bleef. Wie weet, misschien dat na de dood je dierbaren achterblijven en dat je last meegaat, omhoog of omlaag. De grote bloemenzee, waarvan de helft verdort, kleurt het witte graf. Een rouwende vrouw zit op zijn graf en ik kan het niet laten om te denken wie van zijn vele vrouwen dat is. Ze houdt iets in haar handen, ik kan niet zien wat, maar ze houdt het stevig vast. Buigt zelfs iets voorover om het te beschermen.
'Vaarwel mevrouw.' Ik steek mijn hand op en loop van het graf weg. Du Père-Lachaise ontwaakt nu het zonlicht fel op haar schijnt, maar ik wordt haar zat. Haar kou en kilheid maken me depressief en veel langer wil ik niet blijven. Bij een laatste graf stop ik.
Pour Amélie Prayer
ma chère Fille, sœur et fiancée.
Repose, dans la tranquillité.
Gehurkt lees ik de tekst hardop voor. Mijn stem stokt bij Amélie en fiancée en ik neem een diepe zucht voordat ik de rest citeer. Het graf staat er verzorgt bij en de bloemen van de begrafenis zijn vervangen door nieuwe rozen en lelies. De planten waarvan ze zoveel hield.
Ik leg de roos, die ik trillend in mijn handen houdt, op het marmeren trappetje voor het graf en na een paar loze woorden, alsof ze kan horen wat ik zeg, sta ik op en loop weg. Nog één keer ruik ik de geur van de stad.
Ruikt de zomer niet heerlijk in Parijs?