Ergens in een klein landje genaamd Nederland leefde eens achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid. Het volk leed honger in het kleine Nederland en ook al zagen de achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid dat, zij vonden het belangrijker om erover te praten dan er ook nog echt wat aan te doen.
Op een dag kwam er een jonge moeder met haar kleine baby in haar armen naar het hoofd van de achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid toe. 'Mijn kind, zonder voedsel sterft het. Mijn kind, redt mijn kind,' jammerde de jonge moeder met haar kleine baby in haar armen, maar het vorstige hoofd zag niets anders dan een nieuwe discussie. Die discussies noemden de achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid trouwens een debat. En het houden van zo'n debat heette dan debateren. Ook over de benaming van debateren debateerde de achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid dagenlang voordat zij tot het besluit kwamen om debateren debateren te noemen.
Het vorstige hoofd duwde de jonge moeder met haar baby in haar armen van het marmeren opstapje voor het enorme paleis waar de achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid dagelijks debateerden. 'Achttien mooie mensen met een overvloed aan menselijkheid,' begon het vorstige hoofd, volledig in de illusie dat ze ook nog echt enige vorm van schoonheid en menselijkheid bezaten te roepen door de rijkelijk versierde, enorme, zonnig verwarmde vergaderzaal.
'ik heb een nieuw onderwerp voor ons dagelijkse debat gevonden om over te debateren.' De overige zeventien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid keken verwaand op. met één afschuwelijke zucht der vreugde, afkomend van een grijsharige rode haan dragende minder lelijk maar toch zeker niet mooi te noemen man van in de veertig die nog steeds beweert de dertig nog niet gepasseerd te hebben, werd de petunia op de tafel bruin aangeslagen naar de andere kant van de bloemenwereld geholpen.
'Wat is het dat u heeft gevonden om over te debateren,' zeiden alle achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid in koor, het vorstige hoofd totaal vergeten dat zij het is aan wie de vraag wordt gesteld. 'Mogen mensen zelf bepalen of ze sterven,' zei het vorstige hoofd daarna doodleuk, daar haar intelligentie niet veel verder ging dan leuke hoedjes uitzoeken.
'Ik vind dat mensen zelf mogen beslissen wanneer ze sterven, want een dokter kan zijn of haar leven dan wel niet ondragelijk noemen, maar zelf kan hij of zij wel zijn of haar leven als een ondragelijke put van wanhoop en pijn zien.' Door deze woorden werden alle achttien de lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid zo erg bewogen dat ze spontaan zelfmoord pleegden.
Het volk besloot deze dag altijd te blijven herinneren en te vieren als de dag dat de achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid kozen voor een leven na deze en zo zorgden voor welvaart en voorspoed in het land. De jonge moeder met haar baby in haar armen werd later een rijk edelvrouw en deelde mee in de nieuwe groep van achttien lelijke mensjes met een gebrek aan menselijkheid en daarmee begon de circel weer opnieuw.