Dit verhaal wordt misschien te lang, maar als ik het hier post heb ik een goede reden om het verder af te maken. (het is al af in mijn hoofd, maar ik heb steeds geen zin om het uit te typen)
Hoofdstuk 1
Voorzichtig klom Tarak de ladder op. Hij houdt me best, hield hij zich voor, en hij probeerde niet naar beneden te kijken. Hij wenste dat er hier een lift gebouwd was, maar die hele ladder werd normaal niet gebruikt, alleen nu was het de enige doorgang naar de open lucht, want er waren tunnels ingestort. Hij klom door het gat in de grond naar buiten en keek om zich heen. Niet dat er zo bijster veel te zien was, mist, mist, en nog eens mist. Mona had gezegd dat die herders vlak bij de rivier woonden, dus ging hij in de richting van het geraas dat hij hoorde. Het was oorverdovend als je vlak naast de rivier stond, maar hij kon vaag de contouren van een huis onderscheiden. Hij klopte aan en een mensenvrouw deed open. "Wat moet je, dwerg?" Zei ze nors. "Ik wil graag wat vlees kopen." Antwoordde Tarak. "O ja? Ziet het er hier soms uit als een markt of zo?" Tarak zuchtte, Ariciërs stonden erom bekend dat ze een hekel hadden aan vreemdelingen. "Nee, niet echt, maar jij hebt vlees en je hebt geld nodig, en ik heb geld en heb vlees nodig, dus hoeveel wil je hebben?"
Nadat hij het vlees had gekocht ging hij terug langs de rivier, zich afvragend hoe in alle werelden hij het gat in de grond zou terugvinden en -nog belangrijker- er niet in vallen. Toen zag hij plotseling iets bewegen op de andere oever. "Wie is daar?!" Riep hij in een poging het geraas van de rivier te overtreffen. "Hallo? Is daar iemand?!" "Ik ben er.." Klonk een stem plotseling achter hem.
Tarak draaide zich met een ruk om. Daar stond een vrouwelijke gestalte, ze had lang, vreemd glanzend haar, maar haar gezicht was nauwelijks zichtbaar door de mist. Misschien was ze wel een elf, bedacht hij, maar dat kon niet, elfen kwamen in dit hele land niet voor en zeker niet hier. "Wie ben jij?"
Ze lachte, "Als ik je de waarheid zou vertellen, zou je me dan geloven?"
"Hmm, als je het zo vraagt, waarschijnlijk niet, maar wie ben je dan?"
"Mijn naam is Calangol, en ik ben een watergeest."
Dit geloofde Tarak inderdaad niet. Hij geloofde überhaupt niet in geesten, maar als ze er al waren, dan hadden ze waarschijnlijk niet veel belangstelling voor deze wereld. Maar goed, hij moest toegeven dat ze er wat vreemd uitzag, en als ze echt een geest was, kon ze misschien wel iets aan die mist doen. "Als dat waar is, kun je dan die verdomde mist hier eindelijk eens laten optrekken?"
"Dat kan ik wel doen, maar dat zou een bijzonder slecht idee zijn, het zou zelfs gevaarlijk kunnen zijn."
"Als ik hier ergens in val of tegen een boom aanloop, dan is dat gevaarlijk, dus zeur niet zo en doe het gewoon."
"Goed dan, maar je hebt er zelf om gevraagd." Plotseling werd de mist naar een plek boven de rivier gezogen en samengeperst, en veranderde met een zacht sissend geluid in een waterdruppel die in de rivier viel. Tarak stond er als versteend bij. "Je- je kunt het echt.." Calangol liet een betoverende glimlach zien. "Dat zei ik toch."
"Ja, maar.." Wat wilde hij nou zeggen? "Wist je dat je erg mooi bent?"
Er flitste een schaduw over haar gezicht. "Ja.."
"Is er iets?" vroeg Tarak.
Plotseling stond ze naast hem. "Nee" fluisterde ze. "Niets zeggen" Ze keken elkaar in de ogen, en kusten elkaar. En dat is waar het verhaal werkelijk begint.
Hoofdstuk 2:
Pas toen Tarak die avond terugging naar huis, liet hij de gedachte aan Mona zijn hoofd binnen. Hij kon zijn echtgenote niet vertellen wat hij had gedaan, en al helemaal niet met wie. Waarom wist hij zelf niet eens. Het zal wel watergeestmagie zijn, dacht hij bij zichzelf. Ja, dat was het, magie, ze had hem betoverd, dat moest het zijn..
Ondertussen bedacht ook Calangol wat ze nu moest doen. Of eigenlijk, wat ze zou doen. Wat ze moest doen wist ze wel: Geesten mogen zich niet mengen in het leven van stervelingen, en al helemaal niet de liefde met ze bedrijven. Goed, ze had hem gewaarschuwd, maar ze had best geweten dat hij niet zou luisteren. Misschien als hij haar geloofd had, maar hij was sceptisch geweest, wilde zich niet met een flauw excuus laten afschepen. Hij had niet verwacht dat ze het echt zou kunnen. Maar goed, wat ze nu zou moeten doen was ten eerste Tarak doden, en dan teruggaan naar de geestenwereld. Maar ze zou Tarak geen kwaad doen, ze hield van hem, en ze voelde intuïtief aan dat ze nu haar fysieke vorm moest behouden. Een watergeest vertrouwde altijd op haar intuïtie, ze wáren op een bepaalde manier intuïtie. Ze wist best dat het verkeerd was, er was letterlijk een wereld van verschil tussen geesten en stervelingen. Ze herinnerde zich ook wel dat ze ooit de wereld had helpen maken, en dat de aardegeesten hier dwergen hadden gemaakt. Maar de liefde? De liefde hadden zij toch niet gemaakt? Daar herinnerde ze zich niets van. Die moest door de Oerkracht gemaakt zijn, net als de tijd, of de fantasie. Calangol vond dat de liefde groter was dan zijzelf en dus voorging boven geestenregels.
Tarak probeerde om de watergeest te vergeten, en te doen of er niets gebeurd was, en op het oog lukte dat ook. Maar 's nachts, als Mona al in slaap was gevallen, fluisterde hij de naam: Calangol, Calangol, Calangol, en probeerde die als water van zijn tong te laten vloeien, zoals Calangol dat zelf had gedaan. En de volgende ochtend vroeg hij zich af waar hij in alle werelden mee bezig was.
Een paar maanden later was alles weer ongeveer normaal. Tarak was op weg van de smeltovens waar hij werkte naar huis. Hij had honger, hij hoopte dat Mona de paddestoelen klaar zou hebben. Tarak verbeeldde zich dat hij ze al kon ruiken. Dat kon natuurlijk niet, maar ja, dacht hij, hij had wel meer gezien dat niet kon. Daar was het huis, hij klopte op de deur. "Hallo Tarak, je bent er!" Mona was in een vrolijke bui. "Ja... Zeg, wat ruikt het hier lekker." Tarak ademde de geur van schaapsvlees en paddestoelen diep in. Hij liep de kamer in en ging aan tafel zitten. Terwijl ze aten vertelde Tarak over zijn dag. Mona wachtte tot hij klaar was en zei toen: "Tarak, ik wil je iets vertellen." "Ja, wat is er dan?" "Ik ben in verwachting." Als het mogelijk is om op zo'n mededeling voorbereid te zijn, dan was Tarak dat niet. Het duurde even voor de betekenis volledig tot hem doordrong. Hij wist niet wat hij ervan moest vinden. "Maar, weet je dat zeker?" vroeg hij daarom maar. Mona glimlachte "Ja, ik weet het zeker."
En negen maanden later werd het meisje geboren. Gezond en wel. Ze was erg mooi, Mona had haar nog mooi gevonden als ze maar een arm had gehad en drie hoofden, maar ze was echt mooi. Vooral haar ogen, ze waren grijsgroenig, nee, meer blauw, of toch groen. Het leek net alsof ze van kleur konden veranderen, vond Tarak. Een naam hadden ze nog niet bedacht, of eigenlijk wel, een heleboel zelfs, maar ze konden niet kiezen. Die nacht, nadat ze drie uur bezig waren geweest om haar stil te krijgen, werd Tarak plotseling weer wakker. Hij hoorde geen gehuil, alleen een zacht gefluister van Mona. "Tarak, ben je wakker?" haar stem klonk vreemd, maar misschien kwam dat omdat ze zo moe was. "Helaas wel ja. Wat is er?" Tarak draaide zich om. Er hing een vreemde sfeer in de slaapkamer, alsof er iemand was die daar helemaal niet thuishoorde, en dat was niet het kind in de wieg in de hoek van de kamer. "Is ze niet prachtig?" vroeg Mona, die Mona niet was. "Ja, ze is prachtig, maar waarom moet je me dat midden in de nacht vertellen, Mona?" "Ik zal maar doen of ik dat laatste niet gehoord heb. Maar het zou toch zo'n zonde zijn geweest! Ik kon haar toch niet.. Nee, dat zou jij toch ook niet gedaan hebben, of wel, Tarak? Maar het mocht niet ontdekt worden, dus ik dacht: Ik geef haar aan jullie, dan is ze veilig." "Waar heb je het over?!" "Denk daar later nog maar eens over na. Maar we hebben nog niet besloten hoe we het kind gaan noemen. Ik weet een naam voor haar." "O, ja maar.." "Je kunt haar Alashta noemen. Het betekent vrijheid." "In welke taal betekent het vrijheid?" "In ónze taal." zei ze, kijkend naar het meisje. Er klonk trots door in haar stem toen ze dat zei. Tarak besloot om met dit antwoord maar genoegen te nemen. Ze ging bij de wieg staan. "Is ze niet het mooiste kind van de wereld?" Tarak begon daar zo langzamerhand aan te twijfelen. Het zag ernaar uit dat zijn leven niet simpel meer zou worden. "Tarak, wat is ze mooi, wat is ze toch mooi. Vind je Alashta een goede naam?" "Jawel. Ik zal het er morgen over hebben." "Bedankt, Tarak, en vaarwel. En jij ook vaarwel, kleine Alashta.." Ze ging weer in bed liggen. Heel even leek er iets weg te schieten door het raam, toen was alles weer stil. Tarak ging in bed liggen en probeerde zich niet af te vragen wat de morgen zou brengen.