Ja, ik heb besloten de proloog van de reeks die ik aan't schrijven ben te posten om wat feedback te krijgen :D
De titel 'krachten der evenwicht' is wat ik momenteel verkies, maar dat kan uiteraard nog veranderen :)
Ik heb het in 5 stukjes opgedeeld, ik zal dus elke dag 1 stukje posten, zodat het niet teveel ineens is :)
Ennuh ... feedback geven he!
Ze sloop door het struikgewas, donkerrood bloed bleef achter op de bladeren van de varens waar ze langs streek. De diepe wond klopte hard in haar zij, in een gestaag ritme, als een smidshamer op een aambeeld, doem, doem, voortdurend, zonder pauze. Het struikgewas achter haar ritselde, een grauw als van een kat, de jager had het nog niet opgegeven. Snel sprong ze voorwaarts in een krankzinnige sprint door het struikgewas, varens en doornstruiken die langs haar zij schuurden, in de hoop de jager kwijt te geraken. De wond in haar zij speelde haar parten, ze had al veel bloed verloren en haar krachten verslapten, maar ze kon niet rusten voor ze de jager kwijt was. Hoe langer het duurde voor ze de wond kon verzorgen, hoe groter de kans op een infectie, de klauwen van de jager hadden vuil diep de wond ingebracht, en de giftige doornen in het struikgewas hadden het zachte vlees van de wonde doordrongen. Doem, doem, ze hoorde de jager dichterbij komen, steeds sneller, steeds dichter, hij was haar op het spoor. Ze nam een scherpe bocht naar links en zigzagde het woud door, ze moest hem zien af te schudden. Even verderop kwam een brede beek in zicht, ze spande haar krachtige achterpoten en sprong erover, een korte zweefvlucht, dit zou de jager niet ophouden, maar ze zou even tijd winnen voor hij haar spoor weer vond. Voorbij de beek rende ze weer de volledig andere richting uit om haar spoor te verbergen voor de jager, nu moest ze zich haasten, een veilige plaats vinden.
De zon was al onder gegaan in het westen, de monsters die het daglicht niet konden verdragen kwamen tevoorschijn nu Het Licht haar deken van kleuren had weggetrokken van de wereld, ze moest nu snel een schuilplaats zoeken. Plots kwam ze op een open gebied, een kleine heuvel met in het midden een eeuwenoude eik. Deze oude bomen werden bewoond en beschermd door boomgeesten, wezens van Het Licht, welke de duistere wezens zouden afweren, haar jager zou niet in de buurt kunnen komen. Doem, doem, snel begon ze aan haar transformatie, haar geschubde poten met lange zwarte klauwen veranderden in handen met slanke vingers, of slanke voeten met lange tenen, haar lichaam groeide tot de grootte van dat van een jong meisje, haar huid werd zacht en bleek, zacht golvend wit haar groeide op haar hoofd, haar staart verdween volledig, in een paar tellen was de transformatie compleet, alleen wie diep in haar ogen keek zou nu nog kunnen zien dat ze geen gewoon meisje van tien was.
Naakt strompelde het meisje de heuvel op, een gapende wond in haar zij verloor veel bloed. Aan de rand van de heuvel had ze wat varens losgetrokken, met hun scherpe steel peuterde ze de enkele doornen die waren blijven zitten eruit, de pijn verbijtend. Met wat gras veegde ze de wonde schoon zo goed ze kon, ze had niet veel tijd. Ze bond de varens stevig rond de wonde, ze mochten niet los komen. Doem, doem, behendig klom ze in de boom, ze greep een van de lage takken en trok zich omhoog, zoals elk klein meisje in een boom zou klimmen. Ze klom tot hoog in de boom, waar de grond nauwelijks te zien was tussen de takken door. Wanneer ze aan een splitsing van twee takken kwam dacht ze dat ze ver genoeg was, en veel verder kon ze toch niet gaan, niet zonder de eik te verwonden, daar transformeerde ze terug naar haar normale lichaam, haar staart groeide terug aan, even lang als haar prachtig gevormde lichaam, haar vingers werden klauwen, met lange, stevige, zwarte nagels, schubben bedekten haar huid, eerst prachtig zilverwit als zonlicht dat weerkaatst wordt door water, dan, toen ze zich aanpasten aan de omgeving, lichtbruin als de takken van de machtige eik. De varens bleven stevig vastzitten, ze had al eerder geleerd hoe ze iets in haar menselijke vorm kon vastbinden zodat het ook vast bleef zitten nadat ze transformeerde. Doem, doem, met haar transformatie compleet konden haar nu helder glanzende lila kleurige ogen weer perfect zien in de nachtelijke duisternis, de eik stond op een heuvel in het woud, zijn brede kruin spreidde zich breed uit en zou het zonlicht hinderen de grond te bereiken waardoor er over de hele heuvel slechts gras en mos groeide. De lente was voorbij en de eik was volledig bedekt met brede, groene bladeren die het zicht verhinderden.
Doem, doem, plots hoorde ze het geluid van krakende takken, ver beneden op de begane grond kwam een lynx uit de struiken, het beest had een donkerbruine pels met een zwarte tekening en goudkleurige poten en staart, de stevige schouders en brede kop verrieden dat het een volgroeid dier was met veel ervaring in de jacht. Ze was net op tijd geweest, de lynx naderde de eik, als het een gewone lynx was zouden de boomgeesten haar niet beschermen, de lynx jaagde uit instinct, op voedsel, zo werkte de natuur, hij had geen duisterdere redenen. Doem, doem, de lynx kwam op de eik af, zijn neusvleugels trilden om haar geur vast te houden. Plots, aan de rand van de heuvel bleef hij staan, zijn hoofd kwam omhoog en keek naar de bovenste takken van de eik, doem, doem, hij zette een stap voorwaarts, maar afkeer scheen achter zijn ogen. Wat misschien een verwarde uitdrukking kon zijn gleed over zijn gezicht, en even later sloop het verder, weg van de boom.
Waarom ging hij weg? Misschien was het haar transformatie die haar had gered, samen met haar lichaam was ook haar geur veranderd in dat van een mens en de lynx was het spoor kwijtgeraakt.
Gerust legde ze zichzelf neer in de eik, het geklop in haar zij nam af, ze gaf zich over aan de slaap en sliep heel de nacht door. Ze werd slechts tweemaal gewekt door onheilspellende geluiden, duistere wezens bewogen in het struikgewas rond de heuvel, maar de boomgeest beschermde de heuvel tegen deze magische wezens. Ergens diep in haar geheugen herinnerde ze zich dat het niet altijd zo geweest was, haar soort droeg de belangrijke herinneringen van vorige levens met zich mee, en ze herinnerde zich dat in vroegere tijden er veel ergere duistere wezens leefden, welke minstens even machtig waren als een boomgeest en geen angst hadden voor zonlicht.
Toen De Duisternis verdween waren deze wezens echter ook verdwenen, het enige wat overbleef waren deze plaaggeesten, wezens die enkel in de nacht actief waren, en alleen een gevaar vormden voor jonge dieren. En de lynx was een gewone lynx geweest, ... waarom had haar magie niet gewerkt?